De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 31
Wat de slavernij betreft, die de Israëliet zich vrijwillig oplegde door zich te verkoopen, deze eindigde, krachtens de wet, na zeven jaren; zoo dat de ergste beteekenis die er aan te geven is, deze is, dat het eene verbindtenis was om gedurende een zekeren tijd te arbeiden.
De dienstbaren van de heidenen gekocht, of de vreemdelingen in het land, werden, volgens eene bepaling der wet, na vijftig jaar ontslagen.
Door het uit zijn verband rukken van eenige voorschriften uit de Mozaïsche wet, heeft men wel eens afgeleid, dat God bepaaldelijk beval den slaaf die vreemdeling was, met meer gestrengheid dan den Israëlitischen te behandelen. Dat dit niet zoo was blijkt uit de volgende teksten, die uitsluitend betrekking hebben op vreemdelingen.
De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem lief hebben als u-zelven: want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland: Ik ben de Heer uw God! (Lev. XIX, 39.)
Gij zult ook den vreemdeling geenen overlast aandoen, noch hem onderdrukken: want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland. (Exod. XXII, 21.)
Gij zult ook den vreemdeling niet onderdrukken: want gij kent het gemoed des vreemdelings, dewijl gij vreemdelingen geweest zijt in Egypteland, (Exod. XXIII, 9.)
Want de Heer, uw God, is een God der Goden, en een Heer der Heeren; die groote, die magtige, en die vreeselijke God, die geen aangezigt aanneemt, noch geschenk ontvangt;--die het regt van den wees en van de weduwe doet, en den vreemdeling lief heeft, dat Hij hem brood en kleeding geve.--Daarom zult gijlieden den vreemdeling lief hebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland. (Deut. XI, 17-19.)
En ik gebood uwe regters te zelfder tijd, zeggende: hoort de verschillen tusschen uwe broederen, en rigt regt tusschen den man en tusschen zijnen broeder, en tusschen deszelfs vreemdeling. (Deut. I: 16.)
Vervloekt zij, die het regt van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt! en al het volk zal zeggen: Amen. (Deut. XXVII, 19.)
In plaats van de slavernij ten aanzien van den vreemdeling tot een stelsel van verdrukking te maken, deed God het een stelsel zijn, waardoor de Heidenen opgenomen werden in den Joodschen staat, opgevoed en onderwezen in de dienst van den waren God en ter geschikter ure vrijgelaten.
In de eerste plaats werden zij door de wet beschermd tegen persoonlijk geweld. Het verlies van een oog of een tand, door geweld van den meester, stelde den slaaf geheel buiten zijne magt en gaf hem zijne vrijheid weder. Voorts, wanneer het gedrag van den meester zoodanig was, dat dit hem tot de vlugt aanzette, mogt niemand den meester bijstaan om hem weder in diens magt te brengen, en mogt hij wonen in dat gedeelte van het land waar hij wilde, zonder dat hij eenigen overlast behoefde te vreezen. Ten derde verzekerde de wet aan den slaaf veel tijd, dien hij naar eigen goedvinden kon doorbrengen. Elk zevende jaar stond ter zijner beschikking. Lev. XXV, 4. Ook elke zevende dag was hem gelaten. Exod. XX, 10.
De dienstbare had het voorregt de drie groote nationale feesten mede te vieren, wanneer alle mannen onder het volk te Jeruzalem voor God moesten verschijnen. Exod. XXXIV, 23. Met elk dezer feesten berekent men, dat drie weken heengingen.
De slaaf was ook gast bij de familiefeesten. In Deut. XII, 12 wordt gezegd: "En gij zult vrolijk zijn voor het aangezigt des Heeren, uws Gods, gijlieden, en uwe zonen, en uwe dochteren, en uwe dienstknechten, en uwe dienstmaagden, en de Leviet, die in uwe poorte is; want hij heeft geen deel noch erve met ulieden."--
D. Barnes schat den gezamenlijken tijd, dien een slaaf voor zich-zelven had, op omstreeks drie-en-twintig jaren van de vijftig, of ongeveer op de helft van den tijd zijner dienstbaarheid.
Nog had de slaaf volkomen gelijke regten met zijn meester, ten aanzien zijner godsdienstpligten.
Wanneer wij nu in aanmerking nemen, dat in den tijd van Mozes God en de koning van het volk één en dezelfde persoon waren, en dat de burger- en godsdienstpligten één en dezelfde waren, volgt daaruit, dat de slaaf en zijn meester op gelijk standpunt stonden, met betrekking tot hunne pligten jegens den Staat.
Zoo wordt ons in Deut. XXIX een plegtig volksfeest beschreven, dat voor den dood van Mozes plaats had, toen het gansche volk werd bijeen geroepen, om, na een plegtig overzigt hunner nationale geschiedenis, den eed van getrouwheid te hernieuwen aan hunne hoogste overheid en God.
Bij die gelegenheid spreekt Mozes hun aldus toe:
"Gij staat heden allen voor het aangezigt des Heeren, uws Gods: de Hoofden uwer stammen, uwe Oudsten en uwe Ambtslieden, alle mannen van Israël! uwe kinderkens, uwe vrouwen en uw vreemdeling, die in het midden van uw leger is, van uwen houthouwer tot uwen waterputter toe; om over te gaan in het verbond des Heeren, uws Gods, en in zijnen vloek, hetwelk de Heer, uw God, heden met u maakt."
Hoe verschillend is dit van de onverschillige en koelbloedige verklaring omtrent den toestand der slaven in Amerika; bijzonder in Zuid-Carolina! "Een slaaf wordt in den regel, volgens de wet, niet geacht iets te maken te hebben met de rust van den Staat. Hij is geen burger en heeft als zoodanig geen aanspraak op de bescherming van den Staat."
Ten aanzien van al de godsdienstpligten, die, zoo als wij uit de Staatsregeling van de Israëlieten gezien hebben, burgerpligten waren, stonden de slaaf en de meester gelijk. Er bestond geen dier onderscheidingen, die eene bijzondere klasse of kaste kenschetsten. Er bestonden geene bijzondere werkzaamheden voor hen; er waren voor hen geene bijzondere zitplaatsen, om het besef bij hen levendig te houden, dat zij tot eene lagere klasse behoorden. Evenmin werd hun het onderwijs, dat God gegeven had, ten opzigte der gelijke regten van den mensch, onthouden.
Ten vijfde. Het werd, bijna buiten twijfel, aangenomen, dat de slaaf de Joodsche godsdienst en de dienst van Jehova zou aannemen en gewillig al de verpligtingen vervullen, die aan de Israëlieten waren opgelegd.
Mr. Barnes haalt de woorden van Maimonides aan, om te doen zien hoe dit gewoonlijk onder de Israëlieten begrepen werd. In de "Nasporing naar de slavernij volgens den Bijbel," lezen wij:
Het zij een slaaf geboren was in de magt van een Israëliet, of dat hij gekocht was van de Heidenen, de meester moest hem, in ieder geval, in het verbond doen opnemen.
Maar die in huis geboren was, moest er den achtsten dag heengebragt worden, en hij, dien hij voor geld gekocht had, den dag dat hij hem ontving, ten zij de slaaf weigerde. "Want indien de meester een verharden slaaf ontving, die onwillig was, moest de meester hem trachten te overtuigen en te winnen door onderwijs en door eene zachte behandeling gedurende een jaar. Wanneer hij dan nog weigerde, mogt de meester hem niet langer houden. Dan zou de meester hem terugzenden naar de vreemdelingen van wie hij gekomen was; want de God van Jakob kon slechts gediend worden door een gewillig harte." Maimon, Hilcoth Miloth.
Eene zesde voorname bepaling ten opzigte van den Israëlitischen slaaf was, dat hij nimmer kon verkocht worden. Hieromtrent merkt Barnes aan:
Een Israëliet mogt, onder zekere omstandigheden, een man koopen, maar was hij eenmaal gekocht, dan was de zaak ten einde. Er bestaat niet het geringste bewijs dat de Israëliet ooit een slaaf verkocht; en eenige bepaling te dien aanzien was in de staatsregeling van het Joodsche volk niet te vinden. Van Abraham wordt verhaald dat hij "dienstknechten voor geld gekocht had;" maar nergens staat dat hij er een verkocht heeft, en nergens wordt ook vermeld, dat dit door Izaäk of Jakob gedaan werd. Het eenige voorbeeld van eene verkooping van dien aard in de geschiedenis der aartsvaders, levert de daad van Jozefs broeders, die hem aan de Ismaëlieten verkochten, maar die daad wordt dan ook zeer streng gelaakt. In de wetten van Mozes wordt verlof gegeven tot het koopen van slaven, maar niet tot het weder verkoopen; en de omstandigheid dat dat verlof nooit gegeven is, bewijst genoeg dat het niet in aanmerking kwam. Wanneer iemand slaaf werd, kon hij niet van meester veranderen dan vrijwillig (Exod. XXI : 5, 6), of wanneer de meester hem zijne vrijheid gaf en hij zich weder dienstbaar maakte tot den tijd, dat hij, krachtens de wet vrij zou zijn. Geene bepaling in de Mozaïsche wet zegt, dat met slaven de schulden van een meester konden betaald worden; noch dat zij in gijzeling konden worden gegeven; noch dat zij konden worden overgedaan aan anderen, noch dat zij als geschenken konden worden weggegeven. De gansche geschiedenis der Joden levert hiervan ook geen enkel voorbeeld. Hunne wet was zeer stellig met betrekking tot den Joodschen slaaf, en het beginsel der wet was op alle andere slaven toepasselijk, Lev. XXV : 42. "Zij zullen niet als dienstbaren worden verkocht." In al deze opzigten was er een zeer groot verschil--en dat verschil was ook ongetwijfeld bedoeld--tusschen de bepalingen omtrent den eigendom en die omtrent de dienstbaren.
Wat de werking van het stelsel aangaat, zoo als die zich voordoet in de gebeurtenissen, welke de gewijde geschiedenis beschrijft, zij is juist zoo als wij haar van zulk een slavenstelsel zouden verwachten. Zoo vinden wij bij voorbeeld in het negende hoofdstuk van het eerste boek Samuël, dat, toen Saul en zijn dienstknecht Samuël bezochten, deze, omdat hij wist, dat Saul eenmaal gezalfd Koning zou worden, een groot feest voor hem aanlegde. In vers 22 wordt gezegd: "Samuël dan nam Saul en zijnen jongen, en hij bragt ze in de kamer; en hij gaf hun plaats aan het opperste der genoodigden."
Wij lezen ook in II Samuël IX : 10, van een dienstknecht van Saul, die vele bezittingen had, en twee-en-twintig dienstknechten van zich-zelven.
Wij vinden in I Kronijken II : 34, het volgende voorval vermeld:
"En Sesan had geene zonen, maar dochteren. En Sesan had eenen Egyptischen knecht, wiens naam was Jarha. Sesan nu gaf zijne dochter aan zijnen knecht Jarha tot eene vrouw;"
Gelijkt dit naar de Amerikaansche slavernij?
Wij vinden bovendien, dat die verbindtenis volstrekt niet als vernederend werd beschouwd, want de zoon dierzelfde dochter werd opgenomen onder de dapperste mannen van Davids leger.
Kortom, het verwondert ons niet te bespeuren, dat de instelling van Mozes al de grondvesten der slavernij zoodanig ondermijnt, dat zij lang voor de geboorte van Christus opgehouden had onder de Israëlieten te bestaan. Barnes vraagt dan ook:
Welk feit zou men kunnen aanhalen om te bewijzen, dat er eenige zweem van slavernij bestond in dat land, ten tijde der Maccabeërs of bij de komst van Jezus? Er zijn tallooze bewijzen, zoo als wij weten, dat zij in Griekenland en Rome bestond; maar, waar is het bewijs, dat zij in Judea heerschte? Voor zoo ver ik in staat ben dit te weten, is nooit beweerd, dat zij te vinden zou zijn in de kanonieke boeken van het Oude Verbond of in Josephus. Nergens wordt gezinspeeld op wetten of gebruiken, die haar doen veronderstellen; er zijn geene feiten, die niet gemakkelijk kunnen worden uitgelegd in de veronderstelling, dat de slavernij had opgehouden te bestaan.
Twee tegenwerpingen zijn er ingebragt tegen de uitlegging van twee der bepalingen hier aangehaald.
Io. zegt men, dat de bepaling: "Gij zult aan zijn meester den slaaf die ontsnapt is niet teruggeven," enz., alleen betrekking heeft op slaven, die van Heidensche meesters naar het Joodsche volk vlugtten.
De volgende opmerkingen hieromtrent zijn getrokken uit het werk van professor Stowe:
Deut. XXIII: 15, 16. Deze woorden stellen een voorschrift daar, dat, als elk ander, streng moet worden toegepast. De bewoordingen geven geen regt om de beteekenis er van te beperken; ook het verband, waarin het voorkomt, geeft daartoe geene aanleiding; evenmin is er iets in de geschiedenis der Mozaïsche wetgeving, dat de toepassing van dit voorschrift zou beperken tot slaven, die aan vreemde meesters ontvlugtten. Die veronderstelling is geheel willekeurig en, zoo ver den Bijbel betreft, zonder het minste bewijs. Men heeft gezegd, dat het dwaas zou zijn van Mozes om zulk eene wet uit te vaardigen, wanneer de slavernij bij de Israëlieten bestond. Het zou zeker dwaas geweest zijn, wanneer het oogmerk der Mozaïsche wetgeving geweest ware de slavernij in stand te houden en van blijvenden duur te maken; maar, wanneer het oogmerk van Mozes was, de slavernij te beperken, aan banden te leggen en eindelijk te doen ophouden, dan beantwoordde die wet waarlijk allezins aan dat oogmerk. Elke slaaf moest de godsdienstige regten en het onderwijs genieten, waarop de kinderen van zijn meester aanspraak hadden. Elk zevende jaar stelde den Israëlitischen slaaf in vrijheid, en elk vijftigste jaar bragt eene algemeene vrijmaking met zich. Indien de meester, door een toevalligen of kwaadaardigen slag, zijn slaaf een oog of een tand ontnam, was deze door die daad vrij. En volgens die wet mogt ook de slaaf, wanneer hij verdrukt werd, ontsnappen, en, ofschoon het den eigenaar niet verboden was zich, wanneer hij kon, weder meester van hem te maken, was het toch aan ieder ander verboden hem daarin behulpzaam te zijn. Die wet maakte daadwerkelijk de slavernij vrijwillig, en dit beoogde Mozes ook.
Mozes regelde de slavernij zoo als hij de veelwijverij en den oorlog regelde; zonder ze uitdrukkelijk te verbieden, beperkte hij ze zoodanig, dat zij verdween; in plaats van den vergiftigen boom om te hakken, stak hij de wortels af en liet hem uit zich-zelven sterven. Er bestaat een voorschrift ten opzigte van krijgsondernemingen, die geheel en al in overeenstemming is met die wet omtrent gevlugte slaven. Ware het Mozes doel geweest een oorlogzuchtigen geest onder de Israëlieten te onderhouden, dan zoude wet voorbeeldeloos dwaas zijn geweest; maar hij wilde dien geest fnuiken, en de oorlogen met vreemde volken bijna onmogelijk maken. Daartoe was de wet inzonderheid geschikt. De krijgsdienst werd daadwerkelijk geheel vrijwillig gemaakt, even als de wet op de vlugtelingen de huisdienstbaarheid daadwerkelijk vrijwillig maakte.
Die uitvoerige wet wordt gevonden in Deut. XX: 5-8. Wanneer men haar naauwlettend leest, zal die overeenkomst met de wet op de vlugtelingen terstond in het oog vallen. Juist wanneer het volk gereed stond om slag te leveren,--juist op het oogenblik, dat de moed, van braven zelfs, min of meer wankelt,--waren de legerhoofden verpligt aldus hunne soldaten aan te spreken:
Deut. XX: 5-8. "Dan zullen de Ambtslieden tot het volk spreken, zeggende: wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? die ga henen en keere weder naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in den strijd en iemand anders dat inwijde.
En wie is de man, die eenen wijngaard geplant heeft, en deszelfs vrucht niet heeft genoten? die ga henen en keere weder naar zijn huis; opdat hij niet misschien in den strijd sterve en iemand anders dien geniete.
En wie is de man, die eene vrouw ondertrouwd heeft, en haar niet tot zich heeft genomen? die ga henen en keere weder naar zijn huis; opdat hij niet misschien in den strijd sterve, en een ander man haar neme.
Daarna zullen de Ambtslieden voortvaren te spreken tot het volk, en zeggen: wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? die ga henen en keere weder naar zijn huis; opdat het hart zijner broederen niet smelte, gelijk zijn hart."
Nemen wij nu in aanmerking, dat de Israëlieten bij uitsluiting een landbouwend volk waren, dat krijgszuchtige partijen voornamelijk bestaan uit jonge menschen, en dat door die wet ieder, die een huis gebouwd had, dat hij nog niet had bewoond, of een wijngaard geplant had, waarvan hij nog geene vruchten genoten had, of eene vrouw had ondertrouwd, die hij nog niet tot zich had genomen, en ieder die vreesachtig en week van harte was, naar huis mogt en moest gaan,--hoe velen zullen er dan waarschijnlijk nog zijn gebleven? En wanneer nu aan de legerhoofden, in plaats van hun krijgsmansvuur op te wekken, door het voorspiegelen van eer en roem, bevolen werd nog eens en nog eens te herhalen, dat zij waarschijnlijk zouden sneuvelen in den strijd en nimmer huiswaarts keeren, en hun het vóór te houden, als of dit hun eenig doel ware--moet men dan de geheele wet, als krijgswet, beschouwd, niet belagchelijk achten--even belagchelijk als de bepalingen omtrent weggeloopen slaven, in haar verste gevolgtrekkingen toegepast, als slavenwet beschouwd, belagchelijk zijn?
Het is blijkbaar het doel dier krijgswet om een eind aan alle oorlogen te maken; want, onder de heerschappij van zulk eene wet, moesten alle oorlogsbenden uit vrijwilligers bestaan. Even duidelijk is het dat de slavenwet strekte om de gedwongen dienstbaarheid te doen eindigen; want, onder de heerschappij van die wet, moest de slavernij, in zeer uitgebreiden zin, vrijwillig zijn--en dit was het juist wat de Wetgever beoogde. Het is niet mogelijk dat men, om die verkeerde werking anders uit te leggen, aan de wet eene meer beperkte beteekenis geeft, zonder te gelijk aan te nemen dat het doel der Mozaïsche wetgeving was de slavernij te doen voortduren, niet haar te beperken; en dit kan zeker niet bewezen worden; want het tegendeel blijkt uit iedere letter.
Ik herhaal het dus nogmaals, noch uit de bewoordingen der wet, noch uit het verband waarin zij voorkomt, noch in de geschiedenis der Mozaïsche wetgeving op dit punt, is er iets dat de toepassing er van zou kunnen beperken tot slaven, die van Heidensche meesters zijn weggeloopen; maar elke overweging, elke wettige bron, leidt ons tot een lijnregt tegenovergesteld besluit. Zulk eene beperking is de willekeurige, ongegronde stet-voluntas-pro-ratione-veronderstelling van den uitlegger en niets anders. De eenige zweem slechts voor eenig argument, dien ik inzie, om die wet te beperken, ligt in het gebruik van het woord tot u in het vijftiende vers. Men kan beweren, dat het voornaamwoord u gebruikt is in een nationalen, niet in een individuelen zin, en doelt op het ontvlugten van een ander volk naar de Israëlieten. Maar men zie het voorschrift, dat onmiddellijk voorafgaat, en ga de beteekenis na van het voornaamwoord u in het dertiende vers. Zeer blijkbaar hebben de voornaamwoorden in deze voorschriften uitsluitend betrekking op personen en moeten zij niet in collectieven of nationalen zin opgevat worden; zeer zelden, zoo ooit, kan hun die beteekenis gegeven worden, die volgens het argument verlangd wordt.
IIo. Men heeft gezegd dat het bevel: "gij zult de vrijheid verkondigen door het geheele land aan al zijne inwoners," alleen betrekking had op Joodsche slaven. Die veronderstelling is geheel gegrond op de meening, dat de slaaf, volgens de Joodsche wet, niet beschouwd werd als persoon, als een inwoner van het land en een burger van den Staat; maar wij hebben juist bewezen, dat tot het heiligste verbond de houthakker en waterdrager bepaaldelijk werden aangeduid, als even goed te zullen ingaan als de meester; en het zou dwaas zijn te veronderstellen, dat deze in eene wet die gerigt is tot alle inwoners van het land, niet onder die inwoners begrepen werden.
Barnes staaft nog die meening door eenige bladzijden met aanhalingen uit Joodsche schrijvers, die allezins den lezer van zijn werk overtuigen zullen.
Uit een overzigt dus van al wat de Israëlitische slavenwet betreft, blijkt dat de slavernij daar was een wijs en wel doordacht stelsel van opvoeding en trapsgewijze vrijmaking. Geen redelijk mensch kan er aan twijfelen of, wanneer dezelfde bepalingen van kracht werden verklaard op de slavernij in Noord-Amerika, de Amerikaansche slavernij weldra in ieder opzigt daadwerkelijk afgeschaft zou kunnen beschouwd worden. Indien hieromtrent eenige twijfel bestaat--en nog gelooft men dat de slavernij bij de Israëlieten de slavernij in Amerika wettigt--welnu, men neme de proef om het Amerikaansche stelsel aan het Israëlitische gelijk te maken, en dan zullen wij zien wat er het gevolg van is.
HOOFDSTUK XV.
SLAVERNIJ IS DESPOTISMUS.
Het is altijd van het hoogste belang, bij de beschouwing eener zaak, juist voor oogen te hebben wat zij is.
Het eenige middel om juist te weten, wat deze of gene burgerlijke instelling is, bestaat in het onderzoek van de wetten, waardoor zij geregeld wordt. In verschillende tijden en bij verschillende volken, werden verschillende instellingen met den naam van slavernij bestempeld. De dienstbaarheid onder de aartsvaders was iets anders dan de dienstbaarheid bij de Israëlieten, en deze weder iets anders dan de dienstbaarheid bij de Grieken en Romeinen; al deze instellingen verschillen zeer veel van elkander. En wat is nu de Amerikaansche slavernij, zoo als wij die leeren kennen uit de wet en uit de regtspleging?
Laat ons beginnen met te zeggen wat zij niet is:
1. Zijn de slaven niet wat de arbeidende klasse is. 2. Is zij geene voogdij. 3. Is het in geenen deele een stelsel van opvoeding van een zwakker geslacht door een sterker. 4. Is het geluk van den slaaf in geen opzigt haar doel. 5. Is evenmin de tijdelijke welvaart of het eeuwig geluk van den slaaf hare strekking.
Haar doel wordt zeer bepaaldelijk aangegeven in een vonnis van den regter Ruffin. "Het doel is het voordeel van den meester, zijne zekerheid en de publieke veiligheid."
Slavernij, dus, is onbeperkt despotisme, in den ruimsten vorm.
Het zou echter eene onregtvaardigheid zijn jegens het despotismus in een beschaafden Staat, wanneer wij daarmede de Amerikaansche slavernij vergeleken. De absolute regeringen in Europa beweren geen van allen gegrondvest te zijn op het eigendomsregt van den heerscher over de personen en vermogens van den beheerschte.
Dit is een vorm van het despotismus, zoo als slechts in de meest barbaarsche streken der wereld bestaat, zoo als, bij voorbeeld, in Dahomey.
Het absolutismus of despotismus in Europa erkent tot zekere hoogte het geluk en de welvaart van den onderdaan, als den grondslag van het gouvernement; en de wetgever wordt geacht zijne magt te bezitten tot bevordering van het volksgeluk; zijn regt als wetgever wordt verondersteld eenigzins voort te spruiten uit het denkbeeld, dat hij beter het geluk van het volk begrijpt, dan het volk zelf. Geene regering in de beschaafde wereld omhelst meer dat zuiver despotische beginsel, dat bestond in de dagen der Persische en Assyrische heerschappij.
De argumenten, die de slavernij verdedigen, moeten in hoofdzaak dezelfde zijn als die, welke het despotismus van een anderen aard verdedigen; en de bezwaren, die er zijn tegen in te brengen, zijn ook juist van dezelfde soort als die, welke tegen het despotismus van anderen aard zijn aan te voeren. De gewoonten en daden waarvan zij oorzaak zijn, komen eveneens geheel overeen met die, waartoe despotismus ten allen tijde aanleiding heeft gegeven.
Wordt de slaaf van misdaad verdacht, zijn meester heeft het regt om zijne schuld te onderzoeken door pijniging (zie de Staat tegen Castleman). Zijn meester heeft, door de daad, meestal magt over leven en dood, ten gevolge der uitsluiting van het getuigenis van een slaaf. Hij heeft de magt den slaaf, ten allen tijde, te verbannen, zonder daarvoor aan iemand rekenschap te zijn verschuldigd, naar eene plaats, nog verschrikkelijker dan Siberië, en hem te veroordeelen tot een arbeid, zwaarder dan op de galeijen. Hij heeft ook eene onbeperkte magt over de eer van zijn slaaf; hij kan hem beschuldigen van elke misdaad, en toch hem alle onderzoek of verhoor onthouden, en eindelijk hem verkoopen, terwijl zijne eer door eene lasterlijke aantijging, die hij niet van zich heeft kunnen werpen, bezoedeld is.