De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 4

Chapter 43,499 wordsPublic domain

Mijne moeder vond nu en dan gelegenheid om mij een teeken van herinnering en genegenheid te zenden, een suikeramandel of een appel; maar bijna nooit at ik ze; zij werden bewaard, betast en beschreid, tot zij in mijne hand versleten.

Mijne gedachten over dag en mijne droomen des nachts waren altijd van mijne moeder en te huis; en de ontzetting, waarmede ik des morgens ontwaakte en bevond dat het maar een droom was, is boven het vermogen der taal om te beschrijven.

Lewis had eene schoone zuster, Delia geheeten, die na den dood van haren grootvader, met al de kinderen harer moeder ter verdeeling van het vermogen werd verkocht. Zij was een godvreezend meisje, lid van de Baptistenkerk. Zij viel in de handen van een woesten dronkaard, die haar tot zijne bijzit wilde maken. Milton Clark, een broeder van Lewis, beschrijft in het verhaal van zijn leven het tooneel, waar hij met zijne moeder aan de deur stond, terwijl dit meisje daarvoor barbaarsch werd gegeeseld, omdat zij aan de beginselen harer Christelijke belijdenis wilde getrouw blijven. Daar haar besluit onverzettelijk was, werd zij in eenen troep gestoken en naar de markt van Nieuw-Orleans gezonden. Hier werd zij aan een Franschman verkocht, Coval geheeten; hij nam haar mede naar Mexico, verklaarde haar vrij en trouwde haar. Nadat zij eenigen tijd met hem in Frankrijk en de West-Indiën had gewoond, stierf hij, haar een vermogen van twintig of dertig duizend dollars nalatende. Bij haren dood poogde zij dit geld te vermaken om de vrijheid harer broeders te koopen; maar daar een slaaf geen vermogen in bezit kan nemen, en het zelfs niet voor hem kan vastgemaakt worden, hebben zij nooit iets daarvan ontvangen.

De omstandigheden, onder welke Lewis zijne vrijheid herkreeg, worden aldus verhaald:

Ik had lang aan vrijheid gedacht en er van gedroomd; ik had nu besloten eene poging te doen om haar te winnen. Geene tong kan den twijfel, de ongerustheid en den angst uitspreken, die een slaaf gevoelt, wanneer hij in dit opzigt een besluit wil nemen. Indien hij eene poging doet en deze niet gelukt, wordt hij door zijne makkers uitgelagchen, door zijnen meester onbarmhartig geslagen, en dan al zijn leven daarvoor scherper bewaakt en harder behandeld.

En dan, wanneer hij weg komt, wie, wat zal hij vinden? Hij is onbekend met de wereld. Het geheele blanke gedeelte van het menschdom, dat hij ooit gezien heeft, zijn vijanden van hem en van geheel zijn geslacht. Hoe kan hij zich wagen, waar geene andere dan blanke gezigten hem zullen groeten? Zijn meester zegt hem, dat de abolitionisten slaven naar de vrije staten lokken, om hen op te vangen en naar Louisiana of Mississippi te verkoopen; en dat als hij naar Canada komt, de Engelschen hem beide oogen zullen uitsteken en hem voor zijn leven in eene mijn onder den grond zetten. Hoe weet hij wat of wien hij gelooven moet? Een angst van groote duisternis overvalt hem, als hij bedenkt wat hem overkomen kan. Lang, zeer lang dacht ik er aan om te ontsnappen, eer ik eene poging deed.

Eindelijk hoorde ik bij geruchte, dat ik naar Louisiana zou verkocht worden. Toen dacht ik was het tijd om te handelen. Mijn besluit was genomen.

Wat ik gevoelde, toen ik de vrije kust bereikte, kan men zich beter verbeelden dan het beschrijven. Ik beefde overal van diepe aandoening, ik kon mijne haren te berge voelen rijzen. Ik was op wat men vrijen grond noemde, onder een volk, dat geene slaven had. Ik zag blanke mannen aan het werk, en geen slaaf onder de zweep krimpende. Alles was inderdaad nieuw en wonderbaar. Niet wetende waar een vriend te vinden, onkundig van het land en ongenegen om te vragen, uit vrees van mijne onkunde te verraden, duurde het eene geheele week eer ik Cincinnati bereikte. Op eene plaats, waar ik vertoefde, werden mij veel meer vragen gedaan, dan ik wenschte te beantwoorden. Op eene andere plaats werd ik zeer in verlegenheid gebragt door de gedienstigheid van den kastelein, die er zijn werk van maakte om elken gast met nieuwsbladen te voorzien. Ik nam het blad, dat hij mij gaf, en sloeg het op eene eenigzins onhandige manier om, naar ik denk. Hij kwam naar mij toe om mij een veto of eenig ander gewigtig nieuws te wijzen. Ik achtte het best voor zijne hulp te bedanken, en gaf het blad terug, zeggende, dat mijne oogen niet in een staat waren om veel te lezen.

Op eene andere plaats kwamen de buren, vernemende dat er een Kentuckiër in de herberg was, met grooten ernst onderzoeken wat ik daar te doen had. Kentuckiërs kwamen somtijds daar om menschenroof te plegen. Zij waren gewoon scherp op hen te letten. Eindelijk voldeed ik hen door hen te verzekeren, dat ik geheel geen slavenhouder was en mijn vader ook niet; maar opdat hunne vermoedens geene tegenovergestelde rigting zouden nemen, voegde ik er bij, dat mijn grootvader een slavenhouder was.

Met het daglicht waren wij in Canada. Toen ik hier aan land stapte, zeide ik: Nu zeker ben ik vrij! Goede Hemel! welk eene gewaarwording, wanneer zij voor het eerst de borst van een volwassen man bezoekt; van iemand tot slavernij geboren; van iemand, die van zijne vroegste kindschheid af geleerd heeft, dat deze levenslang zijn onvermijdelijk lot was! Niet voor toen durfde ik voor een oogenblik het gevoel koesteren, dat een der leden van mijn ligchaam mijn eigen was. De slaven zeggen dikwijls, wanneer zij in hand of voet gehakt worden: "De pest op die oude hand," of "dien ouden voet! Hij is van meester! Laat hij er op passen; neger kan het niet schelen of hij ooit weêr beter wordt." Mijne handen en voeten waren nu mijne eigene.

Men zal zich herinneren, dat George, met Eliza sprekende, haar verhaalt hoe hij door het zoontje van zijn meester ongenadig geslagen werd. Deze bijzonderheid werd in de pen gegeven door den volgenden brief van John M. Nelson aan Mr. Theodore Weld, medegedeeld in "De slavernij gelijk zij is."

Mr. Nelson verhuisde vele jaren geleden uit Virginië naar Highland County, Ohio, waar hij algemeen bekend en geacht is. Zijn brief is gedagteekend 3 Januarij 1839.

Ik werd in Augusta County, Virginië, geboren en groot gebragt. Mijn vader was ouderling in de Presbyteriaansche kerk en eigenaar van ongeveer twintig slaven; hij was wat men gewoonlijk een goed meester noemt. Zijne slaven waren doorgaans tamelijk wel gevoed en gekleed en moesten niet al te zwaar werken. Somtijds werd hun vergund naar de kerk te gaan, of werden zij bij de huiselijke godsdienstoefening geroepen; weinigen evenwel maakten van die voorregten gebruik. Bij sommige gelegenheden heb ik hen gestrengelijk door hem zien geeselen, inzonderheid voor de misdaad van te beproeven om hunne vrijheid te bekomen, of voor hetgeen "wegloopen" genoemd werd. Hiervoor werden zij strenger gegeeseld dan voor iets anders. Nadat zij weder gevat waren, heb ik hen naakt zien uitkleeden en bij de handen ophangen, somtijds aan een boom, somtijds aan een paal, zoodat hunne voeten maar even den grond konden raken, en dan met een lederen riem slaan, tot het bloed hun van den rug droop. Een jongen, Jack genoemd, heb ik inzonderheid meer dan eens op deze manier zien afstraffen. Toen ik nog geheel een kind was, herinner ik mij, dat het mij zeer speet er een te zien "opbinden" om gegeeseld te worden, en ik plagt met tranen voor hen te spreken en mijn geschreeuw met het hunne te vereenigen, bijna gewillig om een gedeelte der straf op mij te nemen. Ik werd door mijn vader zeer gestreng over deze soort van medelijden doorgehaald. Doch van zulk eenen verhardenden aard zijn deze tooneelen, dat ik van deze soort van barmhartigheid voor den lijdenden slaaf tot zulk eene verstomping kwam, dat ik niet alleen hunne slagen met bedaardheid kon aanzien, maar ze hun zelf toebrengen, en dat zonder knaging. Naar één geval heb ik dikwijls met smart en berouw teruggezien, vooral sedert ik tot de overtuiging ben gekomen, "dat Negers menschen zijn." Toen ik misschien veertien of vijftien jaren oud was, wilde ik een jongen kerel, Ned geheeten, voor een of ander vermeend misdrijf straffen--ik geloof, dat het was, dat hij een toom van de bepaalde plaats had gelaten; en daar hij grooter en sterker was dan ik, hield hij mijne armen vast, om mij te verhinderen van hem te slaan. Dit hield ik voor het toppunt van onbeschaamdheid, en riep om hulp, waarop mijn vader en mijne moeder beiden tot mijn ontzet kwamen toeloopen. Mijn vader ontkleedde en bond hem, bragt hem naar den boomgaard, waar teentjes in overvloed lagen, en beval mij hem te geeselen; wanneer het eene teentje versleet, gaf hij mij anderen aan. Nadat ik hem een poos had gegeeseld, viel hij op zijne knieën om vergiffenis te smeeken, en ik schopte hem in zijn gezigt. Mijn vader zeide: "Schop hem niet, maar geesel hem;" en dit deed ik tot zijn rug letterlijk met striemen bedekt was. Ik weet, dat ik berouw gehad heb, en ik vertrouw, dat ik voor deze dingen vergiffenis heb ontvangen.

Mijn vader was eigenaar van eene vrouw (wij plagten haar Tante Grace te noemen), die in Oud-Virginië was gekocht. Zij zeide mij, dat haar oude meester haar in zijn testament hare vrijheid had gegeven, maar bij zijn dood zijne zonen haar toch aan mijn vader verkocht hadden. Toen hij haar kocht, liet zij eenigen onwil blijken om met hem mede te gaan; waarop zij in boeijen werd gezet en met geweld medegenomen. Dit was vóór dat ik geboren werd, maar ik herinner mij de boeijen gezien te hebben, en dat mij gezegd werd waarvoor zij gebruikt waren. Tante Grace leeft nog, en moet tusschen de zeventig en tachtig jaren oud zijn; zij is de laatste veertig jaren eene voorbeeldige Christinne geweest. Toen ik een jongeling was, gaf ik mij eenige moeite om haar te leeren lezen; dit is nu een groote troost voor haar. Sedert ouderdom en zwakheid haar van weinig waarde voor hare eigenaars hebben gemaakt, wordt haar toegelaten zooveel te lezen als zij verkiest; dit kan zij, met hulp van een bril, in den ouden huisbijbel doen, die bijna het eenige boek is, dat zij ooit heeft ingezien. Dit, met eenig verstelwerk voor de zwarte kinderen, is al wat zij doet; zij wordt nog als slavin gehouden. Ik herinner mij nog wel, welk een hartverscheurend tooneel het in de familie was, toen mijn vader haar man verkocht; dit was, naar ik meen, vijfendertig jaren geleden. En toch werd mijn vader voor een der beste meesters gehouden. Ik weet van weinigen, die beter waren, maar van velen, die erger waren.

Wat de geestvermogens van George betreft en dat hij zichzelven leerde lezen en schrijven, vindt men een zeer belangrijk en roerend voorbeeld van een daarmede overeenstemmend geval in het "Leven van Frederick Douglass," een boek, dat iedereen kan worden aanbevolen, die nieuwsgierig is om te zien hoe een krachtige en werkzame geest zich door al de ellende, vernedering en verdrukking der slavernij heenworstelt. Eenige weinige omstandigheden moeten vooraf vermeld worden.

Even als Clark, was Douglass de zoon van eenen blanke. Hij was een plantaadje-slaaf in eene oude trotsche familie; zijn toestand kan waarschijnlijk voor een gewonen gehouden worden; hij leefde namelijk in morsigheid, vernedering en onder ongemakken van verschillenden aard, hem door dagelijksche gewoonte tamelijk dragelijk geworden, en bij vergelijking met het lot van hen, die ergere mishandelingen lijden, voor benijdenswaardig gehouden. Eene omstandigheid, welke Douglass van zijne moeder verhaalt, is zeer treffend. Hij zegt, dat het gebruikelijk is de moeders vroeg van hare kinderen te scheiden, om aldus haar natuurlijk gevoel te verstompen en uit te dooven. Toen hij drie jaren oud was, werd zijne moeder naar eene plantaadje op acht of tien (Eng.) mijlen afstands gezonden om te werken, en daarna zag hij haar nooit behalve des nachts. Na het einde van haar dagwerk kwam zij nu en dan naar haar kind, legde zich daarmede in hare armen neer, suste het aan hare borst in slaap, en stond dan weder op om terug te gaan en bij den dageraad voor het veldwerk gereed te zijn. Nu vragen wij de voornaamste dame in Engeland of Amerika, die moeder is, of dit niet bewijst, dat deze arme veldarbeidster, onder hare vuile lompen, een echt moederhart in de borst had?

De laatste en bitterste vernedering, welke men over het hoofd der ongelukkige slaven heeft uitgestort, is, dat men hun die heilige aandoeningen ontzegt, welke God aan alle menschen eveneens gegeven heeft. Wij hooren door kwijnende modedames, met fraaije woorden zeggen: "het is niet te veronderstellen, dat die schepselen hetzelfde gevoel hebben als wij," terwijl de spreekster niet het tiende deel der vermoeijenis en pijn zou kunnen verduren, welke eene slavinnen-moeder dikwijls voor haar kind verdraagt. Elke moeder, die een moederhart in de borst heeft, moet weten dat dit eene lastering is tegen de natuur, en tusschen de wieg van haar levend en het grafje van haar dood kind staande, zulk een laster van alle moederschap met verontwaardiging verwerpen.

Douglass verhaalt aldus, hoe hij, toen hij verplaatst en huisbediende te Baltimore geworden was, heeft leeren lezen.

Het schijnt dat zijne meesteres, pas getrouwd en ongewoon aan het beheer van slaven, zeer goed voor hem was; onder andere bewijzen van goedheid behoorde ook, dat zij begon hem te leeren lezen. Toen zijn meester ontdekte wat er voorviel, zegt hij:

Terstond verbood mijn meester Mrs. Auld om mij verder te onderrigten, haar onder anderen zeggende, dat het ongeoorloofd zoowel als onvoorzigtig was eenen slaaf te leeren lezen. Om verder zijne eigene woorden te gebruiken--hij zeide: "als gij een Neger een duim geeft, zal hij eene el nemen. Een Neger behoeft niets te weten dan zijnen meester te gehoorzamen--te doen wat hem gezegd wordt. Geleerdheid zou den besten Neger van de wereld bederven. Als gij dien Neger," zeide hij van mijzelven sprekende, "leert lezen, zou hij niet meer te houden zijn. Het zou hem voor altijd ongeschikt maken om slaaf te wezen. Hij zou terstond onhandelbaar worden en van geene waarde voor zijnen meester. Wat hemzelven aangaat, het zou hem geen goed kunnen doen, maar wel veel kwaad. Het zou hem onvergenoegd en ongelukkig maken." Deze woorden zonken mij diep in het hart, wekten aandoeningen op, die nog lagen te sluimeren en voerden mij tot eene reeks van geheel nieuwe gedachten. Het was eene nieuwe gewigtige openbaring, die mij de donkere en geheimzinnige dingen verklaarde, waarmede mijn jeugdig verstand vruchteloos geworsteld had. Ik begreep nu wat voor mij een verbijsterend raadsel was geweest--namelijk het vermogen van den blanke om den zwarte tot slaaf te maken. Het was eene groote ontdekking, waarop ik hoogen prijs stelde. Van dat oogenblik af kende ik den weg van de slavernij tot de vrijheid.

Daarna was zijne meesteres even waakzaam om te beletten, dat hij leerde lezen, als zij voorheen ijverig was geweest om hem te onderwijzen. Zijne latere vorderingen beschrijft hij aldus:

Van dien tijd af werd ik zeer streng in het oog gehouden. Als ik eenigen tijd in eene kamer alleen was, vermoedde men zeker, dat ik een boek had en moest ik rekenschap geven wat ik deed. Dit alles was echter te laat--de eerste stap was gedaan. Mijne meesteres had mij, door mij de letters te leeren, den duim gegeven, en geene voorzorg kon mij beletten de el te nemen.

Het plan dat ik ontwierp en mij zeer wel gelukte, was vriendschap te maken met al de kleine blanke jongens, die ik op straat ontmoette. Van dezen maakte ik er zoo velen als ik kon tot leermeesters. Met hunne vriendelijke hulp, die ik op verschillende tijden en plaatsen verkreeg, gelukte het mij eindelijk te leeren lezen. Als ik om boodschappen werd gezonden, nam ik altijd mijn boek mede, en door een gedeelte van den weg hard te loopen, vond ik tijd om nog eene les te nemen eer ik weder naar huis ging. Ik plagt ook brood mede te nemen, waarvan altijd genoeg in huis was en dat ik altijd kon krijgen, want in dit opzigt had ik het veel beter dan vele blanke kinderen in onze buurt. Dit brood plagt ik aan kleine hongerige jongens te schenken, die mij dan daarvoor het veel kostbaarder brood der kennis gaven. Ik ben in groote verzoeking om de namen van twee of drie dezer kleine jongens te noemen, als een blijk van de dankbaarheid en genegenheid, die ik voor hen koester, maar voorzigtigheid verbiedt mij dit; niet dat het mij zou benadeelen, maar het zou hen in verlegenheid kunnen brengen, want het is in dit Christelijke land een bijna onvergeeflijk misdrijf slaven te leeren lezen. Het is van die goede kleine jongens genoeg gezegd, dat zij in Philpotstreet woonden, zeer digt bij de scheepstimmerwerf van Durgin en Bailey. Ik plagt met hen over de slavernij te spreken. Zoo zeide ik wel eens tot hen, dat ik wenschte zoo vrij te kunnen zijn, als zij zouden wezen als zij volwassen waren. "Gij zult vrij zijn, zoodra gij een en twintig wordt, maar ik ben levenslang een slaaf. Heb ik niet even veel regt om vrij te zijn, als gij?" Deze woorden plagten hen te verontrusten; zij gaven mij dan hun hartelijk medelijden te kennen en troostten mij met de hoop, dat er iets zou voorvallen, waardoor ik vrij zou worden.

Ik was nu ongeveer twaalf jaren oud, en de gedachte van levenslang slaaf te zijn begon mij zwaar op het hart te drukken. Juist in dien tijd kreeg ik een boek in handen getiteld: "The Columbian Orator." Ik maakte van elke gelegenheid, die ik vinden kon, gebruik om dit boek te lezen. Onder andere belangwekkende stukken, vond ik daarin eene zamenspraak tusschen een meester en zijnen slaaf. De slaaf werd gezegd driemaal van zijnen meester te zijn weggeloopen. De zamenspraak moest het gesprek voorstellen, dat tusschen hen plaats had, toen de slaaf voor de derde maal weder gevat was. In deze zamenspraak werden alle redenen vóór de slavernij door den meester aangevoerd en door den slaaf wederlegd. Men liet den slaaf ter beantwoording van zijnen meester verscheidene zeer vernuftige zoo wel als treffende dingen zeggen--dingen die het verlangde, hoewel onverwachte gevolg hadden; want het gesprek eindigde daarmede dat de meester den slaaf vrijwillig emancipeerde.

In hetzelfde boek vond ik een van Sheridan's krachtige redevoeringen ter gunste van de emancipatie der Katholieken. Dit waren uitgelezene stukken voor mij. Ik las en herlas ze met onverflaauwde belangstelling. Zij gaven eene taal aan de vurigste gedachten mijner eigene ziel, die mij dikwijls voor den geest hadden gezweefd, maar uit gebrek aan vermogen om ze te uiten, weder weggestorven waren. De moraal welke ik uit de zamenspraak trok, was het vermogen der waarheid over het geweten zelfs van eenen slavenhouder. Wat ik van Sheridan kreeg, was eene stoute aanklagt der slavernij en eene krachtige verdediging der menschen regten. Het lezen dezer stukken stelde mij in staat om mijne gedachten te uiten en de redeneringen te wederleggen, die vóór de slavernij worden aangevoerd; doch terwijl zij mij van één bezwaar onthieven, bragten zij mij in een ander, bijna nog pijnlijker dan dat waarvan ik ontheven was. Hoe meer ik las, des te meer leerde ik hen, die mij tot een slaaf gemaakt hadden, verfoeijen en haten. Ik kon hen in geen ander licht beschouwen, dan als eene bende gelukkige roovers, die naar Afrika waren gegaan, en ons uit ons vaderland hadden gestolen en in een vreemd land tot slavernij gebragt. Ik walgde van hen als de laagsten zoowel als de slechtsten der menschen. Terwijl ik las en de zaak overwoog, zie, daar was die onvergenoegheid, welke meester Hugh had voorspeld, dat op mijne geleerdheid zou volgen, reeds gekomen, en pijnigde mijne ziel onuitsprekelijk. Terwijl ik onder die marteling kromp, kwam het mij dikwijls voor, dat mijne kennis veeleer een vloek dan een zegen was. Zij had mij een inzigt in mijn rampzaligen toestand gegeven, zonder redmiddel. Zij opende mijne oogen voor den afgrijselijken kuil, maar voor geene ladder om er uit te komen. In oogenblikken van zielesmart benijdde ik mijne medeslaven hunne domheid. Dikwijls heb ik gewenscht, dat ik maar een beest was. Ik stelde den toestand van het laagste kruipende gedierte boven mijn eigenen; alles had ik willen zijn, om maar niet te denken. Het was dat eeuwigdurende denken aan mijnen toestand, dat mij martelde; daarvan kon ik niet ontslagen raken. Het werd mij door alles wat ik zag en hoorde, door alle bezielde en onbezielde voorwerpen opgedrongen. De zilveren bazuin der vrijheid had mijne ziel tot een eeuwig waken opgewekt. De vrijheid verscheen mij nu, om nooit weder te verdwijnen. Ik hoorde haar in elken klank, ik zag haar in alle dingen. Zij was altijd tegenwoordig, om mij met een gevoel van mijnen rampzaligen toestand te martelen. Ik zag niets zonder haar te zien, ik hoorde niets zonder haar te hooren, en voelde niets zonder haar te voelen. Zij zag mij aan uit elke ster, zij lachte mij toe in elke kalmte, zij ademde in ieder windje, zij zweefde in elken storm.