De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 3

Chapter 33,739 wordsPublic domain

Ik beschouw de negerslavernij, hoezeer ook verzacht, niet als een Utopiaansch stelsel, en heb niet getracht haar als zoodanig af te schilderen. Maar zij bestaat, en het bezwaar om haar af te schaffen, wordt door iedereen gevoeld en erkend, behalve door de dweepers, die "gelijk dwazen instormen, waar engelen niet durven treden." Het is aangenaam te weten, dat de bezwaren daarvan niet te drukkend zijn om gedragen te worden. Dat de behandeling der slaven in dezen Staat menschelijk, ja zelfs zacht is, kan worden opgemaakt uit hunnen snellen aanwas en langen levensduur. Ik geloof dat zij, wat hunnen zedelijken en ligchamelijken toestand betreft, zoo gelukkig zijn, als eenige boerenstand op de wereld; en als de slotsom van mijn onderzoek en mijne lectuur, durf ik verzekeren, dat in geen land de arbeiders zoo ruim en geregeld van brood en vleesch voorzien worden, als de negerslaven der Vereenigde Staten. Hoe groot de schaarschte van levensmiddelen wezen mag, de hongersnood bereikt hen nooit.

P.S. Ik had boven kunnen opgeven, dat op dit goed ongeveer honderd en zestig zwarten zijn. Met uitzondering van kleine kinderen, heeft er, zooveel ik mij herinner, in achttien maanden slechts één sterfgeval plaats gehad--dat van een man van volle vijf en zestig jaren. De rekening van geneeskundige hulp, sedert den tweeden van den vorigen November, een tijd van over het jaar, is minder dan veertig dollars.

De volgende berigten zijn ontleend uit "Ingraham's Reizen in het Zuidwesten," een werk dat evenzeer geschreven schijnt om de schoonheden der slavernij aan te toonen als iets anders. Van den staat der zaken op eenige zuidelijke plantaadjes sprekende, geeft hij de volgende tafereelen, die zonder aanmerking of toelichting worden medegedeeld:

De kleine kandidaten voor "bevordering naar het veld" zijn gedurende de eerste vijf of zes jaren van hun bestaan nuttelooze voorwerpen op eene plantaadje. Dan moeten zij de eerste les in het elementaire gedeelte hunner opvoeding nemen. Als zij hun hand-ABC tamelijk wel geleerd hebben, worden zij in het veld gezet om te leeren spellen--dat is katoen plukken. De eerste dag in het veld is hun schoonste dag. De jonge Negers zien daarnaar met evenveel rusteloos ongeduld uit, als schooljongens naar eene vacantie. Zwarte kinderen worden niet zoo vroeg aan het werk gezet, als vele kinderen van arme ouders in het Noorden. Het is dikwijls het geval, dat de kinderen van huisbedienden gunstelingen in huis en speelmakkers van de blanke kinderen der familie worden. Geen tooneel kan levendiger of voor een Noorderling interessanter zijn dan dat, hetwelk het negerkwartier eener welgeregelde plantaadje op eenen zondagochtend, even voor kerktijd, aanbiedt. In elke hut zijn de mannen aan het scheren en kleeden; de vrouwen, in hare bonte katoentjes gekleed, maken hare gekroesde haren op--waarop zij niet weinig grootsch zijn--en zien den staat van hare kinderen na; de oude lieden, net gekleed, zitten bij de deuren stil te praten of te rooken; en diegenen van de jongere bevolking, die niet juist de pijniging der waschtobbe ondergaan, vermaken zich in de schaduw van het geboomte of om een kleinen waterplas, met evenveel lust, alsof slavernij en vrijheid woorden van gelijke beteekenis waren. Wanneer allen gekleed zijn, en het uur voor de godsdienstoefening komt, sluiten zij hunne hutten, en gaat de geheele bevolking van het dorpje naar de kerk, waar de dienst verrigt wordt, somtijds door een geordend geestelijke, somtijds door den planter zelven, als hij lid eener kerk is. De geheele plantaadje wordt ook dikwijls in eene zondagsschool hervormd, welke door den planter of door een lid zijner familie onderwezen wordt; en dikwijls is de zorg van hunnen meester, om hen te doen begrijpen wat hun geleerd wordt--eene moeijelijke zaak bij den tegenwoordigen staat hunner geestvermogens--zoo groot, dat geene middelen, om hen te doen vorderen, onbeproefd worden gelaten. Niet lang geleden werd mij een geschreven catechismus getoond, met veel zorg en oordeel door een voornaam planter opgesteld, op eene manier, die uitmuntend naar de vatbaarheid der Negers berekend was.

Het is thans gebruikelijk de slaven met goedheid te behandelen; en die planters, van wie men weet, dat zij onmenschelijk hard voor hunne slaven zijn, worden door het meer beschaafde en menschelijke gedeelte der maatschappij naauwelijks meer voorgesproken. Zulke voorbeelden zijn echter zeldzaam; maar er zijn overal menschen zonder zedelijke beginselen, die hunne kwaadaardigheid en hartstogtelijkheid botvieren, niet minder vaardig op den rug van een door een contract gebonden leerknaap, als op dien van een gekochten slaaf. Huiskapellen worden thans gesticht op de meeste plantaadjes van vermogenden, die ver van eene kerk liggen; zondagsscholen worden voor zwarte kinderen en bijbelklassen voor de ouders gevestigd, onder toezigt van den planter, van een kapellaan of van eenige vrouwelijke leden der familie.

Ook zijn de planters niet onverschillig voor den welstand hunner grijze slaven. Ik ben dikwijls geroerd door het zien der vele blijken van hun welwillend gevoel voor deze lieden. Zij spreken hen altijd op een zachten en vriendelijken toon aan, als Uncle of Aunty (Oom of Tante), benamingen welke aan oude Negers en Negerinnen even algemeen gegeven worden, als die van boy en girl (jongen en meid) aan allen onder de veertig jaren. Sommige oude Afrikanen laat men hunne laatste jaren in hunne huizen slijten, zonder eenigerlei werk te doen; als zij niet al te zwak zijn, bebouwen deze lieden kleine plekken gronds, waarop zij eenige groenten kweeken--want groenten groeijen in dit klimaat bijna het geheele jaar door--en zoo een weinig geld winnen, om zich eenige bijzondere gemakken te verschaffen. Zij ontvangen ook altijd geschenken van hunne meesters en meesteressen en de Negers op het goed, welke laatste bijzonder verlangend zijn, om de oude lieden tevreden te zien. Eene optelling van de buitengewone gerijfelijkheden, welke sommige planters hunne slaven vergunnen, zou in het Noorden bezwaarlijk geloof vinden. Maar gij moet bedenken, dat de zuidelijke planters menschen zijn, menschen van gevoel, edelaardig en hooghartig, en even menschlievend als de zonen van een kouder klimaat--hoewel zij mogen geleerd hebben, om datgene voor een regt te houden wat eene verschillende opvoeding de Noorderlingen geleerd heeft, als een onregt te beschouwen.

Over het karakter van Mrs. Shelby moet de schrijfster eenige woorden zeggen. Toen zij eenige jaren geleden in Kentucky reisde, deelden eenige godvruchtige dames haar ten aanzien der slavernij dezelfde gevoelens mede, welke de lezer door Mr. Shelby heeft hooren uitdrukken.

Er zijn velen, wier natuurlijk gevoel van regt de gruwelen van het stelsel niet kan leeren dulden, hoewel zij dit door geestelijken van den kansel hooren verdedigen, en door allen die door rang en rijkdom uitmunten, zien voorstaan.

Eene vrome dame zeide tot de schrijfster, ten aanzien van het onderwijs harer slaven: "ik schaam mij om hen te leeren wat regt is. Ik weet dat zij even goed weten als ik, dat het onregt is hen als slaven te houden, en ik schaam mij om hen in het gezigt te zien." Naar eene schrandere mulattin wijzende, die de kamer doorging, vervolgde zij: "daar is nu B--. Zij is zoo schrander en knap, als eenige blanke vrouw, die ik ooit gekend heb, en evenzeer geschikt om hare vrijheid te hebben en op zichzelve te passen; en zij weet dat het niet regt is haar te houden, gelijk wij doen, en ik weet dat ook; en toch kan ik mijn man niet overhalen om te denken zoo als ik, of ik zou hen gaarne vrij laten."

Eene eerwaardige vriendin der schrijfster, eene dame als slavenhoudster geboren en opgevoed, gebruikte tegen de schrijfster dezelfde woorden, aan Mrs. Shelby toegeschreven: "ik heb nooit gedacht, dat het regt was slaven te houden. Ik heb het altijd voor onregt gehouden, toen ik nog een meisje was, en nog meer, sedert ik lid van de kerk geworden ben." Een voorval door deze vriendin, verhaald uit haar examen om tot de kerk te worden toegelaten, is een treffend bewijs van het verschil, dat dikwijls tusschen theoretische en practicale menschlievendheid kan bestaan.

Zekere klasse van godgeleerden in Nieuw-Engeland telt zulke ijverige voorstanders der leer van belanglooze menschlievendheid, dat zij het tot een verpligtend geloofsartikel maken, dat ieder persoon gewillig behoort te zijn, om eeuwigdurende ellende te ondergaan, indien hij daardoor over het geheel eene grootere mate van algemeen goed in het heelal kon te weeg brengen; en somtijds werd aan diegenen, die lid der kerk verlangden te worden, de vraag gedaan, of zij zich zelven, ten proeve hunner opregtheid, tot deze gezindheid konden brengen. De geestelijke, die deze dame zou examineren, stelde bijzonder belang in deze bespiegelingen. Toen hij haar vroeg naar hare begrippen ten opzigte van de verpligtingen des Christendoms, zeide zij hem, dat zij stellig gezind was, om hare slaven, waarvan zij een groot aantal had, te emanciperen. De geestelijke scheen dit een eenigzins overdreven ijver te vinden, en raadde haar dat zij tijd zou nemen om er over na te denken. Hij was echter zeer dringend om te weten, of zij, indien dit blijken mogt ten beste voor het heelal te wezen, gewillig zou zijn om verdoemd te worden. Geheel ongewoon aan godgeleerde bespiegelingen, antwoordde de goede vrouw met eenige drift, "dat zij dit wel zeker niet wilde," er natuurlijk genoeg bijvoegende, dat zij, indien dit haar voornemen was, niet tot de kerk behoefde te komen. De goede dame werd echter aangenomen en bewees haar ijver ten algemeenen beste op eene meer tastbare manier, door alle hare slaven in vrijheid te stellen, en nadat zij vrijgelaten waren zorgvuldig over hunne opvoeding en belangen te waken.

Mrs. Shelby is een echt model van de beste klasse der zuidelijke vrouwen; en terwijl de onheilen der instelling gevoeld en betreurd worden, en terwijl de wereld met billijke verontwaardiging den nationalen onderstand aanzien, die aan deze instelling gegeven wordt, zoo wel als de mannen, die, met haren aard bekend, koelbloedig pogingen aanwenden om haar te bevestigen en uit te breiden, is het billijk dat zij ook de deugden van zulke personen gedachtig blijft.

Velen van haar, omringd door omstandigheden, waarover zij geene magt kunnen hebben, verbijsterd door huiselijke zorgen, waarvan de vrouwen in vrije staten zich weinig kunnen verbeelden, overladen met pligten en verantwoordelijkheden die hare levenskrachten verteren, gaan nog van dag tot dag met moed en geduld voort, alles doende wat zij kunnen om te verligten wat zij niet kunnen verhinderen, en zoo ver den kring van haar vermogen zich uitstrekt, diegenen die van haar afhankelijk zijn voor de onheilen van het stelsel te behoeden.

Wij lezen van Hem, die eens ten oordeel zal komen, dat "zijne wan in zijne hand is, en dat hij zijnen dorschvloer zal zuiveren en zijne tarwe in de schuur verzamelen." Uit den grooten afgrond van nationale zonde zal hij ieder korreltje van een goed en opregt voornemen en oogmerk redden. Zijne oogen, die als vlammen vuurs zijn, dringen terstond door in die ingewikkelde doolhoven, waarin het menschelijk oordeel verdwaalt, en Hij zal ten laatste de waarlijk goeden en opregten behouden en vereeren, hoezeer zij ook in het kwaad betrokken mogen zijn geweest; en die zielen, welke de grootste verzoekingen hebben wederstaan, en die onder de moeijelijkste omstandigheden in het goede hebben volhard, deze zijn het van wie geschreven is: "Zij zullen, zegt de Heer der heirscharen, te dien dage, dien Ik make zal, Mij een eigendom zijn; en Ik zal hen verschoonen, gelijk als een man zijnen zoon verschoont, die hem dient."

HOOFDSTUK IV.

GEORGE HARRIS.

Men heeft de teekening van George Harris overdreven genoemd, zoowel wat zijn uiterlijk voorkomen als wat zijn karakter en zijne geestvermogens betrof. Men heeft het ook onwaarschijnlijk genoemd dat zoo vele bedroevende gebeurtenissen eenen slaaf zouden overkomen, en gezegd dat dit gedeelte van het verhaal aldus eene verdraaide voorstelling van de zaak geeft.

Wat zijn persoonlijk voorkomen betreft, moet men zich herinneren dat personen van gemengd ras dikwijls in groote mate de trekken hunner blanke voorouders erven. Hiervan vindt men overvloedige bewijzen in advertentiën in dagbladen, gelijk blijkt uit de volgende, uit de "Chattanooga Gazette" (Tennessee) 5 October, 1852.

500 dollars belooning.

Weggeloopen van den ondergeteekende, op 25 Mei, een zeer lichte mulat omtrent 21 of 22 jaren oud, genoemd Wash. Gezegde mulat zou zich, zonder scherpe oplettendheid, voor een blanke kunnen uitgeven, daar hij zeer helder is--heeft blond haar, blaauwe oogen en fraaije tanden. Hij is een uitmuntend metselaar; maar ik denk niet dat hij zijn beroep zal voortzetten, uit vrees voor ontdekking. Hoewel hij in voorkomen naar een blanke gelijkt, heeft hij den aard van eenen Neger en heeft veel vermaak in komieke liedjes en grappige gezegden. Hij is een uitmuntend huisknecht, zeer handig in een hotel--rijzig, rank, en ziet eenigzins verlegen, vooral wanneer hij aangesproken wordt, en is somtijds genegen om stug te zijn. Ik twijfel niet of hij is door een of ander schelm weggelokt, en zal bovengemelde belooning geven voor het vatten van den jongen en den dief, te Chattanooga overgeleverd. Of ik wil 200 dollars geven voor den jongen alleen, of 100 dollars indien hij opgesloten wordt in eene gevangenis in de Vereenigde Staten, zoodat ik hem bekomen kan.

George O. Ragland.

"Chattanooga, 15 Junij 1852."

Uit den "Capitolian Vis-à-Vis," West Baton Rouge, Louisiana, 1 November 1852:

150 dollars belooning.

"Weggeloopen omstreeks 15 Augustus laatstleden, Joe, een geel man; klein, omtrent 5 voet, 8 of 9 duim lang en omtrent 20 jaren oud. Heeft een Romeinschen neus, was te Nieuw Orleans groot gebragt, en spreekt Fransch en Engelsch. Hij werd verleden Winter gekocht van Mr. Digges, Banks Arcade, Nieuw Orleans."

Wat geestvermogens betreft, zal de lezer zich wel herinneren, dat de schrijfster het als eene daadzaak vermeldde, welke zij op eene reis door Kentucky vernam, dat een jong kleurling eene machine had uitgevonden om hennip te zuiveren, gelijk die, waarvan in haar verhaal gesproken wordt.

Nu en dan komen ook advertentiën voor, waarin handwerkslieden van verschillende soort te koop worden geboden. Slaven worden dikwijls als loodsen gebruikt en hoog gewaardeerd om hunne kunde en bekwaamheid. De volgende advertentiën zijn uit zeer jonge dagbladen.

Uit de "South Carolinian" (Columbia) 4 December, 1852.

Openbare verkooping van kostbare Negers door J. en L. T. Levin.

Zullen verkocht worden op maandag, den 6den dag van December, de volgende kostbare Negers:

Andrew, 24 jaren oud, metselaar en stukadoor, een zeer bekwaam werkman.

George, 22 jaren oud, een van de beste barbiers in den Staat.

James, 19 jaren oud, een uitmuntend schilder.

Deze jongens zijn in Columbia opgebragt, en zijn uitzonderingen op de meeste jongens, en worden om geen gebrek hoegenaamd verkocht.

De voorwaarden der verkooping zijn half contant geld, de wederhelft op een crediet van zes maanden, met interest, voor wissels, betaalbaar bij de bank, met twee of meer goedgekeurde endossementen.

De koopers betalen voor de noodige papieren.

27 November. William Douglass.

Uit hetzelfde blad van 18 November 1852.

Uit de hand te koop, een knap man, bootroeijer en goede loods; is wel bekend met al de inhammen tusschen hier en Savannah en George-Town.

Wat de voorvallen in het leven van George Harris betreft, willen wij, opdat men zijn geval niet voor eene buitengewone uitzondering houde, eenige dergelijke omstandigheden mededeelen uit het leven van slaven onder onze persoonlijke bekenden.

Lewis Clark is een bekende der schrijfster. Kort nadat hij de slavernij was ontvlugt, werd hij in de familie eener schoonzuster der schrijfster opgenomen en daar opgevoed. Zijn gedrag gedurende dien tijd was zoodanig, dat hij daardoor buitengemeene achting en genegenheid won, en de schrijfster heeft dikwijls door allen die hem kenden met den hoogsten lof van hem hooren spreken.

De heer, in wiens familie hij zoo lang geweest is, zegt van hem onlangs in eenen brief aan de schrijfster: "Ik zou hem, gelijk men zegt, ongeteld goud vertrouwen."

Lewis is een quadron, van een zeer goed voorkomen, met Europesche trekken, ligt golvend haar en wiens gezigt eene schrandere, innemende uitdrukking heeft.

Zijne moeder was eene fraaije quadrone, de dochter van haren meester en door hem ten huwelijk gegeven aan eenen vrijen blanke, een Schot, met uitdrukkelijke afspraak, dat zij en hare kinderen vrij zouden zijn. Deze verbindtenis, zoo die al ooit opregt was, werd nooit vervuld. Zijne moeder kreeg negen kinderen, en na den dood van haren man, kwam zij, met al deze kinderen als slaven, weder bij haren vader in huis.

Eene getrouwde dochter der familie, die door de heftigheid van haar karakter de schrik van het geheele gezin was, had bij haar huwelijk een jong meisje uit het huis medegenomen. Door hare geweldige mishandelingen bragt zij dit kind spoedig tot eenen toestand van wezenlooze krankzinnigheid, en kwam toen verstoord naar haren vader terug, zeggende dat het kind tot niets deugde en zij een ander wilde hebben; en het ongeluk van den armen Lewis wilde, dat zij het oog op hem liet vallen.

Om eene harer vreeselijke uitbarstingen van drift te vermijden, gaf de familie den knaap als een zoenoffer aan haar over. Dit voorval wordt door Lewis in een door den druk openbaar gemaakt verhaal, aldus beschreven:

Alle knapen werden geroepen, om voor deze heks voorbij te gaan, opdat zij een slagtoffer voor hare boosaardigheid zon kunnen uitzoeken, waarop zij jaren lang de phiolen harer gramschap kon uitstorten. Ik was die ongelukkige. Mr. Campbell, mijn grootvader, verzette zich hiertegen, omdat dit eene familie zou verdeelen, en bood haar Mozes aan;--maar tegenwerpingen en bedenkingen van allerlei soort werden door de woeste oploopendheid en de schelle stem van Mrs. B. weggevaagd. Mij wilde zij hebben en niemand anders. Mr. Campbell ging uit om te jagen en kwade gedachten te verdrijven; de oude dame hield zich stil, want zij was zeker, dat er geen bloed van haar in mijne aderen stroomde, en indien er van haren man in was, zoo was het hare schuld niet. Vrouwen van slavenhouders zijn altijd wraakzuchtig op slavenkinderen, die bloed van haren man in de aderen hebben. Ik was te jong--nog maar zeven jaren--om te begrijpen wat er voorviel; maar mijne arme, liefderijke moeder begreep en gevoelde alles. Toen zij de keuken van het heerenhuis verliet, waar zij als keukenmeid werd gebezigd, en te huis kwam in haar eigen hutje, had zij tranen van zielangst in de oogen en stond de droefheid op al de trekken van haar gelaat geteekend. Zij kende de vrouwelijke Nero, wier roede nu over mij zou zijn. Dien nacht ontweek de slaap hare oogen. Met het jongste kind vast aan hare borst gedrukt, sleet zij den nacht met heen en weder wandelen, telkens komende om het dek op te ligten en naar mij en mijn armen broeder te zien, terwijl wij lagen te slapen. Te slapen, zeg ik. Mijn broeder sliep, maar ik niet. Ik zag mijne moeder, toen zij voor het eerst bij mij kwam en kon niet slapen. Het tooneel van dien nacht--de diepe, onuitwischbare indruk daarvan--is mij nog voor den geest met al de duidelijkheid van gisteren. Des morgens werd ik bij Mrs. B. en hare kinderen in het rijtuig gezet, en begon mijn vermoeijenden pelgrimstogt van lijden.

Mrs. Banton is een karakter, dat alleen kan bestaan, waar de wetten des lands de grofste, onredelijkste en oploopendste menschen, evenzeer als de edelmoedigste en menschlievendste, met onbeperkte magt bekleeden.

Wanneer magt zonder verantwoordelijkheid eene beproeving is voor de deugd der waakzaamsten en zorgvuldigsten, hoe snel moet zij dan de wreedheid ontwikkelen bij hen die van nature oploopend en barbaarsch zijn.

Deze vrouw was met een dronken man van even woesten aard vereenigd. Een verhaal van de ligchamelijke martelingen, welke dit paar het ongelukkige kind wist aan te doen, en waarvan sommige onuitwischbare teekenen op zijn ligchaam hebben gelaten, zou het voor menschelijk gevoel al te pijnlijk zijn, en wij werpen gaarne eenen sluijer daarover.

Eenige voorvallen worden echter in de volgende uittreksels medegedeeld:

Een zeer gering vergrijp was voldoende om bij deze vrouw met ontembare hartstogten eene groote uitbarsting van verontwaardiging uit te lokken. In mijne eenvoudigheid zette ik eens mijne lippen aan denzelfden kop, waaruit een van hare kinderen gewoon was te drinken, en dronk er uit. Zij gaf haar afgrijzen over zulk een bedrijf te kennen door mijn hoofd met geweld achterover te duwen en mij twee scheppen water in het gezigt te werpen. Deze besprenkeling met water, werd door eene zwaardere besprenkeling met schoppen gevolgd; maar de bittere, snijdende woorden, die daarop volgden, waren als een hagelstorm op mijn jeugdig hart. "Zij zou mij wel betere manieren leeren; zij zou mij laten voelen wat het was naar hare hand gezet te worden; zij wilde één slaaf, die zijne plaats kende; als ik water wilde hebben, moest ik naar de bron gaan en niet daar in huis drinken." Het was een nieuwe tijd voor mij: eenige dagen lang was ik geheel versuft van smart.

Indien er iemand is, die zoo geheel alle gevoel verloren heeft, dat hij zeggen kan, dat slaven er niet onder lijden, wanneer familiën gescheiden worden, laat zoo iemand naar de gescheurde deken gaan, die mijn bed en peluw was, en daar nacht op nacht, door de lange slepende uren heen, de bittere tranen zien stroomen over het gezigt van dat meer dan wees geworden kind, dat met half gesmoorde zuchten en snikken om zijne afwezige moeder roept.

Hij werd tot laat in den nacht bezig gehouden met vlas te spinnen en het kleinste kind te wiegen, en des morgens zeer vroeg geroepen; en indien hij niet met het eerste roepen opsprong, volgde er zeker eene wreede kastijding. Hij zegt:

Zulk een angst bleef mij bij, dat ik den eersten schellen roep niet hooren zou, dat ik mij dikwijls in mijne droomen verbeeldde, die onwelkome stem te hooren, en uit mijn bed sprong en het huis door en naar buiten ging, eer ik wakker werd. Ik heb in mijn slaap de andere slaven gaan roepen en hun gevraagd of zij meester niet hadden hooren roepen. Nooit, zoo lang ik leef, zal de herinnering dier lange bittere nachten van angst uit mijn gemoed verdwijnen.

Hij voegt bij deze woorden, die wel overwogen mogen worden door hen die hunne ziel troosten met den streelenden balsem, dat de onderdrukten het verscheuren van familie-banden niet voelen:

Maar al mijn zware arbeid, en de bittere en wreede straffen, gedurende de tien jaren mijner gevangenschap bij deze erger dan Arabische familie, dit alles was als niets bij het leed, dat ik daarover ondervond, dat ik van mijne moeder broeders en zusters gescheiden was; dezelfde dingen, met hen bij mij, om mij te beklagen, om mijne verhalen van smart te hooren, zouden vergelijkender wijze dragelijk zijn geweest.

Zij waren slechts ongeveer dertig mijlen van mij af, en toch was het mij in de tien lange eenzame jaren mijner kindschheid slechts driemaal vergund hen te zien.