De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 36

Chapter 363,597 wordsPublic domain

Personen, die aankoopen wenschen te doen, worden aangemaand ons te bezoeken, alvorens zich elders te verbinden, daar onze geregelde aanvoer ons steeds voorziet van een goed en aanzienlijk assortiment. Wij geven den koopers vele faciliteiten. Komt en ziet!

Natchez, 15 October 1852. Griffin & Pullam.

Inderdaad! De heeren Griffin en Pullam schijnen even gelukkig te zijn! Zij hebben elke week verschen aanvoer en zullen "een uitgebreiden en goed gesorteerden voorraad negers" gereed houden, "bestaande in veld-arbeiders, huisbedienden, ambachtslieden", enz.

Laten wij eerbiedig mogen vragen op welke wijze een slavenhandelaar een goed gesorteerden voorraad bijeenkrijgt. Hij gaat naar Virginia om hen uit te zoeken. Men heeft hem order gegeven, b. v. voor een dozijn keukenmeiden, een half dozijn timmerlieden, zooveel huisbedienden, enz., enz. Elk van deze personen heeft zijne eigene betrekkingen; behalve dat zij keukenmeiden, timmerlieden en huisbedienden zijn, zijn zij ook vaders, moeders, mannen en vrouwen: maar wat doet er dat toe? Zij moeten uitgezocht worden, er is een assortiment noodig. De heer, die eene keukenmeid bestelde, heeft natuurlijk niets te maken met hare vijf kinderen; en de planter, die order gaf op een timmerman, heeft de keukenmeid, zijne vrouw, niet noodig. Een timmerman is bovendien een kostbaar voorwerp, dat duizend tot vijftien honderd dollars geldt; en een man, die zulk eene som moet betalen, kan zich niet altijd de weelde veroorloven van aan zijne menschlievendheid toe te geven. Wat de kinderen betreft, die moeten in den slavenkweekenden Staat gelaten worden. Want, indien het reeds volwassene product wekelijks te Natchez of New-Orleans aangevoerd wordt, is het dan denkelijk dat de inwoners zich zullen bezwaren met den last van het opkweeken van kinderen? Neen, in elk welingerigt bedrijf moet verdeeling van arbeid in acht genomen worden. De noordelijke Staten kweeken het artikel aan, de zuidelijke consumeren het.

Wij hebben tot nu toe meer bepaald uittreksels gemaakt uit de nieuwsbladen van de zuidelijke Staten. Zoo de lezer nieuwsgierig is om te weten hoe het "sorteren" gaat in de noordelijke Staten, dan zal de dagbladpers hem verder op de hoogte stellen. In den Daily Virginian van 19 November 1852 geeft de heer J. B. McLendon volgenderwijze te kennen dat hij zich gevestigd heeft voor die zaak:

Negers benoodigd.

De ondergeteekende, zich te Lynchburg gevestigd hebbende, geeft de hoogste contante prijzen voor negers tusschen 10 en 30 jaren. Zij, die Negers te verkoopen hebben, zullen in hun belang handelen door zich mondeling of schriftelijk tot hem te wenden in het Washington-Hotel te Lynchburg.

5 November. J. B. McLendon.

De heer McLendon berigt in duidelijke woorden, dat hij geene kinderen beneden tien jaren neemt, noch volwassenen boven dertig. Fraaije jonge negers zijn wat hij begeert:--gezinnen worden natuurlijk nimmer gescheiden.

In hetzelfde blad wenscht de heer Seth Woodroof de goê gemeente te herinneren, dat ook hij aan de markt is, gelijk vroeger reeds. Ook hij heeft negers tusschen de tien en dertig jaren noodig; maar hij verlangt bij voorkeur ambachtslieden, smeden en timmerlieden,--getuige zijne eigene advertentie:

Negers benoodigd.

De ondergeteekende blijft steeds aan de markt tot den aankoop van negers van de beide seksen, tusschen 10 en 30 jaren; zoo er ambachtslieden onder zijn, zoo als smeden en timmerlieden, zal hij de hoogste contante marktprijzen geven. Zijne inrigting is een nieuw steenen gebouw in de Lynchstreet, onmiddellijk achter de "Farmers Bank", waar hij tevens bijgebouwen opgerigt heeft, strekkende om negers in den kost te nemen, die ten verkoop naar Lynchburg verzonden worden, of anders om hen zoo veilig te bewaren als of zij in de stadsgevangenis waren geplaatst.

15 Augustus. Seth Woodroof.

Er valt geen twijfelen aan of deze mijnheer Seth Woodroof is een menschelijk man en wenscht de scheiding van gezinnen zooveel mogelijk te vermijden. Gewis wenscht hij vurig, dat al zijne smeden en timmerlieden toch zoo verstandig zullen zijn van geene kinderen beneden de tien jaren te hebben; doch indien de onbedachtzame kerels ze toch hebben, wat staat een menschlievend man dan te doen? Hij moet aan de bestelling van mijnheer die of die voldoen, dat is duidelijk; en daarom moeten John en Sam maar een laatsten blik werpen op hunne kinderen, zoo als Oom Tom op de zijnen wierp toen hij aan hun bedje stond en er groote maar vruchtelooze tranen op neêr liet droppelen.

Neen, vrienden, duidt het dien armen heer Seth Woodroof niet euvel, dat hij het afgrijselijke, walgelijke werk van het verscheuren van het levend menschelijke hart verrigt ten uwen dienste! 't Werk is soms onaangenaam genoeg, zoo als hij u zou kunnen vertellen; en zoo gij verlangt, dat hij het voor u blijve waarnemen, behandel hem dan vriendelijk en beweer niet, beter te zijn dan hij.

Maar die voordeelige handel bepaalt zich niet uitsluitend tot de oude Staten. Zie de volgende advertentiën uit een blad van Tennessee, de Nachville Gazette van 23 November 1852, waarin de heer A. A. McLean, algemeen agent voor deze soort van zaken, zijne begeerten en voornemens te kennen geeft:

Benoodigd.

Ik wensch onmiddellijk vijf en twintig fiksche negers,--mannen en vrouwen, tusschen 15 en 25 jaren,--te koopen, waarvoor ik de hoogste contante prijzen betalen zal.

9 November. A. A. McLean, Algemeen Agent.

De heer McLean schijnt alleen negers tusschen de vijftien en vijf en twintig jaren te kunnen gebruiken. Deze advertentie komt twee malen in hetzelfde nommer van genoemd blad voor, waaruit wij moeten opmaken dat de behoefte van dien heer zeer groot is, en hij stellig vertrouwt, dat iemand geneigd zal zijn om te verkoopen. Iets verder geeft dezelfde heer eene andere behoefte te kennen.

Benoodigd.

Ik wensch onmiddellijk te koopen een neger-timmerman. Ik zal een goeden prijs betalen.

29 September. A. A. McLean, Algemeen Agent.

De heer McLean doet geene aanvraag om zijne vrouw en kinderen, noch berigt waarheen die timmerman zal gezonden worden,--of het zal zijn naar de markt van New-Orleans, of de Roode Rivier op, of benedenwaarts naar eenige plantage aan den Mississippi, waar hij vrouw of kind nooit weêr zal zien. Maar zie, altijd in hetzelfde blad, komt de heer McLean weer met eene nieuwe behoefte voor den dag.

Terstond benoodigd.

Eene Min; welke ook de prijs zij--hij zal betaald worden voor eene vrouw van goed humeur, gezond gestel enz. Men vervoege zich bij

A. A. McLean, Algemeen Agent.

En wat moet er worden van het kind van deze min? Misschien op den oogenblik, dat de heer McLean aanvrage om haar doet, zit zij het aan hare borst te wiegen en te denken, gelijk zoo menige andere moeder doet, dat het haast het mooiste en aardigste kind is, dat ooit het licht aanschouwde; want, hoe vreemd het ook klinke! zelfs zwarte moeders hebben soms dat gevoel. Maar dat alles doet er niet toe, men heeft haar noodig als min! Tante Prue kan haar kind overnemen, en moet het dan maar opbrengen met pap en zoo meer. Weg met haar naar mijnheer McLean!

Men sla ook een blik op de volgende advertentie, welke doet zien hoe levendig de handel is in den goeden Staat Alabama. De heer S. N. Brown zegt namelijk het volgende in den Advertiser and Gazette, van Montgomery in Alabama:

Negers te koop.

S. N. Brown neemt deze gelegenheid waar, om zijne oude begunstigers en anderen die slaven willen koopen, te verwittigen, dat hij thans voorhanden heeft eene zelf door hem uitgezochte en gekochte partij fiksche jonge negers, bestaande in mannen, jongens en vrouwen, veld-arbeiders en bekwame huisbedienden, die hij aanbiedt tot den laagsten prijs, welken de tegenwoordige koersen toelaten. Zijn kantoor is in de Market-street voorbij de Montgomery Hall, bij de oude plaats van Lindsay, waar hij voornemens is slaven ten verkoop te houden voor zijne eigene rekening en niet in commissie, waardoor hij vermeent allen, die hem zullen willen begunstigen, naar genoegen te kunnen bedienen.

Montgomery, 13 September 1852.

Wij wenschen te vragen waar die jongens en meisjes door dezen heer Brown uitgezocht zijn geworden? Wat gevoelden hunne vaders en moeders toen zij werden uitgezocht? Emmeline is uit het eene gezin genomen, George uit het andere. De knappe handelaar heeft uitgestrekte streken doorreisd en op zijn spoor allerwege geween en hartzeer achtergelaten. Een klein voorval, dat onlangs de ronde door de nieuwsbladen gemaakt heeft, kan misschien strekken tot verduidelijking van de tooneelen, die hij veroorzaakt heeft:

Eene slavenhistorie.

In den nacht van Donderdag den 2den dezer vermoordde eene negerin, behoorende aan Geo. M. Garrison, in Polk County, vier van hare kinderen, door hen in den slaap de halzen af te snijden, en bragt daarop zich-zelve op de zelfde wijze om het leven. Haar meester kent geene aanleiding tot deze afgrijselijke daad, tenzij die daarin mogt gelegen zijn, dat zij hem er van had hooren spreken om haar en twee harer kinderen te verkoopen en de overigen te behouden.

Hoe beminnelijk naïf is de onzekerheid van den meester in dit geval! Hij weet, dat men bij de negers het gevoel van wel-opgevoede lieden niet verwachten kan; maar hier doet zich een geval voor, waarin het schepsel werkelijk onverklaarbaar handelt, en hij kan geene andere reden bedenken, dan dat hij voornemens was haar van hare kinderen te scheiden.

Doch bedaar, lieve lezer! het ongeluk was zoo groot niet. Hier waren het altemaal kinderen van arme lieden, en sommige, ofschoon niet alle, waren zwart, en dat, weet gij, maakt een hemelsbreed onderscheid!

Maar de heer Brown is de eenige niet in Montgomery. Ook de heer Lindsey wenscht het publiek te herinneren aan zijn depôt.

Honderd Negers te koop

in mijn depôt, in Commerce-street, tusschen het "Exchange Hotel" en het magazijn van F. M. Gilmer Jr., waar ik van tijd tot tijd gedurende den loop van het saisoen groote partijen negers ontvangen en die tot zoo billijke prijzen als eenig ander huis in de stad verkoopen zal. Beleefdelijk noodig ik mijne oude begunstigers en vrienden uit, mijn voorraad te komen bezigtigen.

Montgomery, 2 November 1852. Jno. W. Lindsey.

De heer Lindsey zal gedurende heele saisoen negers ontvangen en die zoo billijk als iemand verkoopen; er bestaat, dus geene vrees, dat de voorraad te kort zal schieten. Maar zie, in hetzelfde blad maken ook de heeren Sanders en Foster aanspraak op de aandacht van het publiek.

Negers te koop.

De ondergeteekenden hebben het welbekende etablissement van Eckles & Brown aangekocht, zoodat zij thans te koop hebben eene aanzienlijke partij sterke jonge negers, bestaande in mannen, vrouwen, jongens en meisjes, allen goede veld-arbeiders. Als ook, verscheidene goede huisbedienden en ambachtslieden van allerlei aard. De ondergeteekenden zullen steeds een groot assortiment negers voorhanden hebben, waaronder van alle soorten. Gegadigden zullen in hun belang handelen, met zich eerst bij hen te vervoegen en te zien, eer zij elders koopen.

13 April. Sanders & Foster.

De heeren Sanders & Foster zullen dus ook een "assortiment" in voorraad houden. Al hunne negers zullen jong en sterk zijn; de nuttelooze oude vaders en moeders zullen weggeworpen worden, zoo als men na het wieden van een tuin het onkruid op een hoop werpt.

Eene vraag: Zijn de heeren Sanders & Foster, en J. W. Lindsey, en S. N. Brown, en A. A. McLean, en Seth Woodroof en J. B. McLendon, werkelijk lidmaten van de Kerk? Ergert die vraag u? Waarom? Waarom zouden zij dat niet zijn? De eerwaarde Dr. Smylie, van Mississippi, zegt toch zeer bepaald in een door twee consistoriën goedgekeurd geschrift, dat de Bijbel verlof geeft om slaven te koopen en te verkoopen. [16]

Zoo de Bijbel dit regt verleent en dezen handel wettigt, waarom zou het u dan ergeren, den slavenhandelaar aan de Avondmaalstafel te zien? Gevoelt gij, dat er bloed aan zijne handen kleeft, het bloed van menschenharten die hij heeft vaneen gereten? Siddert gij als hij het gezegende brood aanraakt, en als hij den beker aan de lippen zet, "uit wien hij, die dien onwaardig drinkt, zich-zelven een oordeel drinkt?" Maar wie maakt den slavenhandel? Immers gij? Denkt gij, dat zijn bedrijf heilzaam is voor de ziel? Denkt gij, dat de tooneelen waarmede hij gemeenzaam moet zijn, en de daden die hij verrigten moet om een "assortiment" negers ten uwen gerieve bijeen te houden, dingen zijn, die de goedkeuring van Jezus Christus wegdragen? Denkt gij, dat zij zijne vordering in de genade begunstigen en de behoudenis zijner ziel verzekeren zullen? Of is het voor u zóó onvermijdelijk noodig, gesorteerde negers te hebben, dat de handelaars niet alleen in dit leven uit de fatsoenlijke kringen verbannen, maar ten uwen gerieve aan het gevaar van voor eeuwig ter helle te varen, moeten blootgesteld worden?

Wij zullen de papieren uit het Zuiden nog eens doorloopen en zien of wij niet eenige blijken kunnen vinden van die menschelijkheid, die de scheiding der gezinnen zooveel mogelijk vermijdt. In den Argus, die het licht ziet te Weston, in Missouri, vinden wij den 5den November 1852 het volgende:

Eene Negerin te koop.

Ik wensch te verkoopen een zwart meisje, omstreeks 24 jaren oud, eene goede kookster en waschvrouw, handig met de naald en ervaren in het spinnen en weven. Ik wensch haar te plaatsen in de nabijheid van Camden Point; zoo zich niet binnen korten tijd een kooper opdoet, zal ik de beste markt zoeken, of haar verruilen tegen twee kleinen, een jongen en een meisje.

M. Doyal.

Een verstandig man, die mijnheer Doyal! Hij is afkeerig van de scheiding der gezinnen, en wenscht die vrouw daarom te verkoopen in de nabijheid van Camden Point, waar hare betrekkingen zijn,--misschien haar echtgenoot en hare kinderen, of hare broeders en zusters. Hij zal haar niet van hare familie scheiden, zoo het bij mogelijkheid vermeden kan worden; dat wil zeggen, indien hij zonder die scheiding even veel voor haar kan krijgen; doch, zoo dat niet gaat, zal hij "de beste markt zoeken." Wat zou men van den heer Doyal meer kunnen vergen?

En hoe bloeit die heerlijke handel in den Staat Maryland? Wij nemen de Baltimore Sun van 23 November 1852 ter hand. De heer J. S. Donovan geeft daarin aan het Christelijk publiek volgenderwijze inlichtingen over de inrigting van zijne gevangenis:

Contant geld voor Negers.

Ik ondergeteekende blijf op de oude plaats, No. 13, Camden-street, voortgaan met den hoogsten prijs voor negers te betalen. Personen, die negers per spoortrein of stoomboot aanvoeren, zullen gemak ondervinden indien zij zich tot bewaring dier negers aan mij rigten, daar mijne gevangenis gelegen is nabij het spoorwegstation en de aanlegplaats der stoombooten. Ik belast mij met het veilig bewaren van negers.

J. S. Donovan.

Daarop volgt weder eene andere advertentie:

Slaven benoodigd.

Wij koopen ten allen tijde slaven tot de hoogste contante prijzen. Personen, die wenschen te verknopen, adresseren zich No. 242, Pratt-street (oude firma Slatter). Op brieven wordt geantwoord.

B. M. & W. L. Campbell.

In eene andere kolom heeft de heer John Denning eene advertentie doen opnemen, wier bewoordingen aan het verhevene grenzen:

Vijf duizend Negers benoodigd.

Ik zal de hoogste contante prijzen betalen voor 5000 negers, voorzien van goede certificaten, 'tzij slaven voor levenslang of voor eene bepaalde reeks van jaren, in groote of kleine gezinnen, of afzonderlijke negers. Ik zal ook negers, die in den Staat moeten blijven, koopen, mits zij van goed gedrag zijn. Gezinnen worden nimmer gescheiden. Personen, die slaven te koop hebben, adresseren zich aan mij, daar het geld steeds voorhanden ligt. Op orders zal prompt acht geslagen, en eene ruime commissie betaald worden door John N. Denning, No. 18, South Frederick-street, tusschen de Baltimore en Second-streets, te Baltimore, in Maryland. Er staan boomen voor de deur.

Ook de heer John Denning is een menschlievend man. Hij rukt nimmer gezinnen uiteen. Ziet gij het niet uit zijne advertentie? Zoo iemand hem eene vrouw aanbiedt zonder haar man, zal de heer John Denning haar niet koopen. O neen, zeker niet! Zijne vijf duizend negers bestaan allen uit ongesplitste familiën; andere neemt hij nimmer; en hij doet ze weêr heel en ongebroken over. Dit is zeker troostrijk om te overdenken.

Men zie ook den Democrat van 8 December 1852 in, een blad dat te Cambridge, in Maryland, verschijnt. Daarin berigt zeker heer aan de slavenhouders van Dorchester en de omliggende graafschappen, dat hij weder aan de markt is.

Negers benoodigd.

Ik wensen den slavenhouders van Dorchester en de omliggende graafschappen te berigten, dat ik weder aan de markt ben. Personen, die negers bezitten, welke voor hun leven slaven zijn, zullen in hun belang handelen, met mij te spreken, alvorens zij verkoopen, daar ik voornemens ben de hoogste contante prijzen te betalen, waartoe de koers der zuidelijke markt regt geeft. Men kan mij vinden in het hotel van A. Hall, te Easton, waar ik zal vertoeven tot 1o Julij aanstaande. Brieven, die aan mij te Easton, of aan Wm. Bell, te Cambridge, gerigt worden, zullen ten spoedigste worden beantwoord.

Wm. Harker.

Met den heer Harker is zeer goed te handelen. Hij houdt zich op de hoogte van den staat der zuidelijke markt, en zal de hoogste prijzen betalen waartoe die markt gelegenheid zal geven. Bovendien zal hij te vinden zijn tot Julij, en zal hij alle brieven, die men tot hem rigten mogt, beantwoorden. Over één punt moeten wij hem echter onderhouden. Hij heeft niet geadverteerd, dat hij geene familiën scheidt. 't Is wel is waar slechts eene kwestie van smaak; maar sommige welmeenende lieden staan er op, om het in de advertentie van een slavenhandelaar te zien; het geeft er een beter oog aan; en als mijnheer Harker er een oogenblik over nadenkt, zal hij het er gewis eene volgende maal invoegen. Het neemt weinig plaats weg en staat goed.

Nu en dan brengen de advertentiën wegens ontvlugte slaven ons voor den geest, in hoe geringe mate het mogelijk bevonden is, om de scheiding der gezinnen te vermijden; zoo als b. v. bij het lezen van het volgende in den Richmond Whig van 5 November 1852:

Tien dollars belooning.

Wij zijn gemagtigd door Henry P. Davis, om eene belooning van 10 dollars uit te loven voor het vatten van een neger, genaamd Henry, die van de plantage van gezegden Davis, nabij Petersburg, ontvlugt is op Donderdag, 27 October. Gemelde slaaf, afkomstig uit de nabijheid van Lynchburg, in Virginia, was gekocht van Cock, en heeft eene vrouw in Halifax County, in Virginia. Hij was laatstelijk werkzaam aan den Zuider-spoorweg. Welligt houdt hij zich op in de nabijheid zijner vrouw.

Pulliam & Davis, Houders van Verkoopingen te Richmond.

De steller der advertentie schijnt het voor mogelijk te houden, dat Henry in de nabuurschap zijner vrouw is. Wij zouden er ons in het geheel niet over verwonderen, indien dit het geval ware.

Thans is de lezer in het bezit van eenige der statistieke opgaven waarvan de bewoner van Zuid-Carolina spreekt, in zijne zinsnede, die wij hiervoren, op bladz. 27, hebben aangehaald.

Ten einde eenig verder begrip te krijgen van den uitgebreiden handel, die in deze soort van eigendom plaatsvindt, ga men het volgende overzigt na, dat opgemaakt is uit vier en zestig nieuwsbladen uit het Zuiden, voor de hand genomen. Al die bladen hebben het licht gezien in de beide laatste weken van November 1852.

De negers worden geadverteerd bij naam, soms in bepaalde getallen en soms in "partijen", "assortimenten" en andere onbepaalde uitdrukkingen. Hoezeer deze opgemaakte lijst verre zijn moet beneden de waarheid, geven wij haar niettemin in den vorm eener tabel.

Hier is aangekondigd in slechts elf bladen, de verkoop van acht honderd negen en veertig slaven, in twee weken, in Virginia; de Staat, waar de heer J. Thornton Randolph schrijft, dat de scheiding van gezinnen eene zaak is "waarvan men soms in romans leest."

STATEN waar Aantal der Aantal Getal Getal der de Bladen het geraadpleegde geadverteerde partijen, geadverteerde licht zien. Bladen. Negers. enz. Vlugtelingen.

Virginia 11 819 7 15 Kentucky 5 238 1 7 Tennessee 8 385 4 17 Zuid-Carolina 12 852 2 7 Georgia 6 98 2 .. Alabama 10 549 5 5 Mississippi 8 669 5 6 Louisiana 4 460 4 35 === ===== === === 64 4,100 30 92

In Zuid-Carolina, van waar de schrijver in Fraser's Magazine dateert, zien wij binnen den tijd van twee weken in een enkel dozijn bladen, acht honderd twee en vijftig negers ten verkoop aangekondigd. Waarlijk, wij behoorden op de nieuwsbladen van zijnen Staat toe te passen, wat hij zegt van de Negerhut: "Zoo men zijne begrippen van de slavernij aan deze papieren ontleende, zou men de slavengezinnen wel als uiterst ongevestigd en zwervend moeten beschouwen."

Het totaal, in vier en zestig nieuwsbladen in onderscheidene Staten, voor den tijd van slechts twee weken, is vier duizend een honderd, behalve nog dertig "partijen" gelijk men ze noemt.

En wie zou nu de hopelooze, nimmer hersteld wordende scheiding des negers van zijn gezin durven vergelijken met de vrijwillige scheiding van den vrije, wien noodzakelijke bezigheden eene poos van zijne betrekkingen verwijderd houden? Is het lot van den slaaf niet reeds bitter genoeg, zonder deze uiterste bespottingen berispelijksten hoon? Wel mogen zij uitroepen in hun zielsangst: "Onze ziele vloeit over van den smaad dergenen die in weelde gezeten zijn, en van de verachting der trotschaards!"

De jaloersche wet ontneemt den armen neger, die reeds blootgesteld is aan de bitterste scheiding, het vermogen om te schrijven. Voor hem is de gapende klove zwart en hopeloos diep, zonder een enkel troostrijk baken. Onbekend met de aardrijkskunde, weet hij niet werwaarts hij gaat, noch hoe hij een brief moet adresseren. In alle opzigten is het eene scheiding, zoo hopeloos als die, welke de dood veroorzaakt, en even beslissend.

HOOFDSTUK IV.

DE SLAVENHANDEL.

Waarin is de levenskracht der slavernij hier te lande gelegen? De slavernij, die een onnatuurlijke en ziekelijke toestand der maatschappij is, en eene verkwistende en uitputtende wijze van bebouwing van den grond, zou reeds lang van zelve te niet gegaan en in onbruik geraakt zijn, ware zij niet in stand gehouden door deze of gene onnatuurlijke oorzaak.