De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 32
Dit zijn ook allen misbruiken, die men in eene despotische regering gelaakt heeft. Het zijn regten, waarvan goede despoten geen misbruik hebben gemaakt, maar onder bescherming van iederen slaven-houdenden Staat, en onder bescherming van al de Vereenigde Staten, worden zij zonder gewetensbezwaar door achtenswaardige menschen misbruikt.
Maar, wij hebben het reeds gezegd, het ergste despotismus is dat, hetwelk zich ook over de ziel uitstrekt, die de vrijheid van het geweten aan banden kan leggen, en den mensch berooft van het regt om God te leeren kennen en te dienen, zooals hij verlangt. In vroeger dagen sidderden de koningen op hun troon en de landman aan zijn haard evenzeer voor een despotismus, dat zich bevoegd verklaarde, te binden en los te maken, het Koningrijk der Hemelen te openen en te sluiten.
En toch, die magt om het geweten te dwingen, om de regten te loochenen die de godsdienst geeft, en al de middelen, die een mensch ten dienste staan om zijn Maker te leeren kennen, en naar Zijn wil te leeren handelen, hem te onthouden, die magt is onder bescherming van iederen Staat en van al de Vereenigde Staten geplaatst in handen van een ieder, van welk karakter ook, die daarvoor kan betalen.
Het is eene treurige maar ernstige waarheid, dat de grootste Republiek der wereld, onder hare nationale bescherming het drukkendste stelsel van despotismus heeft genomen, dat met mogelijkheid bestaan kan.
Met betrekking tot een der punten, die wij hier opnoemden, namelijk het regt van den meester om zijn slaaf, dien hij van misdaad beschuldigt, een regterlijk onderzoek te onthouden, vinden wij een krachtig voorbeeld in hetgeen voor ongeveer twee jaren in het district Columbia voorviel. Het gebeurde komt, zooals het in verschillende nieuwsbladen van dien tijd werd medegedeeld, hoofdzakelijk hierop neder. Een aanzienlijk man te Washington, de hoofdstad van onze gansche Republiek, ouderling der presbyteriaansche gemeente, bezat eene slavin die voor eenige jaren hare belijdenis bij de Doopsgezinden had afgelegd. Hij beschuldigde haar van eene poging om zijn gezin te vergiftigen, en leverde haar terstond in handen van een slavenhandelaar, die haar met zich zou nemen naar Alexandria en in een slavenhuis gevangen zette, tot dat het schip waarmede hij vertrekken wilde, reisvaardig zou zijn. Het arme meisje had eene moeder, die leed als elke natuurlijke moeder lijden moest.
Toen zij het lot van hare dochter vernam snelde zij naar het slavenhuis, en smeekte met tranen in de oogen dat haar een onderhoud met hare dochter werd toegestaan; maar zij werd onbarmhartig teruggestooten en weggejaagd! Toen trachtte zij een onderhoud te hebben met den ouderling; maar ook dit gelukte haar niet. Genoeg geld was haar toegezegd om hare dochter te koopen, maar de eigenaar wilde naar geene belofte luisteren.
Wanhopend begaf zich de moeder naar een advokaat te Washington, en verzocht hem voor haar een brief op te stellen. Zij vertelde hem wat zij verlangde dat er in gezegd zou worden, en hij kweet zich van zijne taak, zooals zij-zelve het zou gedaan hebben, wanneer zij niet van het voorregt om onderwijs te genieten ware verstoken geweest. Haar brief luidde als volgt:
Washington, 25 Julij 1851.
Mijnheer,
Ik wend mij tot u, als tot een rijk Christen, vrijgeborene en vader, ofschoon ik-zelve slechts eene arme slavenmoeder ben. Ik wil met u spreken over een eenig kind, dat ik lief heb, die de Christen godsdienst, even als gij-zelf, belijdt, en lidmate is der Christelijke kerk, en die door de uitoefening van uw regt van eigendom, nu wegkwijnt als gevangene in een hatelijk mannen-slavenhuis, waar zij blijven moet tot zij verkocht zal zijn. Ik kom om vóór u te bepleiten de toepassing dier heilige wet: "Wat gij wilt dat u de menschen doen zullen, doe dat alzoo."
Met groote moeite heb ik vrienden gevonden, die mij willen helpen mijn kind te koopen, om ons voor die wreede scheiding te bewaren. Gij, als vader, kunt begrijpen wat ik voelde, toen men mij zeide, dat gij besloten hadt haar verre heen te bannen, en mij dus de hoop ontnomen hadt haar ooit weder te zien.
Bijna zes jaren lang heeft mijn kind slavenarbeid bij u verrigt, van haar zestiende tot haar twee-en-twintigste jaar heeft zij hard gewerkt in uwe woonkamer, uwe keuken, uw kelder en uw stal. Bij dag en bij nacht was uw wil en uw bevel voor haar de hoogste wet; maar dit alles was te vergeefs. Indien haar zelfs in al dien tijd een weinig koffij of thee gegeven is, dan was het op kosten van hare slavenmoeder, niet op uwe kosten.
Gij zijt een voorganger in de gemeente en een man des gebeds. Als zoodanig en als de oppermagtige eigenaar van mijn kind, vraag ik ootmoedig, of zij die zachte en liefderijke behandeling genoten heeft, dat schoone voorbeeld heeft gezien, die haar in haar treurigen toestand konden bemoedigen? Heeft zij uit uwe handen, door een waarachtig godsdienstig onderwijs in het woord van God, eene volkomene en goede voldoening gehad voor al haren arbeid? Het is niet aan mij alleen dat gij die vragen moet beantwoorden. Gij erkent het gezag der wetten van Hem, die vrijmaking aan den gevangene verkondigde, en die u beveelt uwe dienstmaagd te geven "wat regt en billijk is." O! ik bezweer u, onthoud in deze bange ure mijn kind niet datgene, wat haar laatste hoop zal wegnemen, en dat uwe eigene ziel in het verderf zal storten.
Men zegt mij dat gij mijne dochter van misdaad beschuldigt. Kan dit waarlijk zoo zijn? Kan het zijn dat gij uwe pligten als eerlijk man en goed burger vergeet; dat gij liever de schuldige voor geld verkoopt, dan haar voor den regter te dagen, waar gij weet dat zij gaarne zou verschijnen? Wat zoudt gij zeggen, indien men u van eene misdaad beschuldigde, en weigerde u voor de regtbank te roepen? Is haar goede naam niet evenveel waard aan haar, in de Gemeente, waartoe zij behoort, als uw goede naam aan u dierbaar kan wezen?
Denk, voor een oogenblik, dat uwe dochter, die gij liefhebt, in plaats van de mijne in deze heete dagen in eene slavengevangenis zat, gevoed werd met het ellendigste voedsel, geheel overgegeven was aan den wil van een slecht mensch en van het regt verstoken was, dat zelfs den moordenaar niet ontzegd wordt, om het gelaat zijner vrienden te zien. O! dan zoudt gij ook lijden! Och! heb dan ook medelijden met eene arme slavenmoeder en haar kind, en doe voor ons wat gij zoudt willen dat men voor u deed, wanneer gij verschijnen zult voor den Hoogsten Regter, en wanneer uwe grootste vreugde zal zijn te kunnen zeggen: "Ik heb de verdrukten vrijgemaakt."
Ellen Brown.
Maar het meisje werd naar het Zuiden gezonden en daar verkocht.
De schrijfster heeft deze mededeelingen ontvangen van hem, die den brief schreef. Of de handelwijze van den eigenaar stipt wettig was, is iets waarvan wij niet geheel overtuigd zijn. Dat het eene daad was, waarin de wet zich niet kon mengen, is zeker, maar even zeker is het, dat het eene daad was, waartegen de publieke geest niet opkwam. De man, die zijne magt aldus uitoefende, stond bekend als een godsdienstig man, bekleedde eene belangrijke betrekking bij de Christelijke kerk; en geene enkele handeling der Christen-gemeente, waartoe hij behoorde, toont aan, dat men zijne daad niet als zeer te regtvaardigen beschouwde.
En is niet juist deze uitoefening van magt hetgeen ons het meest schokt, wanneer wij ze van vreemde despoten zien?
Lezen wij niet met siddering, dat in Rusland of Oostenrijk een man, die van eene misdaad verdacht wordt, wordt opgeligt, van zijne vrienden wordt gescheiden, geene gelegenheid wordt gelaten om voor den regter zich te verdedigen, maar naar Siberië of eenige andere vreeselijke plaats van verbanning wordt gevoerd?
Waarom is het despotismus in eenig opzigt erger wanneer het door een Staat, dan wanneer het door een persoon gepleegd wordt?
Er bestaat tegenwoordig een heftige strijd tusschen het despotisch en republikeinsch beginsel. Alle argumenten, die ter verdediging van de slavernij worden aangevoerd, zijn evenzeer geldig voor de verdediging der despotische regering, en er gelden zelfs enkele argumenten ten gunste der laatste, die niet voor de eerste van kracht zijn.
Er zijn argumenten, en zeer tastbare, ten gunste van eene despotische regering. Niemand kan ontkennen dat zij door despotismus eene zekere kracht, eenheid, snelheid van werking erlangt, die uit den aard der zaak eene republiek niet kan bezitten. Het despotismus heeft meer deugdelijke stelsels van staatkunde tot stand gebragt en in stand gehouden dan eenige republiek. De vorige Koning van Pruisen was door zijne absolute magt in staat een beter stelsel van volksopvoeding in te voeren, dan ons ooit gelukt is in Amerika tot stand te brengen. Hij stelde districten naar goedvinden in en verpligtte ieder ouder, of hij wilde of niet, zijne kinderen te doen schoolgaan.
Indien wij hierop antwoorden--zoo als wij ook doen--dat het geven van absolute magt aan iemand, die er een regtmatig gebruik van zal maken, ongetwijfeld gunstig werken moet op den Staat, maar dat er zóó weinige menschen zijn, van wie dat rigtig gebruik is te veronderstellen, dat deze regeringsvorm niet als veilig mag beschouwd worden, dan hebben wij een argument aangevoerd, dat veel meer tegen de slavernij gerigt is dan tegen eene despotische regering, want zeker is de kans oneindig grooter om in een tijdvak van vijftig jaar één man te vinden, die in staat is om een wijs gebruik van die magt te maken, dan om iederen dag, in ons land, duizenden te vinden, die met zulk een magt kunnen bekleed worden. Het is eene treurige en zeer ernstige waarheid, dat Amerika zoowel in de handen van de slechtsten als van de besten uit het land, die despotische magt legt, die zij onveilig acht zelfs in de handen van den verlichten, wel opgevoeden en beschaafden keizer van Rusland.
Met al onze republikeinsche vooroordeelen, kunnen wij niet ontkennen dat Nikolaas een man van talent, en door zijne opvoeding een zeer liberaal man is; wij weten ook dat hij een man is van een ernstig en godsdienstig karakter; hij voorzeker, die steeds handelen moet voor het oog der gansche wereld, wordt door de publieke opinie zeer aan banden gelegd, en moet zijne handelingen wel wegen. Maar wie zijn zij, aan wie de Amerikaansche wetten eene magt verleenen, onbeperkter nog dan die van den Keizer van Rusland of den Keizer van Oostenrijk? Hij kan een zeeroover geweest zijn; hij kan een dronkaard wezen; hij kan, als Souther, teregtgestaan hebben voor eene daad, waarvoor de menschheid terugdeinst; maar niet te min schenkt hem de Amerikaansche slavenwet eene onverantwoordelijke magt--magt over het ligchaam, en magt over de ziel.
Aan welke zijde dan staat Amerika in dien grooten strijd, die thans tusschen zelfregering en despotismus gestreden wordt? Aan welke zijde moet Amerika staan in dien grooten strijd voor de vrijheid van geweten?
Verbieden die despoten in andere rijken hun onderdanen het lezen van den Bijbel? De slaaf in Amerika is daarvan door de krachtdadigste middelen uitgesloten. Zeggen wij: "ja, maar wij lezen den Bijbel voor onze slaven en verkondigen hun het Evangelie mondeling"? Dit is juist wat het kerkelijk despotismus in Italië zegt. Zeggen wij, dat wij er niets tegen hebben, dat onze slaven den Bijbel lezen, indien het daarbij blijft; maar dat te gelijk daarmede een stroom van algemeene kennis zal binnendringen, die de bestaande orde van zaken verbreken zal--welnu, ook dat is juist wat in Italië gezegd wordt.
Zeggen wij, dat wij het wenschelijk zouden achten, dat de slaaf zelf den Bijbel las, maar dat hij, in zijne onkunde, er valsche gevolgtrekkingen en dwaalbegrippen uit putten zou, en dat wij er daarom de voorkeur aan geven hem die waarheden mondeling te verkondigen--ook dit is juist wat het kerkelijke despotismus in Europa zegt.
Zeggen wij in onzen hoogmoed, dat eene despotische regering alles weert wat het volk kan opvoeden en verheffen--bestaat diezelfde vrees dan niet in al de despotische slaven-Staten van Amerika?
Aan welke zijde dan zal Amerika staan in dien grooten en gewigtigen strijd?
DERDE GEDEELTE.
HOOFDSTUK I.
WORDT DE SLAAF DOOR DE OPENBARE MEENING BESCHERMD?
De volstrekte ontoereikendheid van de wet, om den slaaf in eenig opzigt te beschermen, hebben wij in het licht gesteld.
Men zegt evenwel, dat, juist dewijl de wet den slaaf geene bescherming verleent, de openbare meening des te krachtiger in zijn voordeel spreekt.
Bij het doorloopen van de verhandelingen der geregtshoven in de slavenhoudende Staten, treft niets veelvuldiger het oog, dan bewijzen van het verregaande onvermogen der wet, om de onbillijkheid jegens dat rampzalige geslacht te lenigen, gepaard aan lofspraken over dien prijzenswaardigen staat van het gevoel des algemeens, dat die erkende onvolledigheid der wet geheel moet aanvullen.
Te dezen opzigte is het welligt genoegzaam, zoo wij den lezer, hetzij hij wone in het Noorden of in het Zuiden, verzoeken, bij zich-zelven de geregtelijke documenten na te gaan die wij bijgebragt hebben, en zich af te vragen, welk gevolg, met betrekking tot den staat van dat gevoel des algemeens, getrokken moet worden uit de aangevoerde stukken, uit de pleidooijen der regtsgeleerden, de uitspraken der regters, de door getuigen bezworene feiten en den algemeenen loop en geest van de geregtelijke verhandelingen.
Ten einde dit des te beter te kunnen waarderen, willen wij een geding in een vrijen Staat vergelijken met een ander in een slavenhoudenden Staat.
In den vrijen Staat Massachusetts bragt een man van aanzien, geleerdheid en voorname betrekkingen een ander man om het leven. Hij martelde hem niet, maar zond hem met één slag de eeuwigheid in. De moordenaar had elk denkbaar voordeel van stand en vrienden; ja, men kan zeggen, dat hij de sympathie van ons geheele Gemeenebest bezat; en toch, hoe kalm, met welk eene onverstoorbare en ontzagwekkende bedaardheid, werd het geregtelijk onderzoek voortgezet! De moordenaar werd ter dood veroordeeld--ontroering kwam over het Land! Zelfs souvereine Staten traden op als smeekelingen ten zijnen behoeve.
Er verhief zich van Maine tot New-Orleans eene stem om genade. Er werden vertoogen geopperd, bedreigingen geuit; en evenwel, hoe vastberaden, maar zonder hartstogt, vervolgde de wrekende geregtigheid haar weg! Ofschoon de mannen, die de uitvoerders waren van hare bevelen, aangedaan waren en van barmhartigheid bewogen, moesten zij zich toch zwijgend buigen voor haar hoogeren wil. In weêrwil van al wat invloed en rijkdom vermogen, onderging een beschaafd en verstandig man dezelfde straf, welke ieder ander moest treffen, die de heiligheid des levens zou durven aanranden.
Stel hier nu tegenover een regtsgeding in een slavenhoudenden Staat. In Virginia heeft iemand, dien wij Souther zullen noemen, ook een mensch vermoord; doch hij bragt hem niet om het leven door één genadeslag, maar door twaalf uren van eene zoo vreeselijke marteling, dat weinig lezers de loutere beschrijving zouden kunnen verduren. Het was eene wijze van sterven, die, om de woorden te gebruiken, welke Cicero in zijn tijd op de kruisiging toepaste, "voor altijd diende verwijderd te worden uit het gehoor, het gezigt, ja zelfs uit de gedachten van het menschdom." En van dit afgrijselijk tooneel waren twee blanken getuigen geweest!
Let nu wel op de wijze waarop beide gevallen behandeld werden en de mate van aandacht die zij trokken. Hoor de advocaten, in de zaak van Souther, koeltjes bespreken of hier zelfs wel aan eene misdaad te denken viel. Hoor de uitspraak van de regtbank van eersten aanleg, dat het moord is met verzachtende omstandigheden, waarop eene gevangenisstraf van vijf jaren moet toegepast worden. Geef acht, hoe de menschenslagter met de houding van een verongelijkt man voor het hoog geregtshof verschijnt! Het proces wordt in de dagbladen eenvoudig vermeld als dat van "Souther contra de Republiek:" en nu willen wij vragen aan elk verstandig man, in het Noorden of in het Zuiden, welk gevoel het algemeen voor zulk eene zaak aan den dag legt?
Blijkt er het geloof uit, dat een neger een mensch is? Bewijst het niet bepaaldelijk, dat hij niet beschouwd wordt als een mensch? Let eens verder op het afgrijselijke beginsel, hetwelk, in dit geval weder bevestigd, de wet is van Virginia: Met opzigt tot de verhouding tusschen meester en slaaf, en ten einde voor eene behoorlijke ondergeschiktheid van de zijde van dezen laatste te zorgen, is de strekking der wet, den meester te beschermen tegen vervolging in alle zoodanige gevallen, zelfs indien de geeseling en bestraffing kwaadwillig, wreed en overdreven geweest is!
Wanneer de beschaafdste en verstandigste mannen in den Staat, bepaald en bedaard en schijnbaar zonder te bemerken dat zij iets onmenschelijks zeggen, zulk eene verbazingwekkende uitspraak doen, wat moet men dan daarvan denken? Indien zij dit niet als wreedaardig beschouwen, wat is dan wreedaardig? En, indien hun gevoel zoo verstompt is, dat zij in zulk eene uitspraak geene wreedheid zien, welke hoop kan men dan nog koesteren op eenigerhande bescherming voor den slaaf?
Deze wet is eene onbewimpelde en duidelijke vergunning voor zulke ellendelingen als Souther, om den hulpeloozen slaaf elke pijniging te doen ondergaan, die zij goedvinden, zonder blootgesteld te zijn aan eene beschuldiging van misdaad. Zij verklaart hem, en de blanken die van zijne daad getuigen waren en elke andere lage ziel, dat de strekking der wet is, hem te handhaven in de toepassing van zijne kwaadwillige, wreede en overdrevene straffen.
Welke opleiding geven de verstandige en beschaafde mannen van een Staat daardoor aan de lagere en minder beschaafde klasse? Veronderstel, dat in Massachusetts plegtig wordt afgekondigd, met opzigt tot de vrije arbeiders of leerjongens, dat, om de ondergeschiktheid te bevorderen, de wet de strekking heeft om den meester te beschermen wanneer hij straf toepast, hoe kwaadwillig, wreed en overdreven dan ook, mits de dood er maar niet op volge. Wij kunnen ons de openbaarmaking van zulk een beginsel niet voorstellen, zonder een opstand en eene uitbarsting van volkswoede, waarbij die van Bunkers Hill onbeduidend zou schijnen; doch, gesteld, de Staat Massachusetts ware zoo ontzenuwd, dat zulk een besluit kon doorgaan zonder tegenstand van de zijde der arbeidende klasse,--gesteld, het ging door en werd eene tastbare wezenlijkheid, welk een invloed zou het hebben op de volksopvoeding in het Gemeenebest? Welke schatting van de arbeidende klasse zou het aanduiden in de gemoederen van hen, die de wet maken en uitvoeren?
Hoezeer zou eene dergelijke wet, blijkbaar opgesteld om de menschen in hunne wreedheid te stijven, onmiddellijk ruimen teugel geven aan laagheid en woestheid! Bezitten de menschen niet reeds wreedheid genoeg, zonder dat de majesteit der wet noodig zij om haar te bekrachtigen en eervol te maken?
En zoo men ter verdediging van zulk eene wet wilde zeggen: "O! natuurlijk zal nimmer eenig achtenswaardig of menschelijk man er zich van bedienen!" zouden wij dan den ouden Staat Massachusetts niet zeer diep gezonken moeten achten, dat zij in haar wetboek regtstreeksche verzekeringen van bescherming opgenomen had voor daden, die geen man van eer immer zou willen bedrijven?
En wanneer deze stuitende vergunning ter toetse gebragt zal worden voor den regterstoel van Christus, en de ontzaggelijke regter aan hare ontwerpers, uitvoerders en verdedigers zal vragen: "Waar is uw broeder?"--wanneer al de zielen, die van onder het altaar hebben geroepen: "Hoe lang, o Heerscher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet," zich rondom dien regterstoel zullen scharen als eene wolke van getuigen, en het oordeel wordt aangevangen en het boek geopend,--welk antwoord zal dan kunnen gegeven worden voor wetten en uitspraken als deze?
Zal men den grooten Regter te gemoet voeren, dat zij noodig waren om de slavernij in stand te houden,--dat deze anders niet had kunnen gehandhaafd worden?
Zal men, met zulk eene bekentenis op de lippen, die oogen durven ontmoeten, die als vuurvlammen flonkeren?
Zal Hij dan niet, als met eene stemme des donders, antwoorden: "Gij hebt den arme en den nooddruftige omgebragt, en vergeten dat de Heer zijn toeverlaat was"?
De doodzonde der slavernij is, dat zij de menschelijkheid verloochent. Dit is de zonde geweest, die der verdrukking door alle tijden heen aankleefde. Het vertreden, schenden en verbrijzelen van Gods beeld in den persoon der armen en geringen is de groote zonde der menschen geweest sinds de grondlegging der wereld. Tegen deze zonde hebben al de profeten van den ouden tijd zich met krachtige stem verheven. Nog sterker getuigenis werd tegen deze zonde ingebragt, toen God in Jezus Christus de menschelijke natuur aannam en elk menschelijk wezen tot een broeder des Heeren maakte. Doch de laatste en meest verhevene getuigenis zal worden geleverd ten dage als een mensch de geheele aarde zal oordeelen,--een Mensch, die den geringsten slaaf, evenzeer als den fiersten meester, als broeder zal erkennen.
In hoogst merkwaardige en treffende bewoordingen wordt in den Bijbel gemeld, dat de Vader het geheele oordeel heeft opgedragen aan den Zoon, omdat deze de Zoon des Menschen is. Die menschelijke natuur, welke, in den persoon van den armen slaaf, is veracht en verworpen, bespot en verguisd, gegeeseld en gemarteld, zal te dien dage verheerlijkt worden; en het zal de vreeselijkste zonde blijken te zijn, zoo men ligtvaardig heeft gehandeld ten aanzien van het geheiligde karakter der menschheid, gelijk deze slavenwetten en instellingen hebben gedaan; want het geheele stelsel der wetgeving, in zake van slavernij, de praktijk van het slavenhouden, en de denkbeelden, welke zich dienaangaande bij het algemeen vormen,--dit alles berust op de grootste der ketterijen, de verloochening van het begrip dat alle menschen broeders zijn. Een geheel geslacht is uit de rij van het menschdom geworpen, zijne onsterfelijkheid voorbijgezien;--hunne waardigheid als kinderen Gods wordt bespot, hunne betrekking als broeders van Christus voor eene fabel gehouden; wet en openbare meening en praktijk ten hunnen aanzien zijn zoodanig, dat men het alleen zou kunnen begrijpen indien zij een ras van redelooze dieren waren.
En juist omdat de neger beschouwd wordt als een redeloos dier en geener betere behandeling waardig, houdt men de gedragslijn, die ten zijnen opzigte gevolgd wordt en de behandeling, die hem ten deel valt, voor menschelijk.
Neem eene klasse van blanken, hoe onbeschaafd ook, plaats hen onder hetzelfde stelsel van wetten en maak hun civielen toestand in alles gelijk aan dien van den neger: zou dit niet als het toppunt van de onverantwoordelijkste wreedheid beschouwd worden?