De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 40
In het jaar 1828, toen ik stuurman was op de brik Milton van Boston, bestemd naar New-Orleans, vond het volgende plaats, dat mij nimmer uit het geheugen zal gaan: De slavenhandelaars bragten aan boord vier quarterons, met handboeijen voorzien, en die naar New-Orleans vervoerd moesten worden. Eene oude negerin, gewis meer dan tachtig jaren oud, liep hen handenwringend na, uitroepende: "Mijn zoon, o mijn zoon, mijn zoon!" Zij scheen bijna uitzinnig en toen wij reeds eene mijl buiten de haven waren konden wij haar gillen nog hooren.
Toen wij in zee waren ging ik naar de vier mannen en ontdeed hen van hunne handboeijen. Zij waren vastberadene kerels en zeiden mij, dat ik zien zou, dat zij nimmer levend te New-Orleans slaven zouden zijn. Een hunner was timmerman, een ander smid. Wij bragten hen te New-Orleans aan en leverden hen uit aan den agent. Later verhaalde deze aan den kapitein, dat zij allen binnen acht en veertig uren na hunne aankomst te New-Orleans dood waren. Zij hadden zich allen omgebragt, zoo als zij gedreigd hadden. Een hunner weet ik, werd voor stoker op de stoomboot Post Boy gekocht; doch hij sprong over boord en verdronk. Van de anderen werd een verkocht aan een smid en een aan een timmerman. De bijzonderheden van hun dood zijn mij niet ter oore gekomen.
Achter Charleston, te Coosahatchie, lag eene plantage, welke aan eene weduwe behoorde, die tachtig negers hield. Zij ontbood van Charleston een jonge quarteronne voor haar zoon; het meisje was nagenoeg geheel blank. Wij voerden haar derwaarts. Daar zij veel delicater was dan de andere slaven, werd zij niet bij hen, maar in de kajuit geplaatst.
Ik ben op de rijstplantagiën aan de rivier geweest en heb daar den rijstbouw gezien. In het najaar werken al de plantage-arbeiders, zoo mannen als vrouwen, in de rijstgreppels met het water tot boven de knieën en trekken het gras uit, om den grond voor het zaaijen van de rijst geschikt te maken. De slaven, die hier uit de stad gebragt worden, vinden dit een bijna ondoenlijken arbeid, daar zij meestal tot huiswerk zijn opgeleid. Het verblijf op de plantagiën is zoo doodelijk, dat de blanken daar in zomertijd niet vertoeven kunnen dan met gevaar van hun leven. De eigenaars en hunne familiën bevinden zich daar alleen 's winters en de slaven zijn zomers geheel aan de opzigters overgelaten. Ik heb gezien, dat die opzieners meestal een brutaal slag van menschen zijn, die zich aan dronkenschap en dobbelspel overgeven.
In den loop mijner togten heb ik de slavernij in bijna alle landen der wereld gezien. Ik ben in Algiers geweest en heb daar de slavernij aanschouwd. Ik heb de slavernij te Smirna gezien, bij de Turken. Het was te Smirna, toen onze Amerikaansche consul een schoon Grieksch meisje vrijkocht. Ik zag haar aan boord van de brik Suffolk komen, toen zij naar Amerika overgevoerd werd om hare opvoeding te erlangen. Ik heb de slavernij gezien in de Spaansche en Turksche havens, ofschoon ik daar niet op de plantagiën geweest ben.
Mijn gevoelen is, dat de Amerikaansche slavernij, gelijk ik die gezien heb bij den binnenlandschen slavenhandel, op de rijst- en suiker-plantagiën en in de stad New-Orleans, ten volle een slecht is als in eenig land ter wereld, heidensch of Christelijk. Menschen, die voor bezoeken of vermaak de zuidelijke Staten doorreizen, kunnen onmogelijk die dingen te weten komen, die door varensgezellen gezien worden, welke de rivieren opzeilen naar de ver achter af gelegene plantagiën en die de slaven en de producten der plantagiën vervoeren.
In mijne jonge dagen werd over de slavernij niet veel gesproken. Ik zag haar even als anderen, zonder mij er aan gelegen te laten liggen. Doch daar ik het niet meer voor goed houd, die dingen in stilte aan te zien, vaar ik tegenwoordig niet meer op de zuidelijke Staten.
Het volgende verslag is aan de schrijfster gegeven door Lewis Hayden, een slaaf, die uit Kentucky ontsnapte door de medewerking van eene jonge dame, geheeten Delia Webster, en een man, genaamd Calvin Fairbanks. Beiden hebben er voor gevangen gezeten. Lewis Hayden heeft zich een geachten naam verworven als vrij burger van Boston, waar vele personen bereid zijn, nopens hem de gunstigste getuigenis af te leggen.
Ik behoorde aan den eerwaarden heer Adam Runkin, een Presbyteriaansch predikant te Lexington in Kentucky.
Mijne moeder was van gemengd bloed,--blank en Indiaansch. Zij huwde mijn vader, toen hij in eene naburige fabriek werkte. Na eenigen tijd verhuisde mijns vaders eigenaar en nam hem mede, hetwelk het huwelijk verbrak. Zij was eene schoone vrouw. Mijn meester hield een groot melkhuis en daar was zij de melkster. Lexington was in die dagen een klein plaatje en het melkhuis lag in de stad. Achter de school was de vrijmetselaarsloge. Een man, die tot de loge behoorde, zag mijne moeder terwijl zij aan haar werk was. Hij deed haar oneerlijke voorslagen. Toen zij hem niet te woord wilde staan, voegde hij haar toe, dat zij geen hoogen toon moest voeren, want dat hij haar zou hebben indien zij voor geld te krijgen was. Mijne moeder vertelde het aan de oude mevrouw en smeekte dat de meester haar toch niet zou verkoopen. Desniettemin verkocht hij haar. Mijne moeder was hooghartig, hetgeen zij aan haar Indiaansch bloed te danken had. Zij verkoos met dien man niet te leven zoo als hij wenschte, waarop hij haar naar de gevangenis zond, haar liet geeselen en haar op zoo onderscheidene wijzen strafte, dat zij vlagen van krankzinnigheid kreeg. Toen ik in de Negerhut van Cassy las, kwam al het gebeurde met mijne moeder mij weêr voor den geest en wilde ik het mevrouw Stowe melden. Verscheidene malen beproefde zij, zich om het leven te brengen, eens met een mes en eens door ophanging. Zij had lang, regt hair, dat na deze voorvallen grijs werd, als of zij eene oude vrouw ware. In hare vlagen sprak zij altijd van hare kinderen. De houder van het gevangenhuis bragt haar eigenaar onder het oog, dat zij misschien herstellen zou, zoo hij haar bij hare kinderen liet. Men liet haar dus eens uit en zij kwam op de plaats waar wij waren. Ik was welligt zeven of acht jaren oud, ofschoon ik het juiste er niet van weet. Ik was van huis toen zij verscheen. Toen ik terug kwam vond ik haar in eene der hutten nabij de keuken. Zij sprong op, greep mij bij mijne armen als of zij die breken wilde en riep uit: "Ik zal u zoo toetakelen, dat zij nooit iets aan u zullen hebben!" Ik schreeuwde, want ik dacht dat zij mij wilde vermoorden, waarop personen binnenkwamen, die mij wegbragten. Men bond haar en voerde haar weg. Soms, als zij bij hare zinnen was, verhaalde zij mij het kwaad, dat men haar had aangedaan. Eindelijk verkocht haar eigenaar haar voor eene geringe som aan iemand, met name Lackey. Daar gaf men haar een anderen man en kreeg zij verscheidene kinderen. Na eene poos stierf deze man of werd hij verkocht,--het regte herinner ik mij niet meer. Lackey verkocht haar daarop aan zekeren Bryant. De eigenaar van mijn eigen vader vestigde zich nu in de nabijheid van dien man, en bragt mijne moeder weder bij hem. Mijn vader had op de plaats, waar hij vertoefd had, weder eene andere vrouw en een aantal kinderen gehad. Hij en mijne moeder kwamen dus nu weder bijeen en bragten hunne dagen met elkander ten einde. In de laatste tijden had mijne moeder haar verstand nagenoeg weder geheel teruggekregen.
Ik heb in Kentucky nooit eenig blijk gezien, dat de bedienaren of leeraren der Godsdienst het voor iets ergers beschouwden, dat men slaven, dan dat men dieren van elkander scheidde. Er kunnen leeraren zijn die het voor ongeoorloofd houden, maar ik ben nooit met dezulken in aanraking geweest. Mijn meester was een predikant, en toch verkocht hij mijne moeder, gelijk ik verhaald heb. Toen hij uit Kentucky naar Pennsylvania vertrok, verkocht hij al mijne broeders en zusters bij veiling. Ik stond er bij en zag hen verkoopen. Toen ik ook ter tafel gebragt zou worden, verruilde hij mij tegen een paar koetspaarden. Ik zag met zonderlinge gevoelens die paarden aan. Ik had de hoop gekoesterd, dat mijn meester mij zou medenemen naar Pennsylvania, en dat ik daar de vrijheid zou erlangen. Wat zag ik die paarden aan en wandelde er rond, overdenkende, dat ik tegen die beesten geruild was!
De spraak ging, dat mijn meester op den predikstoel gezegd had, dat er even weinig kwaad in stak, een gezin van slaven, als een nest biggen te scheiden. Ik voor mij heb het hem niet hooren zeggen, en kan dus niet verzekeren of het al dan niet waar is.
Hoe zonderling het schijne, is het toch waar, dat ik, bij mijne pogingen om tot de vrijheid te geraken, meer medewerking en goeden raad ondervond van dobbelaars en zulk soort van menschen, dan van Christenen. Sommigen hunner bejegenden mij zelfs buitengemeen vriendelijk.
Ik heb nog nooit een slavenhandelaar gezien, die niet in den grond zijns harten overtuigd scheen te wezen, dat het een slecht bedrijf was. Ik heb er velen gekend, als b. v. Neal, McAnn, Cobb, Stone, Pulliam en Davis, enz. Zij waren gelijk Haley,--zij hadden het voornemen om zich te bekeeren als zij goed af waren.
Over het algemeen voelden de kleurlingen van mijne kennis niet de geringste mate van gerustheid, met opzigt tot hunne familiebetrekkingen. Wel is waar, meenden sommigen, die tot rijke familiën behoorden, eenigzins gerust te kunnen zijn; doch diegenen onzer, die dieper doorzagen en wisten, hoevelen niet zoo rijk waren als zij schenen, als ook, hoe snel het geld door de vingers druipt, waren altijd zeer ellendig. De handelaar sloop altijd rond, de slavenmagazijnen waren in de nabijheid en wij wisten niet wanneer iemand onzer er soms in kon geraken. Dan waren er nog de rijstmoerassen en de suiker- en katoen-plantagiën; ons leven lang werden zij ons door onze meesters en meesteressen als schrikbeelden voorgehouden. Wij wisten daar alles van; en als een vriend werd weggevoerd, wel nu, dat was zoo goed als zijn dood, want wij konden hem niet schrijven, noch van hem hooren, en verwachtten niet hem immer terug te zien.
Ik heb een kind gehad, dat in Kentucky begraven ligt, en het doet mij genoegen aan dat graf te denken. Ik heb er nog een gehad, dat verkocht is zonder dat iemand weet waarheen, en waaraan ik niet denken kan zonder het grievendste hartzeer.
De volgende geschiedenis is lang en een gedeelte er van is openbaar bekend geworden.
In dat verhaal is het geheele verslag vervat van de gedenkwaardige aanhouding van de Pearl, welke ten jare 1848 zulk eene sensatie te Washington verwekte. De schrijfster zal er echter eene korte historie aan vooraf doen gaan van eene slavin van welke zes kinderen betrokken waren in die noodlottige onderneming.
HOOFDSTUK VI.
GESCHIEDENIS DER EDMONDSONS.
Milly Edmondson is eene bejaarde vrouw, van diep in de zeventig. Zij heeft het slaven-erfdeel van volslagen onwetendheid ontvangen. Zij kan geen brief of boek lezen, noch haar eigen naam zetten; maar de schrijfster moet bekennen, dat zij nooit zoo getroffen is geworden door eenige voorstelling van de Christelijke godsdienst, als door die haar gedaan werd in de taal en met het voorkomen dezer vrouw tijdens de weinige keeren dat zij haar ontmoette. De bijzonderheden dezer ontmoetingen zullen in den loop van het verhaal aan het licht gebragt worden.
Milly is iets meer dan van middelmatige grootte, en breed en gezet van omvang. Zij gaat met de grootste zorgvuldigheid, tot op netheid af, gekleed. Een eenvoudige Methodistische halsdoek is haar dwars over de borst gespeld. Een goed onderhouden stoffen japon en helder wit voorschoot, met een witten zakdoek op zijde er aan vastgehecht, voltooit den inventaris van het costuum waarin de schrijfster haar gewoonlijk zag. Zij is eene mulattin en moet eens zeer schoon zijn geweest. Hare oogen en glimlach zijn nog ongemeen schoon, maar er liggen diepe voren van geduldige lijdenssmart en afmattende lijdzaamheid op haar gelaat, die verraden dat deze beminnelijke en edelaardige vrouw haar leven lang slavin is geweest.
Milly Edmondson werd door hare eigenaars in dienst gehouden en het was haar vergund bij haar man te wonen, onder uitdrukkelijk beding en voorwaarde, dat hare dienst en waarde bestaan zou in het opkweeken harer eigene kinderen, om deze op de slavenmarkt te doen verkoopen. Hare wettige eigenares was eene ongehuwde dame van bekrompen geestvermogens, die door een vonnis van de regtbank voor onbekwaam was verklaard om hare eigene zaken te besturen.
De bezitting--dat wil zeggen Milly Edmondson en hare kinderen--was aan de zorg van een voogd toevertrouwd. Het schijnt, dat Milly's arme, zwakke meesteres zeer veel van haar hield en dat Milly vrij wat overwigt op haar bezat, zoo als een krachtige geest meestal eene magt over een zwakkeren uitoefent. Milly's echtgenoot, Paul Edmondson, was een vrij man. Wij zullen nu een weinig van hare geschiedenis, zoo als zij die aan de schrijfster mededeelde, met hare eigene woorden laten volgen.
"Hare meesteres," zeide zij, "was altijd vriendelijk jegens haar, het arme schepsel!" maar zij had geen moed om voor haar-zelve te spreken, en hare vrienden wilden niet dat zij haar eigen weg ging. "Het lag mij altijd op het hart," zeide zij, "dat ik eene slavin was. Toen ik even veertien jaar oud was, was Missis op zekeren dag met iets bezig, dat zij meende mij niet te kunnen toevertrouwen, en zeide zij tot mij: "Milly, nu ziet gij dat ik slavin ben en gij niet." Ik antwoordde haar, "Ach, Missis! ik ben met dat al toch maar eene arme slavin." Ik was later bedroefd, dat ik dit gezegd had, want het kwam mij voor dat het haar gevoel scheen te kwetsen.
"Toen ik een poos later met Paul verbonden werd, hield ik zeer veel van Paul; maar ik dacht, dat het niet goed was kinderen ter wereld te brengen om slaven te zijn, en ik zeide tot de onzen, dat ik nooit zou trouwen, schoon ik veel van Paul hield. Maar dat werd mij niet veroorloofd," zeide zij met een geheimzinnig voorkomen.
"Wat bedoelt gij?" vroeg ik.
"Wel, zij zeiden mij dat ik moest trouwen, of dat ik anders buiten de kerk zou worden gesloten,--dat was het;" voegde zij er met een beteekenisvollen knik met het hoofd bij. "Nu dan, Paul en ik, wij trouwden, en wij waren gelukkig genoeg, als het daarom niet geweest was; maar toen ons eerste kind geboren was, zeide ik tot hem: "Daar hebt gij 't nu, Paul; onze ellende heeft een aanvang genomen; dit kind is ons kind niet." En met ieder kind dat ik kreeg, werd het hoe langer hoe erger. "O, Paul!" zeide ik, "wat is het toch een vreeselijk ding kinderen te hebben, die niet de onze zijn!" Paul zeide tot mij: "Mijn beste Milly, als het kinderen van God zijn, doet het er weinig toe of zij al of niet zijn van ons; zij kunnen daarom toch erfgenamen van het Koningrijk zijn, Milly." Wel, toen Paul's meesteres stierf, gaf zij hem de vrijheid, en hij kreeg voor zich een klein plaatsje, omstreeks veertien mijlen van Washington; en zij lieten mij daar met hem wonen, en ik nam mijn werk meê naar huis; want zij stelden dat vertrouwen in mij, daar zij altijd wisten, dat, wat ik zeide te zullen doen, even goed gedaan was alsof zij het hadden zien doen. Ik had doorgaans naaiwerk: soms een geheel hemd op een dag te maken--gij weet het was grof,--of een paar lakens of iets van dien aard; maar wat het ook was, ik kreeg het altijd gedaan. Dan had ik nog al mijn huiswerk te doen en voor de kleinen te zorgen; en dikwijls heb ik na tienen, de kleederen van mijne kinderen genomen en ze gewasschen en gestreken laat in den nacht, omdat ik niet dulden kon dat mijne kinderen er slordig uitzagen,--altijd wilde ik dat ze helder en schoon voor den dag kwamen, en ik bragt hen groot en leerde hen zoo goed ik maar kon. Maar niemand kan nagaan wat ik leed; ik zag nooit een blanke op de plaats komen of ik dacht: kijk, die komt om naar mijne kinderen te zien; en wanneer ik een blanke voorbij zag gaan, heb ik mijne kinderen naar binnen geroepen en ze weggestopt, uit vrees dat hij ze zou zien en willen koopen. O mevrouw, ik heb zoo veel, o zoo veel uitgestaan! Ik heb dit zware kruis jaren lang gedragen!"
"Maar," zeide ik, "de Heer is met u geweest."
Zij antwoordde met grooten nadruk: "Mevrouw, als de Heer mij niet ondersteund had, zou ik op dit oogenblik niet meer in leven zijn. O, mijn hart is dikwijls zoo bezwaard geweest, dat het scheen alsof ik moest sterven; en dan heb ik mij voor den troon der genade geworpen, en als ik daarvoor geheel mijn hart had uitgestort, brak er het licht in door, en gevoelde ik, dat ik nog een beetje langer leven kon!"
Dit zijn hare eigene woorden. Zij had dikwijls eene krachtige en bijzonder fraaije manier om zich uit te drukken, waardoor alles wat zij zeide een sterken indruk naliet.
Paul en Milly Edmondson bezochten beide getrouw de Methodische Bisschoppelijke kerk te Washington, en allen die hen kenden getuigen eenparig van hen, dat zij een vlekkeloos leven leidden en innig godsdienstig waren. In hunne eenvoudige hut, door netheid en orde opgeluisterd, en des morgens en avonds door het gebed geheiligd, bragten zij, naar hun beste vermogen hunne kinderen op, in de kennis en vereering van den Heer, om op de slavenmarkt verkocht te worden. Zij achtten zich slechts al te gelukkig, als het een na het ander den ouderdom bereikte om verkocht te worden, dat zij aan familiën in de nabijheid verhuurd werden, en niet in handen vielen van den handelaar, om naar de zuidelijke markt gedreven te worden.
De moeder, die met gestadigen maar onderdrukten angst den bitteren last der slavernij, die op haar lag, gevoelde, was gewoon om, zoo als zij aan de schrijfster verhaalde, hare dochters op deze wijze te waarschuwen:
"Nu, meisjes, zorgt dat gij nooit de smart kent die ik lijd. Trouwt nooit voor dat gij in vrijheid zijt. Trouwt nooit om moeders te worden van kinderen die de uwe niet zijn."
Als een gevolg van deze opvoeding, bragten enkele van hare oudste dochters, in vereeniging met de jonge mannen, waarmede zij verbonden waren, de noodige gelden bijeen om zich vrij te koopen eer zij gehuwd waren. Eene dezer jonge vrouwen was, op het oogenblik dat zij het geld voor hare vrijheid betaalde, van zulk een zwakke gezondheid, dat de doctor haar zeide, dat ze nog maar enkele maanden te leven had, en ried haar aan, haar geld te behouden en het aan te wenden om het zich zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Zij antwoordde:
"Al had ik nog maar twee uren te leven, zou ik het betalen om vrij te sterven."
Indien dit een buitensporige waarde aan vrijheid hechten was, zoo behoeft dit toch daarom door geen Amerikaan gezegd te worden.
Al de zonen en dochteren van dit gezin onderscheidden zich zoo wel door hunne ligchamelijke als zedelijke ontwikkeling, en golden dus buitengemeen hoog op de markt. De geheele familie, berekend naar de marktprijzen die er voor enkele leden van besteed waren, kon op eene waarde van 15,000 dollars geschat worden. Zij kenmerkten zich door verstand, eerlijkheid en getrouwheid, maar bovenal door eene innige gehechtheid aan elkander. Deze kinderen, zoo vol bevatting, werden alle als slaven gehouden in de stad Washington, de hoofdstad waar ons nationaal bestuur is gevestigd. De hooge waarde die hunne eigene moeder hen in de vrijheid leerde stellen, moest natuurlijk aangewakkerd en versterkt worden door allerhande aanspraken, plegtigheden en redevoeringen, die, gelijk bekend is, gedurig bij deze en gene gelegenheid in onze nationale hoofdstad gehouden worden.
Op den 13den April kwam de kleine schoener de Parel, onder bevel van Daniel Drayton, in de Potomak-rivier te Washington voor anker.
De tijding van eene omwenteling in Frankrijk, en de vestiging eener democratische regering was juist aangekomen en geheel Washington was in rep en roer om de zegepraal der Vrijheid te vieren.
Tusschen de boomen in de allée waren fantastische veelkleurige lantaarnen gehangen; de trommels werden geroerd, de muziekcorpsen lieten zich hooren, de woningen van den President en andere hooge staatsbeambten waren verlicht, en mannen, vrouwen en kinderen waren allen op de been om den optogt te zien en deel te nemen aan het gejubel der vrijheid, waar de lucht van weergalmde. Al de slaven van de stad, levendig, fantastisch, gevoelig en ligt opgewonden als ze zijn door muziek en verblindende schouwspelen, luisterden, keken en verlustigden zich natuurlijk overal vol onwetende blijdschap. Al de hoofden van de departementen, senatoren, vertegenwoordigers en grootwaardigheidbekleeders van allerhanden aard, togen in optogt naar een opengebleven plek van Pennsylvania Avenue, en hielden daar toespraken vol gelukwenschingen over den voortgang der algemeene vrijheid. Met ongehoorde onvoorzigtigheid ontboezemden daar de krachtigste verdedigers van de instelling der slavernij voor de luisterende menigte, zoowel zwarten als blanken, lijfeigenen als vrijen, de oproerigste en meest ophitsende gevoelens. Zulke bij voorbeeld, als de volgende taal van den honorable Frederik P. Stanton van Tennessee:
"Wij planten inderdaad onze beginselen niet voort door middel van het zwaard; maar in éénen zin zijn wij propagandisten. Het is niet onze schuld, dat wij zoo bestaan. Ons voorbeeld is besmettelijk. In de afdeeling van dit groote land, waar ik woon, aan de oevers van den magtigen Mississippi, bezitten wij het ware zinnebeeld van den boom der vrijheid. Daar ziet gij hoe het reusachtige katoenbosch zijne takken naar al de hemelstreken uitspreidt. Somtijds woelt de stroom zijne wortels bloot, en gij ziet hoe hij ze ver in de rondte uitstrekt en ze tot eene onmetelijke diepte in den grond laat binnendringen. Wanneer de tijd der rijpheid gekomen is, is de lucht met vezelen vervuld, die naar iedere rigting henenstuiven, en op hare ligte wieken de levende zaden van den magtigen boom met zich voeren. Aldus zijn de zaden der vrijheid uit den boom onzer vrijheden voortgesproten; zij vervullen de lucht; zij zijn naar alle deelen van den bewoonden aardbodem verspreid; en zelfs zijn zij bestemd om in de barre zandwoestijnen der dwingelandij wortel te schieten. De boom der vrijheid zal alom opwassen en de volkeren zullen zich in zijne schaduw ter ruste leggen."
Senator Foote, van Mississippi, gebruikte eveneens de volgende woorden:
"Zoodanig is de buitengewone loop der gebeurtenissen in Frankrijk en Europa, gedurende de beide laatste maanden geweest, dat, hoe oplettender wij het tooneel overzien, hetwelk zich voor onze blikken uitbreidt, en hoe strenger wij het gedrag van de acteurs die er optreden onderzoeken, des te vaster onze overtuiging gegrondvest wordt, dat het niet falen kan of het roemvolle werk, hetwelk zoo heerlijk is aangevangen, moet even heerlijk voleindigd worden; dat de tijd der DWINGELANDEN EN DER SLAVERNIJ haastig ten einde spoedt; en dat het gelukkige tijdperk, hetwelk door de algemeene bevrijding der menschen uit de ketens der burgerlijke verdrukking, en de erkenning in alle landen van de groote beginselen der volks-souvereiniteit, gelijkheid en BROEDERSCHAP, gekenmerkt wordt, blijkbaar is aangebroken."