De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 34

Chapter 343,637 wordsPublic domain

Deze advertentie valt aan het kind iedere week in het oog. Het blad, waaruit wij haar hebben overgenomen, bevat in zijne mengelingen stukken uit de Household Words van Dickens, uit professor Feltons opstel in den Christian Examiner, over de wederzijdsche verhouding der seksen, en een treffend en ridderlijk beroep van den welsprekenden senator Soulé, op de wettige regten der vrouwen. Laten wij nu mogen vragen, daar dit blad ook aan de zaak der opvoeding gewijd is, welke soort van invloed op de opvoeding zoodanige advertentiën hebben? En natuurlijk kan zulk eene inrigting niet bestaan zonder begunstigers. Waar negerjagers advertentiën plaatsen in de bladen, worden ook negerjagten gehouden en honden op het negerzoeken afgerigt; en dit alles geschiedt onder het oog der kinderen. Welke opvoeding is dit nu?

Schrijfster dezes heeft een overzigt van de wijze waarop de honden tot dit bedrijf worden afgerigt, ontvangen van een heer, die het op zijne beurt gekregen had van een neger, voor wien dit eene zoo gewone zaak schijnt geweest te zijn, dat hij er met even weinig gevoel over uitweidt, als hadde hij gesproken van eene jagt op wild. De bedoelde opgave is vervat in een brief uit het zuiden der Vereenigde Staten, en luidt aldus:

Men moet zeer jonge honden nemen, schier onverschillig van welke soort, want bijna alle zijn er geschikt voor; zij moeten opgesloten worden en mogen geen neger zien, eer zij groot genoeg zijn om onderwezen te worden. Dan leere men ze, een neger na te loopen; hebben zij hem bereikt, dan geve men ze vleesch. De neger moet zoo hard loopen als hij kan en dan in een boom klimmen, ten einde de honden te leeren den vlugteling in een boom te ontdekken; neem dan de schoen van een neger en leer hen den neger vinden, die er eigenaar van is; dan een stuk zijner kleederen, en zoo verder. Men moet vooral zorgen, den neger in een boom te laten klimmen, en den hond te leeren wachten onder den boom en blaffen tot men hem zijn vleesch geeft.

Men leze ook de volgende advertentie in het Ouachita Register, gedateerd: "Monroe, Dingsdag avond, 1 Junij 1852":

Negerhonden.

De ondergeteekende berigt aan het geëerde publiek van Ouachita en omstreken, dat hij zich gevestigd heeft ongeveer 2 1/2 mijl beoosten John White, aan den weg van Monroe naar Bastrop, en dat hij een fraai stel honden heeft om negers te vangen. Personen, die negers wenschen te doen opvangen, worden uitgenoodigd hem te bezoeken. Hij is steeds aan zijn huis te spreken, zoo hij niet op de negerjagt is, en zelfs dan nog kan men doorgaans in zijne localen informatiën nemen waar hij zich bevindt.

Voorwaarden: Vijf dollars per dag wanneer geen spoor aangewezen is. Zoo er wel een spoor is aangewezen, worden vijf en twintig dollars voor het vangen van den slaaf in rekening gebragt.

Monroe, 17 Februarij 1852. M. C. Goff.

Welnu, maken de in dit hoofdstuk gegevene tafereeltjes niet een goed stelsel van opvoeding uit voor de kinderen van een Christelijk volk? En moet het ons verwonderen, wanneer aldus gevormde kinderen geene wreedheid zien in de slavernij? Kunnen kinderen zich voorstellen, dat wezens, waarop men aldus jagt maakt, even als zij, kinderen van één Hemelschen Vader zijn?

Maar stel, de knaap groeit op tot man en woont de zittingen der geregtshoven bij, en hoort schrandere, geleerde mannen van den regterzetel verklaren, dat "het enkel slaan van een slaaf, wanneer het niet vergezeld is gegaan van wreedheid of van poging tot moord, geene overtreding kan genoemd worden." Stel, dat hij ter zelfder plaatse hoort beslissen, dat geene beleediging of hoon jegens een slaaf vatbaar is voor eene geregtelijke behandeling, tenzij zijne waarde als verhandelbaar eigendom er door mogt verminderd zijn. Stel, dat hij hoort--gelijk in Virginia gebeuren zou--dat de wet de strekking heeft den meester te beschermen, al past hij ook eene wreedaardige, kwaadwillige of overdrevene straf op den slaaf toe. Stel, dat een slaaf vermoord is, en hij nu de regtsgeleerden hoort betoogen, dat dit voor geen moord gehouden kan worden, dewijl een slaaf, in het oog der wet, geen menschelijk wezen is; en dat hij, als de zaak voor een hooger hof gebragt wordt, den regter al zijn talent hoort besteden aan eene uitgewerkte en sierlijke verhandeling, ten bewijze, dat de slaaf een menschelijk wezen is, ten minste evenzeer als een waanzinnige, een onnoozele of een ongeboren kind, en dat hij dus vermoord kan worden. (Zie de redevoering van den regter Clarke, blz. 175). Stel, dat hij ziet, dat de geheele werking der wet, met opzigt tot den slaaf, uitgaat van het denkbeeld, dat deze volstrekt niets anders is dan een baal koopwaren. Stel, dat hij zulke taal hoore als de volgende, die in het proces van Brazealle voorkomt en die een niet onaardig staaltje is van de wijze waarop zoodanige onderwerpen doorgaans besproken worden: "De slaaf heeft geen meerdere politieke regten, geen meerder regt om eigendommen te koopen, te bezitten of over te dragen, dan de muilezel regt heeft op den ploeg; hij zelf is niets dan roerend goed, dat altijd iemand tot eigenaar moet hebben." Stel, dat hij in de wets-verzamelingen bepalingen vinde als de volgende, voorkomende in het burgerlijk wetboek van Louisiana:

Art. 2500. De gebreken van slaven en dieren worden verdeeld in twee soorten,--gebreken van het ligchaam en gebreken in het karakter.

Art. 2501. De ligchaamsgebreken worden onderscheiden in volstrekte en betrekkelijke.

Art. 2502. De volstrekte gebreken der slaven zijn: melaatschheid, krankzinnigheid en vallende ziekte.

Art. 2503. De volstrekte gebreken van paarden en muilezels zijn: aamborstigheid, de droes en kreupelheid.

De indruk van deze taal op het jeugdige gemoed is te sterker, omdat het niet is de uitbarsting van drift, of de taal der minachting, maar eene kalme, regt op de zaak afgaande wettelijke bepaling.

Welk een gevoel moet het te weeg brengen bij den jongman, wanneer hij ontwaart dat, hoe afgrijselijk en welbewezen de moord van een slaaf ook zij, de moordenaar zonder uitzondering zijne straf ontgaat; en dat, ofschoon de gevallen, waarin een slaaf het slagtoffer is geworden van een blanke, veelvuldig zijn, het voorbeeld van eene teregtstelling wegens zulk eene misdaad, in den lande bijna onbekend is. Komt dit alles niet juist neder op de schatting der waarde van het leven en geluk eens negers, hetwelk Frederik Douglass zegt, dat door de blanke knapen, bij welke hij groot gebragt werd, uitgedrukt werd met het spreekwoord: "'t Kost zes stuivers om een neger te dooden, en nog zes stuivers om hem te begraven!"

De soort van openbare meening, die door deze wijze van opvoeding gevormd wordt, blijkt uit het volgende artikeltje, hetwelk wij uit den Cambridge Democrat, van 27 October 1852, overnemen. Dat blad had het aan den Woodville Republican, van Mississippi, ontleend. Het schijnt, dat zekere Josua Johns een slaaf gedood had en daarvoor tot twee jaar cellulaire gevangenis veroordeeld was. De Republican betreurt zijn droevig lot in de volgende bewoordingen:

De Staat tegen Josua Johns.

Dit geding is uitgeloopen op de veroordeeling van Johns tot twee jaar cellulaire gevangenis. Ofschoon alle leden der jury, de balie en velen van het publiek eene petitie aan den gouverneur gezonden hebben om Johns vrij te stellen, was evenwel geene feil te vinden in het verdict van de jury. De jeugdige jaren van Johns en de omstandigheden onder welke hij den manslag bedreef, wekten de algemeene sympathie voor hem op. Er is geen twijfel, dat de neger door onbeschaamde taal hem tot de daad tergde; maar hoe dikwijls moet gezegd worden, dat woorden geene dadelijkheden kunnen verontschuldigen? Met leedwezen moeten wij zeggen, dat er velen zijn, die denken, dat zij evenzeer regt hebben om een neger, die hen beleedigt of ontvlugt, dood te schieten, als om een hond neder te vellen; doch er bestaan wetten ter bescherming van den slaaf, evenzeer als van den meester, en hoe eerder de bovengemelde dwaling uit den weg wordt geruimd, des te beter zal het voor de betrokkenen zijn.

De ongelukkige jongman, die thans den arm der wet over zich gebragt heeft, had ongetwijfeld geen begrip van het bestaan van zulk eene straf; en al ware hij er ook van bewust geweest, dan moeten de herhaalde beleedigingen en tartingen van den neger gewis als verzachtende omstandigheden in zijn voordeel aangemerkt worden. Johns werd verdedigd door den heer I. D. Gildart, die voorzeker al het mogelijke voor hem gedaan heeft.

De Democrat laat er op volgen:

Met bijzonder genoegen vernemen wij van den heer Curry, onder-sheriff van Wilkinson County, dat de gouverneur aan Johns kwijtschelding van straf verleend heeft.

Wij geven gaarne toe, dat Johns niet al te streng kan gegispt worden voor de bovengemelde dwaling, van te denken, dat men even straffeloos een neger als een hond mag nederschieten. Hij is opgevoed in een stand van zaken, waarvan eene dergelijke meening het noodwendig gevolg moet wezen; en hij, persoonlijk, is verreweg minder schuldig, dan diegenen, die het stelsel van wetten en de wijze van opvoeding handhaven, die de jongelieden uit de zuidelijke Staten regtstreeks tot deze gevolgtrekking brengen. Johns kan even edel van hart en van nature even regtvaardig-gezind zijn als eenig jongman ter wereld; maar het afgrijselijke stelsel, onder hetwelk hij is groot gebragt, heeft hem onbekwaam gemaakt om te onderscheiden wat edelmoedigheid en regtvaardigheid met betrekking tot een neger is.

De openbare meening in de slavenhoudende Staten is de meening van lieden die aldus zijn opgevoed, een gevoel dat in alles, wat den neger betreft, verstompt is en ontzenuwd. Wat hun, wanneer het blanken gold, een verschrikkelijk onregt zou toeschijnen, is eene zaak die van zelf schijnt te spreken, wanneer slaven er mede gemoeid zijn.

Naarmate deze strekking der opvoeding van geslacht op geslacht afdaalt, wordt het zedelijk gevoel bij voortduring stomper, en het vermogen om regt van onregt, waar het onderworpen ras in het spel komt, te onderscheiden, meer en meer verzwakt.

Zoo wij een blik slaan in de geschriften van de uitstekende mannen, die omstreeks den tijd onzer Amerikaansche omwenteling slavenhouders waren, welke opgeklaarde denkbeelden vinden wij daar dan niet over de onregtmatigheid der slavernij, welke krachtige woorden van afkeuring passen zij er niet op toe! Bij mogelijkheid zou men zich niet sterker over de kwade werking van het stelsel kunnen uitlaten, dan door de woorden aan te halen van mannen als Washington, Jefferson en Patrick Henry. In die dagen waren er geen mannen van hun verheven verstand, die er aan dachten, de slavernij uit beginsel te verdedigen; thans is er een overvloed van uitstekende lieden, in het Noorden en Zuiden, staatslieden, ambtenaren, letterkundigen, zelfs geestelijken, die het stelsel in verschillende mate pogen voor te staan, te verzachten of openlijk te verdedigen. En welke andere oorzaak is hiervoor te bedenken, dan dat de opvoeding de openbare meening bedorven en die mannen beroofd heeft van het vermogen om een onbevangen oordeel te vellen? De openbare meening zelfs van het vrije Amerika staat, met opzigt tot de slavernij, achter bij die van alle andere beschaafde natiën.

Wanneer de slavenhouders beweren, dat de slaven, over het algemeen, menschelijk behandeld worden, wat bedoelen zij dan daarmede? Niet dat zij zulk eene behandeling menschelijk zouden vinden, wanneer zij hun-zelven en hunnen kinderen werd aangedaan--neen, waarlijk niet!--maar dat zij menschelijk is voor slaven.

Zij plaatsen inderdaad den neger beneden de lijn der menschheid en gelijk met die der redelooze dieren, en plooijen dan al hunne begrippen van menschelijkheid in overeenstemming daarmede.

Zonder noodzaak zouden zij geen hond of neger een schop geven of hem mishandelen. Zij kunnen een hond vertroetelen en doen het dikwerf een neger. Er zijn menschen geweest, die goedvonden hunne paarden weelderig te huisvesten in marmeren stallen en ze te laten eten uit gebeeldhouwde troggen, maar zij bleven hen desniettemin als paarden beschouwen; en bij al de gemakken, waarmede welgezinde meesters soms den slaaf omringen, is hij voor hen altijd maar een neger, en geen mensch.

Hetgeen in dit hoofdstuk gezegd is, en overigens incidenteel blijkt uit al de in dit deel aangehaalde feiten, levert overvloedige bewijzen, dat, niettegenstaande er vele en edele voorbeelden van edelmoedigheid jegens de negers bestaan, en ofschoon het gevoel van den man van eer en de stem der Christelijke liefde allerwege protesteert tegen hetgeen men gevoelt eene onmenschelijkheid te zijn, evenwel de openbare meening, die uit het stelsel geboren wordt, noodwendig jammerlijk te kort moet schieten in eenigerhande bescherming der regten van den slaaf. De volgende hoofdstukken zullen aantoonen, gelijk gewis reeds opgekomen is in denkende hoofden, dat de geheele loop der opvoeding het gemoed van den slavenhouder moet verstompen voor den kreet die uit den mond des negers opgaat als zijn medemensch en broeder.

HOOFDSTUK III.

DE VERSTROOIJING DER HUISGEZINNEN.

"Welk een onderscheid tusschen Isabella en hare onderhoorigen!" riep Dr. Worthington met kracht uit. "Voor haar is het een verlies van rang, van fortuin, van de schoone uitzigten des levens, misschien zelfs van de gezondheid; want onvermijdelijk zal zij bezwijken onder de ongewone werkzaamheden en ontberingen, die zij zal moeten ondergaan. Doch voor hen is het niets dan eene verandering van meesters."

"Ja, want de buren willen niet gedoogen dat een der huisgezinnen verstrooid worde."

"Natuurlijk niet. Van zoo iets leest men wel eens in romans; maar in het werkelijke leven heb ik het nooit gezien, dan in zeldzame gevallen, of als de slaaf zich aan eene overtreding of misdaad had schuldig gemaakt, voor welke hij in het Noorden gevangen gezet zou zijn, misschien wel levenslang.--Cabin and Parlour, door J. Thornton Randolph, blz. 39.

"Maar ik zeg u, zij zullen ons allen naar Georgia verkoopen. Hoe ontkomen wij daaraan?"

"Daarin zult ge u wel vergissen," antwoordde Oom Peter zeer bepaald. "In deze streken heb ik nog nooit van zoo iets gehoord, tenzij als een neger zich buitengewoon slecht gedragen had."

Door zulke penseeltrekken als de bovenstaande, geeft de heer Thornton Randolph ons eene schets van de aartsvaderlijke bestendigheid en veiligheid van den toestand van den slaaf in de oude Staten. Dat een slaaf buiten den Staat verkocht werd, heeft Dr. S. Worthington nooit gehoord, behalve in zeldzame gevallen voor eenigerhande misdaad; en Oom Peter heeft daar zelfs nooit iets van vernomen.

Is dit eene trouwe schets?

Het ergste kwaad van de slavernij is haar noodlottige invloed op het huisgezin; en, naar het inzigt van schrijfster dezes, is het een kwaad, dat blijkbaarder en onweêrsprekelijker is dan eenig ander.

't Is evenwel juist op dit punt, dat de voorstellingen, vervat in de Negerhut, de sterkste tegenspraak ondervonden hebben, hetzij zijdelings als door den bovenaangehaalden romanschrijver, hetzij meer regtstreeks in de nieuwsbladen, zoowel van het Noorden als van het Zuiden. Die van het Noorden verraadt, om het minst te zeggen, de grootste onbekendheid met de zaak, die van het Zuiden doet gewis groot onregt aan den roem van waarheidsliefde en eerlijkheid der zuidelijke burgers. Alle streken des lands hebben gebreken, die daar eigenaardig zijn. De feil van het Zuiden, in het algemeen genomen, is geene bloohartige ontwijking en misleiding. Met groote verbazing las de schrijfster de volgende zinsneden in een artikel in Fraser's Magazine, afkomstig van iemand, die zegt in Zuid-Carolina te wonen:

Mevrouw Stowe's geliefdkoosd voorbeeld van de magt der meesters ten nadeele van den slaaf, is de scheiding der familiën. Men spreekt ons van kinderen van tien maanden, die uit de armen hunner moeders verkocht worden, en van mannen, wier bedrijf bestaat in het opkweeken van kinderen, om van de zijde der moeder verkocht te worden, zoodra zij oud genoeg zijn om de scheiding te kunnen doorstaan. Zoo wij onze kennis van dit punt der slavernij uit mevrouw Stowe's boek moesten putten, zouden wij de slavengezinnen als uiterst onbevestigd en zwervend moeten beschouwen.

En verder:

Wij gelooven met vertrouwen, dat, indien statistieke opgaven te verzamelen waren, om over dit punt licht te verspreiden, daaruit blijken zou dat onder de negers veel minder scheiding in de gezinnen plaats vindt dan bij eenige andere klasse van personen.

Daar de schrijver van dat artikel echter blijkbaar een man van eer is en vele edele en lofwaardige gevoelens aan den dag legt, kan men niet onderstellen dat deze beweringen werden nedergeschreven om te verdraaijen of te misleiden. Zij zijn dus slechts te beschouwen als bewijzen van de gemakkelijkheid, waarmede een vooringenomen oog dikwijls de onmiskenbaarste feiten over het hoofd ziet, wanneer zij indruischen tegen een geliefkoosd denkbeeld of stelsel, of wanneer zij in hunne strekking ongunstig zijn voor iemands land of familie. Zoo zullen de bewoners van eene plaats, wier ongezondheid algemeen bekend is, gelooven en beweren,--en dit met de meeste opregtheid--dat er in hunne stad minder ziekte heerscht, dan in eene andere, van dezelfde uitgebreidheid, in de geheele wereld. Zoo houden ook ouders hunne kinderen dikwijls voor onberispelijk, juist in die punten, waarin anderen hen het gebrekkigst vinden. De oplossing van dit verschijnsel is natuurlijk en prijzenswaardig, en doet ons achting koesteren voor onze zuidelijke broeders.

Er is nog eene andere omstandigheid, waarop men, bij het lezen van zulke beweringen, acht moet geven. Uit het aangehaalde geschrift blijkt, dat de schrijver tot de weinigen behoort, die het bezit van eene volstrekte en onverantwoordelijke magt beschouwen als de krachtigste beweegreden om er een matig gebruik van te maken. Zulke menschen zijn doorgaans door vriend- en bloedverwantschap verbonden met anderen van soortgelijke inborst, waardoor zij zeer ligt in de dwaling vervallen van ieder volgens henzelven te beoordeelen en te denken, dat eene zaak voor de geheele wereld dienstig kan zijn omdat zij goed werkt in hun onmiddellijken kring. Het kan dan ook niet anders, of de velerlei omstandigheden, die sedert de dagen der kindschheid zamenwerken om den neger te verlagen en als minder te doen voorkomen in de oogen van een inboorling van het Zuiden,--het bestendige gebruik om van hen te spreken en te hooren spreken en hen geadverteerd te zien in vereeniging met paarden, muilezels, veevoeder, varkens, enz., gelijk in de zuidelijke nieuwsbladen dagelijksch werk is,--dit alles moet, zelfs bij de regtschapenste menschen, eene zekere verwarring te weeg brengen met opzigt tot de belangen, smarten, genegenheden, van degenen die niet bepaaldelijk tot hun eigen kring behooren, waardoor zij ten hoogste ongeschikt worden om hun toestand juist te beoordeelen. De schrijfster is hierdoor dikwijls bijzonder getroffen geworden bij het lezen van brieven van vrienden uit het Zuiden, die, op dezelfde bladzijde, het een of ander melden betrekkelijk den toestand van de negers in het Zuiden, en dan voortgaan, en, in verband met andere onderwerpen, feiten aanvoeren, die alles weder schijnen tegen te spreken. Wij allen kunnen nagaan hoe die vermenging van het eene met het andere op ons zou werken. Werden wij genoopt op te geven hoe dikwijls de koeijen onzer buren van hare kalven gescheiden zijn, of hoe dikwijls hun huisraad en overige bezitting verspreid en uiteengerukt is geworden door geregtlijke verkoopingen, wij zouden ons geneigd vinden te verklaren, dat het een ongeluk was, dat niet dikwijls plaats vindt.

Doch slaan wij een paar nieuwsbladen van Zuid-Carolina open, uitgegeven in denzelfden Staat waar die heer woont, en gaan wij de advertentiën van ééne week na. De schrijfster heeft er eenige verkortingen in gebragt, die in de zaak zelve geene verandering maken.

Geregtelijke verkoop van twaalf fraaije Negers.

Fairfield District.

R. W. Murray en echtgenoote c. s. contra in Equity. William Wright en echtgenoote c. s.

Ingevolge bevelschrift van het "Court of Equity," in bovenstaande zaak uitgevaardigd in de Julij-zitting van 1852, zal ik op den eersten Maandag in Januarij aanstaande, vóór het Geregtsgebouw te Winnsboro', in het openbaar aan den hoogstbiedende toewijzen,

12 zeer fraaije Negers,

behoorende tot de plantage van wijlen Micajah Mobley, van Fairfield District.

Deze Negers bestaan voornamelijk in jonge knapen en meisjes en zijn zeer aan te bevelen.

De verkoopsvoorwaarden, enz.

Commissioners' Office, W. R. Robertson. Winnsboro', 30 November 1852.

Vrijwillige Verkoop.

In openbare veiling zullen op Dingsdag 21 December aanstaande, ten sterfhuize van mevrouw M. P. Rabb, aan den hoogstbiedende worden toegewezen hare nagelatene goederen, gedeeltelijk bestaande in omstreeks

2000 bushels koorn, 25000 ponden veevoeder, tarwe, katoenzaad, paarden, muilezels, rundvee, schapen, varkens.

Waarschijnlijk zullen tenzelfden tijde en plaatse verscheidene fraaije jonge negers geveild worden.

De verkoopsvoorwaarden zijn: Alle sommen beneden vijf en twintig dollars contant. Alle sommen van vijf en twintig dollars en daarboven, op twaalf maanden crediet, met intrest van den dag der veiling, op acceptatie en met twee soliede borgen.

William S. Rabb. 11 November. Administrateur.

Geregtelijke verkoop van Landerijen en Negers.

Fairfield District.

James E. Caldwell, Administrateur van wijlen Jacob Gibson, contra in Equity. Jason D. Gibson c. s.

Ingevolge order van verkoop in het bovengemelde proces, zal ik op den eersten Maandag in Januarij aanstaande en den volgenden dag, vóór het Geregtsgebouw te Winnsboro', in openbare veiling aan den hoogstbiedende verkoopen, de volgende goederen, nagelaten door wijlen Jacob Gibson van Fairfield District, te weten:

De plantage waarop de overledene gewoond heeft, beslaande nagenoeg 661 acres, gelegen aan de Wateree Creek, en belendende aan de landerijen van Samuel Johnston, Theodore S. du Bose, Edward P. Mobley en B. R. Cockrell. Deze plantage zal geveild worden in twee koopen, waarvan de teekeningen op den verkoopdag ter bezigtiging zullen liggen.

Voorts:

46 prima fraaije Negers,

bestaande in voerlieden, smeden, keukenmeiden, huisbedienden, enz.

Commissioners' Office, W. R. Robertson. Winnsboro', 29 November 1852.

Vijftig prima Negers.

Den eersten Maandag in Januarij aanstaande, zal ik vóór het Geregtsgebouw te Columbia, vijftig zulke fraaije negers verkoopen, als ooit ten verkoop zijn aangeboden; zij zijn afkomstig van de plantage van A. P. Vinson. De negers zijn in elk opzigt met zorg behandeld. Gegadigden kunnen verzekerd zijn, dat zij geene betere gelegenheid kunnen vinden om zich te voorzien.

18 November. J. H. Adams, Executeur.

Vrijwillige Verkoop.

Den 15 December aanstaande zullen ten sterfhuize van wijlen Samuel Moore, in York District, al diens nagelaten goederen verkocht worden, bestaande in

35 fraaije Negers;

Eene hoeveelheid katoen en koorn, paarden en muilezels, bouwgereedschappen, huis- en keukenvoorwerpen en vele goederen meer.

18 November. Samuel E. Moore, Administrateur.

Vrijwillige Verkoop.