De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 38
De Natchez (Mississippi) Courier zegt, "dat de Staten Louisiana, Mississippi, Alabama en Arkansas gedurende 1836 twee honderd en vijftig duizend slaven uit de meer noordelijk gelegene Staten ingevoerd hebben."
Dit zou volstrekt ongeloofelijk schijnen; maar vermoedelijk zijn hierin al de slaven begrepen, die met hunne meesters medegekomen zijn toen deze zich hier nedergezet hebben. De volgende zinsneden uit den Virginia Times schijnen die stelling te bevestigen:
"Door deskundigen hebben wij het getal slaven, die in de laatst verloopen twaalf maanden van Virginia uitgevoerd zijn, hooren schatten op honderd en twintig duizend, makende, elken slaaf gemiddeld ten minste op zes honderd dollars gerekend, eene som van twee en zeventig millioen dollars. Van het getal uitgevoerde slaven is niet meer dan een derde gedeelte verkocht, zijnde de andere medegenomen door hunne meesters die verhuisd zijn."
Zoo men een derde gedeelte als het getal der verkochten beschouwt, zijn er meer dan tachtig duizend ten verkoop ingevoerd in de vier Staten Louisiana, Mississippi, Alabama en Arkansas. Onderstelt men dat de helft van tachtig duizend verkocht zijn in de overige aankoopende Staten, Zuid-Carolina, Georgia en het gebied van Florida, dan komt men tot de conclusie, dat eenige jaren vóór de groote financieele crisis van 1837, meer dan honderd en twintig duizend slaven van de aankweekende naar de verbruikende Staten werden uitgevoerd.
De Baltimore American neemt het volgende over uit een blad van den Staat Mississippi, van het jaar 1837:
"Uit het rapport over de bestaande financieele crisis, opgemaakt door de in eene bijeenkomst der burgers van Mobile benoemde commissie, blijkt, dat er een zoo uitgestrekt gebruik is gemaakt van slaven-arbeid, dat Alabama sedert 1833 jaarlijks voor ongeveer tien millioen dollars van die soort van eigendom van andere Staten gekocht heeft."
"Het handelen in slaven," zegt het Baltimore (Maryland) Register van 1829, "is een veel omvattend bedrijf geworden; op verscheidene plaatsen in Maryland en Virginia zijn etablissementen opgerigt, waar zij als vee verkocht worden. Deze bewaarplaatsen zijn stevig gebouwd en ruim voorzien van ijzeren duimschroeven en mondproppen, en opgetooid met allerlei soorten van lederen zweepen, waaraan men dikwijls het bloed ziet kleven."
Professor Dew, thans president van de "University of William and Mary", in Virginia, zegt op blz. 120 van zijn overzigt van de debatten, in 1831 en 1832 in de wetgevende vergadering van Virginia gehouden:
"Aangezien een volkomen equivalent in de plaats van den slaaf gelaten wordt (de koopprijs), is deze emigratie een voordeel voor den Staat, en vermindert de zwarte bevolking niet zoo veel als bij den eersten oogopslag zou schijnen, dewijl de meester hierin alle aanleiding vindt, om goed voor de negers te zorgen, hunne vermeerdering te bevorderen en er het grootst mogelijke getal van aan te kweeken." En iets verder zegt hij: "Virginia is inderdaad eene slavenkweekschool voor de andere Staten."
De heer Goode zeide in 1832 in eene redevoering, die hij in de wetgevende vergadering van Virginia hield:
"Het overgroote nut der slaven in het Zuiden zal daarnaar zooveel vraag doen ontstaan, dat zij er door van onze grenzen verwijderd zullen worden. Wij zullen hen uit onzen Staat zenden, dewijl ons belang dit zal medebrengen; maar er zijn leden, die vreezen, dat de markten van andere Staten voor den invoer onzer slaven gesloten zullen worden. Mijne heeren, de vraag naar slavenarbeid moet toenemen," enz.
Bij de debatten van de Conventie van Virginia in 1829, zeide de regter Upshur:
"De waarde der slaven, als eigendom, hangt veel af van den toestand der buitenmarkt. Uit dit oogpunt beschouwd, is het de waarde van land in andere Staten, niet hier, die den maatstaf aan de hand geeft. Niets is wisselvalliger dan de waarde der slaven. Eene onlangs in Louisiana aangenomene wet, deed, twee uren nadat hare aanneming bekend was geworden, hunne waarde vijf en twintig percent dalen. Zoo, gelijk ik ook vertrouw, de aanwinst van het landschap Texas ons beschoren ware, zal hun prijs weder vooruitgaan."
De heer Philip Doddridge zeide in de zoo even genoemde Conventie (blz. 89 der debatten):
"De aanwinst van Texas zal de waarde van den bedoelden eigendom (de slaven) grootelijks vermeerderen."
Door Dr. Graham, van Fayetteville, in Noord-Carolina, werd in eene bijeenkomst van belanghebbenden bij de kolonisatie, gehouden in het najaar van 1837, gezegd:
"In den afgeloopen winter werden ongeveer zeven duizend slaven op de markt van New-Orleans te koop geboden. Alleen van Virginia werden jaarlijks zes duizend naar het Zuiden gezonden, en uit Virginia en Noord-Carolina waren in de laatste twintig jaren drie honderd duizend slaven naar het Zuiden gevoerd."
De heer Henry Clay, van Kentucky, zegt in de rede, die hij in 1829 voor de "Colonisation Society" uitsprak:
"Het is te gelooven, dat nergens in de landbouwende streken der Vereenigde Staten van slaven-arbeid algemeen gebruik zou gemaakt worden, indien de grondeigenaren niet verlokt werden om slaven op te kweeken, door hun hoogen prijs op de markten in het Zuiden."
In het New-York Journal of Commerce, van 12 October 1835, komt een brief voor van een Virginiër, wien de redacteur "een achtenswaardig en gevoelig man" noemt, en die daarin opgeeft dat in genoemd jaar, hetwelk nog slechts voor drie vierde gedeelten verstreken was, twintig duizend slaven uit Virginia naar het Zuiden waren vervoerd.
De heer Gholson zeide in eene rede, welke hij den 18 Januarij 1831 in de wetgevende vergadering van Virginia uitsprak (zie den Richmond Whig):
"'t Is er door lieden van den ouderwetschen stempel altijd voor gehouden (misschien ten onregte), dat de eigenaar van een land een beslist regt heeft op de jaarlijksche opbrengst; de eigenaar van boomgaarden, op de jaarlijksche vruchten; de eigenaar van merries op hare veulens, en de eigenaar van slavinnen op hare kinderen. Wij bezitten het fijn geslepene verstand niet, noch de regtskennis, om het technische onderscheid te kunnen zien, dat door sommigen gemaakt is," (namelijk het onderscheid tusschen merriën en slavinnen.) "De regtsregel partus sequitur ventrem is te gelijk ontstaan met het eigendomsregt-zelf, en gegrond op wijsheid en regtvaardigheid. Het is uithoofde van de regmatigheid en onschendbaarheid van dezen stelregel, dat de meester zich berooft van de diensten der slavin, haar laat verplegen en oppassen en haar hulpeloos kind opvoedt. De waarde der bezitting regtvaardigt de kosten, en ik aarzel niet te zeggen, dat in de vermeerdering daarvan veel van onzen rijkdom bestaat.
Kan eenig vertoog over den toestand, waarin de openbare meening door het stelsel der slavernij gebragt wordt, zooveel zeggen als deze woorden, wanneer wij bedenken dat zij in de wetgevende vergadering van Virginia uitgesproken zijn? Zou men niet gelooven, dat Washington moet blozen in zijn graf, dat de Staat, waar hij het levenslicht aanschouwde, zoo diep gevallen is? Dat er echter nog harten in Virginia klopten, die gevoelig voor de schande waren, blijkt uit het volgende antwoord van den heer Faulkner aan den heer Gholson, in de Virginische kamer van afgevaardigden in 1832 (zie den Richmond Whig):
"Maar hij (de heer Gholson) heeft trachten aan te toonen, dat de afschaffing der slavernij onstaatkundig zou zijn, dewijl uwe slaven den geheelen rijkdom van den Staat uitmaken, het geheele productief vermogen vormen, dat Virginia bezit; en, mijne heeren, zoo als de tegenwoordige stand van zaken is, geloof ik dat hij gelijk heeft. Hij zegt, dat de slaven den geheelen beschikbaren rijkdom van oostelijk Virginia uitmaken. Is het waar, dat gedurende twee honderd jaren de eenige vordering in den rijkdom en de middelen van Virginia een gevolg geweest is van de natuurlijke toeneming van dat rampzalige geslacht? Kan het zijn, dat deze Staat geheel afhankelijk is van dien aanwas? Vóór dat ik deze verklaringen hoorde; had ik de afgrijselijke diepte van dit kwaad niet volkomen gepeild. Deze heeren voeren een feit aan, dat door de geschiedenis en den tegenwoordigen toestand der Republiek maar al te zeer bevestigd wordt. Hoe, mijne heeren, hebt gij twee honderd jaren zonder persoonlijke inspanning of productieve nijverheid geleefd, in buitensporigheden en vadsigheid, alleen staande gehouden door de opbrengst van den verkoop der vermeerdering van de slaven en slechts die behoudende, welke uwe thans verarmde landerijen kunnen onderhouden als voortkweekers?"
De heer Thomas Jefferson Randolph voerde de volgende taal in de wetgevende vergadering van Virginia (Liberty Bell, bLz. 20):
"Ik ben het met de heeren eens, aangaande de noodzakelijkheid om den Staat voor de binnenlandsche verdediging te wapenen. Ik zal met hen medewerken tot alle middelen om het vertrouwen bij het algemeen te doen herleven en onze vrouwen en kinderen een gevoel van veiligheid in te boezemen. Blaar toch, mijneheeren, moet ik vragen, op wie de last van deze verdediging drukken zal? Niet op de weelderige meesters van hunne honderd slaven, die nimmer zullen uittrekken dan om met hunne gezinnen te vlugten als het gevaar dreigt. Neen, mijne heeren, hij zal drukken op de minder rijke klasse onzer burgers, voornamelijk op hen die geene slavenhouders zijn. Ik heb patrouilles gezien waaronder niet één slavenhouder was, en dit is het doorgaande gebruik des lands. In tijden van beroering heb ik rustig geslapen, zonder door eenige zorg gekweld te zijn, terwijl die personen, die niets van al dien eigendom bezaten, door dwang genoodzaakt, voor de kleinigheid van vijf en zeventig cents in de twaalf uren, rondom mijn huis patrouilleerden en dien eigendom bewaakten die even gevaarlijk was voor hen als voor mij. In allen gevalle is dit ook slechts een hulpmiddel. Naarmate deze bevolking talrijker wordt, is zij minder voortbrengend. Uwe wacht moet vermeerderd worden, tot eindelijk de voordeelen niet meer opwogen tegen de kosten om haar in toom te houden. De slavernij heeft de vermindering der vrije bevolking van een land tot gevolg.
"Mijnheer heeft de kinderen van de slavinnen als een gedeelte van het voordeel opgenoemd. Dit wordt toegegeven; maar geen groot kwaad kan uit den weg geruimd, geen goed tot stand gebragt worden, zonder dat er eenige bezwaren uit voortvloeijen. 't Is nu de vraag in hoe verre het wenschelijk is, dezen tak van voordeel te bevorderen en aan te moedigen. Het is in sommige gedeelten van Virginia eene practijk, en wel een toenemende practijk, slaven voor de markt op te kweeken. Hoe kan een man van eer, een vaderlander, een beminnaar van zijn geboortegrond, het gezigt dulden, dat de oude Staten, verheerlijkt door de zelfopoffering en vaderlandsliefde hunner zonen in den kamp der vrijheid, veranderd worden in ééne groote menagerie, waar menschen voor de markt worden gefokt gelijk runderen voor de slagtbank? Is het beter, neen, is het niet nog slechter dan de slavenhandel, een handel die slechts door de vereenigde pogingen van alle deugdzamen en verstandigen van elk geloof en elke hemelstreek kan afgeschaft worden? De handelaar ontvangt den slaaf, die door taal, voorkomen en zeden voor hem een vreemdeling is, van den koopman, die hem uit het binnenland gehaald heeft. De banden van vader, moeder, echtgenoot en kind zijn alle vaneen gerukt; eer hij hem ontvangt, is zijne ziel verstompt. Maar hier, mijne heeren, worden personen, die de meester van kindsbeen aan gekend heeft, die hij heeft zien dartelen in de onschuldige buitelingen der kindschheid, die zich gewend hebben tot hem op te zien om bescherming, door hem ontrukt aan de armen der moeder en verkocht in een vreemd land, onder vreemde menschen en neêrgebogen onder de zweep van wreede opzigters.
Hij heeft de slavernij hier pogen te verdedigen op grond dat zij bestaat in Afrika, en voorts beweerd, dat zij over de geheele wereld bestaat. Op denzelfden grond kon hij het Mahomedaansche geloof voorstaan, met de veelwijverij, de voortdurende strooptogten en rooverijen en moorden, of eenige andere afschuwelijkheid van de wilden. Bestaat de slavernij in eenig gedeelte van het beschaafde Europa? Neen, mijne heeren, nergens.
De berekeningen in het boekdeel, waaruit wij onze aanhalingen overgenomen hebben, dagteekenen van het jaar 1841. Sedert dien tijd is de oppervlakte van de zuidelijke slavenmarkt verdubbeld en heeft de slavenhandel eene daarmede gelijken tred houdende uitbreiding ondergaan. De bladen in het Zuiden wemelen van advertentiën dienbetreffende. Het is, om de waarheid te zeggen, de groothandel van die streken. Alleen uit de haven van Baltimore zijn in de twee laatste jaren duizend en drie en dertig slaven verscheept naar de zuidelijke markt, zoo als blijken kan uit de volgende opgave van het tolkantoor.
LIJST van het aantal schepen met slaven aan boord, die van 1 Januarij 1851 tot 20 November 1852 in het district Baltimore naar zuidelijke havens uitgeklaard zijn:
DATUMS. SOORT. NAMEN. BESTEMMING. GETAL SLAVEN. 1851. Jan. 6 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 16 Jan. 10 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 6 Jan. 11 Bark, Elizabeth, New Orleans, 92 Jan. 14 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 9 Jan. 17 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 6 Jan. 20 Bark, Cora, New Orleans, 14 Feb. 6 Bark, E. A. Chapin, New Orleans, 31 Feb. 8 Bark, Sarah Bridge, New Orleans, 34 Feb. 12 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 5 Feb. 24 Schoener, H. A. Barling, New Orleans, 37 Feb. 26 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 3 Feb. 28 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 42 Maart 10 -- Edward Everett, New Orleans, 20 Maart 21 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 11 Maart 19 Bark, Baltimore, Savannah, 13 April 1 Sloep, Herald, Norfolk (Virg.), 7 April 2 Brik, Waverley, New Orleans, 31 April 18 Sloep, Baltimore, Arquia Creek 4 (Virg.), April 23 -- Charles, New Orleans, 25 April 28 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 5 Mei 15 Sloep, Herald, Norfolk (Virg.), 27 Mei 17 Schoener, Brilliant, Charleston, 1 Junij 10 Sloep, Herald, Norfolk (Virg.), 3 Junij 16 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 4 Junij 20 Schoener, Truth, Charleston, 5 Junij 21 -- Herman, New Orleans, 10 Julij 19 Schoener, Aurora, Charleston, 1 Sept. 6 Bark, Kirkwood, New Orleans, 2 Oct. 4 Bark, Abbott Lord, New Orleans, 1 Oct. 11 Bark, Elizabeth, New Orleans, 70 Oct. 18 -- Edward Everett, New Orleans, 12 Oct. 20 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 1 Nov. 13 -- Eliza F. Mason, New Orleans, 57 Nov. 18 Bark, Mary Broughtons, New Orleans, 47 Dec. 4 -- Timoleon, New Orleans, 22 Dec. 18 Schoener, H. A. Barling, New Orleans, 45 1852. Jan. 5 Bark, Southerner, New Orleans, 52 Feb. 7 -- Nathan Hooper, New Orleans, 51 Feb. 21 -- Dumbarton, New Orleans, 2 Maart 27 Sloep, Palmetto, Charleston, 36 Maart 4 Sloep, Jewess, Norfolk (Virg.), 34 April 24 Sloep, Palmetto, Charleston, 8 April 25 Bark, Abbott Lord, New Orleans, 36 Mei 15 -- Charles, New Orleans, 2 Junij 12 Sloep, Pampero, New Orleans, 4 Julij 3 Sloep, Palmetto, Charleston, 1 Julij 6 Sloep, Herald, Norfolk (Virg.), 7 Julij 6 Sloep, Maryland, Arquia Creek 4 (Virg), Sept. 14 Sloep, North Carolina, Norfolk (Virg.), 15 Sept. 23 -- America, New Orleans, 1 Oct. 15 -- Brandywine, New Orleans, 6 Oct. 18 Sloep, Isabel, Charleston, 1 Oct. 28 Schoener, Maryland, New Orleans, 12 Oct. 29 Schoener, H. M. Gambrill, Savannah, 11 Nov 1 -- Jane Henderson, New Orleans, 18 Nov. 6 Sloep, Palmetto, Charleston, 3 1033
Zoo wij nog een blik slaan op de advertentiën zullen wij zien, dat de handelaars alleen de jonge slaven nemen, tusschen de tien en dertig jaren. Maar hier betreft het slechts ééne haven en slechts ééne wijze van uitvoer; want groote getallen worden in karavanen over land verzonden; en evenwel vindt de heer J. Thornton Randolph goed, de negers van Virginia voor te stellen als levende in landelijke rust, vreedzaam hunne pijp rookende onder hunne eigene wijnstokken en vijgenboomen, terwijl de patriarch van den troep verklaart, "dat hij in zijn heele leven niet gehoord heeft van het verkoopen van een neger naar Georgia, tenzij die neger zich uiterst slecht gedragen had."
De commissie tot de opstelling van het boek, dat wij boven hebben aangehaald, geeft eene treffende schets van den invloed van dien handel op meester en slaaf beide, die wij niet kunnen nalaten over te nemen:
Dit stelsel drukt met ontzettende zwaarte op den slaaf. Het houdt hem onder voortdurende vrees van aan den zieldrijver [17] verkocht te zullen worden, hetwelk voor den slaaf de verwezenlijking is van alle denkbare jammer en ellende en door hem erger gevreesd wordt dan de dood. Een ontzettend voorgevoel van dit lot hangt den rampzalige dag en nacht, van de wieg tot aan het graf, boven het hoofd. Hij weet, dat er geen uur voorbijgaat, hetzij hij slape hetzij hij wake, dat niet het laatste welligt zal zijn, hetwelk hij bij vrouw en kinderen doorbrengt. Elken dag of week wordt een bekende van zijne zijde weggerukt, en zoo blijft de herinnering aan zijn eigen gevaar voortdurend bij hem levendig. "Eerlang zal gewis de beurt aan mij komen," is zijne folterende gedachte; want hij weet, dat hij daarvoor opgekweekt is, als een os voor het juk, als een schaap voor de slagtplaats. In dezen staat van zaken is de toestand van den slaaf waarlijk onbeschrijfelijk. Wachten, al betreft het geene zaak van gewigt en al duurt het slechts een nacht, is moeijelijk te verduren. Maar wanneer iets vreeselijks hangt boven alles, volstrekt boven alles wat dierbaar is, en over het tegenwoordige zijne schaduw en over de toekomst eene sombere tint werpt, dan waarlijk moet het hart er onder breken. En dat is het zwaard, dat iederen slaaf in de slavenkweekende Staten, voortdurend boven het hoofd hangt. Zijn gering deel van geluk wordt er door vergiftigd. Zoo hij vader is, kan hij niet naar den arbeid gaan zonder in gedachten zijne vrouw en kinderen vaarwel te zeggen. Hij kan niet aêmechtig en afgemat van het veld terugkeeren, met de zekerheid dat hij zijne stulp niet beroofd en ledig zal vinden. Evenmin kan hij zich neêrstrekken op zijn bed van stroo en lappen zonder de snerpende vrees, dat zijne vrouw vóór den morgen uit zijne armen gescheurd zal worden. Nadert een blanke zijns meesters huis, hij vreest dat de zieldrijver gekomen is en verwacht met schrik des opzigters bevel: "Gij zijt verkocht; volg dien man." Er is geen wezen op aarde, die den slaven in de slavenkweekende Staten zooveel schrik inboezemt als de handelaar. Hij is hun wat de roofzuchtige ronselaar voor hunne minder beklagenswaardige broederen in de wildernissen van Afrika is. De meester weet dit, als ook dat er geene zoo krachtige straf is om eenig werk verrigt te krijgen of hen van slecht gedrag af te houden, dan de bedreiging dat hij hen aan den zieldrijver zal overleveren.
"Een ander gevolg van dit stelsel is de aanmoediging van losbandigheid. Deze is inderdaad overal eene der zwartste vlekken op de slavernij; doch voornamelijk heeft zij onbeteugeld de bovenhand waar het aankweeken van slaven als een bedrijf wordt uitgeoefend. Zij is eene der regtstreeksche gevolgen van het stelsel en onafscheidelijk daarvan.
De geldelijke verlokking tot een algemeen zedenbederf moet zeer sterk zijn, daar de winst van den meester met de vermeerdering der slaven stijgt, en voornamelijk sedert voor het gemengde bloed een aanmerkelijk hoogere prijs besteed wordt dan voor het zuiver zwart."
Het overige van deze beschouwing treedt in bijzonderheden, die te schrikkelijk zijn om hier overgenomen te worden. Men vindt ze in het bedoelde boekdeel op blz. 13.
De dichters van Amerika, getrouw aan hunne heilige roeping, hebben over sommige der ontzettende realiteiten van den slavenhandel het zachte licht der poëzij uitgestort. Longfellow en Whittier hebben in verzen, zoo schitterend als paarlen, doch tevens zoo smartelijk als de tranen eener moeder, eenige voorvallen uit dit onnatuurlijk en akelig bedrijf geschetst. Laten wij, om de wille der menschheid, hopen dat in het eerste gedicht geen alledaagsch voorval beschreven wordt.
DE QUARTERONNE. [18]
Des slavenhalers schip lag daar Voor anker op de reê; Hij wachtte nog op 't maanlicht maar En de avond-eb der zee.
Zijn boot lag aan den wal en 't volk Joeg met een driesten moed, Den alligator uit zijn kolk Naar 't midden van den vloed.
Oranjegeur woei keer op keer Hun tegen van het strand, Als aâmde er een uit beter sfeer Een wereld toe vol schand.
De planter rookte kalm en zoet In schaaûw van 't rieten dak; De slavenhaler maakte spoed, De hand aan 't hek, en sprak:
"Mijn schip ligt ginder kant en klaar Voor anker op de reê; Ik wacht nog op het maanlicht maar En de avond-eb der zee."
Vòòr hen, met opgeheven blik, Maar toch door schroom geplaagd, Zat, half nieuwsgierig, half vol schrik, Een Quarteronne-maagd.
Haar groot schoon oog--het glansde als git, Haar arm en hals was bloot, Zij droeg een rok slechts, blinkend wit, En 't hair, dat haar omvloot.
En om haar mondje speelde een lach, Zoo als uw oog misschien Ter kerk in 't beeld van marmer zag, En heilgen dacht te zien.
"De grond wordt schraal, de hoeve is oud," Zei toen de planter weêr, En sloeg nu eens het oog op 't goud En dan op 't meisje neêr.