De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 29

Chapter 293,721 wordsPublic domain

Het volgende hoofdstuk zal doen zien, hoever in dit opzigt de Amerikaansche wetgeving de Romeinsche vooruit is: zij houdt het zelfs voor een beboetbaar misdrijf van de zijde van den meester den slaaf het bezit van eenig eigendom te veroorloven, en voor eene misdaad in den slaaf, dat hem dit veroorloofd wordt. Wij bepalen ons thans slechts bij een uittreksel uit het Burgerlijk Wetboek van Louisiana, zoo als de regter Stroud het mededeelt:

Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester, aan wien hij behoort. De meester mag hem verkoopen, over zijn persoon, zijne vermogens, zijn arbeid beschikken; hij kan niets doen, niets bezitten, niets verkrijgen, dan hetgeen aan zijn meester toekomt.

Volgens den regter Ruffin, is een slaaf "iemand, wiens persoon en nakomelingschap gedoemd is te leven in onkunde, onmagtig iets tot zijn eigen te maken, en veroordeeld tot arbeid, op dat een ander de vruchten plukke."

Met betrekking tot de verbindende kracht van overeenkomsten tusschen meester en slaaf halen wij uit de regterlijke uitspraken in de Vereenigde Staten gevallen, de volgende aan:

Al wat de slaaf verkrijgt is het eigendom van zijn meester, ondanks de belofte van den meester, dat de slaaf er een gedeelte van erlangen zal.

Een slaaf stelde aan B. geld ter hand, dat hij boven zijn loon verdiend had, om daarvoor zijne kinderen te koopen. B. kocht die kinderen voor dat geld. De meester van dien slaaf had het regt om van B. het geld terug te eischen.

VII. De meester kon zijne regten verkoopen of wegschenken of ze bij testament vermaken.

Slaven zullen behandeld, verkocht in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder opzigt en beteekenis.

VIII. Een meester, die zijn slaaf verkocht, wegschonk of vermaakte, stelde somtijds de voorwaarde, dat hij nimmer buiten 's lands zou gevoerd worden, of dat hij op een bepaalden tijd zou in vrijheid worden gesteld; of dat hij, integendeel, nimmer zou worden vrijgelaten of levenslang in ketenen zou blijven geklonken.

Wij gelooven niet dat de voorwaarde, dat een slaaf nimmer in vrijheid zal worden gesteld, of dat hij levenslang in ketenen zal blijven geklonken, ooit gesteld werd. Maar de voorwaarde dat een slaaf niet buiten 's lands zou worden gevoerd, of verkocht, of dat hij bij eene zekere gebeurtenis, vrij gelaten zou worden, is ook bij ons geenszins zonder voorbeeld.

Het overige van Blairs overzigt der slavernij bij de Romeinen is meer gewijd aan hetgeen de meesters deden dan aan de wet zelve. De schrijfster acht zich niet geroepen tot het geven eener vergelijking tusschen hetgeen, in de negentiende eeuw, in de beschaafde en Christelijke Staten van Noord-Amerika voorvalt, en de wreedheden in het heidensche Rome gepleegd onder den scepter der onmenschelijke Keizers, toen het worstelperk de geliefkoosde uitspanning was der aanzienlijkste burgers en de "school" voor de menigte. Eenige weinige aanhalingen zullen reeds toonen, zoo ver wij dit noodig achten, met hoeveel meer gerustheid men thans den eenen mensch eene onbeperkte magt kan geven over den ander, dan toen.

IX. Wanneer de slaven den handmolen draaiden, waren zij gewoonlijk geboeid, en droegen zij eene breede houten plank om den hals, om hun te beletten van het graan te eten. Onder Furca, dat later galg beteekende, verstond men in de oudste tijden een houten vork of kraag, die gemaakt was om door hen op de schouders of om den hals te worden gedragen, als een schandteeken of om hun een zwaren last op te leggen.

De lezer heeft reeds in Hoofdstuk V gezien, dat dit vernederend voorwerp ook in onzen tijd in zwang is in sommige slavenhoudende Staten, en dat het in bescherming genomen is door de Wetgevende Magt; hoewel de stof verschillend is en de vorm door den tijd eenige verandering heeft ondergaan.

X. Boeijen en ketenen werden dikwijls gebruikt als straf en in sommige gevallen levenslang door de slaven gedragen, op louter gezag van den meester. Portiers aan de deuren der woningen van aanzienlijken waren gewoonlijk geketend. Zij, die veldarbeid verrigtten, werkten, in later tijden, meestendeels geboeid.

De wetgeving van Zuid-Carolina wettigt bijna al dezelfde gebruiken, door ze onder de beschermende bepalingen op te nemen, waarbij eene boete van slechts honderd pond wordt opgelegd aan hem, die opzettelijk een slaaf de tong uitsnijdt enz., of eenige andere straf uitoefent dan geeselen, of slaan met eene rijzweep, riemen, takken of dunne stokken, of door den slaaf in boeijen te klinken of hem op te sluiten.

XI. Sommige personen maakten er hun bestaan van weggeloopen slaven op te sporen.

Dat zulk een middel van bestaan, door de hoogste Wetgevende Magt ingesteld, en achtenswaardig gemaakt door de uitdrukkelijke of ingewikkelde aanbeveling van Staatsmannen en geestelijken, en van staatkundige en godsdienstige nieuwsbladen, onder ons bestaat, vooral in de vrije Staten, is een feit, dat elken dag blijkt en waarvoor wij dus geen getuigenis behoeven in te roepen. In Alabama schijnt echter die zaak op eene meer opene en officiële wijze behandeld te worden dan ergens elders. De heer Jay neemt de volgende aankondiging uit de Sampter County over:

Negerhonden.

De ondergeteekende berigt dat hij eene groote menigte negerhonden heeft aangekocht, en beveelt zich aan tot het opsporen van weggeloopen negers. De kosten zijn drie dollars voor een dag jagen, en vijftien dollars voor het terug brengen van een neger. Hij woont drie en eene halve mijl ten noorden van Livingston, nabij den Jones' Bluff-weg.

6 November 1845. William Gambel.

De volgende is woordelijk overgenomen uit The Dadeville (Alabama) Banner van 10 November 1852. De Dadeville Banner is een blad, gewijd aan staatkunde, letterkunde, opvoeding, landbouw, enz.

Let wel.

De ondergeteekende heeft een uitnemenden troep Honden voor het zoeken en vangen van weggeloopen slaven. Hij berigt het Publiek, dat de prijzen voor het gebruik maken zijner hulp voortaan zullen zijn:

Dollars. Voor elken dag met het jagen en opsporen doorgebragt 2.50 Voor het vangen van elken slaaf 10.00 Voor het afleggen van een afstand van meer dan tien mijlen om een slaaf te vangen 20.00

De betaling is contant. De ondergeteekende woont anderhalve mijl van Dadeville.

Dadeville, 1 September 1852. B. Black.

XII. De weggeloopen slaaf werd, wanneer hij gevangen was, streng gestraft op bevel van zijn meester of, wanneer deze het verlangde, op last van den regter; somtijds door kruisiging, het afzetten van een voet, of door hem naar het worstelperk te zenden om met wilde dieren te vechten; maar gewoonlijk door hem boven de wenkbraauw te brandmerken met letters die zijn misdaad uitdrukten.

Ieder zal uit de onbeperkte magt van den meester afleiden, dat die strenge straf iederen weggeloopen slaaf ten deel viel. Dat zij in menig geval werd toegepast is ligt te bewijzen, maar dat bewijs is overbodig. De bijzondere wijzen van strafoefening, die hierboven vermeld staan, zijn nu buiten gebruik, maar de volgende aankondiging van den advokaat Micajah Ricks in de Raleigh (Noord-Carolina) Standard, van den 18den Julij 1838, bewijst, dat nog iets van dien klassieken smaak in het pijnigen ook in onze verbasterde dagen heerscht.

Weggeloopen eene negerin met twee kinderen. Weinige dagen voor zij wegliep, brandde ik haar met een gloeijend ijzer op de linker wang. Ik trachtte de letter M te maken.

Hij is waarlijk opmerkingswaardig, die naïve trots van den heer Ricks over zijne poging om eene letter te schrijven. Hij wilde niet, dat men die letter M voor een staaltje zou aanzien van zijn bedrevenheid in de schrijfkunst. De ongelukkige zou misschien niet stilstaan, en hij vreesde, dat de M onleesbaar zou wezen.

Maar het slechts eene uit de lange lijst van aankondigingen over verminkte, gesneden en gebrande negers in het werk van den heer Weld, getiteld: De slavernij in Amerika, zoo als zij is.

XIII. Wreede meesters huurden soms menschen, die martelaars waren van beroep; of hadden zulke personen in hun dienst om hen in straffen van slaven bij te staan. De neuzen, ooren en tanden van een slaaf waren dikwijls niet veilig tegen een vertoornden eigenaar; en wanneer het misdrijf zeer groot was, werden somtijds zijne oogen uitgestoken. Kruisiging was zeer dikwijls het lot van een ongelukkigen slaaf, voor een klein wanbedrijf of somtijds zelfs uit loutere willekeur.

Ter regtvaardiging van zulke daden, beroepen wij ons alweder op die schrikkelijke lijst van verminkte en gekneusde menschen, door de slavenhouders zelf beschreven, die wij in Weld's "De slavernij in Amerika, zoo als zij is" aantreffen. Wij herinneren ook den lezer aan hetgeen wij hierboven van den gruwelijken Caphart verhaalden. Wat de kruisiging aangaat, wij veronderstellen, dat er wezens zijn, die om redenen van godsdienstigen aard weerhouden worden, om van zulk een middel van marteling gebruik te maken, maar die niet zouden terug deinzen voor even groote pijnigingen door andere middelen; even als de Grieksche zeeroover, die in de vasten een gewetensbezwaar voelt een droppel bloed te vergieten. Meent men, dat wij slechts eene gissing uiten? Men herleze, indien men er lust toe gevoelt, de schrikkelijke bijzonderheden van die urenlange pijniging, die Souther zijn slaaf aandeed, en men zegge hoeveel menschelijker de Amerikaansche slavernij is dan de Romeinsche.

De laatste aanhaling, die wij nog in Blairs werk over de slavernij bij de Romeinen aantreffen, is de volgende:

XIV. Volgens een senatus consultus werd, wanneer een slaveneigenaar vermoord was en zijne slaven hem welligt hadden kunnen beschermen, geheel zijn huishouden, dat binnen bereik viel, als medepligtig beschouwd en ter dood veroordeeld. Tacitus verhaalt ons, dat bij zulk eene gelegenheid eens vierhonderd slaven ter dood werden gebragt.

Van alle wreedheden in het heidensche Rome op slaven gepleegd missen wij alleen deze in Noord-Amerika.

Maar in andere opzigten heeft de Noord-Amerikaansche wetgeving hooger trap van verfijnde wreedheid bereikt, dan de wreedaards in die dagen zich ooit konden voorstellen. Gibbon zegt daaromtrent het volgende:

De hoop, de beste troost in onzen onvolmaakten toestand, werd aan een Romeinschen slaaf niet ontnomen; en indien hij mogelijkheid zag om zich nuttig of aangenaam te maken, mogt hij hopen dat zijn ijver en getrouwheid, gedurende weinige jaren, beloond zouden worden met het onschatbare geschenk der vrijheid....

Zonder dat daarom het verschil in stand werd weggenomen, beidde eene toekomst, waarin hij vrij zou zijn en regten genieten, ook hem, wien trots en vooroordeel meestal te gering achtten om hem als menschelijk wezen te beschouwen [12].

De jongelingen van veelbelovenden aanleg werden in de kunsten en wetenschappen opgeleid en hunne belooning hing af van de mate hunner bekwaamheid en talenten. Bijna iedere kunst, vrije zoowel als mechanische, werd beoefend onder de dienstbaren van een aanzienlijk lid van den Senaat [13].

Het volgende hoofdstuk zal doen zien hoe "die beste troost," dien Gibbon in den menschelijken tegenspoed kent, aan den slaaf in Amerika ontnomen is; hoe hij verstoken is van de voorregten der opvoeding en zedelijke beschaving, die een ieder bijna ten deel vallen, en hoe de gansche strekking van dat rampzalige stelsel, dat hem tot lijfeigene maakt, is hem zelfs den troost der godsdienst te ontnemen, en hem uit te werpen uit het menschdom en de broederschap met den Zoon van God.

HOOFDSTUK XIII.

DE MENSCHEN BETER DAN HUNNE WETTEN.

Daarom is het regt achterwaarts geweken en de gerechtigheid staat van verre: want de waarheid struikelt op de straat, en wat regt is kan er niet ingaan.

Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het booze wijkt, stelt zich tot eenen roof.

Jesaja LIX : 14, 15a.

Wij hebben nog eene bijzondere klasse van wetten te beschouwen.

Zoo vol wreedheid en meedoogenlooze gestrengheid is de slavenwet,--zoo gruwzaam is de instelling, die daarin omschreven wordt,--dat er eene menigte personen zijn, te edel en te regtvaardig om den slaaf alles te ontnemen wat de wet hem onthoudt en ontsteelt.

Een edelaardig mensch is--in plaats van den armen slaaf te beschouwen als een roerend eigendom, dood en zonder regten--geneigd in hem een hulpeloozen jongeren broeder te zien of een weerloos kind, en hem, op eigen gezag, die bescherming en die regten te geven, die de wet hem ontkent. Een godsdienstig mensch, die, door zijne geloofsleer, dat alle menschen broeders zijn, zijn Christen slaaf met hem als één lid van Jezus Christus beschouwt--gelijk van ligchaam, gelijk van ziel en beiden door Hem uitverkoren--kan hem niet gedoemd zien om in onkunde te leven, buiten staat het geschreven woord te lezen, en veroordeeld zijne kinderen te zien opgroeijen in dezelfde onkunde.

Van daar dat individuele menschlievendheid, in vele gevallen, de slavenwet practisch van onwaarde zou doen zijn. Individuele menschlievendheid zou den slaaf leeren lezen en schrijven, zou scholen oprigten voor zijne kinderen, en in zeer, zeer vele opzigten hem vrijmaken.

Men heeft voorzien waar dit toe leiden zou. Men heeft voorzien dat het gevolg der opvoeding zou wezen algemeen verspreide kennis; dat het gevolg dier kennis zou zijn, een bewustzijn van de regten als mensch; en dat een onderzoek naar die regten als mensch noodlottig zou wezen voor het stelsel. Men heeft ook voorzien, dat het voorbeeld van belangeloosheid en edelmoedigheid in de vrijmaking, eene heilzame besmettelijkheid zou bezitten, en eindelijk algemeen zou worden; dat het voorbeeld van wel opgevoede en vrijgelatene slaven een gevaarlijken naijver zou opwekken bij hen, die nog slaven waren.

Daarom heeft de slavenwet, die, zoo als wij reeds gezien hebben, in de hoofdzaak al de barbaarschheden van die van het oude Rome omvat, eene reeks van bepalingen, die wreeder zijn dan eenige bepaling, die het oude en heidensche Rome ooit heeft gekend, bepalingen die strekken om den slaaf de laatste bron van hoop af te sluiten--de menschlievendheid van zijn meester. De meester in het oude Rome kon zijn slaaf de opvoeding geven, die hem goeddacht, of hem vrij laten wanneer hij wilde en de Staat trad niet tusschen beiden [14].

Maar in Amerika verbieden de wetten in al de slavenhoudende Staten ten strengste, in de eerste plaats, de opvoeding van den slaaf. Wij zijn niet voornemens al de bepalingen van dien aard mede te deelen, maar eenige weinige treffende voorbeelden willen wij er uit aanvoeren. Onze zegsman is weder de regter Stroud, onze bron, zijne schets van de slavenwetten.

De Wetgeving van Zuid-Carolina nam in 1740 het volgende besluit.

"Vermits het leeren lezen aan slaven of het toestaan, dat zij zich in het schrijven oefenen groote moeijelijkheden kan na zich slepen, zoo wordt besloten, dat de misdaad om slaven te leeren schrijven of hen als schrijvers te gebruiken, zal gestraft worden met eene boete van honderd pond. Indien de lezer nu het schandelijke "beschermende" besluit opslaat, dat in hetzelfde jaar door dezelfde Wetgevende Magt genomen werd, zal hij zien dat dezelfde boete is opgelegd voor het uitsnijden der tong, het uitsteken van een oog, het wreedaardig schroeijen enz. van eenigen slaaf, als voor het onderwijs geven in het schrijven! Hieruit volgt dus dat het onderwijs geven in het schrijven en het uitsteken der oogen van een slaaf als even berispelijk moet worden aangemerkt.

Opdat er toch geen twijfel overblijven zou omtrent de groote hoofdbeginselen van het Amerikaansche staatsregt, en men ten eenemale gevrijwaard zou wezen tegen de "groote moeijelijkheden" die er zouden ontstaan, wanneer slaven lezen konden, werd in 1800 bepaald, dat bijeenkomsten van slaven, vrije negers enz..... ten doel hebbende "verstandelijk onderwijs," op eene afgesloten of geheime plaats geacht werden te zijn vergaderingen in strijd met de wet, "de Ambtenaren van het openbaar gezag werden bevolen zulke afgesloten plaatsen binnen te gaan, en de ongeoorloofde vergadering uiteen te drijven, en naar goedvinden zulk eene ligchamelijke straf, mits niet meer dan twintig geeselslagen, aan zulke slaven, vrije negers enz., te doen ondergaan als zij noodig oordeelden om hen voor het vervolg van zulke ongeoorloofde bijeenkomsten af te schrikken."

Het Wetboek van Virginia wordt door eene gelijkluidende bepaling als wij hier aanhalen versierd.

Het misdrijf een slaaf te leeren schrijven werd vroeger in Georgia en Zuid-Carolina met eene geldboete gestraft. Maar de stad Savannah schijnt die boete onvoldoende te hebben geacht om haar te beschermen tegen die "groote moeijelijkheden," en eene aanhaling in het werk van den regter Stroud, uit een nommer van The Portfolio leert ons, dat "die stad een besluit genomen heeft, waarbij ieder die een kleurling, slaaf of vrije, leert lezen of schrijven, of hem dit doet leeren, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars voor iedere overtreding; en elke kleurling die eene school houdt, waarop men lezen en schrijven leeren kan, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars of eene gevangenisstraf gedurende tien dagen en negen en dertig geeselslagen."

Ten tweede. Met betrekking tot de regten op het stuk van godsdienst:

De Staat Georgia heeft eene wet uitgevaardigd, "tot bescherming van godsdienstige genootschappen, in de uitoefening hunner godsdienstige pligten." Die wet eindigt, nadat zij verschillende zware boeten gesteld heeft voor het verwekken van stoornis in eene bijeenkomst van blanken, met de volgende woorden:

"Geene bijeenkomst of zamenscholing van negers zal, onder voorwendsel van godsvereering, mogen plaats hebben, in strijd met het besluit betreffende de patrols."

Dat besluit betreffende de "patrols," zoo als het medegedeeld is door den redacteur van Prince's Digest, magtigt iederen vrederegter, elke vergadering of elke bijeenkomst van slaven uit een te doen gaan, die de rust verstoort van Zijner Majesteits onderdanen, en staat toe, dat iedere slaaf in zulk eene bijeenkomst gevonden, onmiddellijk zal gestraft worden, zonder verder proces, met vijf en twintig slagen op den rug met eene zweep, een boomtak of een riem.

De geschiedenis der wetgeving op dit punt in Zuid-Carolina is zeer belangrijk. In 1800 werd een besluit genomen, waarin gezegd werd:

Geene slaven, vrije negers, mulatten of mestizen mogen, zelfs in gezelschap van blanken, vergaderen en bijeenkomen voor verstandelijk onderwijs of godsdienstoefening, noch vóór zonsopgang, noch na zonsondergang. Alle overheidspersonen, sheriffs, enz., enz. worden hierbij gemagtigd enz. om zulke vergaderingen uit een te drijven enz.

Deze bepaling schijnt min of meer nadeelig te hebben gewerkt op de zedelijke belangen van de "slaven, vrije negers enz.," die daarin worden genoemd; want, drie jaren later, werd op verzoek van sommige godsdienstige genootschappen, eene "beschermende wet" uitgevaardigd, die hun deze groote voorregten op het stuk van Godsdienst verleende, waarbij bepaald werd dat het ongeoorloofd zou wezen vóór negen ure eene vergadering te verstoren, waarin de leden van eene godsdienstige gezindte van den Staat bijeen waren, onder dien verstande, dat de meerderheid uit blanken bestond, of op andere wijze hunne godsdienstoefening te belemmeren, "ten zij hij, die dit deed.... daartoe gemagtigd ware, enz."

Ten derde. Het schijnt, dat vele meesters, die geneigd waren hunne slaven beter te behandelen, hun hebben toegestaan, dat zij eenige bezitting hadden, huisdieren voor eigen gebruik aankweekten, en, wanneer zij eenige bekwaamheden bezaten, uit te gaan, zich te verhuren en te arbeiden voor eigen rekening. Dit alles verbiedt de wet met onverbiddelijke gestrengheid. Eene boete wordt den eigenaar opgelegd, maar, met eene gestrengheid, die geheel in overeenkomst is met het gansche beginsel der slavenwet, wordt die overtreding meer beschouwd als eene overtreding van den slaaf dan wel van den meester; zoo dat, wanneer de meester al edel genoeg is om zich niet te bekommeren om de boete, die hem wordt opgelegd, hij toch terug gehouden wordt door de vrees, dat hij zijn ondergeschikte daardoor nog grooter kwaad zal berokkenen. Voor sommige gevallen zijn die wetten zoodanig ingerigt, dat de diepst gezonkene en ellendigste wezens der maatschappij er belang bij hebben haar te handhaven, daar zij hun de helft belooft der waarde van hetgeen zij aanbrengen. Als een voorbeeld nemen wij hier de volgende bepaling uit de wet van Zuid-Carolina over:

Het is den slaaf verboden eenige bezitting te koopen, te verkoopen, te verhandelen, enz., zonder bevel van den eigenaar; en het is hem niet geoorloofd eene boot, kano als anderzins te bezitten; noch ten zijnen behoeve op te voeden of aan te fokken paarden, hoornvee, schapen of varkens, op straffe van verbeurdverklaring van al die bezittingen, enz. en van alle booten, kano's, paarden, hoornvee, schapen en varkens. En aan ieder, wie ook, is het veroorloofd aan zulk een slaaf al zulke bezittingen te ontnemen en die over te leveren in handen van den vrederegter, die het digtst bij de plaats woont, waar hij die bezittingen in beslag genomen heeft. Die vrederegter zal zulk een persoon den eed afnemen, dat hij waarlijk op de wijze, door hem verklaard, in het bezit daarvan is gekomen; en indien gezegde vrederegter overtuigd is, dat de in beslag neming geschied is overeenkomstig de wet, zal hij het in beslag genomene verbeurd verklaren en het in het openbaar verkoopen; zullende de helft der opbrengst dier verkooping vallen aan den Staat en de andere helft aan hem of hen, die het in beslag genomen heeft of hebben.

In vele andere Staten zijn de wetten gelijkluidend met deze, maar de Staat Georgia telt nog een maatregel meer tegen dat geven van verlof aan slaven, om zich tot eigen voordeel aan anderen te verhuren. Eene boete van dertig dollars wordt den eigenaar opgelegd voor iedere week, dat de verhuring geduurd heeft, ten zij het arbeidsloon voor hem werd verdiend. De steden Savannah, Augusta en Sunbury maken eene uitzondering.

In Virginia wordt, "wanneer de meester dan slaaf veroorlooft zich uit te huren," de eerste beboet, de laatste gekastijd.

In een vroeger besluit der Wetgeving van het orthodoxe en presbyteriaansche Noord-Carolina, is het merkwaardig te zien, hoe men door eene getrouwe handhaving dier wet tevens de Christelijke liefdadigheid uitoefent. In één enkel, vernuftig uitgedacht, besluit wordt het vergrijp tegen de maatschappij gestraft, de vaderlandslievende aanbrenger beloond en de arme en noodlijdende gevoed:

Alle paarden, hoornvee, varkens of schapen, die, ééne maand na de uitvaardiging van dit besluit, aan een slaaf behooren of het bewijs dragen dat zij het eigendom van een slaaf in dezen Staat zijn, worden in beslag genomen en verkocht door County wardens en door hen verdeeld, zijnde de eene helft voor de armen der County en de andere voor den aanbrenger.

In Mississippi wordt de meester, die zijn slaaf toestaat katoen voor eigen gebruik te kweeken, beboet met vijftig dollars; evenzoo hij, die zijn slaaf laat uitgaan en arbeiden als een vrijgeborene, of van wien het bewezen is, dat hij zijn slaaf heeft veroorloofd eenigen eigendom, van welken aard ook, te bezitten.

Om te doen zien, hoe deze wet is uitgelegd door het hoogste regtscollegie in den Staat Mississippi, herhalen wij hier een gedeelte van eene uitspraak van den regter Sharkey, die wij elders (zie pag. 135) meer in haar geheel hebben gegeven.