De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 42
Eene jonge vrouw, die door de handelaars tot het ergste doel verkocht was, was teruggekeerd, daar zij niet gelukkig genoeg was geweest haar kooper te bevallen; en, gelijk in dergelijke gevallen de gewoonte is, werd zij zoo gruwelijk gegeeseld--dat er versterving in een gedeelte van haar vleesch ontstond, en men aan haar leven wanhoopte. Toen Mary en Emily voor het eerst te New-Orleans aankwamen, zagen en spraken zij haar. Zij was toen juist begonnen op te zitten, zag er zeer tenger en mooi uit, met fraai regt hair, dat eertijds lang was geweest, maar door hare onbeschofte pijnigers was afgesneden.
De opzigter, die haar gegeeseld had, zeide, ten hunne aanhooren, dat hij een ander meisje nooit zoo geeselen zou, want het was te veel voor iemand om te zeggen. Zij veronderstelden, dat de reden waarom hij dit beloofde, daarin gelegen was, dat hij verpligt was haar op te passen en daardoor getuige was van haar lijden. Zij was van Alexandria, maar zij hadden haar naam vergeten.
Een jonge man en vrouw, die met hen in de gevangenis waren, en die met elkander verbonden waren om te trouwen, en aan verschillende meesters verkocht werden, waren zoo ter neêrgeslagen bij hunne scheiding, dat zij niet goed werkten of konden werken, en de jonge man werd spoedig teruggezonden met de klagt, dat hij niet aan het doel beantwoordde. Natuurlijk moest het geld teruggegeven en hij gegeeseld worden. Hij werd veroordeeld om een week lang iederen avond te worden gegeeseld, en, nadat hij twee honderd slagen van den opzigter had ontvangen, werd ieder der mannelijke slaven die in de gevangenis waren, gedwongen om hem uit al zijne magt vijf slagen toe te brengen, op straffe van zelf te worden gegeeseld. De jonge vrouw werd eveneens teruggezonden met een briefje van hare nieuwe meesteres, waarin zij verzocht, dat haar een zeker getal slagen zou worden toegediend, en tevens het geld was gesloten, dat daarvoor stond; aan welk verzoek op staanden voet voldaan werd.
Terwijl zij in New Orleans waren, zagen zij reeksen van aan elkander geketende vrouwen de straten schoonmaken, waarvan sommige een zwaren ijzeren kogel aan haar keten medesleepten; eene soort van straf, over het algemeen in zwang voor werkmeiden, die hare meesteressen mishaagd hadden.
Hamilton Edmondson, de broeder die zich-zelf had vrijgekocht, wendde alle mogelijke pogingen aan om zijne broeders en zusters in New Orleans een goed huis te bezorgen, zoodat zij niet ver van elkander behoefden gescheiden te worden. Op zekeren dag nam Mr. Wilson, de opzigter, Samuel met zich mede in een rijtuig en keerde zonder hem terug. De broeders en zusters bemerkten spoedig, dat hij verkocht en de Hemel wist waarheen gegaan was; maar het was hem op straffe van zware kastijding verboden te weenen, of zelfs een droevig gezigt te vertoonen. Tot hunne groote vreugde kwam hij echter den volgenden dag bij hen in de gevangenis, en verhaalde hun, dat hij een goed huis in de stad bij een Engelschman had gekregen, die duizend dollars voor hem besteed had.
Nadat zij drie weken in deze gevangenis hadden doorgebragt, deelde men de Edmondsons mede, dat door het toenemen van de gele koorts in de stad, en doordien zij nog niet geacclimateerd waren, het voor hen gevaarlijk werd om hier langer te blijven; en dat daarenboven door dit alles de koopers weinig lust hadden om hooge prijzen te besteden. Sommige slaven in het schuthok waren reeds ziek; eenige hunner oud, arm en morsig, en daardoor grootelijks vatbaar voor ziekte. Richard Edmondson was reeds vrijgekocht en moest dus worden teruggezonden, en alles wel bezien oordeelde men het best om zonder dralen een troep te maken en naar Baltimore te zenden.
De Edmondsons ontvingen dit berigt met groote blijdschap, want het was hun niet onbekend gebleven dat het geld, hetwelk bijeen gebragt werd om hen vrij te koopen, al vrij wat geklommen was. Hun broeder, die in vrijheid was, voorzag hen van menig gemak voor dezen togt, zoo als een matras, dekens, lakens en allerhande soort van eet- en drinkwaren; en, door hunne vrienden naar het schip uitgeleide gedaan, werden zij juist met den avond aan boord van de brik de Unie ingescheept en buiten de rivier geboegseerd. De brik had bijna een volle lading van katoen, siroop, suiker, enz. in, en derhalve was de ruimte voor de slaven al zeer beperkt. De plek, die der vrouwen was toebedeeld, was een klein, naauw, smerig vertrek, misschien acht of tien voet in het vierkant, van binnen opgepropt met katoen, dat op twee of drie voet van den zolder reikte, met uitzondering van de plek, die vlak onder het luik was. Richard Edmondson hield zijne zusters bij zich op het dek, hoewel zij daar zonder eenige beschutting waren: bereidde hun eten zelf, maakte hun bed boven op de katoenbalen, of waar hij slechts een plekje vinden kon, en legde zich dan nevens haar te slapen. Somtijds als er een storm opstak in het holle van den nacht, sprong hij op en wekte haar, en haar bed en beddegoed opnemende, geleidde hij haar naar een kleine soort van voorraadkast, waar zij juist alle drie in staan konden tot de storm over was. Somtijds wist hij hun uit stukken van planken of iets anders op het dek een tijdelijke beschutting te bezorgen.
Na eene reis van zestien dagen, kwamen zij te Baltimore aan, in de zekere verwachting dat de dagen hunner slavernij waren geteld. Hier werden zij weder naar dezelfde oude gevangenis gebragt, waaruit zij eenige weken geleden genomen waren, ofschoon zij veronderstelden dat het slechts voor een uur of wat wezen zou. Mr. Bigelow, van Washington, kwam terstond om Richard. Toen de meisjes ontwaarden dat ook zij niet in vrijheid gesteld werden, was hunne smart en teleurstelling onuitsprekelijk. Maar zij werden gescheiden--Richard om naar zijn huis, zijne vrouw en kinderen te gaan, en zij om in de slavengevangenis achter te blijven. Er verliepen allerverdrietigste dagen en nachten. Des morgens waren zij genoodzaakt om de plaats op de muziek van vedels, banjoes, enz. in het rond te loopen; op den dag waschten en streken zij voor de mannelijke slaven, en versliepen of bragten het overige gedeelte met weenen door. Na eenige weken kwam haar vader haar bezoeken, vergezeld door hare zuster.
Het was gedeeltelijk zijn doel om zich te vergewissen wat de laagste prijs was waarvoor hun eigenaar de meisjes zou willen verkoopen, daar hij eene flaauwe hoop koesterde, dat op de eene of andere wijze het geld zou worden bijeen gebragt, als men er den noodigen tijd maar voor liet. De handelaar verklaarde, dat hij ze spoedig naar eene andere slavenmarkt zenden zou, maar dat hij twee weken wilde wachten en, als de vrienden in dien tijd het geld konden magtig worden, zij haar zouden hebben.
Den nacht, dien haar vader en zuster met haar in de gevangenis doorbragten, lag hij in het vertrek boven haar; en zij konden hem den ganschen nacht hooren kermen; terwijl hare zuster aan hare zijde zat te weenen. Geen hunner kon dien nacht een oog luiken.
Den volgenden morgen begon op nieuw de verdrietelijke routine van de slavengevangenis. De oude Paul wandelde bedaard over de plaats, en zette zich neder om de arme slaven, die daar rondliepen, te beschouwen. Hij had zijne dochters vroeger nooit in zulk een toestand gezien, en hij werd door zijn gevoel overweldigd. De plaats was niet groot, en de meisjes, als zij langs hem henen wandelden, raakten hem bijna met hare kleederen aan, en konden hem in zich-zelven hooren jammeren. "O mijne kinderen, mijne kinderen!"
Na het ontbijt, hetwelk geen van haar in staat was te nuttigen, scheidden zij van elkander, terwijl de vader den handelaar smeekte, om haar naar New Orleans te zenden, als het geld niet kon worden bijeengebragt, dewijl hare broeders haar daar misschien goede meesters konden bezorgen.
Twee of drie weken later bezochten Bruin en Hill de gevangenis, ontbonden hunne compagnieschap met den handelaar, sloten de rekening met elkander en namen de Edmondsons op nieuw in hun bezit.
De meisjes werden 's nachts ten elf ure, toen zij pas in slaap waren geraakt, gewekt en gelast zich terstond gereed te maken om naar huis te gaan. Zij hadden geleerd, dat het woord van een slavenhouder niet te vertrouwen is, en vreesden dat zij naar Richmond of Virginia zouden gezonden worden, omdat zij daarvan hadden hooren praten. Zij waren spoedig met den spoortrein op weg met Bruin, en kwamen een weinig na middernacht te Washington aan.
Hare harten klopten van vreugde, toen zij, na deze maanden-lange bittere gevangenschap, zich weder in dezelfde stad bevonden, waar hare broeders, zusters en bloedverwanten woonden. Maar het werd haar niet toegestaan iemand der haren te zien; zij werden in een rijtuig geplaatst en terstond naar de slavengevangenis van Alexandria overgebragt, waar zij, omstreeks twee uren in den nacht, zich op nieuw in hetzelfde ellendige oude vertrek geworpen zagen, waar haar gevangenis-tijdperk een aanvang had genomen.
Dit gebeurde op het einde van Augustus. Andermaal werden zij gebezigd om over dag te wasschen, te strijken en te naaijen, terwijl zij des nachts werden opgesloten. Nu en dan werd het haar toegestaan in het huis van Bruin te naaijen en er zelfs te eten. Toen zij een week of drie in Alexandria geweest waren, kwam hare oudste gehuwde zuster, die sedert geruimen tijd niets van haar gehoord had, bij Bruin, om zoo mogelijk iets van haar te vernemen, en hare verrassing en vreugde waren niet gering, toen zij haar nog eens en zelfs daar zag. Eenige weken later kwam haar oude vader haar op nieuw bezoeken. Hoe hopeloos het denkbeeld van hare bevrijding ook mogt schijnen, toch bleef hij er aan vasthouden. Hij had eenige aanmoediging en bijstand te Washington ontvangen, en was voornemens naar het Noorden te gaan om te zien of hij daar iets kon gedaan krijgen; en hij verlangde vurig van Bruin te hooren, wat wel de laagst mogelijke prijs was, waarvoor hij zijne dochters kon inkoopen. Bruin stelde zijne voorwaarden op in het volgende document, hetwelk wij hier laten volgen:
Alexandria, (Virginia) 5 Sept. 1848.
Houder dezes is Paul Edmondson, de vader van twee meisjes, Mary Jane en Emily Catharina Edmondson. Deze meisjes zijn door ons gekocht en ééns naar de zuidelijke markt gezonden, en op de stellige verzekering dat het geld voor haar zou zijn bijeen gebragt, als zij terug gevoerd werden, waren zij terug gekeerd. Naar het schijnt is in dit opzigt tot nog toe niets door hen, die het beloofden, verrigt, en wij zijn op het punt om haar andermaal naar de zuidelijke markt te zenden, en wij verklaren het opregtelijk, dat, als zij er weder heengaan, wij niet het minste acht zullen slaan op beloften, die in betrekking tot haar mogten gedaan worden. De vader wenscht het geld, dat voor haar betaald moet worden, bijeen te brengen, en is voornemens een beroep te doen op de milddadigheid van de menschlievenden en goeden om hem bij te staan, en heeft ons verzocht de voorwaarden, waarop wij zijne dochters willen verkoopen, in schrift te stellen.
Wij zijn voornemens onze bedienden binnen weinige dagen naar het Zuiden te zenden. Als de som van twaalf honderd (1200) dollars binnen veertien dagen aan ons wordt ter hand gesteld, of wij zekerheid voor dit bedrag ontvangen hebben, zullen wij haar nog vijf en twintig dagen langer ophouden, om gelegenheid te geven tot het verkrijgen der andere duizend en vijftig (1050) dollars, anders zullen wij genoodzaakt zijn haar met onze andere bedienden te verzenden.
Bruin en Hill.
Paul nam zijne papieren en scheidde met een beklemd gemoed van zijne dochters. Van dat oogenblik af leefden zij in de grootste onzekerheid. Gedurig zagen zij naar een brief of een bode uit en baden God, dat Hij haar ergens een bevrijder mogt verwekken. Maar dag op dag en week op week ging voorbij, en de gevreesde tijd kwam al nader en nader. De voorbereidende werkzaamheden tot het gereed maken van een troep voor Zuid-Carolina namen een aanvang. Kleurig katoen werd voor haar gekocht om er pronkkleederen van te vervaardigen, waarin zij ten verkoop zouden worden aangeboden. Zij maakten ze met vrij wat bitterder smart op dan waarmede zij hare eigene doodshemden zouden vervaardigd hebben. De hoop was bijna in haar binnenste gestorven. Eenige dagen voor dat de troep zou worden afgezonden, bragt hare zuster haar een droevig afscheidsbezoek. Zij vermengden hare gebeden en tranen met elkander, en de meisjes maakten kleine souveniers, die zij als afscheidsgeschenken aan hare broeders en zusters en haar bejaarde vader en moeder zonden, en met een vaarwel, veel smartelijker dan dat van een sterfbed, scheidden de zusters.
De avond, voor dat de troep vertrekken zou, naderde. Mary en Emily begaven zich naar het huis om afscheid van Bruins familie te nemen. Bruin had een dochtertje dat een speelpopje en lievelinge van de meisjes geweest was. Zij klemde zich aan haar vast, huilde en bad, dat men haar niet zou laten vertrekken. Emily zeide haar, dat als zij wilde dat zij zouden blijven, zij het aan haar vader moest gaan vragen. Vervuld met hare boodschap, huppelde de kleine pleitster henen, en plaagde hem zoo geducht en hield zoo sterk aan, dat hij, om haar te vrede te stellen, er in bewilligde om haar te laten blijven, als zijn compagnon Hill er in toestemde. Op dit oogenblik ging Bruin, die Mary overluid in de gevangenis hoorde kermen, naar haar toe. Met al de kracht der wanhoop deed zij een laatste beroep op zijn hart. Zij smeekte hem, zich in hare plaats te stellen, te denken aan zijne eigene kleine dochter; zij stelde hem voor wat het zijn zou, als zij werd ontrukt aan alles wat zij op aarde bezat, en alle hoop van bevrijding voor haar verloren ging, op het eigen oogenblik, dat zij de vrijheid verwachtte! Bruin was niet bepaald van steen, en dit vreeselijke beroep bragt hem de tranen in de oogen. Hij gaf haar eenige hoop, dat, als Hill er in wilde toestemmen, zij niet met den troep zou worden verzonden. Een slapelooze, in tranen, gebeden en zuchten doorgebragte nacht volgde. Eindelijk brak de morgen aan, en, overeenkomstig de bevelen die zij den vorigen dag ontvangen hadden, maakten zij zich gereed om te vertrekken, zetten zelfs hare mutsen op, sloegen hare doeken om en stonden te wachten tot het sein zou worden gegeven. Toen de laatste traan der hoop was gedroogd en zij naar buiten waren gekomen om zich bij den troep te voegen, werd Bruins hart tot zachtheid geneigd. Hij riep haar tot zich, en zeide haar dat zij mogten blijven! O! wat werden hare harten hierdoor verblijd, daar zij nu een weinig langer mogten hopen! Of de smeekingen van de kleine Martha òf Mary's aandrang, hadden de overwinning behaald.
Spoedig vertrok de troep te voet; mannen, vrouwen en kinderen, twee aan twee, de mannen allen met handboeijen aan elkander vastgehecht, de regtervuist van den een tegen de linkervuist van den ander, terwijl een keten, die tusschen de handboeijen doorliep, het eene paar aan het andere verbond.
De vrouwen en kinderen liepen aldaar op dezelfde wijze, met handboeijen of ketens aan. Drijvers liepen vooraan en op zijde, om diegenen op te nemen, die ziek of gebrekkig waren; zij waren verpligt zich zingende in beweging te stellen! begeleid door vedels en banjoes!--"Want zij, die ons als gevangenen wegvoerden, eischten van ons een lied, en zij, die ons aan de ellende prijs gaven, eischten vrolijkheid van ons." En dit is een tooneel dat men dagelijks kan zien in een Christelijk land!--en verkondigers van Christus zeggen, dat het regt om zulke dingen te bedrijven, door God zelven gegeven is!!
Intusschen trok Paul Edmondson naar het Noorden om daar hulp in te roepen. Iemand die in die dagen met den spoortrein reisde, moet er een eerwaardigen zwarten man in hebben aangetroffen, wiens geheele voorkomen en houding den geduldigsten ootmoed verried en die een zwaren last van verpletterend lijden met zich scheen om te dragen, als iemand die lang de smart had gekend. Die man was Paul Edmondson.
Alleen, zonder vrienden, onbekend, en wat nog het ergste van allen is, zwart van huid, kwam hij in de uitgestrekte, woelige stad New York, om te zien, of er ook iemand zijn mogt, die hem vijf en twintig honderd dollars kon geven, om daarmede zijne dochters vrij te koopen. Kan iemand beschrijven wat een arm man gevoelt, die, met dat doel, eene bedrijvige, rijke stad, alleen en onbekend, binnentreedt? De schrijfster bezit nu in den brief eens slavenvaders en echtgenoot, die naar Portland was gekomen met een dergelijke boodschap, eene roerende uitdrukking van dat gevoel:--
Ik liep den ganschen dag, tot dat ik uitgeput van vermoeijenis en ontmoedigd was. O! mevrouw S.--als ik zoo veel menschen zie, die zoo veel meer dingen schijnen te bezitten dan zij noodig hebben, of weten wat zij er meê doen zullen, en dan indenk, dat ik tot boven mijn veertigste jaar, mijn geheele leven door hard gewerkt heb, en zelfs mijne eigene vrouw en kinderen niet tot mijn eigendom kan maken, voel ik mij, o, zoo krank en neêrslagtig!
Zoo krank van ziel en terneêrgeslagen gevoelde zich Paul Edmondson. Hij begaf zich naar het anti-slavernij-kantoor, en zeide wat er hem henen dreef. Het was zulk een groote som en ze scheen zoo geweldig hoog, dat, ofschoon men den armen vader beklaagde, men den moed niet had, om te trachten die bij elkaâr te krijgen. De beambten schreven naar Washington, om zich van de waarheid van onderscheidene punten te overtuigen, en schreven aan Bruin en Hill, om te beproeven of zij niet iets van den prijs wilden laten vallen. Intusschen ging de arme oude man van den eenen raadsman naar den ander. Men had hem aanbevolen naar den eerwaarden H. W. Beecher te gaan, en dien zijne geschiedenis te verhalen. Hij vroeg den weg naar zijn huis--klom de trappen van het bordes op om aan te schellen, maar zijn hart ontzonk hem--hij bleef schreijende op de trappen zitten.
Daar werd hij door Mr. Beecher gevonden. Hij nam hem met zich naar binnen, en vroeg hem naar zijne geschiedenis. Dien avond zou er een openbare vergadering zijn ter inzameling van gelden. De rampzalige vader smeekte hem er heen te gaan en de zaak zijner kinderen te bepleiten. Hij ging er heen en sprak, alsof hij voor zijn eigen vader en zusters sprak. Andere geestelijken gingen op dezelfde wijze met spreken voort,--de vergadering werd enthousiastisch, en het geld werd op de plek ingezameld, en de arme Paul legde dien avond zijn hoofd tot dankbaarheid neêr op zijn kussen--niet om te slapen, maar om te danken!
Inmiddels hadden de meisjes vreeselijk lange dagen in de gevangenis doorgebragt. Daar werden zij gebezigd om voor Bruin's huisgezin te naaijen, terwijl ze nu eens in de gevangenis en dan weder in het huis werkten.
Het verdient vermeld te worden dat Mr. Bruin van geheel anderen aard is dan een aantal mannen van zijn beroep. Hij is iemand dien men nooit onder de slavenhandelaars zou hebben aangetroffen, indien niet het achtingswaardigste gedeelte der maatschappij het regt verdedigd had, om te koopen en te verkoopen, als eene instelling van God zelven. Waar is het, dat Mr. Bruin een van de eerste inteekenaars op de National Era in het district Columbia was, en toen een zeker iemand zich daar in groot gevaar bragt, door het bijstaan van slaven in hunne vlugt, en er niemand te vinden was die voor hem wilde borg blijven, kwam Mr. Bruin te voorschijn en was zoo vriendelijk zich borg te stellen.
Terwijl wij het afschuwelijke stelsel en dien afschuwelijken handel met geheel ons hart verfoeijen, gelooven wij, dat er geen kwaad in gelegen is, te wenschen, dat zoo iemand een beter bedrijf had om uit te oefenen. Toch kunnen wij niet nalaten al de zoodanigen te herinneren, dat, wanneer wij voor den regterstoel van Christus geroepen worden, iedereen voor zich-zelf alleen zal verantwoorden, en dat Christus niet als eene verontschuldiging der zonde, de woorden van al de geestelijken en al de synoden des lands zal aannemen. Hij heeft ons de schoone les geschonken: "Wacht u voor de valsche profeten;" en als de menschen er zich niet voor willen wachten, komt hun bloed over hunne eigene hoofden.
Terwijl de meisjes onder Mr. Bruin's bewaring waren, werden zij met zoo veel vriendelijkheid en onderscheiding behandeld, als maar bij eenige mogelijkheid bestaan kon, met het voornemen om ze te verkoopen. Het valt niet te betwijfelen, of Bruin voor zich, behandelde haar vriendelijk, en wenschte opregtelijk dat zij mogten worden vrij gekocht; maar dan zag hij geen reden om twee duizend vijf honderd dollars te verliezen. Hij was, met betrekking tot dit punt, juist in dezelfde moeijelijkheid geplaatst als sommige leden van verschillende kerken te New York, toen hun slaven als onderpand voor gelden, die men in het Zuiden schuldig was, waren toebedeeld. Het speet hem om harent wille en hij wenschte wel en hoopte, dat de Voorzienigheid voor haar zoude zorgen, wanneer zij verkocht waren, maar toch kon hij er niet toe overgaan om zijn geld te verliezen, en zoo lang zulke lieden ouderlingen en avondmaalgangers in kerken van New York blijven, moeten wij ons niet verwonderen dat er in Alexandria slavenhandelaars blijven bestaan.
Het is een der groote kunstgrepen van den vijand der zielen menschen te verlokken om hunne deelneming in ééne soort van zonde te vergoeden, door hun godvreezende afschuw van eene andere soort. De slavenhandelaar is de algemeene zondebok, waarop al de partijen hare verontwaardiging geladen hebben, terwijl zij van hem kochten of aan hem overdeden.
In den vijftigsten Psalm wordt eene geduchte waarschuwing gegeven aan allen, die met woorden hun geloof hebben beleden, maar wier daden getuigen, dat zij de ongeregtigheid goedkeuren, en waar Christus wordt voorgesteld als hen van Zijnen regterstoel aldus toesprekende:--"Wat hebt gij mijne inzettingen te vertellen en neemt mijn verbond in uwen mond, dewijl gij de kastijding haat, en mijne woorden achter u henenwerpt? Indien gij eenen dief ziet, zoo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers."
Één ding is zeker, dat al degenen die deze dingen, hetzij openlijk, hetzij in het geheim bedrijven, ten laatste hunne rekening moeten vereffenen met een regter die geen aannemer des persoons is, en die even spoedig een ouderling van de kerk zal veroordeelen wegens slavenhandel als een slavenhandelaar van beroep; ja hij zal het verdragelijker maken voor het Sodom en Gomorra der slavenhandels, dan voor hen;--want men kan veilig aannemen dat de handelaar, als hij de middelen der genade gekend had zoo als zij, er reeds lang berouw over zoude gehad hebben.