De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 30
Onafhankelijk van de beginselen in vroegere regtspraken gelegd, verbieden onze wetten den slaaf eenige soort van eigendom te bezitten; en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was dat aan die bepaling de ruimste uitgebreidheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden geschonken, als: varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulke eigendommen niet, omdat zij gevaarlijk of schadelijk zijn, maar omdat zij het onstaatkundig oordeelt dat slaven eenig eigendom, van welken aard ook, zullen bezitten.
Wij hebben reeds gezegd, dat het verlof van den meester aan den slaaf om zich te verhuren, door de wet beschouwd werd als eene misdaad van den laatste; want de slaaf staat aan de straf bloot, niet de meester. Dit blijkt uit den inhoud van eenige der bepalingen hierboven medegedeeld of aangestipt. De volgende uitspraken van geregtshoven in Noord-Carolina zeggen dit ook uitdrukkelijk.
139. Een vonnis, waarbij eene zekere negerin veroordeeld werd, die zich verhuurde, in strijd met de bepaling der wet, enz., is vernietigd, omdat niet in het oog was gehouden, dat haar meester haar veroorloofd had uit te gaan, hetgeen een groot deel van het misdrijf uitmaakt.
140. Volgens het eerste artikel der een-en-dertigste afdeeling van Hoofdstuk V der Herziene Wetten, waarbij den meesters verboden wordt slaven te huren, kan de meester niet vervolgd worden; hem wordt slechts eene boete van veertig dollars opgelegd. Ook volgens het tweede artikel kan hij niet worden vervolgd; daar regtsingang verleend wordt tegen den slaaf, niet tegen den meester.
142. Om het misdrijf daar te stellen, in afdeeling 32 (Herziene Wetten CCXI, § 32) genoemd, is het geen vereischte dat de slaaf zijn tijd werkelijk verhuurt; het is genoeg, dat de meester hem veroorloofd heeft te arbeiden als een vrijgeborene.
Dit is waarlijk wel het beginsel tot in zijne grootste uitgebreidheid en verste gevolgtrekkingen gehandhaafd, dat de meester niet misdoen kan. Maar het is in volkomen overeenstemming, zoowel met de letter als met den geest en met de gansche strekking der slavenwet, die in alles de magt van den meester op den voorgrond stelt en in alles den slaaf verdrukt.
Ten vierde. Belemmerende bepalingen bestaan er bijna in alle Staten tegen de vrijmaking van slaven.
In vier Staten--Zuid-Carolina, Georgia, Alabama en Mississippi--kan de vrijlating niet plaats hebben dan bij een speciaal besluit der wetgeving van den Staat.
In Georgia wordt het misdrijf, bestaande in het vrijlaten van een slaaf of van slaven op andere wijze en in anderen vorm dan voorgeschreven is, strafbaar verklaard, volgens de wet van 1801, met eene boete van twee honderd dollars, bij vonnis op te leggen; terwijl de slaven in ieder opzigt en beteekenis even goed in den toestand van slaven blijven als zij waren vóór zij werden vrijgelaten.
Voor hen, die gelooven aan maatschappelijken vooruitgang is het niet van belang ontbloot te weten, dat eene wijziging in die wet van 1801 is gebragt door de Wetgevende Magt van Georgia. In 1818 werd eene nieuwe wet uitgevaardigd, die zoo als men zien zal, allezins de misbruiken voorkomt, waartoe de oude aanleiding gaf. Daarin werd bepaald, met een oneindigen omhaal van omschrijvingen en gelijkluidende termen, als om den toegang ten eenemale af te sluiten tegen alle mogelijke verkeerde uitleggingen, dat "elke uiterste wil, testament of acte van erflating, zonder uitzondering, hoe ook ingerigt, overeenkomst, contract, voorwaarde of welke andere acte ook geschreven of mondeling medegedeeld, die gemaakt is en strekt tot het in vrijheid-stellen van eenigen slaaf of slaven, of tot pogingen om in vrijheid te stellen, middellijk .... of onmiddellijk, of zooveel mogelijk, zal verklaard worden, te zijn van nul en geener waarde. En de schuldige, die dit vergrijp tegen de rust van den Staat, in zulk eene acte vervat, pleegt enz., en elk en een iegelijk, die daarbij betrokken is en haar ten uitvoer legt of wil leggen, op eenige wijze of door eenig middel wat ook, zullen onverbiddelijk gestraft worden met eene boete, niet hooger dan duizend dollars."
Het zou ook eene groote onregelmatigheid in eene slavenwet zijn, en strijdig met "de groote grondbeginsels" van slavenhoudende Staten, wanneer de negers, die niet de vreeze Gods voor oogen hadden maar aangezet en verleid waren door de inspraken des duivels [15], zich schuldig maakten aan de misdaad, dat zij zich lieten vrijmaken, ongestraft bleven; dienovereenkomstig bepaalt de wet dan ook zeer juist en billijk, dat "elke slaaf of alle slaven ten wiens of wier behoeve zulk een uiterste wil of testament enz. gemaakt is, in hechtenis zal of zullen genomen worden, en wanneer zijne of hunne schuld bewezen is, in het openbaar als slaaf of slaven zal of zullen worden verkocht; de opbrengst van zulke slaven zal strekken," enz.
De regter Stroud geeft de volgende mededeeling van de wet in Mississippi.
De vrijmaking moet geschieden bij eene geschrevene acte, een laatsten wil of testament, enz., bezegeld en onderteekend door ten minste twee geloofwaardige getuigen, of ter kennis gebragt van de regtbank in de County of het district waar de vrijlater woont. Aan de Algemeene Vergadering (General Assembly) moet het voldoende bewijs geleverd worden, dat de slaaf eenige verdienstelijke daad heeft verrigt ten voordeele van zijn meester, of zich in eenig opzigt jegens den Staat verdienstelijk heeft gemaakt; al hetgeen slechts tot het voorloopig onderzoek behoort, en niet van waarde is voor dat een speciaal besluit van de Vergadering de vrijlating bekrachtigd heeft; waarbij in aanmerking moet worden genomen, zoo als reeds bepaald is, de regten der schuldeischers, en het verpligte derde voor de weduwe.
Hetzelfde voorloopig onderzoek naar verdienstelijke daden, die beoordeeld en erkend moeten worden door de County-regtbank, wordt vereischt volgens eene wet der Algemeene Vergadering van Noord-Carolina; en alle slaven die in vrijheid zijn gesteld in strijd met de bepalingen dier wet, worden in de gevangenis van den Staat opgenomen, om later aan den meestbiedende te worden verkocht.
Maar de wet van Noord-Carolina stelt ook de deur open voor een berouwvollen terugkeer, zelfs nadat de misdaad bewezen is: daarom
wordt den Sheriff gelast, vijf dagen vóór de verkooping van den vrijgelaten neger, schriftelijk berigt daarvan te geven aan den persoon die vrijgelaten had,
en, in de hoop, dat zulk een persoon door de knaging van zijn geweten en het besef zijner schuld jegens God en de menschen, tot inkeer zal zijn gebragt,
mag zulk een persoon, wanneer hij dit wil, zijne aanspraak op den vrijgelaten neger doen gelden; bij gebreke daarvan, heeft de verkoop door den Sheriff plaats, en een vijfde gedeelte der netto-opbrengst wordt ter hand gesteld aan hem, die de aanklagt gedaan heeft, en vier vijfden gestort in de Staatskas.
Wij moeten hier bijvoegen, dat wij slechts de wetten van die Staten, wier wetgeving in dit opzigt het strengst is, als voorbeeld hebben aangehaald. De wetten van Virginia, Maryland, Missouri, Kentucky en Louisiana zijn veel minder belemmerend.
Een treffend voorbeeld, hoe onverbiddelijk de wet is tegenover de edele voornemens van den een of anderen slavenhouder, zien wij onder de regtspraken van den Staat Mississippi. De New-York Evening Post, onder redactie van Mr. William Bryant, deelt de zaak zelve aldus bekort mede. De omstandigheden, die daarbij voorkomen, vormen reeds op zich zelf een roman.
Een zekere Elisha Brazealle, planter in Jefferson County in Mississippi, werd door eene zware ziekte aangetast. Gedurende zijne ziekte werd hij met de meeste zorg opgepast door eene mulattin, zijne slavin, aan wier onverpoosde zorg hij gevoelde zijn leven te danken te hebben. Hij was zoo zeer getroffen door hare opofferingen, dat hij ze kort na zijn herstel naar Ohio zond en haar eene goede opvoeding geven liet. Zij was bevattelijk en maakte zulke snelle vorderingen, dat hij, na een tweede bezoek, besloot haar te huwen. Hij liet de acte opmaken, waarbij hij haar in vrijheid stelde, liet die registreren, zoowel in Ohio als in Mississippi, en huwde haar.
Brazealle keerde met haar naar Mississippi terug, en na verloop van tijd schonk zij hem een zoon. Slechts korten tijd daarna werd hij ziek en stierf. Hij liet een testament na, waarin hij, na de acte van vrijmaking vermeld te hebben, zijn voornemen te kennen gaf, om de verdere stappen voor die vrijmaking vereischt te doen, en schonk al zijne bezittingen aan zijn zoon, dien hij bij zijn testament in vrijheid stelde.
Eenige arme verre bloedverwanten in Noord-Carolina, die hij niet kende, en om wie hij zich niet bekommerd had, kwamen, bij het vernemen van zijn dood, naar Mississippi en eischten in het bezit te worden gesteld van zijne nalatenschap. Er werd eene vordering ingesteld, en de zaak kwam voor den regter Sharkey, onzen nieuwen consul te Havanna. Hij sprak daarin regt, en verklaarde in zijne uitspraak de acte van vrijmaking een vergrijp tegen de zamenleving en een verderfelijk en laakbaar voorbeeld. Hij verklaarde het testament van onwaarde; wees de nalatenschap van Brazealle aan de verre bloedverwanten toe, veroordeelde Brazealles zoon en zijne vrouw, de moeder van dien zoon, weder tot slavernij en maakte hen, als een deel der nalatenschap van den overledene, tot slaven van de bloedverwanten uit Noord-Carolina.
De opperregter Sharkey verklaarde, na blootlegging der feiten, dat de waarde der acte van vrijmaking het eenige punt ter beslissing was. Hoewel, zeide hij, volgens de beginselen van regt, verbindtenissen geldig zijn, wanneer zij zijn aangegaan, overeenkomstig de wetten van het land, waar zij gesloten werden, behoeven die beginselen niet gevolgd te worden, wanneer zij tot gevolgtrekkingen leiden in strijd met de groote grondbeginselen van staatsregt. Wat die groote grondbeginselen van staatsregt in Mississippi zijn, zal men kunnen zien uit den inhoud der uitspraak, die wij hier in haar geheel laten volgen.
Passen wij die beginselen toe op de acte van vrijmaking. Wanneer men daaraan waarde toekende, zou men in de eerste plaats handelen in strijd met de erkende staatkunde en de stellige wet van den Staat schenden.
De beginselen van een Staat blijken uit de wetgeving omtrent een zeker onderwerp, en wij vinden, dat vrije negers schadelijk geoordeeld worden, omdat het hun niet veroorloofd is, zich te begeven naar of te blijven in den Staat. Slechts weinige regten zijn hun toegestaan, en hunne misdrijven zijn aan strenge straffen onderworpen. Zij moeten den Staat binnen dertig dagen, nadat zij daarvan kennis hebben gekregen, verlaten, en in dien tusschentijd borgstellen voor een goed gedrag: en diegenen van hen, die de wet veroorlooft te blijven, moeten de bewijzen daarvan bij zich dragen, of worden in hechtenis genomen. Men zou dus eene stellige wet door de wetgeving uitgevaardigd, bepaaldelijk met het doel de bestaande staatkundige beginselen te handhaven en de vrijmaking tegen te gaan, schenden. Geen eigenaar kan zijn slaaf in vrijheid stellen, dan door eene acte of testament, dat behoorlijk ter kennisse is gebragt van het Geregtshof, en door aan de wetgeving het bewijs te leveren, dat de betrokken slaaf eenige verdienstelijke daad aan zijn meester heeft bewezen, of zich jegens den Staat verdienstelijk heeft gemaakt; terwijl de acte geene waarde kan hebben, dan wanneer zij door eene speciaal besluit der wetgeving is geratificeerd. Wij gelooven, dat deze wet en dit beginsel van staatsregt van te groot gewigt is voor de belangen onzer burgers, dan dat men de niet naleving daarvan mag veroorloven.
Deze zaak toont onbetwistbaar aan, dat het contract zijn oorsprong heeft in een vergrijp tegen de maatschappij en een verderfelijk en laakbaar voorbeeld stelt. Maar bovenal schijnt het te zijn ontworpen en ten uitvoer gebragt met het bepaalde oogmerk om de gestrengheid der wetten van den Staat te ontduiken. De handelwijze van partij om naar Ohio te gaan met de slaven en daar de acte te passeren, en zijn onmiddellijke terugkeer naar dezen Staat, bewijst dat doel op eene onloochenbare wijze. De wetten van dezen Staat mogen niet in hare werking belemmerd worden door een der burgers. Indien wij daaromtrent eenigen twijfel konden koesteren, zou het regtsgeding aangehaald in I. Raudolph, 15, ons de zekerheid daarvan geven.
Wanneer wij aannemen, dat de waarde der acte afhangt van de wetten in dezen Staat vigerende, dan behoeven wij niet meer te vragen of zij van kracht is volgens de wetten van Ohio. Zoo zij daar geldig is, zij kan hier toch van onwaarde zijn. De conclusie moet dus wezen dat de neger John Monroe en zijne moeder nog slaven zijn en een gedeelte uitmaken der nagelaten bezittingen van Elisha Brazealle. Zij zijn niet in vrijheid gesteld door het testament; want, zelfs wanneer de bepaling in dat testament voldoende daartoe ware, is toch hunne invrijheid-stelling niet bekrachtigd door een besluit der wetgeving. John Monroe, slaaf zijnde, kan de bezitting niet als erfgenaam aanvaarden; en ik vrees dat het even duidelijk is, dat men die niet voor hem kan besturen. Onafhankelijk van de beginselen in vroegere regtspraken gelegd, verbieden onze wetten aan slaven eenige soort van eigendom te bezitten, en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was, dat aan die bepaling de verste uitgestrektheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden gegeven, als varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulk een eigendom niet, omdat het gevaarlijk of schadelijk is, maar omdat zij het onstaatkundig acht dat slaven bezittingen van eenigen aard zullen hebben. Daaruit volgt dat zijne erfgenamen regt hebben op de nalatenschap.
Daar de acte van onwaarde was, en de erfgenaam volgens testament niet in het bezit der nalatenschap kon treden, zouden de erfgenamen welligt aanspraak hebben op eene schadevergoeding, voor den tijd dat zij haar niet bezeten hebben; maar als zoodanig kan worden gerekend de renten en voordeelen, en het in bezit komen der gansche nalatenschap; en ik zie dus geene reden waarom zij weder eene vordering zouden instellen. De schadevergoeding is ongetwijfeld grooter, dan de wet haar zou toekennen."
De opperregter Sharkey die dit vonnis velde, wordt door de Evening Post als een der voornaamste mannen genoemd, die de strenge wet tot stand bragten, waaronder deze gruwelijke wreedheid bedreven werd.
Niets toont krachtiger het onbeperkte despotisme aan van de slavenwet over de edelste neigingen en oogmerken van den meester, en de standvastigheid der geregtshoven om die gestrengheid tot hare uiterste gevolgtrekkingen te handhaven, dan dit wreede vonnis, waardoor een jongeling, die was opgevoed in de overtuiging dat hij vrij was, en zijne moeder, eene vrouw die eene beschaafde opvoeding genoten had, weder in de grondelooze diepte der slavernij gestort werden. Wanneer men dit voorval als onderwerp van een roman of van een treurspel genomen had, zou de wereld het uitgekreten hebben als het toppunt van onwaarschijnlijkheid. Nu het in de geschiedenis der regtspleging staat opgeteekend, is het slechts eene proeve van die verschrikkelijke waarheid, verschrikkelijker dan de verdichting, die ten allen tijde het noodzakelijk uitvloeisel zal moeten zijn, in dezen vorm of in een anderen, van de werking van het slavenstelsel.
Deze beschouwing van het onderwerp is hoogst gewigtig en mag wel ernstig overdacht worden door hen, die in den vreemde hun oordeel en afkeuring slechts gronden op den persoon van den slavenhouder, meer dan op het afschuwelijke van het stelsel zelf, dat de wet erkent. In sommige slavenhoudende Staten schijnt het alsof de slavenhouder slechts zeer weinig anders doen kan dan zijne slaven doorgaans goed behandelen, tenzij hij trachtte de wetten te veranderen. Maar juist daarin ligt de heiligste pligt van elken Christen in het Zuiden. Want de wereld zoo min als God zal hem schuldeloos achten, die, met de vrije verkiezingen tot zijne dienst, en de kracht om te spreken, te schrijven en te beraadslagen, dat gedrochtelijke stelsel van wettelijke gruwzaamheid van jaar tot jaar blijft dulden.
HOOFDSTUK XIV.
DE ISRAËLITISCHE SLAVENWET VERGELEKEN MET DE AMERIKAANSCHE.
Wij hebben de Amerikaansche wet vergeleken met de Romeinsche, wij willen haar thans met eene andere slavenwet vergelijken, namelijk met de Israëlitische.
Die vergelijking is te belangrijker, omdat de slavernij in Amerika steeds verdedigd is op grond, dat God de slavernij onder de Joden veroorloofde.
De vraag is nu slechts welke soort van slavernij was onder de Joden geoorloofd? Want bij verschillende volken zijn verschillende stelsels met den algemeenen naam van slavernij betiteld.
Dat de aartsvaderlijke lijfeigenschap, die in den tijd van Abraham bestond, iets geheel anders was dan de slavernij in Amerika, kunnen eenige weinige bijbelteksten doen zien. Wij lezen toch, dat toen de engelen Abraham bezochten, hij, zoo als het verhaal luidt, ofschoon hij drie honderd dienstbaren in zijne woning had, terstond een kalf haalde en slagtte, en het aan een knecht gaf om het toe te bereiden; en dat Sara drie maten meel nam en daarvan koeken maakte; en dat hij, toen dit alles gedaan was, zelf het aan zijne gasten voorzette.
Uit verschillende andere omstandigheden, die in de geschiedenis der aartsvaderen worden medegedeeld, blijkt, dat de betrekking van de tot dienstbaarheid geborenen tot hun heer meer was die van een Schotschen clan tot zijn feodalen heer, dan van een Amerikaanschen slaaf tot zijn meester. Zoo schijnt het ook, dat, indien Abraham zonder kinderen gestorven ware, de eerste dienstknecht zijn erfgenaam zou zijn geweest. Gen. XV: 3.
Van welken aard dan was de slavernij, die God onder de Joden veroorloofde? Door welke wetten was zij geregeld?
In het Nieuwe Testament wordt van het geheele stelsel der Joodsche wetten, als betrekkelijk zeer onvolkomen gesproken, en als verviel het door het Christendom. Hebr. VIII, 13.
Wij moeten dus het Joodsche stelsel als een stelsel van opvoeding beschouwen, waardoor een verbasterd half beschaafd volk, dat, door de slavernij in den ergsten zin onder de Egyptenaren, diep gezonken was, weder trapsgewijze tot beschaving werd opgevoerd.
Toen zij Egypte verlaten hadden, schijnt het, dat de afschuwelijkste gewoonten, de ongehoordste en onnatuurlijkste onreinheden onder hen heerschten; zoodat het noodzakelijk was wetten te stellen voor zaken, waarvan het Christendom zelfs den naam niet meer noemt.
Bovendien waren veelwijverij, oorlog en slavernij de heerschende gewoonten onder de volken.
In het Nieuwe Testament wordt gezegd, dat God, bij de opvoeding van zijn volk, trapsgewijze te werk ging, even als een wijs vader met zijne kinderen.
Hij bepaalde zich tot eenige der hoofdzonden en verbood hun die door eene stellige wet en onder bedreiging van strenge straffen.
Het dienen van andere goden, werd bij de Joodsche wet gelijkgesteld met landverraad bij ons, en onverbiddelijk met den dood gestraft.
Daar de kennis van den waren God en godsdienstig onderwijs niet door boeken kon geleerd en bevorderd worden, werd er één dag in de week afgezonderd om in het hart des volks het aandenken aan Hem en de pligten, die zij jegens Hem hadden, levendig te houden. Hij, die dien dag aan iets anders wijdde, werd met den dood gestraft; blijkbaar was de heiligheid van dien dag een der middelen, om den band van het volk tot zijnen God in stand te houden, en de schending van den Sabbath leidde dus noodzakelijk tot hoogverraad jegens het hoofd van den Staat.
Met betrekking tot andere misbruiken, die onder de Joden, even als onder de heidensche volken heerschten, zien wij dat God denzelfden weg volgde als alle wijze wetgevers hebben ingeslagen.
Toen Lycurgus het geld en de weelde, die er het gevolg van was, uit Sparta wenschte te zien verdwijnen, verbood hij het niet door eene stellige wet, maar voerde eene munt in, zoo grof en zwaar dat, zoo als Rollin ons zegt, men eene kar met een paar ossen noodig had, om den prijs van een zeer eenvoudig voorwerp naar huis te brengen.
Zoo beperkte God ook de veelwijverij, den oorlog, de bloedwraak en de slavernij door bepalingen, die trapsgewijze en onvermijdelijk tot de algeheele afschaffing moesten leiden.
Niemand zal beweren, dat de wetten, die God gaf ten aanzien der veelwijverij, vrijplaatsen, enz., bij de Christenvolken van eenige toepassing zijn.
De volgende opgave van eenige dier voorschriften uit de Mozaïsche wet, werd ons ter hand gesteld door Dr. C. E. Stowe, professor in de Bijbelsche letterkunde aan het Andover Theological Seminary.
1. De Israëliet moest, al was hij getrouwd en al had hij vrouw en kinderen, de weduwe van zijn overleden broeder tot zich nemen en kinderen bij haar verwekken. Deut. XXV, 5-10.
2. Het was den Israëlieten, onder zekere omstandigheden veroorloofd, bijwijven te nemen, of vrouwen gedurende een zekeren tijd, of vrouwen die krijgsgevangenen waren. Deut. XXI, 10-19.
3. Een Israëliet, die reeds eene vrouw had, mogt eene tweede vrouw nemen, onder dien verstande, dat hij den omgang met de eerste als echtgenoot niet staakte, en haar liefderijk en goed behandelde. Exod. XXI, 9-11.
4. Volgens de Mozaïsche wet, mogt de naaste bloedverwant van een vermoorden Israëliet den moordenaar vervolgen en dooden, tenzij deze eene vrijplaats kon bereiken; hetzelfde verlof gold wanneer de daad toevallig was. Num. XXXV, 9-39.
5. Aan de Israëlieten werd bevolen de Kanaäniten, mannen, vrouwen en kinderen uit te roeijen. Deut. IX, 12; XX, 16-18. Elk dezer daden werd door de Mozaïsche wet geregtvaardigd, zoowel als het houden van slaven.
Ieder dezer wetten, ofschoon zij in dien tijd verbeteringen invoerden, die eene barbaarsche gewoonte moesten doen ophouden, en den overgang uitmaken tot een hoogeren trap van beschaving, behoort ongetwijfeld tot dat stelsel, hetwelk volgens Paulus verouderd was. Zij, maakten een deel uit van het verbond, dat verdwijnen moest, omdat het verkeerd en nadeelig was, en dat, in den tijd dat hij schreef, verouderd en zijne verdwijning nabij was. En Christus zelf zegt, met betrekking tot zekere veroorloofde handelingen volgens dat stelsel, dat die veroorloofd waren geworden om "hunne verhardheid in het kwade" omdat eene poging om wetten in te voeren, die hen meer aan banden legden, slechts grootere misbruiken zou ten gevolge hebben gehad.
De volgende beschouwing der Joodsche slavenwetten is getrokken uit het werk van Barnes over de slavernij en een manuscript van professor Stowe.
In de eerste plaats maakt die wetgeving de grootste en meest algemeene bron der slavernij, het stelen van kinderen, tot eene misdaad, waarop de doodstraf staat.
Dat verbod luidt als volgt: "die een mensch steelt, hetzij dat hij dien verkocht heeft, of dat hij in zijne hand gevonden wordt, zal zekerlijk gedood worden."
De bronnen, waaruit dus slaven voortsproten, waren tot twee beperkt: vooreerst door den vrijwilligen verkoop van zich-zelven, dat zeker niet kan aangemerkt worden als gedwongen dienstbaarheid, en ten tweede door de toeëigening van krijgsgevangenen en het koopen van heidenen.