De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 41

Chapter 413,874 wordsPublic domain

Kan het iemand na dit alles verwonderen, dat zeven en zeventig der verstandigste jonge slaven, zoo mannen als vrouwen, in de stad Washington, den heer Foote en zijne medesenatoren eerlijk bij hun woord houdende, en geloovende dat de tijd van dwingelandij en slavernij ten einde spoedde, zich vereenigden en eene poging aanwendden om hun deel te erlangen in dit rijk van algemeene broederschap?

De schoener de Parel lag in de haven en men bevond, dat kapitein Drayton een menschelijk hart bezat. Misschien had ook hij de redevoeringen in Pennsylvania Avenue aangehoord en in de onschuld van zijn hart geloofd, dat iemand, die werkelijk iets deed om algemeene gelijkheid te bevorderen, niet slechter was dan zij die er enkel redevoeringen over hielden.

Drayton was er toe overgehaald om dezen zeven en zeventig slaven te vergunnen, zich in het ruim van zijn vaartuig te verbergen, en onder deze bevonden zich zes kinderen van Paul en Milly Edmondson.

Wat er verder geschiedde zal nu worden medegedeeld volgens het verhaal van Mary en Emily Edmondson, door de dame bij wier familie de schrijfster haar ter opvoeding geplaatst had.

Eenige voorafgaande inlichtingen zullen echter noodig zijn tot goed begrip van het verhaal.

Een achtingswaardige kleurling, Daniel Bell genaamd, die zich-zelf had vrij gekocht, woonde te Washington. Zijne vrouw en hare acht kinderen waren door haar meester op zijn doodbed in vrijheid gesteld. De erfgenamen trachtten het testament te verbreken, op grond dat hij, op het oogenblik toen het gemaakt werd, niet bij zijn volle verstand was. De overheidspersoon, voor wien het was verleden, was echter door zijne persoonlijke bekendheid met den toestand van den man op dat tijdstip, in staat hun voornemen te verijdelen; het huisgezin leefde dus eenige jaren in volkomene vrijheid. Bij den dood van dezen overheidspersoon, bragten de erfgenamen de zaak op nieuw voor het geregtshof, en daar het scheen dat de zaak ten nadeele van het gezin zou worden uitgewezen, zoo besloten zij, zich van hun wettig regt te verzekeren door de vlugt, en bestelden plaatsen aan boord van kapitein Drayton's vaartuig. Een aantal hunner makkers en vrienden, waarschijnlijk aangespoord door de plaats gehad hebbende demonstratiën ten voordeele der vrijheid, vroegen verlof hen op hunne vlugt te vergezellen. De zaden van het katoenbosch verspreidden zich overal, en ontloken in aller harten; zoodat in den aan gebeurtenissen rijken avond van den 15den April 1848, niet minder dan zeven en zeventig mannen, vrouwen en kinderen met kloppende harten, en in het diepste geheim, zich verscholen in het ruim van den kleinen schoener, en kapitein Drayton was zoo goddeloos, dat hij, al ware er zijn leven meê gemoeid, tot niemand hunner "neen" kon zeggen.

Richard Edmondson had reeds lang getracht zich vrij te koopen; had er van 's morgens vroeg tot 's avonds laat voor gearbeid, maar de daarvoor gestelde prijs was zoo hoog, dat hij wanhoopte dien ooit te zullen verwerven. Dezen avond meenden hij en zijne drie broeders, dat, als het rijk van algemeene broederschap aangevangen, en dat der tirannen en der slavernij geëindigd was, zij voor zich en hunne zusters dat heilige geschenk der vrijheid konden aannemen, waarvan aan geheel Washington, twee avonden te voren, was verkondigd, dat het de bijzondere bestemming van Amerika was, het aan alle natiën te verschaffen. Hunne beide zusters, zestien en veertien jaar oud, waren aan familiën in de stad verhuurd. Dezen avond begaf zich Samuel Edmondson naar het huis waar Emily woonde, en deelde haar het voorgenomen plan mede.

"Maar wat zal moeder wel denken?" zeide Emily.

"Houd u niet op met aan haar te denken; zij zal veel liever zien dat wij vrij zijn, dan dat wij tijd verspillen met er haar over te spreken."

"Nu dan, als Mary wil, wil ik ook."

De meisjes geven als eene reden van haar verlangen om te vlugten, op, dat, ofschoon zij nooit mishandelingen ondergaan hadden of onvriendelijk behandeld waren, het haar echter bekend was, dat zij den een of anderen dag tot harde slavernij konden verkocht en gescheiden worden van al wat haar lief was.

Zij begaven zich dus allen aan boord van de Parel, die op eenigen afstand van de plaats, waar de schepen gewoonlijk aanleggen, geankerd lag. Daar troffen zij een gezelschap van slaven, zeven en zeventig in getal, aan. 's Nachts ten twaalf ure werden de zeilen van den kleinen schoener in stilte geheschen en gleed het vaartuig, met zijne vreesachtige en geheimzinnige vracht, den stroom af. Eene frissche koelte verhief zich en ten elf ure van den volgenden nacht, was men twee honderd mijlen ver van Washington verwijderd en begon men te gelooven dat men de vrijheid verkregen had.

Zij ankerden in een plaats, Cornfield-Harbour geheeten, met het voornemen, om het aanbreken van den morgen af te wachten. Allen lagen vredig en wel te rusten, door het geschommel van het vaartuig en het gekabbel van het water, in slaap gewiegd.

Maar 's nachts ten twee ure werden zij gewekt door een geweldig geschermutsel, geschreeuw, gevloek en gesteun op het dek. Een stoomboot was hen nagezonden en had hen ingehaald, en de kleine schoener was door een woedenden hoop gewapenden aan boord geklampt.

In één oogenblik waren de kapitein, de stuurman en al het volk gegrepen en gekneveld, onder de vreeselijkste vloeken en bedreigingen. Toen zij, razende en vloekende de luiken van de weêrlooze gevangenen beneden openrukten, trad Richard Edmondson naar voren, en sprak hun op een bedaarden toon toe: "Mijne heeren, maakt geen ongelukken; wij zijn allen hier." Allen onder de slaven, uitgezonderd deze, waren zoo stil als de wanhoop hen maar maken kon; er werd door niemand hunner een enkel woord geuit. De mannen werden allen gebonden en op het stoomschip overgebragt, de vrouwen werden aan boord van den schoener gelaten, die op sleeptouw werd genomen.

De aanleiding tot hunne gevangenneming werd op de volgende wijze verklaard.--Den morgen nadat zij waren uitgezeild, misten een aantal familiën in Washington hunne slaven, en dit voorval verwekte niet minder opschudding, dan twee dagen vroeger de bevrijding van Frankrijk had te weeg gebragt. Dien tijd hadden zij op de vriendelijkste wijze geluisterd naar de verdediging, dat het rijk der slavernij ten einde spoedde, omdat zij niet het geringste denkbeeld hadden, dat die taal iets te beteekenen had; en zij waren ten sterkste getroffen door de practische toepassing er van. Over de honderd mannen stegen te paard, om in den omtrek deze nieuwe leerlingen van het leerstelsel der algemeene emancipatie na te zetten. Maar een kleurling, Judson Diggs geheeten, verried den geheelen aanleg. Hij was toornig geworden, omdat, toen hij eene arme vrouw met haar goed naar de boot had gebragt, zij niet in staat was geweest hem de vijf en twintig centen te betalen, die hij geëischt had. Daarom verhaalde hij deze bewonderaars van algemeene broederschap, dat zij niet naar buiten behoefden te rijden, daar hunne slaven de rivier waren afgezakt, en op dit oogenblik toch ver genoeg waren. Terstond werd een stoomboot met twee honderd soldaten bemand en uitgezonden om hen na te zetten.

Toen het schip met de gevangen slaven aan wal kwam, greep er eene geweldige opschudding in de stad plaats. De mannen werden, twee aan twee gebonden, door de stad gedreven. Van alle kanten werden zij bespot, beschimpt en uitgejouwd. Iemand vroeg aan een van de meisjes: "of zij het niet prettig vond om gevat te worden als zij was weggeloopen?" en een ander vroeg haar: "of het haar niet speet?" Zij antwoordde: "Neen, als ik het morgen weêr doen kon, zou ik hetzelfde doen." De man keerde zich tot een der omstanders en zeide: "Heeft ze geen courage?"

Maar het meest was men op Drayton en Sayres gebeten, den kapitein en den stuurman van het vaartuig. Booswichten met dolken en pistolen gewapend, schoolden rondom hen bijeen en braakten de hevigste bedreigingen uit. Een van hen drong zoo digt bij Drayton, dat hij hem in het oor sneed, hetwelk Emily zag dat bloedde. Intusschen mengden zich onder de menigte een aantal betrekkingen der gevangenen, die, daar zij hen als zoo vele veroordeelde slagtoffers beschouwden, over hen weenden en jammerden. Een schoonbroeder der Edmondsons werd zoo van smart overweldigd toen hij ze ontwaarde, dat hij op de straat in zwijm viel en bewusteloos naar huis werd gedragen. Het droevige nieuws drong tot de hut van Paul en Milly Edmondson door, en wetende dat al hunne kinderen nu waarschijnlijk voor de zuidelijke markt zouden bestemd worden, lieten zij den vrijen teugel aan hunne smart. "O, welk een dag was dat!" zeide de oude moeder, toen zij dat tooneel voor de schrijfster beschreef. "Ik kon geen enkele bete meer over mijne lippen brengen. Paul en ik, wij vastten en riepen den Heer nacht en dag aan, om den wille onzer arme kinderen!"

De algemeene opinie van de stad sloeg tot de innigste verontwaardiging over. Het ging van mond tot mond, dat zij zacht waren behandeld en nooit eene mishandeling ondergaan hadden; en wat kon er hen toe gebragt hebben, om te trachten hunne vrijheid te erlangen? Alles wat de heer Stanton gezegd had van den langzaam voortgaanden invloed dor Amerikaansche instellingen en al zijne aardige vergelijkingen van de zaden der katoenbosschen, schenen geheel en al aan het geheugen der burgers ontsnapt te zijn, en zij konden in de poging van dit volk om zich te bevrijden, niets anders dan de verregaandste snoodheid zien. Een aantal raadde hunne eigenaren aan dat zij hun geen vergiffenis schenken zouden--dat er geen genade moest bewezen worden, maar dat zij op staanden voet moesten worden overgegeven in handen der handelaars, om naar de zuidelijke markt te worden gebragt--dat Siberië der onverantwoordelijke dwingelanden van Amerika. Toen al de gevangenen in de gevangenis waren geworpen, kwamen de eigenaars derwaarts, om onder eede te verklaren dat zijn hun eigendom waren, en de eigendom werd ook opgeroepen om onder eede te verklaren, wie hunne meesters waren. Met hen kwamen ook de gehuwde zusters van Mary en Emily; maar het werd haar niet toegestaan een voet in de gevangenis te zetten. De meisjes gluurden door de ijzeren traliën der vensters van de derde verdieping en zagen hare zusters beneden, die op de plaats stonden te weenen.

De voogd der Edmondsons, die voor den wettigen eigenaar optrad, oogenschijnlijk door hunne smart getroffen, beloofde hunne familie en vrienden, die, zoo mogelijk, hen wenschten te koopen, dat zij den volgenden morgen daartoe gelegenheid zouden hebben. Misschien was hij op dat oogenblik voornemens ze hem te geven; maar, toen Bruin en Hill, de houders van het groote slavenkoophuis in Alexandria, hen vier duizend vijf honderd dollars voor de zes kinderen boden, waren zij onherroepelijk vóór den volgenden morgen verkocht. Bruin wilde naar geene voorslagen hooren, door eenige hunner vrienden gedaan. De dame, bij wie Mary gewoond had, bood duizend dollars voor haar, maar Bruin sloeg het aanbod af, zeggende: dat hij het dubbel van die som op de markt van New-Orleans van haar maken kon. Hij zeide, dat hij al twaalf jaar lang het oog op die familie gehad had, en beloofd had ze te zullen koopen, als ze maar te koop kwamen.

Terwijl de meisjes in de gevangenis waren, hadden zij bedden noch stoelen, en slechts ieder een deken, schoon de nachten verstijvend waren; maar vernemende dat de vertrekken beneden, waar hare broeders waren opgesloten, nog kouder waren, en dat men hun daar geen dekens gegeven had, zonden zij er de hare heen. Des morgens werd het haar vergund eenige oogenblikken op de plaats te wandelen, en van dat oogenblik maakten zij gebruik om naar het venster van het vertrek harer broeders te snellen, hun goeden morgen te wenschen en door de traliën heen te kussen.

Donderdag avond ten tien ure deed men hare broeders handboeijen aan, en werden zij met hunne zusters door hunne nieuwe eigenaars op wagens geplaatst, naar Alexandria vervoerd en in eene gevangenis, een "Georgia Pen" genaamd, geworpen. De meisjes werden alleen in een groot vertrek gelaten, waar eene volslagene duisternis heerschte, zonder bed of deken, waar zij den nacht weenende en zuchtende doorbragten, in volslagene onbekendheid met het lot harer broeders. 's Morgens ten acht ure werden zij geroepen om te ontbijten, toen zij tot hare groote vertroosting ontdekten, dat hare vier broeders met haar in deze zelfde gevangenis waren opgesloten.

Hier bleven zij ongeveer vier weken, terwijl het haar doorgaans vergund werd over dag bij hare broeders te verblijven en des nachts naar haar eigen vertrek terug te keeren. Hare broeders waren ten hoogste bezorgd over haar, daar zij bevreesd waren, dat zij in het Zuiden zouden worden verkocht. Samuel vooral was zeer neêrgedrukt, daar hij de hoofdbewerker van haar ongeluk was. Hij zeide menigmalen, dat hij met blijdschap voor haar wilde sterven, als dit haar redden kon van het lot, dat hij duchtte. Hij weende bijna den ganschen tijd, schoon hij in hare tegenwoordigheid zijne tranen zocht te bedwingen.

Inmiddels werden zij in de gevangenis gebezigd om voor dertien man te wasschen, ofschoon hare broeders een groot deel van haar werk op zich namen. Eer zij de gevangenis verlieten, werden zij gemeten en hun signalement opgemaakt door hunne eigenaars. Eindelijk werden zij naar buiten gebragt, den broeders de handboeijen aangedaan, en alle aan boord van een stoomboot gebragt, waarop zich ongeveer veertig slaven, meest mannen, bevonden, die naar Baltimore werden vervoerd. De reis duurde een etmaal. Toen zij te Baltimore aankwamen, werden zij in een slaven-schuthok geworpen dat aan een compagnon van Bruin en Hill toebehoorde. Hij was een ruwe, lompe kerel, die gewoonlijk de goddeloosste taal uitsloeg, en verschrikkelijk gemeen en beleedigend in zijne aanmerkingen omtrent vrouwen was. Hier werd het hun verboden met elkander te bidden, zooals zij tot nu toe waren gewoon geweest. Maar door des morgens zeer vroeg op te staan, maakten zij zich een oogenblik ten nutte, waarin zij hunne gewoonte ongestoord konden opvolgen. Zij, en vier of vijf andere vrouwen, in de gevangenis, kwamen voor het aanbreken van den dag bij elkander om hare harten uit te storten voor de Toevlugt van iederen bedrukte van ziel; en in deze gebeden gedacht men de hardvochtige slavenhandelaars iederen dag. De broeders van Mary en Emily gedroegen zich zeer lief en hartelijk jegens hunne zusters, hetgeen een grooten invloed uitoefende op de andere mannen die met hen waren.

In deze plaats werden zij bekend met Tante Rachel, eene zeer godvreezende vrouw van middelbaren leeftijd, die men van haar man gescheiden, verkocht en in de gevangenis geworpen had. Haar echtgenoot kwam menigmalen naar de gevangenis en den handelaar smeeken haar aan zijne meesters te verkoopen, die hij meende dat genegen waren haar te koopen, als de prijs niet al te hoog was. Maar hij werd met vreeselijke bedreigingen en vloeken weggejaagd. Zij bleven ongeveer drie weken in Baltimore.

De vrienden in Washington, ofschoon tot nog toe niet geslaagd in hunne pogingen om het gezin te bevrijden, waren nog altijd ten hunnen behoeve werkzaam; en op zekeren avond werd er een berigt met de telegraaf overgebragt, inhoudende, dat den volgenden morgen met den spoortrein iemand zou komen om een bod te doen voor het gezin en dat een gedeelte van het geld gereed lag. Maar de handelaar was onverbiddelijk; en den volgenden morgen, één uur vóór de aankomst van den trein, werden zij allen ingescheept aan boord van de brik de Unie, die onder zeil lag naar New-Orleans. De bode kwam en bragt negen honderd dollars in klinkende specie mede, het geschenk van een kleinzoon van John Jacob Astor. Deze som was bepaaldelijk bestemd voor den aankoop van Richard Edmondson, daar zijne vrouw en kinderen in Washington ziek lagen; en de handelaar wilde de meisjes op geenerhande voorwaarde verkoopen, ja wilde zelfs niet dulden, dat Richard van de brik werd teruggebragt, die nog voor anker lag. De koop was evenwel gesloten en het geld in Baltimore gedeponeerd.

Op deze brik werden de elf vrouwen in een zeer eng verblijf geplaatst en de dertig of veertig mannen in een daaraan grenzend. Emily was gedurende den geheelen overtogt geweldig zeeziek en hare broeders vreesden dat zij bezwijken zou. Zij droegen haar gewoonlijk naar boven en naar onder, kochten eenige kleine versnaperingen voor hare zusters en droegen alle mogelijke zorg voor haar.

Aanhoudende tegenwinden voerden hen gedurig terug; en in hunne bijeenkomsten tot het gebed, die zij iederen avond hielden, waren zij gewoon te bidden, dat de tegenwinden hen naar New-York mogten wederbrengen, en een van de matrozen verklaarde, dat indien zij tot op honderd mijlen afstands van New-York konden komen, en de slaven hen wilden bijstaan, hij den kapitein van kant zou maken, en hen in New-York-zelve binnen brengen.

Toen zij digt bij Key West kwamen, seinden zij om een loods, daar de kapitein bevreesd was voor de blinde klippen van die plaats en hij niet wist hoe ze te ontkomen. Toen de loodsboot naderde, werden al de slaven beneden opgesloten en een zwaar zeildoek over het groote luik gespannen, waardoor zij van alle lucht verstoken werden, en bijna stikten. De kapitein en de loods onderhandelden een geruimen tijd over den prijs en er volgde eenig krakeel, daar de kapitein ongeneigd was de door den loods gevraagde som te geven; gedurende al dien tijd was het lijden beneden ondragelijk. De vrouwen geraakten zoo uitgeput, dat zij meest allen buiten kennis waren, en de toestand der mannen was niet veel beter, schoon zij beproefden met een stuk hout eenige gaten aan hunnen kant in het zeildoek te maken, ten einde eenige lucht in te laten, maar slechts een paar van de sterksten mogt het gelukken hierin te slagen. Eenigen hunner schreeuwden om hulp zoo lang hunne krachten het toelieten; en eindelijk, na hetgeen hun een schier eindelooze zamenkomst toescheen, vertrok de loods, die weigerde hen bij te staan; het zeildoek werd weggenomen, en de brik verpligt te wenden en een anderen koers te nemen. Daarop kroop de een na den ander, toen hij weder was bijgekomen en genoegzame kracht had, op het dek. Mary en Emily werden door hare broeders zoo spoedig zij daartoe maar in staat waren, naar boven gedragen.

Kort hierop begon de voorraad van levensmiddelen te verminderen, en kwam er gebrek aan water, zoodat de slaven op rantsoen van een maatje daags werden gesteld. De matrozen kregen ieder een kwart en gaven dikwijls een pint er van aan de Edmondsons voor hunne zusters, die het met de andere vrouwen deelden, zoo als zij altijd met iedere kleinigheid deden, welke zij op dergelijke wijze ontvingen.

Den dag toen zij aan den mond van den Mississippi kwamen, stak er een geweldige storm op en verhieven zich de golven bergenhoog, zoodat, toen de loodsboot naderde, het nu en dan was of zij door den afgrond verzwolgen en dan weder opgeworpen werd om op nieuw door de diepte verslonden te worden. Eindelijk werden zij in en op de rivier door eene stoomboot geboegseerd en zagen daar voor het eerst katoenplantages, waarin geheele troepen slaven aan den arbeid waren.

Zij kwamen in den nacht te New-Orleans aan, en omstreeks tien ure van den volgenden morgen werden zij ontscheept en moesten zij zich naar de zoogenaamde uitstalkamers begeven; op de plaats komende, vonden zij daar een aantal mannen en vrouwen in de rondte zitten met zulke droevige gezigten, dat Emily weldra begon te schreijen, waarop een opzigter haar te gemoet trad en haar onder de kin streek en haar verzocht "met huilen op te houden, of dat hij haar anders iets geven zou waarom zij huilen kon." Vervolgens haar naar iets heen wijzende, zeide hij "dat daar de Calaboos was, waar diegenen die zich niet goed gedroegen gegeeseld werden." Niet zoo ras was hij verdwenen of een slavin kwam naar haar toe en ried haar een vrolijk gezigt te zetten, als zij het maar eenigzins kon, daar dit verre weg het beste voor haar zijn zou. Spoedig kwam een van hare broeders haar vragen wat de vrouw haar gezegd had, en toen zij het hem had verhaald, ried hij Emily aan, haren raad op te volgen, en wenschte hij er zelf voordeel mede te doen.

Dien eigen avond werd het hair der vier broeders kort geknipt, hunne knevels afgeschoren, en hunne gewone kleeding verwisseld met een blaauwe buis en broek, door al hetwelk zij zulk eene verandering ondergingen, dat hunne zusters hen op dat gezigt niet herkenden. Daarop werden zij drie achtereenvolgende dagen genoodzaakt zich in een open portaal voor aan de straat te vertoonen, om door de voorbijgangers te worden opgemerkt; uitgenomen als er een afgemat was, wanneer zij voor een poosje naar binnen mogten gaan, en een ander hunne plaats innemen. Wanneer er echter koopers kwamen, werd zij in de verkoopzaal op rijen ten toon gesteld en aan ruwe scherts en schimp prijs gegeven. Als iemand gading had in een of ander meisje uit den hoop, riep hij haar tot zich, pakte hij haar beet, deed haar mond open, bezag hare tanden en betastte haar op eene ruwe wijze, terwijl hij over het algemeen smerige aanmerkingen maakte; en zij moest ze aanhooren en verduren zonder den minsten tegenstand. Mary en Emily beklaagden zich bij hare broeders, dat zij zich aan zulk eene behandeling niet konden onderwerpen. Zij spraken er met Wilson over, een der compagnons van Bruin en Hill, die met het opzigt over de slaven in deze gevangenis belast waren. Zij werden hierop met meer kieschheid behandeld.

Een ander broeder der meisjes, Hamilton genaamd, was slaaf geweest in of bij New Orleans en had zich juist voor duizend dollars vrijgekocht; dat geld had hij reeds vroeger eens voor zich verdiend, maar men had het hem toen afgenomen. Daar Richard nu werkelijk vrij was dewijl het losgeld voor hem in Baltimore was gedeponeerd, vond hij hem daags na hunne aankomst te New-Orleans uit en bragt hem naar de gevangenis om zijne broeders en zusters te bezoeken. De ontmoeting was boven alle beschrijving aandoenlijk.

Hij had zijne zuster Emily vroeger nooit gezien, daar hij voor hare geboorte uit het huis zijner ouders verkocht was.

In het verblijf der meisjes bevonden zich 's nachts tusschen de twintig en dertig vrouwen, die allen op den blooten vloer sliepen, ieder slechts met een deken. Eenige dagen later kwam er tijding (die eigenlijk onjuist was) dat de helft van het geld was bijeengebragt om Mary en Emily vrij te koopen. Daarop werd het haar, op dringend verzoek harer broeders, vergund, naar het huis harer vrije broeders te gaan, om den nacht door te brengen, en des morgens terug te keeren, daar zij veel van de moskieten en andere insecten geleden hadden en hare voeten gezwollen en vol builen waren.

Terwijl zij in deze gevangenis vertoefden, vernamen zij een aantal voorvallen van vreeselijke wreedheid, ja vielen er zelfs onder hunne oogen voor. Twee slaven, een vrouw en een jongen, werden, terwijl zij er in waren, dood gegeeseld, ofschoon zij niet in hetzelfde schuthok waren, of aan denzelfden handelaar als zij toebehoorden.

Niemand van de slaven was het vergund, op den dag een oog te luiken, en somtijds werden kleine kinderen die den geheelen dag ledig zaten of stonden, zoo slaperig, dat zij hunne oogen niet konden openhouden; maar als de opzigter hen daarop betrapte, werden zij onbarmhartig geslagen. Mary en Emily hielden hen gewoonlijk in het oog, en lieten hen slapen tot dat zij de opzigters hoorden aankomen, en dan maakten zij ze wakker en deden hen in een oogenblik overeind springen.