De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 33
Stel, bijv., dat de slaven-wetten in ons land van toepassing werden gemaakt op al de Ieren en dat zij verklaard werden tot eigendom van ieder, die geld genoeg had om hen te koopen. Stel dat hun regt om te stemmen, om regtsgedingen in te stellen, om getuigenis in regtszaken af te leggen, om een wettig huwelijk te sluiten, om eigendommen te bezitten of overeenkomsten van allen aard aan te gaan, door ééne pennestreek werd uitgeschrapt. Onderstel al verder, dat het verboden ware hun lezen en schrijven te leeren, en dat hunne kinderen gedoemd waren om tot in de lengte der dagen zonder kennis te blijven voortleven. Onderstel, dat in de geregtszaal verklaard werd, dat het enkel slaan van een Ier, "zonder gepaard te gaan met wreedheid of met eenigerhande toeleg om een moord te plegen," geene overtreding kan geheeten worden. Onderstel, dat er verklaard werd, dat, tot bevordering van de ondergeschiktheid bij hen, de wet den meester zou beschermen, al bleek het ook dat de straf, die hij uitgeoefend had, kwaadwillig, wreed of overdreven was geweest; en onderstel, dat monsters, gelijk Souther, van die vergunning gebruik makende, nu en dan Ieren doodmartelden, doch dat dit van niet genoegzaam belang gerekend werd om den meester eenigen dwang op te leggen. Onderstel dat men koeltjes zeide: "O ja, wij weten wel, dat Ieren wel eens worden doodgemarteld, doch dit is geen doorgaande regel; niemand, van eenigen stand in de maatschappij, zou het doen, en zoo dergelijke gevallen zich voordoen, wekken zij algemeene verontwaardiging."
Onderstel, dat als reden waarom de wet, die de magt van den meester afbakent, niet strenger kan gemaakt worden, werd opgegeven, dat het algemeene stelsel niet in stand kan gehouden worden, zonder die ruimte van magt aan den meester te verleenen.
Onderstel, dat, wanneer men al de Ieren in dit land tot dien toestand gebragt had, deze verzekerden, dat het algemeen gevoel van menschelijkheid ten hunnen opzigte zich zoo krachtig deed kennen, dat het ruimschoots opwoog tegen het gemis van alle wettelijke regten en hun toestand over het geheel gelukkiger maakte dan wanneer zij vrij waren. Zouden wij niet moeten zeggen, dat een "algemeen gevoel", hetwelk geene wreedheid zag in het ontnemen aan een geheel geslacht van alle regten, die der menschheid dierbaar zijn, dan niets als wreed kan beschouwen en bewezen had geheel onbevoegd te zijn om over dit onderwerp eenig oordeel uit te spreken? Wie zou niet liever zijne kinderen in het graf dan in slavernij zien? Wie, zoo hij morgen ontwaakte als Amerikaansch slaaf, zou zich niet op de rustplaats der dooden wenschen? En toch gaan alle verdedigers van de slavernij uit van de stelling, dat deze wettelijke toestand op zich-zelf geene wreedheid is! Zij zouden het voor zich of voor eenigen blanke als de uiterste grenspaal van wreedheid beschouwen; waarom beschouwen zij het dan in het geheel als geene wreedheid, wanneer het een neger geldt?
De schrijver, die de slavernij in Fraser's Magazine verdedigt, poogt deze ontzetting van eene geheele klasse van hare wettige regten te regtvaardigen door de bewering: "dat het goede, dat in den menschelijken aard ligt, aan de gebreken van de menschelijke wetgeving zal te gemoet komen." Deze opmerking is een veelbeteekenende maatstaf van den staat der begrippen, die zelfs in een edelaardig gemoed door het slavernij-stelsel te weeg gebragt worden. Die schrijver denkt dat het goede, hetwelk in den menschelijken aard ligt, voorzien zal in het gemis van wettige regten bij duizenden en millioenen menschelijke wezens. Hij zou niet aarzelen hun ligchaam en hunne ziel toe te vertrouwen aan het goede, dat in den menschelijken aard ligt; maar toch zou diezelfde man geen bankbiljet van vijftig dollars in een onverzegelden omslag en vertrouwende op "het goede, dat in den menschelijken aard ligt", over den post willen verzenden.
Zou die man zijne kinderen in den toestand van slaven geplaatst willen zien en hen overlaten aan "het goede, dat in den menschelijken aard ligt?"
Zou hij van den achtenswaardigsten zijner vrienden een huis of een landgoed koopen, zonder wettige bewijsstukken op te maken, zich alleen verlatende op "het goede, dat in den menschelijken aard ligt?" En zoo "het goede dat in den menschelijken aard ligt" niet alles-afdoende is voor hem en zijne kinderen, hoe zal het dan genoegzaam zijn voor zijn broeder en zijns broeders kinderen? Is zijn geluk in de oogen van God van zooveel hooger waarde dan dat zijns broeders, dat het zijne moet verzekerd worden door wettige banden, sloten en grendels, en dat van zijn broeder zoo maar kan worden overgelaten aan "het goede, dat in den menschelijken aard ligt?" Nooit gevoelen wij zoo diep de volslagene ongenoegzaamheid van het algemeen gevoel om den slaaf te beschermen, dan wanneer wij zulke stellingen hooren verkondigen door menschen, die van nature edel en gevoelig zijn.
De eerwaarde C. C. Jones, een onvermoeid arbeider voor de slaven, laat zich als volgt uit over de waardij van ééne ziel onder die ongelukkigen:
Ware het ons geopenbaard, dat het uitgebreidste stelsel van onderwijs, hetwelk wij bedenken kunnen, al vorderde het een reusachtigen en eeuwen lang voortgezetten arbeid, onder de genadige ontferming van onzen Heer zou uitloopen op de behoudenis van één armen Afrikaan, wij zouden er aanleiding in vinden, om, tot welken prijs en met welke opofferingen ook, met blijmoedigheid die taak aan te vangen.
Welk een edele en verheven ziel spreekt uit deze woorden! Duiden zij niet een geest aan, die tot de hoogste dingen in staat is?
En toch, zoo wij al zijne werken doorloopen, zullen wij er met smart uit ontwaren, hoe het zedelijk gevoel van de reinste ziel verstompt kan worden door voortdurende aanraking met zulk een stelsel.
Wij vinden van hem eene raadgeving aan de meesters om hunne slaven mondeling te doen onderrigten in de Godsdienst. Op vele plaatsen spreekt hij van het mondeling onderrigt als een onbetwistbaar gebrekkig onderwijs, verre staande beneden datgeen, hetwelk voortvloeit uit het persoonlijk lezen en onderzoeken van Gods Woord. Hij zegt ergens, dat dit, om nut te stichten, vroeg begonnen moet worden, daar menschen van gevorderde jaren het er zelden ver in brengen; en toch geeft hij als zijne bepaalde meening te kennen, dat de slavernij eene aangelegenheid is, waarin geen Christen zich behoeft te mengen.
Volgens zijne eigene aanwijzing wordt den slaven het beste middel tot behoudenis hunner zielen benomen en beperkt men hen tot een van verreweg mindere hoedanigheid. Deze beperking maakt hunne zielen tot het verkrijgen van geestelijk voedsel even afhankelijk van anderen, als een mensch zonder handen van anderen afhankelijk is voor stoffelijk voedsel. Hij erkent--hetgeen zijne eigene ondervinding hem ook moet geleerd hebben--dat de slaaf elk oogenblik kan overgaan in handen van personen, die de moeite niet zullen nemen om hem aldus van geestelijk voedsel te voorzien; ja, zoo wij dit gevolg mogen trekken uit zijn dringend beroep op de meesters, dan heeft hij velen gezien, die, in geestelijken zin de handen hunner slaven afgesneden hebbende, thans weigeren hun het voedsel toe te dienen. Hij ontwaart, dat duizenden geplaatst zijn in omstandigheden, waar de ziel schier onvermijdelijk moet verloren gaan, en toch zegt hij, zich niet geroepen te gevoelen om zich in het minst met hun civielen toestand in te laten!
Doch, indien de ziel van iederen armen Afrikaan van die onschatbare waarde is, welke de heer Jones er aan toekent, volgt daaruit dan niet, dat hem het beste middel moet verschaft worden om den hemel in te gaan? En verkeert hij, die den Bijbel zelf kan lezen, niet in een beteren toestand dan degeen, die afhankelijk is van het voorlezen van een ander? Zoo men zegt, dat zulk onderwijs niet kan verleend worden, omdat de slaven dan geene veilige bezitting meer zouden zijn, behoorde dan niet een geestelijke als de heer Jones, van wien wij zoo even zulke treffende woorden hebben aangehaald, den meesters onder het oog te brengen dat het hun beter ware, alle wereldsch goed te verliezen, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van eenig verderf te brengen over die zielen? Al de beweeggronden, welke de heer Jones zoo welsprekend heeft aangevoerd om de meesters te overreden, dat zij hunne slaven mondeling onderrigt zouden geven, pleiten met dubbele kracht voor hunne verpligting om den slaaf in staat te stellen, persoonlijk den Bijbel te lezen.
Verder hooren wij den heer Jones gewagen van de magt, die de meesters hebben over de zielen hunner ondergeschikten, waaromtrent hij zich aldus uitlaat:
Wij kunnen, krachtens de in onze handen gestelde magt, Godsdienstige bijeenkomsten en Godsdienstig onderrigt op onze eigene plantagiën verbieden; wij kunnen onze onderhoorigen geheel verbieden ter kerk te gaan, of hun bevelen alleen die kerken te bezoeken, die wij voor hen kiezen zullen. Letterlijk kunnen wij het Koningrijk der Hemelen voor menschen sluiten en hen, die op den drempel staan, het binnentreden beletten.
En wanneer wij den heer Jones dit alles hooren zeggen, en daarbij in aanmerking nemen, dat hij moet weten en gezien hebben, dat deze ontzaggelijke magt dikwijls berust in handen van menschen zonder Godsdienst, in handen van menschen van het verwerpelijkste karakter, dan kunnen wij zijne goedkeuring van zulk een stelsel alleen toeschrijven aan den verblindenden en verdoovenden invloed, dien de gewoonte der slavernij op de achtenswaardigste karakters uitoefent.
Noch de heer Jones noch eenig ander Christenleeraar zou het behoorlijk achten, dat de eeuwige gelukzaligheid zijner eigene kinderen aldus gesteld werd in de magt van iemand, die geld zou hebben om hen te betalen. Hoe kunnen zij het dan regtvaardig rekenen, dat die magt verleend worde waar het hun Afrikaanschen broeder betreft?
Bewijst dit alles niet, dat, zelfs bij de meest menschelijk en Christelijk-gezinde lieden, die theoretisch gelooven aan de gelijkheid van alle zielen voor God, eene voortdurende aanraking met de slavernij eene practische ontrouw in dit opzigt te weeg brengt; zoodat zij hunne toestemming schenken aan wetten, die in werkelijkheid verklaren dat de behoudenis der ziel van den dienaar van minder gewigt is dan het behoud van den eigendom?
Men houde ons niet voor afgunstig of liefdeloos, wanneer wij zeggen, dat, waar de slavernij bestaat, zoovele oorzaken noodwendig zamenloopen om de openbare meening met opzigt tot den slaaf te verstompen, dat zelfs de edelaardigste gemoederen dikwerf aan het dwalen geraken. In de noordelijke en vrije Staten was de openbare meening (en is zij nog heden) rampzalig bezoedeld door den invloed van het vroegere en de nabijheid van het tegenwoordige slavernij-stelsel. Van daar de onregtvaardigheid waarmede de neger in menigen onzer Staten behandeld wordt. Van daar ook die verdediging der slavernij, waarmede de drukpers in het Noorden zich soms belast, ja welke men daar zelfs wel van den predikstoel hoort. Indien de overblijfselen der slavernij de openbare meening zelfs in het Noorden zoo kunnen bederven, hoeveel te meer moet dit dan niet het geval zijn ter plaatse waar die instelling nog in volle kracht aanwezig is!
In zekere mate is het gevoel van de geheele Amerikaansche natie op dit punt verstompt. Een heidensch schrijver zeide, dat de Goden ons een schrikwekkend vermogen geschonken hadden, toen zij ons de gave verleenden om aan iets gewoon te worden. Met volle regt kan dit op Amerika toegepast worden. Wij hebben ons gewend aan dingen, die in staat zouden zijn de dooden uit hunne graven te doen verrijzen.
Toen slechts een gering gedeelte van hetgeen hier dagelijks voorvalt, in Engeland en Frankrijk en Italië en Duitschland bekend werd, ging een algemeene kreet van verontwaardiging op. Amerika alleen blijft koel en vraagt: "Wat is er gaande?"
Europa antwoordt: "Wat? wij hebben gehoord, dat de menschen gelijk vee in uw land verkocht worden."
"Natuurlijk geschiedt dat," zegt Amerika; "maar wat verder?"
"Wij hebben vernomen," zegt Europa, "dat het millioenen menschen in uw land verboden is te leeren lezen en schrijven."
"Dat weten wij wel," hervat Amerika: "maar wat beteekent nu dit wraakgeroep?"
"Nog hebben wij vernomen," zegt Europa, "dat Christenmeisjes op uwe markten verkocht en zoo aan de schande ter prooije geleverd worden!"
"Dat is niet geheel zoo als 't behoort," geeft Amerika ten antwoord: "maar nog eens, waarvoor zoo veel beweging gemaakt?"
"Wij hooren dat drie millioenen onder u geen wettig huwelijk kunnen aangaan," roept Europa terug.
"Zeer waar," is het antwoord van Amerika: "maar gij verhieft zulk een kreet, dat wij dachten dat gij eene of andere gruweldaad hadt zien begaan."
"En gij beweert een vrij land te zijn!" roept Europa in verontwaardiging uit.
"Wij zijn ook inderdaad het meest vrije en verlichte land ter wereld. Waar maakt gij u toch moeijelijk over?" herneemt Amerika weder.
"Gij vaardigt uwe zendelingen af om ons tot Christenen te maken," zegt Turkije: "en onze godsdienst heeft evenwel dat afschuwelijke stelsel afgeschaft."
"Wat gaat het u aan? Gij zijt maar heidenen!" zoo besluit Amerika.
Menigeen schijnt inderdaad gedacht te hebben, dat alleen verschrikkelijke overdrijving van het slavernij-stelsel de sensatie kon hebben te weeg gebragt, die zich in geheel Europa onlangs heeft doen gevoelen. Zij weten niet, dat de zaak waar aan zij gewend geraakt zijn en die zij met zooveel onverschilligheid bij allerlei gelegenheden behandeld hebben, aan andere volkeren als het toppunt van laaghartigheid voorkomt. Terwijl het nieuwere Europa de oogen opent en een blik werpt op de wettelijke theorie van het slavernij-stelsel en op de wetten en wetsuitlegging waardoor deze zaak geregeld wordt, voegt het met de woorden van den verontwaardigden Othello aan Amerika toe: "Zoo gij iets dergelijks wilt regtvaardigen,
Bid dan niet meer, laat wat u wroeging baarde Slechts varen; hoop met onvermoeide hand, Meer euvlen nog den berg op van de schand En gruwzaamheên; pleeg daden, waarvan de aarde Verbaasd staat en waarom de hemel schreit; Want gij kunt deez verdoemnis niet verzwaren, Die reeds zoo zwaar is door de onmenschelijkheid."
Er bestaat een vreeselijke toestand van gemeenzaamheid met het kwade, hetwelk de Apostel noemt, "dood zijn in overtredingen en zonde," een toestand waarin men aan de waarheid weêrstand geboden en het kwade hardnekkig verdedigd heeft, waarin men de toespraak des gewetens heeft gesmoord en voor de stem van Gods Heiligen Geest de ooren gesloten. Er bestaat eene vreeselijke ontzenuwing van het zedelijk gevoel, bij welke de meest goddelooze handelingen en de ontzettendste misdaden den geringsten indruk falen te maken. Die ontzenuwing, die steeds een vreeselijke voorbode is van den dood en de ontbinding der natiën, is eene dubbel gevaarlijke kwaal in een Gemeenebest, welks eenige magt gelegen is in doorzigt, geregtigheid en deugd.
HOOFDSTUK II.
HOE DE OPENBARE MEENING DOOR DE OPVOEDING GEVORMD WORDT.
In het belangrijk werk van den eerwaarden C. C. Jones, over het Godsdienstig onderrigt aan de negers te geven, komen eenige zinsneden voor, die zoo bijzonder den invloed der openbare meening, welke wij hebben getracht in het licht te stellen, omschrijven, dat wij niet kunnen nalaten ze over te nemen:
Bepaalde begrippen of vooroordeelen ten aanzien van zekere onderwerpen ontspruiten doorgaans uit onze opvoeding of omstandigheden. Ieder kent hun grooten invloed op oordeelvellingen en gedragslijn, alsmede hoe dikwijls zij gevormd worden zonder dat men er zich van bewust is; zoodat zij, terwijl wij hun bestaan niet vermoeden, opwassen met onzen groei en in kracht toenemen met onze sterkte. Dagelijksche omgang doet mismaaktheid voorkomen als eene gewone leelijkheid. Daarom zijn wij ook niet altijd de beste beoordeelaars van onzen eigen toestand. Een ander kan er bezwaren, of zelfs onbetwistbare gebreken in opmerken, waarvan wij gezegd kunnen worden ons levenslang te naauwernood bewust geweest te zijn. Zoo maakt de gewoonte ook, dat wij euvelen, die bij het eerste aanschouwen onze geheele natuur in opstand bragten en die ons onverdragelijk voorkwamen, zoodanig vergeten, dat wij ze schier niet meer zien. Menschen, die uit den eenen maatschappelijken stand in den anderen overgaan, treffen duizende zaken aan, waaraan zij gelooven zich nimmer te zullen kunnen gewennen; en evenwel, binnen korten tijd verstompt hunne gevoeligheid; zij ondergaan eene verandering, bijna zonder zelven te weten hoe. Zij hebben zich geschikt naar hunne nieuwe omstandigheden en betrekkingen--te Rome zijn zij Romeinen.
Thans zullen wij onderzoeken welken invloed eene gedurige aanraking met het slavernij-stelsel op de opvoeding heeft.
Neem een kind van een ontvankelijk gemoed en een edel hart, en geef het zijne opvoeding onder den invloed van dat stelsel: en op welke wijze zal nu zijn karakter gevormd worden? Eene anecdote, die schrijfster dezes uit den mond eener dame vernam, zal zeker niet ten onpas gerekend worden. Onder de redenen die haar genoopt hadden om haar huisgezin te vestigen op eene plaats, waar het buiten den invloed van het slavenstelsel zou zijn, gaf zij het volgende voorval op: Op zekeren dag een blik uit het raam der kinderkamer naar buiten werpende zag zij haar driejarig dochtertje in haar wagentje zitten, dat met zes of acht jonge negerkinderen, als paarden getuigd, bespannen was. Twee of drie der oudere slaven stonden rondom hunne kleine meesteres, en een van hen gaf haar eene zweep in de hand en voegde haar toe: "Sla er maar goed op, Misse; laat ze draven! 't Zijn allemaal uwe negers!"
Welk eene les van Godsdienst en zedekunde voor dat jeugdige gemoed! De moeder was eene verstandige vrouw, die haar kind nimmer iets dergelijks geleerd zou hebben; maar de staat van slavernij had het in de ziel van elken slaaf gebrand en zoo werd het weder overgeplant op het kind.
Zoodra een kind oud genoeg is om de nieuwsbladen te kunnen lezen, ziet het in elke kolom advertentiën als de volgende uit den Richmond Wigh en andere bladen:
Groote verkoop van Negers, Paarden, Muilezels, Rundvee, enz.
Volgens last van het ommegaande hoog-geregtshof van Fluvanna County, zal de ondergeteekende op Dingsdag 30 November en Woensdag 1 December aanstaande, des morgens ten elf ure, ten sterfhuize van wijlen William Galt, bij openbare veiling verkoopen de negers, voorraad enz. van allerlei aard, tot de hoeve behoorende; bestaande in 175 negers, waaronder eenige timmerlieden en smeden,--10 paarden, 33 muilezels, 100 stuks rundvee, 100 schapen, 200 varkens, 1500 vaten koorn, haver, veevoeder enz.; de plantage, en werkgereedschappen van allerlei aard.
De negers zullen à contant verkocht worden; de overige artikelen op negen maanden crediet, mits tegen acceptatie en goede borgen.
19 October. James Galt, Administrateur van wijlen William Galt.
Uit de Nashville Gazette, 23 November 1852:
Groote verkoop van Negers, Muilezels, Rundvee, enz.
Op Dingsdag 21 December aanstaande zullen wij op de plantage van wijlen N. A. McNairy, aan den Franklin Turnpike, voor rekening van mevrouw C. B. McNairy, executrice, in openbare veiling aanbieden
Vijftig kostbare Negers.
Zij zijn goede plantage-negers en zullen bij huisgezinnen verkocht worden. Gegadigden kunnen die negers den dag vóór de veiling bezigtigen.
Alsmede, tien sterke werk-muilezels, eenige melkkoeijen en kalven, varkens, 1200 vaten koorn, haver, hooi, veevoeder, enz., twee wagens, eene kar, bouwgereedschappen, enz.
Uit den Newberry Sentinel:
Verkooping.
De ondergeteekende zal den 15den dezer verkoopen op de plantage waar hij resideert, gelegen op elf mijlen afstands van de stad Newberry en nabij den Laurens-spoorweg,
Twee en twintig jonge, fiksche Negers,
waaronder goede landbouwers, huisbedienden en een uitmuntende smid;--ongeveer 1500 bushels koorn, eene hoeveelheid veevoeder, varkens, muilezels, schapen, runderen, huis- en keukengereedschap en andere goederen. Op den dag der veiling zullen de verkoopsvoorwaarden ter lezing liggen.
1 December. M. C. Gary.
Uit den South Carolinian, 21 October 1852:
Verkoop van aanzienlijke Goederen.
De ondergeteekende, als administrateur op het landgoed van wijlen kolonel T. Randell, zal op Maandag 20 December aanstaande verkoopen al de goederen, tot die bezitting behoorende, bestaande in 56 negers, vee, koorn, voeder, enz., enz. De verkoop zal geschieden ten sterfhuize, aan de Sandy River, 10 mijlen ten westen van Chesterville.
Voorwaarden: De negers op een crediet van 12 maanden, met intrest van den dag der verkooping, mits twee goede borgen. Het overige wordt à contant verkocht.
2 September. Samuel J. Randell.
Men zie ook de New-Orleans Bee, van 28 October. Op de aankondiging van den verkoop der plantage van wijlen Madeline Lanoux, volgt de lijst der losse goederen:
Twaalf slaven, zoo mannen als vrouwen; een kleine, geheel nieuwe schoener; een veerpont; eenige koeijen, kalven, ossen en schapen; eene partij huisraad; een winkelvoorraad bestaande in ijzer- en aardewerk, kruidenierswaren enz.
Onderstel nu, dat alle ouders zoo Godsdienstig en welgezind zijn als de heer Jones (iets, dat bij den tegenwoordigen staat van zaken zeker niet te verwachten is), en dat zij hun best doen om het kind in te prenten, dat alle zielen voor het oog van God van gelijke waarde zijn; dat de ziel van den neger evenzeer bemind wordt door Christus en vrijgekocht door zijn bloed, als de ziel van zijn meester: zal men dat kind kunnen nopen, dit te gelooven of er naar te handelen? Zal het gelooven kunnen, dat datgeen, hetwelk hij iedere week geadverteerd ziet met varkens en paarden en veevoeder en oude meubelen, ledikanten, tafels en stoelen, werkelijk een zoo Goddelijk iets is? Wij willen onderstellen, dat het kleine kind een of anderen Godvruchtigen slaaf kent; dat het hem aan de Avondmaalstafel op eene afgezonderde wijze het sacramentele brood en den wijn ziet gebruiken. Het ziet zijn vromen vader en moeder den slaaf als een Christenbroeder bejegenen; zij verzekeren hem dat hij "een erfgenaam van God is, mede-erfgenaam van Jezus Christus;"--en de volgende week ziet het denzelfden man in de courant geadverteerd met varkens, runderen en veevoeder. Kan het kind, dit ziende, bij mogelijkheid geloof slaan aan hetgeen zijne Christelijke ouders hem hebben medegedeeld?
Wij hebben tot nog toe alleen gesproken van de gewone advertentiën; maar stel, dat het kind in zekere bepaalde districten woont waar zijn oog moet vallen op aankondigingen van nog meer verlagenden aard. In den Staat Alabama bevat een nieuwsblad, dat aan politiek, letterkunde en opvoeding gewijd is, iedere week de volgende advertentie:
Let Wel!
De ondergeteekende, een uitmuntend stel honden te zijner beschikking hebbende tot het opsporen en achterhalen van ontvlugte slaven, berigt aan het publiek, dat bij vervolg zijne prijzen voor diensten van dien aard zullen zijn:
Voor elken dag jagen of nasporen. 2 dollars 50 cents. Voor het achterhalen van elken slaaf 10 dollars Voor een togt van meer dan tien mijlen en het achterhalen van slaven 20 dollars
Zoo hij ontboden wordt zullen de bovenstaande prijzen contant gevorderd worden. De ondergeteekende woont anderhalve mijl ten zuiden van Dadeville in Alabama.
Dadeville, 1 September 1852. B. Black.