De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 39

Chapter 393,838 wordsPublic domain

Er kampte een tweestrijd in zijn ziel Om winst, zoo laag als snood; Hij wist van wien ze 't leven hiel, Wiens bloed haar borst doorvloot.

In 't eind--zijn beter ik bezweek; Hij nam het blinkend goud. Toen werd het meisje doodlijk bleek, Haar hand als ijs zoo koud.

De slavenhaler greep die hand, En bragt, bij maanlichtschijn, Ze aan boord, om in het vreemde land Hem ter boelin te zijn.

H. W. Longfellow.

KLAGT

Eener slavenmoeder van Virginia over hare dochters, naar het Zuiden als slavinnen verkocht.

Ach, verkocht of 't slagtvee was, Naar het vunzig rijstmoeras, Waar de slavenzweep staâg prest. Waar 't insect venijnig kwetst, Waar de koorts haar gift in 't bloed Met den nachtdauw vloeijen doet, Waar het zieklijk zonlicht kampt Met den pestwalm die er dampt!-- Ach, verkocht of 't slagtvee was, Naar het vunzig rijstmoeras, Weggevoerd door beulenhand Uit Virgienje's heuv'lig land. Wee mij! van zijn waterstroomen, Zijn mijn kindren weggenomen!

Ach, verkocht of 't slagtvee was, Naar het vunzig rijstmoeras! Daar hoort 's moeders oor haar nooit, Ziet geen moederoog haar ooit; Nooit, wanneer de geeselriem 't Lijf haar voort met striem bij striem, Streelt een moederhand haar teêr, Vlijen ze aan haar borst zich neêr. Ach, enz.

Ach, verkocht of 't slagtvee was, Naar het vunzig rijstmoeras! Als zij 's avonds, God weet hoe! 't Veld verlaten, loom en moê, Flaauw van pijn, en uitgeput Keeren naar heur sombre hut,-- Snelt geen broeder ze in 't gemoet, Brengt geen vader haar zijn groet. Ach, enz.

Ach, verkocht of 't slagtvee was, Naar het vunzig rijstmoeras! Verre van den boom waar 't paar Speelde en stoeide met elkaâr; Van de bronwel, aan wier rand Zij vaak dwaalden hand aan hand; Van de woning van 't gebed, Waar zij hoorden van Gods wet. Ach, enz.

Ach, verkocht of 't slagtvee was, Naar het vunzig rijstmoeras! Over dag geen oogwenk rust, 's Nachts ter prooi aan 's planters lust. Och, greep nu de dood ze maar! Rustten zij slechts naast elkaâr, Waar geen dwing'land haar meer pijnt, En de boei niet langer schrijnt! Ach, enz.

Ach, verkocht of 't slagtvee was, Naar het vunzig rijstmoeras! Om 't gekrookte riet, dat Hij Spaart uit Vadermedelij', Zij Hij, die alleen maar weet Wat mijn dierbaar kroost al leed, Steeds haar toevlugt in de smart, Met een meer dan moederhart! Ach, verkocht of 't slagtvee was,

Naar het vunzig rijstmoeras, Weggevoerd door beulenhand Uit Virgienje's heuv'lig land. Wee mij! van zijn waterstroomen Zijn mijn kindren weggenomen!

John G. Whittier.

Het volgende uittreksel uit een brief van Dr. Bailey, voorkomende in de Era van 1817, behelst een overzigt nopens deze zaak, dat sommige Virginische familiën meer eer aandoet. Moge het getal van hen, die weigeren om anders dan door emancipatie van hunne slaven afstand te doen, meer en meer toenemen!

De verkoop van slaven naar het Zuiden is zeer uitgebreid. Zoo ver ik heb kunnen vernemen, kweeken de slavenhandelaars hen niet opzettelijk met dat doel aan. Maar er is b. v. een man, met een twintigtal slaven, gevestigd op eene uitgeputte plantage. Deze moet het onderhoud voor allen opleveren; maar dit neemt af naar mate zij vermeerderen. Het gevolg is, dat hij hen moet emanciperen of verkoopen. Maar hij is in schulden geraakt, en verkoopt hen om zijne schuld te kwijten, als ook om zich van een aantal monden te ontslaan. Of hij heeft geld noodig om zijne kinderen eene opvoeding te geven; of eindelijk worden de slaven verkocht op regterlijk gezag. Door deze en andere oorzaken verdwijnen voortdurend aanzienlijke getallen slaven uit den Staat, zoodat de eerstvolgende census ongetwijfeld eene groote vermindering in de slavenbevolking zal aanwijzen.

Het saisoen voor dezen handel duurt gemeenlijk van November tot April; en sommigen berekenen, dat het gemiddeld getal slaven, dat gedurende zes maanden wekelijks langs den zuidelijken spoorweg vervoerd wordt, ten minste 200 bedraagt. Een slavenhandelaar verhaalde mij, dat hem een voorbeeld bekend was, dat er 100 op éénen avond vervoerd waren. Doch dit is slechts één weg. Er worden ook groote getallen westelijk gezonden, of over zee langs de kust. De Davises, te Petersburg, zijn de groote slavenhandelaars. Zij zijn Joden, die vele jaren geleden daar kwamen als arme marskramers; en thans, verneem ik, zijn zij leden van eene familie, die hare vertegenwoordigers te Philadelphia, New-York en elders heeft. Deze lieden zijn altijd aan de markt en geven den hoogsten prijs voor slaven. Gedurende den zomer en het najaar echter koopen zij die allerwege op voor lage prijzen, kleeden, scheren, wasschen hen, maken hen vet zoodat zij een goed voorkomen hebben, en verkoopen hen met aanzienlijke winst. Het zou niet onaardig zijn eens te weten hoeveel kapitaal en welke firma's van sommige steden in het Noorden, in dezen verfoeijelijken handel betrokken zijn.

Er zijn hier vele planters, die niet bewogen kunnen worden om hunne slaven te verkoopen. Zij hebben er verreweg meer dan zij aan het werk kunnen zetten, en zij zouden er ten allen tijde goede prijzen voor kunnen bedingen. De verzoeking is sterk, want zij hebben meer geld en minder onderhoorigen noodig. Maar zij bieden er weêrstand aan en niets kan hen overhalen om afstand te doen van een enkelen slaaf, ofschoon zij weten, dat zij eene aanmerkelijke winst zouden maken als zij maar de helft wilden verkoopen. Zulke lieden zijn te goedhartig om slavenhouders te wezen. Gave de hemel, dat zij het van hun pligt begonnen te rekenen, nog één stap verder te gaan en bevrijders hunner slaven te worden! Deze klasse van planters bestaat meerendeels uit Godsdienstige mannen, en van hen zijn grootendeels de emancipatiën bij testament afkomstig, waarvan wij nu en dan hooren.

HOOFDSTUK V.

VOORVALLEN UIT EEN WETTIGEN TAK VAN HANDEL, OF WAARHEID DIE VREEMDER KLINKT DAN VERDICHTING.

Het afschuwelijke en heiligschennende gebruik om menschelijke wezens ten verkoop aan te fokken en als vee ter markt te verkoopen, maakt op de ziel niet dien diepen indruk dien het behoorde te maken, omdat het zich in veel te algemeenen vorm voordoet.

't Is er mede als met het berigt van een grooten veldslag, waarvan wij in ronde getallen vernemen, dat tien duizend man gedood en gewond zijn, waarop wij het nieuwsblad, zonder er verder iets bij te denken, ter zijde werpen.

Evenzoo, als wij lezen, dat zestig of tachtig duizend menschelijke wezens jaarlijks worden aangekweekt en op de markt verkocht, gaat ons dit door het hoofd zonder een bepaalden indruk na te laten.

Sterne zegt, dat, toen hij zich de jammeren der kerkerstraf wilde voorstellen, hij zijne gedachten moest afwenden van de honderdduizenden die in kerkerholen verkwijnen, en zich bepaaldelijk één verlaten gevangene, neêrgezeten in zijne cel, moest voorstellen. Daarom kunnen wij ook geen denkbeeld geven van de verschrikkelijke, wreede en demoraliserende werking van dezen handel, zonder de feiten in bijzonderheden voor te stellen, en elk feit te geven als een staaltje van eene bepaalde klasse.

Als een proefje van het gevoel en de soort van zedelijkheid, die dit stelsel van aanfokken en opkweeken zoo bij slaven als eigenaren te weeg brengt, deelt schrijfster dezes de onderstaande uittreksels mede van een brief, onlangs aan haar gerigt door eene vriendin in een der zuidelijke Staten.

Lieve Mevrouw.

De zwarte godin, die over onze bedden en waschtafels het toezigt houdt, is zulk een wonderlijk staaltje van haar ras, dat ik wenschte, dat gij haar zien kondt. Haar geheele voorkomen, als zij daar zoo schaterend en neigend rondtrippelt, is in den hoogsten graad lachverwekkend en zou een vreemde al ligt op het denkbeeld brengen, dat het haar aan het verstand haperde. Dit is echter in geenen deele het geval. Gedurende de twee maanden, dat wij met haar bekend zijn, hebben wij verscheidene blijken van gezond verstand bij haar waargenomen, die zelfs lof zouden verdienen bij een blanke die tienmaal meer voorregten had dan zij.

Zij is zeer spraakzaam en schijnt te gevoelen, dat zij aanspraak heeft op onze belangstelling, alleen reeds omdat wij uit het Noorden komen, en wij zouden ongetwijfeld geene geringe kennis van de "fraaije instelling" opdoen, zoo wij het raadzaam oordeelden, eenigzins lange gesprekken met haar te houden. Dit zou ons echter een bezoek van de overheden op den hals halen en eene aanmaning om de stad met den eerstvolgenden trein te verlaten. Wij moeten ons dus vergenoegen met, onder den schijn van zeer onverschillig te wezen, nu en dan iets op te vangen, en er een einde aan maken door haar om eene of andere kleinigheid uit te zenden; wij zorgen echter, hare eigenaardige uitdrukkingen ten papiere te brengen zoodra zij zich verwijderd heeft. Ik heb gedacht, dat eene copie daarvan u aangenaam zou wezen, vooral wegens de daarin voorkomende merkwaardige bijzonderheden aangaande de instelling des huwelijks, een noodwendig gevolg van het in zwang zijnde stelsel.

"Eene dame uit het Zuiden, welke vermeent dat het gevoel van den neger in de Negerhut wat al te hoog opgevijzeld is, verzekert ons, dat de gehechtheid niet zeer sterk kan zijn bij een man die twee of drie vrouwen en gezinnen op even zoo vele plantagiën heeft (!). En de meesteres van ons hotel berigt ons, dat hare keukenmeid met de volmaaktste onverschilligheid de tijding van haar man ontvangen heeft, dat hij eene andere vrouw bezit en zij een ander man mag nemen; zij had eenvoudig het voornemen te kennen gegeven "om er voor het oogenblik geen te nemen, daar zij in de volgende maand aan haar eigenaar in Georgia moest teruggezonden worden en het vertrek haar dan moeijelijker zou vallen." En toch zijn beide die dames Godsdienstig en achten zich beleedigd door het minste vermoeden, dat de zedelijkheid hunner slaven niet hooger zou zijn dan die van de vrije negers in het Noorden.

Bij de geschiedenis van Violet zal ik ook die voegen van een onzer oppassers, waarin gij zeker wel belang zult stellen.

Violet's vader en moeder stierven beiden, zoo als zij zegt, "vóór ik eenig begrip had,""--elf kinderen nalatende, die overal verstrooid waren. "Al kon ik er schatten meê winnen, Missis, zou ik niet kunnen zeggen waar een van allen is. Massa woont te Charleston. Mijn eerste echtgenoot was een knap man; hij had zeven kinderen; toen werd hij verkocht naar Florida; ik heb nooit meer van hem gehoord. De ouders sterven; o, dat is het verschrikkelijkste; als die dood zijn worden wij overal heen verstrooid. Ik werd in deze streken verkocht; nu heb ik een ander man en vier kinderen. Ik leefde heel genoegelijk met mijn eersten man en wij kregen vele kinderen. Maar hier is het schraal. Massa wil niet toelaten, dat wij iets hebben, geen varken, geen geit, geen hond; ja hij geeft ons zelfs geen weinigje koorn. Wij moeten maar rondkomen zoo als wij kunnen. Het eenige wat wij krijgen, zijn twee eigengeweven kleedjes.

"Ik kan niet naar de meeting gaan, omdat Missis te veel werk te doen heeft. 's Zomers ga ik elken Zondagavond; maar bij deze korte dagen is de dag te snel om. Ik ga meestal naar de Doopsgezinde kerk."

"Gaan de uwen daar gewoonlijk?"

"Zij zijn van drie soorten: Methodisten, Doopsgezinden en Episcopalen. Verleden zomer hebben wij Zondags avonds heel dikwijls meetings in onzen "yard" gehad. Massa Johnson preêkte voor ons. Maar toen zeî hij, dat hij niet tweemaal preken kon: wij moesten maar naar de kerk komen."

"Waarom?"

"Dat weet de hemel. Ik ga gaarne naar de meeting, vooral als er mooi gepreêkt wordt. Ik hoor het gaarne, als de menschen goed tot mij spreken. Ook ben ik blij als men mij voorleest. Waarom zou dat ook niet, al behoor ik niet tot de Kerk?"

"Laat uw meester toe, dat anderen u voorlezen?"

"Hij zal het mij niet beletten; ik behoef hem niet te vertellen, dat een ander mij voorleest. Ik moet mijne ziel, hij de zijne trachten te behouden. Onze eigenaars willen niet een paar minuten besteden om ons voor te lezen; dat zou eene te groote eer voor ons zijn; zij behandelen ons zeer hard. Sommige predikanten spreken ons wel eens vriendelijk toe en bidden met ons, en voor zichzelven heel wat er bij."

"Ik heb zoo even een groot geschil gehad met Dinah in de keuken en haar gezegd: "Dinah, de weg dien gij opgaat, bederft den goeden naam van de vrouwen." Zij antwoordde, dat zij er zich niet om bekreunde en dat zij zou doen wat haar goeddacht. Dinah is van haar eersten man weggeloopen en heeft een kind gehad bij Sambo (die aan Massa D. behoort), zoodat zij en haar eerste man van elkander afgeraakt zijn. De mannen, Missis, zien zulke dingen nooit met een goed oog aan.

"Gij weet, Missis, als wij van iets houden, willen wij niet dat een ander het hebben zal. Zoo iets, Missis, al laat men 't niet merken, foltert iemand dood. Als mijn man mij op die wijze wilde ontloopen, Missis, 'k zou er bij zijn. Ik zou ook zoo niet handelen met mijn man. Al kan ik het hier verbergen, voor God zal het geopenbaard worden en de heele wereld zal het vernemen.

"Dinah's tweede man zeî, dat het hem niets aanging, hoe zij met haar eersten man gehandeld had. Zoo denkt mijn man er niet over. Hij zegt, dat hij niet doen zou wat Daniel doet; hij zou geen speelgoed koopen voor de andere kinderen; wiens ze waren, mogt dat doen. Nu, hoe het zij, Dinah's eerste man komt, zoo dikwijls hij kan, over, om zijne kinderen te zien, en Sambo komt ook om zijn kind te zien, en geeft daarvoor aan Dinah snuisterijen.

"Massa had geene slaven dan een geel meisje, toen hij mij en mijne vier kinderen kocht. Nu wilde Massa kinderen van mij hebben; dus zeî hij: "Violet, gij moet een of anderen neger hier te G. nemen."

Daarop antwoordde ik: "Neen, Massa, ik kan er hier geen nemen."--"Gij moet, Violet," hernam hij. Gij ziet, hij verlangde dat ik ook slaven zou opkweeken, en daarom zei hij, dat hier een overvloed van jonge kerels was, maar ik hervatte, dat ik geen van allen kon nemen. Nu dan, Missis, toen ging hij naar Virginia en bragt twee negers mede, reeds vrij oude lieden, en Missis zeî: "Een daarvan is voor u, Violet;" maar ik zeî: "Neen, Missis, ik kan geen van beiden nemen, omdat ik niet van hen houd, en ik kan niemand nemen, dien ik niet bemin." Toen riep Massa: "Gij moet een van dezen nemen,--of, zoo gij hem niet lief kunt hebben, dan moet gij iemand anders vinden dien gij bemint." Ik zeî: "O neen, Massa, dat kan ik niet doen,--ik kan niet elken dag een anderen nemen." Na eenigen tijd kocht Massa er nog drie bij en toen zei Missis: "Nu, Violet, een daarvan is voor u." Ik herhaalde: "Ik kan niet; misschien bemin ik van hen ook geen;" maar zij antwoordde: "Gij moet een van dezen nemen." Zoo dan leefden Sam en ik twee jaren; hij ging mijne gangen na en ik de zijne.

"Eindelijk, op een avond, stonden wij zamen bij den houtstapel, en de maan scheen zeer helder, en hoe het kwam weet ik niet, Missis, maar hij zeî mij, dat hij eene vrouw wenschte te hebben, doch niet wist waar eene te krijgen. Ik antwoordde, dat er knappe meisjes genoeg in G. waren. "Ja," zeî hij, "maar ik vind er misschien niet ééne, die mij zoo wel bevalt als gij." Ik zei hem toen dat ik hem misschien zou tegenvallen, want dat ik reeds oud begon te worden, en dat ik vier kinderen van mijn eersten man had; en dat iemand, die mij trouwde, zoo goed voor de kinderen moest wezen als voor mij; dat ik hem anders niet kon lief hebben. Toen zei hij: "al ware het ook dat eene vrouw kinderen had (let op, dat hij mij niet noemde) zoo zou hij toch zoo vriendelijk zijn voor de kinderen als voor de moeder, en dat zou er veel van afhangen hoe zij hem behandelde." Zoo kwamen wij van het eene ding op het andere, tot wij eindelijk verklaarden dat wij elkander namen, en zoo hebben wij sedert geleefd, en ik heb vier kinderen bij hem, en hij ontloopt mij nooit noch ik hem."

"Hoe trouwt gij in uw "yard"?"

"Wel, wij vragen de blanken verlof en dan nemen wij elkander. Sommigen worden met het boek getrouwd, maar waar dient het toe? Daar hebt ge mijn eersten man: wij zijn met het boek getrouwd, en toch werd hij naar Florida verkocht en ik ben hier. Men doet met ons wat men wil, en zoo bevalt het hun niet dat wij voor vast getrouwd zijn. Het kan hun niet schelen wat wij doen, als wij maar geld voor hen verdienen.

"Mijn eerste man was jong en zeer vriendelijk voor mij, o Missis, inderdaad zeer vriendelijk. Hij werkte nacht en dag om mij gemakken te bezorgen. o Het ging ons zeer goed zoo lang ik hem had; maar hij werd naar Florida verkocht, en sedert, Missis, ben ik dezelfde niet meer. Deze blanken hier vergunnen ons niets, in het geheel niets; zij geven ons eten en twee kleedjes in een jaar, een breede streep en een smalle streep; ik zal ze u eens laten zien, Missis."

En wij hebben ze gezien; want Violet bragt mij de "breede streep" met verzoek dat ik het voor haar maken zou. Er was juist genoeg om haar te bedekken, maar geene haken of oogen, geen garen, geene voering, dat moest zij zelve maar zien te krijgen; en toch ontvangt haar meester van onzen kastelein acht dollars 's maands voor hare diensten. Wij vroegen hoe zij dan hare kleedjes gemaakt kreeg.

"o Missis, mijn man werkt nu buiten de hoeve, zoodat hij vier pond spek en eene hoeveelheid meel iedere week krijgt; hij zuinigt het zoo uit, dat hij mij de vier pond spek geeft om de onkosten voor mijn kleedje uit te vinden. (Eene vraag: Zijn er ook echtgenooten in de beschaafde kringen die meer zouden doen dan deze man?)

Toen Violet ons eens alle drie druk aan het schrijven vond, stond zij eenige oogenblikken in stilte de geheimzinnige bewegingen onzer pennen aan te staren, en zeide toen op den toon der diepste droefheid:

"o Wat is dat toch een groote troost, Missis. Gij kunt aan uwe vrienden alles schrijven en ook aan u laten schrijven. Ons volk kan dit niet. Of zij levend of dood zijn, kunnen wij nimmer vernemen; soms, ja, hooren wij dat zij dood zijn."

Kon er krachtiger aanmerking gemaakt worden op de wreede wetten, die den slaaf verbieden te leeren schrijven?

De geschiedenis van den oppasser luidt aldus:

George's vader en moeder behoorden aan iemand in Florida. Gedurende den oorlog gingen twee oudere zusters aan boord van een Engelsch schip en kwamen te Halifax. Zijne moeder zou gaarne met haar geheele gezin medegegaan zijn, doch haar man haalde haar over, om te wachten tot het volgende schip zou zeilen, als wanneer hij ook meende te zullen kunnen gaan. Door dit uitstel ging de gelegenheid van ontvlugting verloren en het geheele gezin werd kort daarna voor schuld verkocht. George, eene zuster en zijne moeder werden door éénzelfden persoon gekocht. Hij zegt: "Mijn oude meester was buiten zichzelven toen moeder stierf en zeî dat hij liever duizend dollars had willen verliezen. Zij was half eene Indiaansche met hair zoo regt als het uwe, en zij was blank als die peluw." George huwde eene vrouw van eene andere plantage. Hij gaf daarvoor de volgende reden op: "Als een man zijne vrouw ziet mishandelen, trekt hij het zich onwillekeurig aan. Als hij hoort dat zijne vrouw mishandeld is, is het nog niet hetzelfde als wanneer hij het ziet. Zoo kon ik beter voor haar zorgen, dan wanneer zij op mijne plantage was. Deze vrouw nu werd hooger op verkocht, doch werd na eenige jaren lam en ziek en kon niet veel doen; daarom gaf Massa haar verlof en betaalde hare vracht tot G." (Gij weet, voor de zieken en gebrekkigen wordt altijd gezorgd.) "Ik had haar in drie jaren niet gezien," zeide George, "maar zoodra ik het hoorde, haalde ik haar terstond af, huurde een huisje en nam iemand om op haar te passen, en ging haar zoo dikwijls zien als ik kon." Hij is een ambachtsman en werkte dikwijls nachten door ten einde dit alles te bekostigen. Zijn meester vraagt twintig dollars per maand voor zijne diensten en legt hem wekelijks vijftig cents toe voor kleederen en andere benoodigdheden. George zegt dat als hij, door 's nachts ook te werken, maar geld genoeg bijeen kon zamelen om zich vrij te maken, hij wel iemand zou weten te vinden dien hij vertrouwen kon om hem te koopen. "Dan zou ik zoo hard als ooit werken om mijne kinderen los te koopen en van hier weg te komen."

"Waarheen?"

"O, naar Philadelphia, New-York of ergens anders in het Noorden."

"Wel, daar zoudt gij doodvriezen!"

"O neen, Missis, ik kan de koude wel verdragen. Maar ik heb behoefte om mij-zelven toe te behooren en te doen wat ik noodig reken."

De volgende mededeeling is aan de schrijfster gedaan door den heer Austin Bearse, koopvaardij-kapitein te Boston en geboortig van Barnstable aan Cape Cod. Hij is wel bekend bij de burgers en kooplieden van Boston.

Ik ben afkomstig uit den Staat Massachusetts. Tusschen 1818 en 1830 voer ik als stuurman aan boord van verschillende schepen, die de kustvaart aan de stranden van Zuid-Carolina dreven.

Het is bekend, dat vele schepen van Nieuw-Engeland de gewoonte hebben om den winter aan de zuidelijke kust met deze bezigheid door te brengen. Onze schepen plagten de rivier op te varen om de ruwe rijst en katoen van de plantages te halen, die wij dan naar Charleston bragten.

Wij voerden dikwijls troepen negers naar de plantagiën, wier eigenaren hen ontboden hadden. Deze slaven waren door de slavenhandelaren doorgaans bijeen gezocht uit de slavenmagazijnen te Charleston, alwaar zij door verschillende oorzaken heengebragt waren, zooals door den dood hunner eigenaren of door boedelscheiding die hen deed verkoopen. Sommigen waren er heen gezonden tot straffe voor ongehoorzaamheid, of doordien het aantal slaven te groot was, of omdat personen die naar het Noorden of Westen verhuisden liever hunne slaven verkochten dan zich met de moeite te belasten van ze mede te nemen. Van tijd tot tijd hadden wij die slaven in aanzienlijke getallen aan boord, soms slechts twee of drie, maar soms ook wel zeventig of tachtig. Zij waren van hunne gezinnen en betrekkingen gescheiden met even weinig omslag, als men in acht neemt bij het uitzoeken van eene partij varkens of schapen.

Onze schepen lagen gewoonlijk op eene plek genaamd Arme Mans Kreek, niet ver van de stad. Wij plagten de betrekkingen en vrienden van de slaven verlof te geven, om aan boord te komen en den geheelen nacht bij hunne vrienden te blijven, eer het schip onder zeil ging. Des morgens was het mijne taak de luiken open te doen en hen te waarschuwen, dat de tijd van scheiden was gekomen, en op zulk een oogenblik waren de gillen en hartverscheurende kreten genoegzaam om iemand de bezinning schier te doen verliezen.