De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 35

Chapter 353,562 wordsPublic domain

Op Dingsdag 14 December aanstaande zullen ten sterfhuize van Robert W. Durham, in Fairfield District, in openbare veiling aan den hoogstbiedende worden toegeslagen, alle de nagelaten goederen van den overledene; gedeeltelijk bestaande uit het volgende:

50 prima fraaije Negers. Omstreeks 3000 bushels koorn. Eene hoeveelheid veevoeder. Tarwe, haver, paardeboonen, rogge, katoenzaad, paarden, rundvee, varkens, schapen.

23 November. C. H. Durham, Administrateur.

Verkooping op last der Sheriffs.

Krachtens onderscheidene aan mij gerigte bevelschriften zal ik op den eersten Maandag in December en den volgenden dag, in het Geregtsgebouw van Fairfield, op de gebruikelijke uren aan den hoogstbiedende à contant verkoopen: de volgende goederen van Allen R. Crankfield, als: 2 negers, in beslag genomen voor Alexander Brodie c. s.; 2 paarden en 1 ezel, in beslag genomen voor Alexander Brodie; 2 muilezels, 1 paar karwielen, 1 latafel en 1 ledekant, in beslag genomen voor Temperance E. Miller en J. W. Miller;

1 neger, de eigendom van R. J. Gladney, in beslag genomen op verzoek van James Camak;

1 neger, de eigendom van Geo. McCormick, in beslag genomen op verzoek van W. M. Phifer;

1 rijdzadel, te verkoopen onder eene toewijzing van G. W. Boulware aan J. B. Mickle, in de zaak van Geo. Murphy jr. contra G. W. Boulware.

Sheriffs Office,

19 November 1852. R. E. Ellison,

Geregtelijke Verkoop.

John A. Crumpton c. s. contra in Equity. Zachariah C. Crumpton.

Krachtens bevelschrift in dit proces, zal ik op den eersten Maandag in December aanstaande vóór het Geregtsgebouw te Winnsboro' in openbare veiling aan den hoogstbiedende verkoopen, drie perceelen land, behoorende tot de bezittingen van wijlen Zachariah Crumpton.

Tenzelfden tijde en plaatse zal ik, krachtens bevelschrift als boven, vijf of zes fraaije jonge negers verkoopen, mede de eigendom van Zachariah Crumpton.

De verkoopsvoorwaarden, enz.

Commissioners' Office,

Winnsboro', 8 November 1852. W. R. Robertson.

Aanzienlijke Verkooping.

De ondergeteekende, als administrateur der nalatenschap van wijlen kolonel T. Randell, zal op Maandag 20 December aanstaande, alle goederen tot dien boedel behoorende verkoopen, bestaande in:

56 Negers, Vee, Koorn, Voeder, enz. enz.

Verkoopsvoorwaarden, enz.

2 September. Samuel J. Randell.

De Tri-Weekly South Carolinian, die het licht ziet te Columbia, draagt het volgende motto aan het hoofd: Doe wel en zie niet om; het doel van uw streven zij uw land, uw God, de waarheid.

In het nommer van 23 December 1852 leest men een "Antwoord van de vrouwen van Virginia aan de vrouwen van Engeland," waarin de volgende zinsnede opmerking verdient:

Geloof ons, diep en in den gebede onderzoeken wij Gods heilig woord; wij zijn innig overtuigd, dat onze instellingen daarmede overeenstemmen.

In andere kolommen van dat blad nu komen de volgende advertentiën voor:

Verkooping op last der Sheriffs, 2 Januarij 1853.

Krachtens onderscheidene bevelschriften zullen vóór het Geregtsgebouw van Columbia, op de gebruikelijke uren, op den eersten Maandag en Dingsdag in Januarij verkocht worden:

Ongeveer vier en zeventig acres land, in Richland District, belend ten noorden en oosten door Lorick, ten zuiden en westen door Thomas Trapp.

Alsmede, tien stuks rundvee, vijf en twintig stuks varkens en twee honderd bushels koorn, in beslag genomen van M. A. Wilson, op verzoek van Samuel Gardner contra M. A. Wilson.

Zeven negers, genaamd Grace, Frances, Edmund, Charlotte, Emuline, Thomas en Charles, in beslag genomen als eigendom van Bartholomew Turnipseed, op verzoek van A. F. Dubard, J. S. Lever en de Bank van den Staat c. s., contra B. Turnipseed.

Ongeveer 450 acres land, in Richland District, belend enz. enz.

Groote Verkoop van Goederen.

Op Maandag 7 Februarij aanstaande zullen in openbare veiling voetstoots verkocht worden op de plantage nabij Linden, al de paarden, muilezels, wagens, bouwgereedschappen, koorn, voeder enz.

En op den volgenden Maandag, 14 Februarij, in het Geregtsgebouw te Linden, in Marengo County, in Alabama, bij openbare veiling voetstoots aan den meestbiedende:

110 prima fraaije Negers,

behoorende tot de plantage van wijlen John Robinson, van Zuid Carolina.

Onder deze negers zijn vier knappe timmerlieden en een zeer uitstekend smid.

Verkooping van Negers.

Op magtiging van den heer Peter Wylie, directeur van Chester District, zal ik op den eersten Maandag in Februarij aanstaande, vóór het Geregtsgebouw te Chesterville, in openbare veiling verkoopen:

Veertig fraaije Negers,

behoorende tot de plantage van F. W. Davie.

23 December. W. D. de Saussure. Executeur.

Verkoop van Huisraad, enz., door J. & L. T. Levin.

Op Donderdag 6 Januarij aanstaande zullen wij ten onzen huize verkoopen, al het huisraad en de keukengereedschappen, nagelaten door wijlen B. L. McLaughlin, gedeeltelijk bestaande in:

Met hair bekleede stoelen, sopha's en wiegstoelen, piano, mahonie eet- thee- en speeltafels; karpetten, haarden en haardstellen, schoorsteensieraden, klokken, buffetten, bureaux, mahonie ledikanten, vederen bedden en matrassen, waschtafels, gordijnen, glas- en aardewerk en nog vele voorwerpen voor huiselijk gebruik, alles à contant;

alsmede

Een neger, genaamd Leonard, tot dienzelfden inboedel behoorende.

De voorwaarden, enz.;

Als ook

eene hoeveelheid nieuwe metselsteenen, afkomstig uit den boedel van wijlen A. S. Johnstone.

21 December.

Groote verkoop van Negers en van de Saluda-fabriek, door J. & L. T. Levin.

Donderdag 30 December ten 11 ure, zullen in het Geregtsgebouw in Columbia verkocht worden:

Honderd kostbare Negers.

Zelden doet zich eene gelegenheid op als de tegenwoordige. Er zijn onder hen slechts vier boven de 45 jaren, en niet één boven de 50. Men telt onder hen vijf en twintig prima jonge lieden, tusschen 16 en 30 jaren, veertig van de knapste jonge vrouwen, en eene zoo fraaije reeks kinderen als men met oogen zien kan!!

Voorwaarden, enz.

18 December 1852.

Veiling van Negers, door J. & L. T. Levin.

Op Maandag 3 Januarij aanstaande zullen in het Geregtsgebouw verkocht worden, ten 10 ure precies:

22 fraaije negers, meerendeels jong en sterk. Men vindt onder hen landbouwers, stalknechten en wagenvoerders, huisbedienden enz. De respective ouderdom is: Robinson 10 jaar, Elsey 34, Yanaky 13, Sylla 11, Anikee 8, Robinson 6, Candy 3, Infant 9, Thomas 35, Die 38, Amey 18, Eldridge 13, Charles 6, Sarah 60, Baket 50, Mary 18, Betty 16, Guy 12, Tilla 9, Lydia 24, Rachel 4, Scipio 2.

Bovengemelde negers worden verkocht ten einde het geld op eene andere wijze te beleggen: de verkoop zal daarom onherroepelijk voortgang hebben.

Voorwaarden: Een crediet van een, twee of drie jaren, op acceptatiën betaalbaar bij eene der banken, voorzien van twee soliede endossementen en met intrest van den dag der veiling.

8 December 1843.

Arme kleine Scipio!

Een schoon en knap Meisje uit de hand te koop.

Een knap meisje, omstreeks zeventien jaar (grootgebragt in de Bovenstreken), eene goede kinder-oppasseres en huismeid; zij kan wasschen en strijken, een gewonen pot koken, en er wordt voor ingestaan dat zij gezond en sterk is. Zij is te zien op ons kantoor, waar zij blijven zal tot dat zich een kooper opdoet.

15 December 1849. Allen & Phillips, Vendumeesters en Commissionnairs.

Plantage en Negers te koop.

De ondergeteekende, zich in Columbia gevestigd hebbende, biedt ter overneming aan: zijne plantage, gelegen in St. Matthew's Parish, zes mijlen van den spoorweg, beslaande 1500 acres, thans in vollen bouw, met woonhuis en de noodige bijgebouwen; alsmede

50 sterke Negers, met Provisien, enz.

Men zal het den koopers gemakkelijk maken. Gegadigden gelieven zich te vervoegen bij den ondergeteekende in Columbia, of bij zijn zoon op de plantage.

6 December 1841. T. J. Goodwin.

Te Koop.

Een fiksche neger-jongen, ongeveer een en twintig jaren oud, een goed voerman en veld-arbeider. Adres aan het bureau dezer courant.

20 December 1852.

Nu is het bijna niet mogelijk, dat iemand, die van kindsbeen aan gewoon is geweest zulke advertentiën te zien en ze met zoo veel onverschilligheid te doorloopen als wij advertentiën van canapé's en stoelen doen, er zoodanig door zou getroffen worden, als degeen die geheel ongewoon is aan zulk eene wijze om menschelijke wezens te beschouwen en te verhandelen. Zij maken op hem geen indruk. De bedienden van zijne eigene familie of die zijner vrienden worden niet geveild, en hij weet ook niet dat het met iemand daarvan gebeurd is. Onder de advertentiën kunnen er honderde geweest zijn, die in zijne nabijheid zulke tooneelen te weeg bragte, als in de Negerhut geschetst zijn. Toen Charles Dickens tafereelen ophing van het gebrek en de ellende te Londen, is welligt eene soortgelijke ongeloovigheid achter de damasten staatsie-gordijnen van menig schitterend salon aan den dag gelegd. Zij hadden nooit iets dergelijks gezien en toch altijd te Londen gewoond. Doch evenwel deed Dickens in menige adellijke en aristocratische borst het menschelijk medegevoel voor de ongelukkigen ontwaken, en leerde hij hen gevoelen, hoeveel rampspoed in hunne onmiddellijke nabijheid bestaan kon, waarvan zij volslagen onbewust waren. Men heeft hem nooit als een verguizer van zijn land beschouwd, ofschoon hij veel van het daarin aanwezige lijden, verdriet en misbruik aan den dag bragt. De schrijfster moet ernstig verzoeken, dat de schrijver dier verhandeling eens de moeite wille nemen om de "statistiek" van den Amerikaanschen binnenlandschen slavenhandel na te gaan; dat hij een of ander nieuwsblad eens geregeld doorloope en een paar maanden aanteekening gelieve te houden van het aantal menschelijke wezens, met harten, hoop en aandoeningen gelijk de zijnen, die geregeld onderworpen worden aan al de onzekerheden en veranderingen van roerend goed. De schrijfster houdt zich verzekerd, dat hij het niet lang zou kunnen doen, zonder in zijn boezem den wensch te voelen oprijzen, om, niet de verdediger, maar de hervormer der instellingen zijns lands te worden.

De nieuwsbladen van Zuid-Carolina staan in dit opzigt niet alleen; zij zijn gelijk aan honderde andere bladen uit elken anderen Staat.

Dat de lezer een oogenblik stil sta, en nog eens de aangehaalde advertentiën van twee weken doorzie. Dit is geen romanschrijven,--dit zijn feiten. Zie die menschelijke wezens, voor het publiek uitgestald, te gelijk met paarden, muilezels, karren, katoenzaad, ledekanten enz.,--terwijl Christelijke dames in hetzelfde blad zeggen, dat zij, "in den gebede Gods Woord onderzoeken," en gelooven dat de instellingen van haar land Zijne goedkeuring wegdragen! Zou hij denken, dat hier, in deze twee weken, geene tooneelen van lijden geweest zijn? Verbeeld u de droefenis dezer gezinnen, de angstige nachten van deze moeders en kinderen, vrouwen en mannen, als de veilingen gehouden zullen worden! Stel u de tooneelen bij den verkoop voor! Eene jonge dame, vriendin van schrijfster dezes, die een winter in Carolina doorbragt, gaf haar eene schets van den verkoop van eene vrouw en hare kinderen. Toen een zevenjarig meisje op de tafel van den verkooper geplaatst werd, viel het kind van vrees en zenuwachtigheid in flaauwte. Zij werd weggenomen, kwam weder bij en werd teruggebragt; de flaauwte kwam terug,--drie malen werd de proef met denzelfden uitslag herhaald, en eindelijk werd de verkoop van het kind uitgesteld!

Men leze ook het volgende, dat Dr. Elwood Harvey, redacteur van een blad in een der westelijke Staten, in den Pennsylvania Freeman van 25 December 1846 plaatste:

Wij woonden eene verkooping van landerijen en andere goederen in den omtrek van Petersburg, in Virginia, bij, en zagen onvoorbereid tevens slaven in openbare veiling verkoopen. Men had den slaven, die, voor het huis geschaard, de vergaderde menigte aanzagen, gezegd, dat zij niet verkocht zouden worden. Toen de landerijen verkocht waren, riep de vendu-meester op luiden toon: "Breng de negers voor!" Eene uitdrukking van verbazing en schrik vertoonde zich op hun gelaat, terwijl zij eerst elkander aanzagen en toen den drom van koopers, die thans het oog op hen gevestigd hield. Toen hun de vreeselijke waarheid klaar voor den geest stond dat zij verkocht zouden worden en van bloedverwanten en vrienden voor eeuwig gescheiden, werd het tooneel boven beschrijving hartbrekend. Vrouwen grepen hare zuigelingen op en ijlden gillende in de hutten. De kinderen verborgen zich achter de hutten en huisjes, en de mannen stonden in stomme vertwijfeling. De verkooper stond voor den ingang van het huis, en de "mannen en jongens" werden op het plein ter bezigtiging gerangschikt. Er werd aangekondigd, dat men voor de gezondheid niet instond, en dat de koopers zelven behoorden te onderzoeken. Eenige oude mannen werden verkocht tot prijzen tusschen dertien en vijf-en-twintig dollars, en het was pijnlijk om aan te zien hoe bejaarde mannen, gebogen onder den last van werk en leed, zich moesten oprigten om de spot van onbeschofte dwingelanden te zijn, en hen hunne ziekelijkheid en onnutheid te hooren vertellen, uit vreeze, dat zij door slavenhandelaars zouden opgekocht worden voor de zuidelijke markten.

Een blanke knaap van ongeveer vijftien jaren, werd op do tafel geplaatst. Zijn hair was bruin en glad, zijne huid van dezelfde kleur als die van andere blanken, en er was geen merkbare negertrek in zijn gelaat waar te nemen.

Er werden eenige laffe aardigheden gezegd over zijne kleur, en twee honderd dollars werden voor hem geboden; doch uit den hoop werd geroepen, dat "dit geen genoegzame inzet was voor zulk een fikschen jongen neger." Sommigen zeiden, dat zij hem "niet om niet" zouden willen hebben. Eenigen merkten aan, dat een witte neger meer last gaf dan voordeel. Eén man zeide, dat het onbetamelijk was, blanken te verkoopen. Ik vroeg hem, of dit slechter was dan zwarten te verkoopen, waarop hij geen antwoord gaf. Eer de knaap verkocht werd, snelde zijne moeder uit het huis, en riep met waanzinnige smart: "Mijn zoon, o mijn jongen, wegnemen willen zij mijn dierbaren...." Hier verstomde hare stem, daar zij op eene ruwe manier weggeduwd en de deur gesloten werd. De verkoop werd geen oogenblik afgebroken, en niemand onder de menigte scheen door dit tooneel in het minst aangedaan. De arme jongen, die niet van harte durfde uitweenen in het bijzijn van zoo veel vreemden, die niet het geringste medelijden aan den dag legden, beefde en veegde met zijne mouw de tranen van zijne wangen. Hij vond voor ongeveer twee honderd vijftig dollars een kooper. Gedurende den verkoop weêrgalmde de plaats zoodanig van geween en gekerm, dat het mij eng om het hart werd. Eene vrouw werd daarop bij name geroepen. Alvorens haar kind aan eene oude vrouw over te geven, omhelsde zij het met een woesten druk, en spoedde zich toen werktuigelijk om aan de oproeping te voldoen; doch plotseling bleef zij staan, hief hare armen omhoog, gaf een gil en was buiten staat een stap verder te doen.

Een mijner reisgenooten stiet mij aan en zeide: "Kom, laten wij heen gaan; ik kan het niet langer aanzien." Wij verlieten die plaats dus. De man, die ons rijtuig van Petersburg had gereden, bezat twee zonen, kleine jongens, die tot de plantage behoorden. Hij had de belofte verkregen, dat zij niet verkocht zouden worden. Wij vroegen, of zij zijne eenige kinderen waren. "De eenige overgeblevene van acht," was zijn antwoord. Drie waren naar het Zuiden verkocht, van wie hij nimmer meer iets zou zien of hooren.

Daar de menschen in het Noorden zulke dingen niet zien, is het noodig dat zij er dikwijls genoeg van hooren, ten einde aandachtig te blijven op het lijden van de slagtoffers hunner onverschilligheid.

Dit zijn de gewone omstandigheden, niet de vergunde wreedheden, van een stelsel, hetwelk de menschen zich-zelven hebben wijs gemaakt, dat in overeenstemming is met Gods Woord!

Laten wij aannemen, dat "de familie-betrekking ontzien wordt, voor zoover dit mogelijk is." Dan doet zich de vraag op: Tot hoever is het mogelijk? Advertentiën van zulke verkoopingen doen zich week aan week in bijna hetzelfde aantal voor in dezelfde nieuwsbladen, in denzelfden omtrek; en handelaars van beroep maken er hun werk van, ze bij te wonen en slagtoffers op te koopen. Indien nu de bewoners van eene bepaalde streek zich belasten met de zorg om toe te zien dat in dezen stroom van veilingen geene gezinnen gescheiden worden, dan moet men tot de overtuiging komen, dat zij weinig anders te doen zouden hebben. Het is eene waarheid--en die onze menschelijke natuur in het algemeen eere aandoet--dat de smart en zielsangst der arme, hulpelooze schepsels, dikwijls vrienden voor hen doet opstaan onder de edelen van harte. Er zijn menschen in het Zuiden, die al het mogelijke doen en zelfs boven hunne krachten gaan om de wreede operatiën van den slavenhandel te stuiten en in afzonderlijke gevallen verligting aan te brengen. Er zijn er in het Zuiden, die zouden kunnen vertellen, indien zij wilden, hoe hun, wanneer zij den laatsten dollar besteed hadden, waarover zij in eene week konden beschikken, in de volgende week juist even zulk een geval voorkwam, waaraan zij niet konden voldoen. Er zijn meesters in het Zuiden, die zouden kunnen mededeelen, indien zij wilden, hoe zij hebben staan bieden tegen een slavenhandelaar, om een of anderen hunner eigene arme slaven te bevrijden, totdat het bod al hooger en hooger steeg en de gebiedende noodzakelijkheid hun eindelijk den mond sloot. Goedhartige verkoopers weten zeer wel, hoe dikwijls zij worden aangezocht om medewerking, ten einde een armen man buiten de klaauwen van den slavenhandelaar te houden, en hoe zij daarin soms slagen, soms falen.

Juist de strijd, dien regtschapene mannen in het Zuiden voeren om den geregelden slavenhandel te knakken, doet hun de hopeloosheid hunner pogingen zien. Wij geven gaaf toe, dat velen hunner evenveel of meer doen, dan wij in soortgelijke omstandigheden doen zouden; maar toch weten zij, dat, wat zij uitrigten, niets meer dan eene beuzeling is.

Doch wij zullen verder redeneren op getuigenis van advertentiën. Wat moet men opmaken uit het onderstaande, voorkomende in den Memphis Eagle and Inquirer, van Zaturdag 13 November 1852? Onder het motto aan het hoofd van dat blad: "Vrijheid en eenheid, thans en immer," vinden wij het volgende fraais:

No. I.

Vijf en zeventig Negers.

Ik heb zoo even uit de oostelijke streken ontvangen 75 gesorteerde A No. 1 negers. Kom spoedig, zoo gij keuze wilt hebben.

Benj. Little.

No. II.

Contant geld voor Negers.

Ik zal zoo hooge contante prijzen voor eenige fiksche jonge negers betalen als eenig handelaar in deze stad;--ook in commissie ontvangen en verknopen op Byrd Hill, de oude plaats, in Adamsstreet, te Memphis.

Benj. Little.

No. III.

Vijf honderd Negers benoodigd.

Wij betalen den hoogsten contanten prijs voor alle goede negers, die ons te koop geboden worden. Ieder, die negers te koop heeft, noodigen wij uit zich te vervoegen aan ons kantoor. Wij zullen eerlang ook eens aanzienlijke partij Virginia-negers te koop hebben. Onze gevangenis is zoo sterk als eenige andere in het land, en wij kunnen er negers, die men zou wenschen te doen opsluiten, veilig bewaren.

Bolton, Dickins & Co.

Laten wij onderdanig mogen vragen wat in de eerste advertentie bedoeld wordt met gesorteerde A No. 1 negers? Is het waarschijnlijk, dat het beteekent, negers die bij geheele gezinnen verkocht worden? Wat meent de uitnoodiging: "Kom spoedig, zoo gij keuze wilt hebben?"

Zoo veel wat de eerste advertentie betreft. Laten wij nu den ingewijden eenige vragen aangaande No. II mogen doen. Wat bedoelt mijnheer Benjamin Little met te zeggen: "Ik zal zoo hooge contante prijzen voor eenige fiksche jonge negers betalen als eenig handelaar in deze stad?" Bestaan huisgezinnen doorgaans alleen uit fiksche jonge negers?

Ook aangaande de derde advertentie zouden wij gaarne eenige inlichtingen bekomen. De heeren Bolton, Dickins & Co. melden dat zij "eene aanzienlijke partij Virginia-negers" verwachten.

Ongelukkige heeren Bolton, Dickins & Co.! Zoudt gij denken, dat familiën in Virginia hare negers zullen verkoopen? Hebt gij dan mijnheer J. Thornton Randolph's laatsten roman niet gelezen, en daaruit gezien dat oude familiën in Virginia nimmer aan slavenhandelaren verkoopen? en--nog meer--dat zij zich altijd vereenigen en de negers opkoopen, die in de nabuurschap geveild worden, en de slavenhandelaars, als zij zich durven vertoonen, met weinig omslag weggejaagd worden? Men zou waarlijk gaan denken, dat gij uwe begrippen omtrent de zaak uit de Negerhut geput hadt. Want in het meermalen aangehaalde, artikel uit Fraser's Magazine wordt verzekerd, dat allen, die hunne denkbeelden omtrent de slavernij aan dat boek ontleend hebben, "de slavengezinnen als uiterst ongevestigd en zwervend beschouwen."

Doch eer wij terugkomen van onze verbazing, nemen wij den Natchez (Mississippi) Courier van 20 November 1852 ter hand en lezen daar:

Negers.

De ondergeteekende neemt de vrijheid het publiek te berigten, dat hij voor den tijd van verscheidene jaren gehuurd heeft de plaats aan den Driesprong nabij Natchez, en dat hij aldaar het geheele jaar door eene aanzienlijke hoeveelheid negers in voorraad zal hebben. Zijne prijzen zullen even laag of lager zijn dan die van eenig ander handelaar alhier of te New-Orleans.

Hij is juist uit Virginia gearriveerd met eene zeer bezienswaardige partij veld-arbeiders en arbeidsters; ook huisbedienden, drie keukenmeiden en een timmerman. Komt en ziet.

Tevens zijn bij hem drie paarden te koop.

Natchez, 28 September 1852. Thos. G. James.

Waar ter wereld heeft die gelukkige mijnheer James dit fraaije "assortiment" Virginia-negers opgedaan? Waarschijnlijk in een of ander graafschap, dat de heer Randolph nooit bezocht heeft. En heeft men geene gezinnen behoeven te scheiden, om dat assortiment tot stand te brengen? Waar zijn hunne kinderen? Wij hooren van eene partij huisbedienden, van drie keukenmeiden en een timmerman, zoowel als van drie paarden. Hadden die ongelukkige keukenmeiden en die timmerman geene betrekkingen? Vloeiden geene droevige tranen langs hunne donkere wangen, toen zij "gesorteerd" werden voor de markt van Natchez? Rijst uit geen dier treurige harten het lied op:

O voer mij naar 't oude Virgienje terug?

Al verder ontmoeten wij in hetzelfde blad het volgende:

Slaven! Slaven! Slaven!

Wekelijks versche aanvoer.--Daar wij ons gevestigd hebben aan den Driesprong, nabij Natchez, bij een contract voor verscheidene jaren, hebben wij thans voorhanden, gelijk wij het heele jaar zullen hebben, een uitgebreiden en goed gesorteerden voorraad negers, bestaande in veld-arbeiders, huisbedienden, ambachtslieden, keukenmeiden, naaisters, waschvrouven, strijksters, enz., welke wij even laag of lager dan eenig ander huis alhier of te New-Orleans kunnen en willen verkoopen.