De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 26
Nader verhoor. De gezondheid van mevrouw Rowand was slecht, zij was zenuwachtig; de slavin Maria was zwak en mager; een plotselinge dood van zulk een persoon en in zulk een toestand door eene beroerte of overspanning van het zenuwgestel niet onwaarschijnlijk; haar plotselinge dood behoefde niet noodzakelijk aan geweld van buiten te worden toegeschreven; had bij een vroeger bezoek duivelsdrek voor mevrouw Rowand voorgeschreven; dit is een zeer geschikt geneesmiddel voor zenuwaandoeningen; mevrouw bezat geene ligchaamskracht genoeg om met de pijnboom-knods een slag van eenige beteekenis te geven; mevrouw Rowand had vijf of zes kinderen; de oudste van hen was groot genoeg om eenige stukken hout uit het vertrek te dragen; er moest eene zware kneuzing en belangrijke bloedstorting hebben plaats gehad om daaruit, in dit geval, een gewelddadigen dood af te leiden; beroerte gaat dikwijls gepaard met bloedstorting; er waren twee Maria's onder de slavinnen.
In antwoord. Mevrouw Rowand zou de knods hebben kunnen opnemen, maar zou geen slag er mede hebben kunnen geven; zulk een stuk hout zou den dood hebben kunnen veroorzaken, maar het zou kenteekenen moeten hebben achtergelaten; zag den slaaf Richard; hij was allezins in staat om zulk een slag te geven.
Dr. Peter Porcher. Was door den Coroner geroepen om het lijk van Maria te schouwen; vond het in een keuken; het was het lijk van eene zwakke en magere vrouw, gedeeltelijk afgelegd; hij had haar van haar kleederen ontdaan; het ligchaam was door zweepslagen gewond; het gelaat en de beenderen waren geschaafd; had de huid er afgenomen; streek met zijne hand over het hoofd; geen been gebroken; sneed, op verzoek van den Coroner, de borst open en onderzocht de ingewanden; bevond die in normalen toestand; het hart buitengewoon voor iemand van haar leeftijd; geene bijzondere lucht; eenig onverteerd voedsel; geene ontsteking; nam de huid van het hoofd weg en vond een belangrijke bloedstorting tusschen die huid en de hersenpan; de huid was met bloed onderloopen; vlak onder die huid vond hij de sporen van een enkelen slag, boven het regter oor; ligtte daarna de hersenpan op; geen enkel bloedvat gesprongen; onder de huid, die het kruinbeen bedekt, had eene groote bloedstorting plaats gehad, het gevolg van eene reeks van slagen op de kruin; het bloed had zich verspreid, maar boven het oor was slechts een enkele plek; een knoop in een riem zou daarvoor voldoende zijn geweest; eene opeenvolging van slagen kon, bij eene zwakke vrouw, den dood ten gevolge hebben, terwijl dit, bij eene sterkere, niet het geval zou wezen; zag geen andere kenteekenen bij haar, waaraan de dood was toe te schrijven, behalve die slagen.
Nader verhoor. Bij iemand als deze vrouw moesten die slagen, naar alle waarschijnlijkheid, den dood veroorzaken; zij waren niet van dien aard, dat zij een gewoon krachtig mensch zouden dooden; getuige zag het lijk vier-en-twintig uren na den dood; het was winter en zeer koud; geene ontbinding en de schouwing kon dus uitgesteld worden; de kneuzing achter het oor kon het gevolg zijn van een val, maar niet de kneuzing aan de kruin, tenzij zij met het hoofd naar beneden was gevallen; kwam tot het besluit, dat er meerdere slagen moesten gegeven zijn, door de belangrijkheid der bloedstorting; het gevolg van een enkelen slag zou zijn, dat rondom eene bepaalde plek het bloed verspreid was; een enkele slag kon het geheele hoofd niet treffen, daar het hoofd rond is; geen bloed in de hersenen; de zachtheid van de hersenen was niet noemenswaardig; bij eene gewone ontleding zou daarop geen acht zijn geslagen; pijn veroorzaakt somtijds eene beroerte, die den dood ten gevolge heeft; het bloed tusschen het vel en de hersenpan was blijkbaar kort geleden gestort; vier-en-twintig uren konden naauwelijks eenige verandering te weeg brengen; wist niets van den neger Richard vóór noch na het onderzoek; de oorzaak van den dood is somtijds niet op te maken, hoewel dit slechts zelden het geval is.
In antwoord. Schreef de zachtheid der hersenen niet toe aan de slagen; zij was van weinig beteekenis en kon het gevolg van ouderdom zijn; het was eenigermate een blijk van verzwakking van geestvermogen bij hoogen leeftijd.
Dr. A. P. Hayne stond, op verzoek van den Coroner, Dr. Porcher bij; werd in de keuken gelaten; zag op den rug van het lijk sporen van kneuzing, de armen waren gezwollen en uitgerekt; het ligchaam was gewond; kneuzingen aan hoofd en nek; tusschen het vel en de hersenpan uitstorting van bloed, aan de kruin en achter het regter-oor; de hand was gebrand; de hersenen schenen in normalen toestand; openden het ligchaam; vonden geene sporen van eene kwaal in de borst of de ingewanden; schreef de bloedstorting toe aan uitwendige beleedigingen door slagen, slagen met een dik, breed en bot voorwerp; schreef den dood aan die slagen toe; veronderstelde dat zij in staat waren den dood te veroorzaken, daar de vrouw oud, zwak en vermagerd was.
Nader verhoor. Het zou den dood bij een jong en krachtig persoon niet veroorzaakt hebben.
Het getuigenverhoor ten laste werd hier gesloten, en geene getuigen à décharge werden opgeroepen.
Achtereenvolgens rigtten nu de raadslieden der beschuldigde en de Procureur-Generaal het woord tot de jury. Die redevoeringen als ook de beschuldiging van den regter zijn door ons uitvoerig opgeteekend, maar tijd en ruimte ontbreken ons ze hier mede te deelen.
De Regter O'Neall, wees toen in eene zeer welsprekende en doorwrochte rede op de feiten; verdedigde de bestaande wet, die de doodstraf stelde op het vermoorden van een slaaf; maar verklaarde ten aanzien der wet, dat hij die van 1740 nog van kracht achtte voor zooveel zij toeliet, dat een beschuldigde zich door een eed zuiverde, ten zij klaarblijkelijk het tegendeel bewezen werd door twee getuigen; en dat zij daarom, naar zijne meening, verpligt waren tot vrijspraak; ofschoon hij het geheel aan hen overliet, te verklaren of de beschuldigde schuldig was aan moord, aan doodslag in drift of in plotselinge opwelling van hartstogt, of dat zij onschuldig was.
De jury zonderde zich toen af en keerde na twintig of dertig minuten terug met de uitspraak "Onschuldig."
Er zijn eenige uitdrukkingen vooral in het pleidooi van den advokaat, die wel onze aandacht verdienen. Bij voorbeeld de volgende:
Gelukkig is de jury van dit land bekend met onze staatkunde en onze gewoonten; en zamengesteld uit mannen, te onafhankelijk en eerlijk om zich te laten leiden door het gewoel en het geschreeuw daar buiten. Alles is naar behooren in acht genomen; en eindelijk zijn thans de leden van het Geregtshof vergaderd, bij hetwelk mijne cliënte hulp en toevlugt gezocht heeft. De drempel van dat hof is heilig; geene profane stemmen dringen daar binnen door; maar de wet onderzoekt thans de feiten.
Hieruit blijkt duidelijk dat het regtsgeding de publieke belangstelling had opgewekt, en in die mate opgewekt, dat, ondanks de onverschilligheid, die slavenhoudende Staten kenmerkt, rondom het Geregtshof eene opgewonden menigte vergaderd was.
Uit eene andere zinsnede in dat pleidooi schijnt te blijken, dat er vele slaven waren, die als getuigen konden optreden, wier getuigenis geen zweem van twijfel meer zou overlaten. Waarom anders zou hij zoo ernstig de jury daartegen waarschuwen.
Hij waarschuwde de jury ernstig, geen gehoor te leenen dan aan het getuigenis van blanken, onder eede, in de volle regtszaal afgeleid. Zij konden geen getuigenis denken, dat niet van deze kwam. Daarvoor waren zij gekozen en hunne bekwaamheid stelde hen boven den invloed van ongegronde beschuldigingen, die niet wettelijk bewezen waren; of van die verhalen van buitensporige gruwzaamheid, gegrond op de verklaring van negers, even slecht en boosaardig als valsch.
Vergeten wij ook dat merkwaardige gezegde niet: "De waarheid is hier verwrongen, en er is moord gemaakt uit iets, dat slechts uit de gewone huiselijke tucht voortvloeit." De lezer herinnere zich nu het getuigen-verhoor, waaruit blijkt dat de vrouw ruim vijftig jaar oud was; dat zij oud en mager was; dat haar een reeks van slagen op de kruin gegeven werden, een hevige slag boven het oor; en dat, naar het oordeel van den heelmeester, deze slagen voldoende waren om den dood te veroorzaken. En toch merkt de advokaat met zeer veel koelbloedigheid aan, dat er moord gemaakt is uit iets, dat slechts uit de gewone huiselijke tucht voorvloeide." Moeten wij daaruit afleiden dat het slaan van eene zwakke oude vrouw op het hoofd, op die wijze, een staaltje is der gewone huiselijke tucht te Charleston? Wat zou men geantwoord hebben als eens een anti-slavernij gezind nieuwsblad in het Noorden dit beweerd had? En toch deelt de Charleston Courier deze bewering mede zonder nadere verklaring of ontkenning. Maar die raadsman der beschuldigde gaat nog verder in de verdediging dier huiselijke tucht. Er moest somtijds gekastijd worden, wanneer er inbreuk op de tucht was gemaakt; en de mate dier kastijding stond aan niemand ter beoordeeling dan aan den eigenaar zelf. Het gebeurde in deze was droevig en ongelukkig." De advokaat neemt aan, dat het gevolg van de slagen met een knods op het hoofd eener oude zwakke vrouw "droevig en ongelukkig is." Het oude voorwerp was te zwak om het te verdragen, en had zoo weinig achting voor den goeden naam van haar meester en van de slaven-instellingen, dat zij stierf, en op die wijze zijn gezin en de geheele maatschappij in ongelegenheid bragt. Men moet dus uit die woorden opmaken, dat meestal, wanneer oude vrouwen op het hoofd geslagen worden, zij sterker gestellen of meer achting voor de slavernij hebben.
Nog zegt hij, "wanneer de slaaf straf verdient, moet de meester niet aansprakelijk worden gesteld voor iederen duim, dien hij buiten de grenzen zijner magt gaat," en eindelijk sluit hij met eene zinsnede, die wel de meeste verbazing zal wekken. "Hij maakte de jury indachtig aan de woorden van hem, die sprak als niemand ooit gesproken heeft: Dat hij die zonder zonden is, den eersten steen op haar werpe! Zij, als slavenhouders, zouden welligt ook uitersten te betreuren hebben."
"Wat bedoelt de advokaat hiermede? Wil hij zeggen, dat waarschijnlijk alle gezworenen zich aan dergelijke daden hebben schuldig gemaakt, en daarom, in deze zaak, niets hadden in te brengen? nam geen der gezworenen de partij voor hen op! gevoelde niemand die aantijging? Uit dat alles blijkt dat de jury er in berustte als in een algemeen erkend iets; en de Charleston Courier neemt het over zonder commentarie, in het verslag van een regtsgeding, dat, naar het voorgeeft "de wereld zal leeren hoe de wet met haar schild der bescherming den blanke zoowel als den nederigen slaaf beschut."
Eindelijk, letten wij wel op de uitspraak van den regter, die wet is geworden in Zuid-Carolina. Welk punt wordt er door beslist? Dat de eenvoudige eed van den meester, tegenover alle omstandigheden, waaruit het tegendeel blijkt, hem kan zuiveren van schuld, wanneer er sprake is van een moord op een slaaf gepleegd. En dit regtsgeding wordt als eene proeve van onpartijdigheid en billijkheid der regtspleging uitgebazuind! "Indien het licht dat in u is, duisternis is, hoe groot is dan die duisternis!"
HOOFDSTUK VIII.
DE GOEDE OUDE TIJD.
Een vooruitgang van beschaving, die zeer twijfelachtig is.
B. F. Hunt.
Hoewel de schrijfster slechts met tegenzin de stuitende bijzonderheden van het volgende proces aan hare lezers mededeelt, acht zij het toch noodzakelijk aan te toonen, hoe de vroegere wet van Zuid-Carolina werkte, die hier gekenschetst werd als eene wet, "overeenstemmende met onze staatkunde en goedgekeurd door de "wijsheid" van de grondleggers van dien Staat, en waarvan de wijziging genoemd werd "een vooruitgang van beschaving, die zeer twijfelachtig is."
Wij gelooven daarbij te moeten voegen de uitspraak van den regter Wilds, deels om hare innerlijke waarde en de edele gevoelens, die er in worden uitgedrukt, maar vooral, omdat daarin zulk een sterk contrast wordt gevonden tusschen des regters diep en verontwaardigd gevoel van regt en de schandelijke onmagt en onvolledigheid der wetten, die hij moest toepassen.
Het gebeurde werd ter kennisse van de schrijfster gebragt door een brief van een vriend in Pennsylvanië, waarvan het volgende een uittreksel is.
Tusschen 1807 en 1810 lag er in de haven van Charleston een schip, onder bevel van een zekeren Slater. De bemanning bestond uit slaven: een hunner beging eene misdaad, die in het verhaal niet genoemd wordt. De kapitein beval dat men hem gebonden op het dek brengen zou; en daar, in de haven van Charleston, op klaarlichten dag, deed hij hem door een anderen slaven-matroos het hoofd afhouwen. De zaak werd publiek en van algemeene bekendheid. Er werd eene vervolging tegen den kapitein ingesteld; de misdaad werd bewezen, en welligt niet eens ontkend,--en de regter gaf in eene schoone en treffende toespraak tot den beschuldigde zijn opregt leedwezen te kennen, dat hij, onder de heerschende slavenwetten, geene straf kon opleggen.
Ik studeerde in de regten toen ik die zaak opgenomen vond in Hall's American Law Journal, deel I. Ik heb het boek sedert vijf-en-twintig of dertig jaar niet onder de oogen gehad; in de namen enz. kan ik mij dus bedriegen, maar de feiten hebben te diepen indruk op mij gemaakt, om mij die niet juist te herinneren.
De toespraak, hierboven bedoeld, was van den regter Wilds uit Zuid-Carolina; wij hebben haar woordelijk overgenomen uit het tijdschrift zoo straks genoemd.
John Slater! Door eene jury uit uwe landgenooten is het als bewezen aangenomen, dat gij moedwillig uw slaaf vermoord hebt; en het doet mij leed het te moeten verklaren, het korte, stellige en onwederlegde getuigenis, waarop die uitspraak gegrond is, laat naauwelijks eenigen twijfel over.
De geschiedenis der menschelijke boosheid levert misschien geen tweede voorbeeld op van zulk eene wreede, bloeddorstige, helsche, wraakoefening.
Gij bevaalt dat uw weerloozen slaaf, die niets kwaad had bedreven, aan handen en voeten zou gebonden worden, en, door eene alles overtreffende wreedheid, dwongt gij zijn medgezel, misschien zijn boezemvriend, om zijn hoofd met eene bijl af te houwen en zijn nog stuiptrekkend ligchaam in het water te werpen! En die daad dorst gij schaamteloos volbrengen, op klaar lichten dag, in de haven zelve van Charleston, op weinig afstands van den wal. Hadt gij uw moordenden arm opgeheven tegen uwe gelijken, die het regt tot zelfverdediging en de nog krachtiger wetten van het land beschermen, dan zouden uwe misdaden niet zonder voorbeeld en minder afschuwelijk wezen. Het gevaar, dat gij zelf liept, zou getoond hebben dat, hoewel een moordenaar, gij geen lafaard waart. Maar gij wist maar al te goed, dat die ongelukkige man, die het lot in uwe magt gebragt had, niet als gij heilige regten bezat, die hem de natuur had geschonken en de wetten des lands handhaafden; en dat eene strenge, maar noodzakelijke maatregel hem het regt van zelf-verdediging had ontnomen. Maar al te wel wist gij, dat hij bij u alleen bescherming kon vinden, en dat uw arm alleen hem tegen verdrukking kon hoeden of zijne misdrijven straffen; en toch dien arm hebt gij wreedaardig opgeheven om hem te vernietigen!
De raadsman, die edelmoedig en vrijwillig zijne hulp u aanbood, werd getroffen door het afschuwelijke uwer daad, en trachtte eene verschooning te vinden, zoowel voor zijn eigen gevoel als voor het gevoel van allen, die het geding bijwoonden, door u voor krankzinnig te doen doorgaan. Verscheidene getuigen werden verhoord om dit feit te bewijzen, maar hunne verklaringen deden, vrees ik, hem evenveel leed als de jury. Vurig had ik gewenscht dat die reden van verschooning gegrond ware, niet omdat ik zou verlangen u aan de straf te onttrekken, die u wacht, en die gij in zoo hooge mate verdient, maar uit zucht om mijn land het bittere verwijt te doen ontgaan, dat het zulk een monster in zijn boezem heeft gedragen.
Bijzondere omstandigheden van dit land regtvaardigen het in onze vaderen, dat zij hem, die een slaaf vermoordt, slechts met eene geringe straf bedreigden. Of de tegenwoordige toestand der maatschappij eischt dat wij die staatkunde blijven volgen, die schijnbaar zoo lijnregt in strijd is met de regten van den mensch, blijve aan eene volgende wetgeving over te beslissen. Hare aandacht zou zich reeds vroeger tot dit onderwerp bepaald hebben, maar, tot lof der menschheid zij het gezegd, booswichten als gij worden er slechts zelden gevonden. De hoogste jury van dit district, diep getroffen door uwe drieste inbreuk op de wetten van God en menschen beiden, heeft op eene nadrukkelijke wijze hare zienswijze ten aanzien der daad waaraan gij u hebt schuldig gemaakt, aan de wetgeving kenbaar gemaakt, en van de wijsheid en regtvaardigheid van dat ligchaam mogen de vrienden der menschheid hopend vertrouwen, dat zij weldra die zwartste in de rij der menschelijke misdaden door eene evenredige straf zullen zien verdwijnen.
En thans, nu ik overga tot het uitspreken van het vonnis, dat de wet op uwe misdaad stelt, moet ik verklaren nimmer in zoo hoogen graad het gebrek aan magt te hebben gevoeld, om de wet te kunnen handhaven, waarvan ik de dienaar ben. Gij hebt reeds de majesteit dier wetten ontheiligd. Gij hebt de wet durven aanroepen, waarin uwe beschuldiging staat geschreven, als eene regtvaardiging uwer misdaad. Gij hebt die wet in de eene hand gehouden en in de andere de bloedige bijl, en hebt schandelijk durven beweren, dat de eene het onbeperkt gebruik der andere veroorloofde.
Maar, ofschoon uw persoon niet gedeerd wordt door dit vonnis, verwacht daarom niet dat gij alle straf zult ontgaan. Het bloed, dat gij vergoten hebt, heeft u gebrandmerkt, en dat brandmerk kan, vrees ik, door geene beterschap in het vervolg worden uitgewischt. Gij zult geschuwd worden door eene onpartijdige wereld, en door iederen brave als een monster worden nagewezen. Op uwe onschuldige nakomelingen zal uw misdrijf drukken, door de schande dat zij het nageslacht zijn van een gevoelloozen moordenaar. Uwe dagen--en zij zullen slechts weinige zijn--zult gij in ellende doorbrengen; en, indien uw gemoed niet geheel onvatbaar is voor edeler aandoeningen, indien gij niet geheel in de magt blijft van uwe verharde boosheid, zal het verminkte en misvormde lijk van uw vermoorden slaaf gedurig voor uwe verbeelding oprijzen, te midden van de woelingen des levens en u vervolgen in de uren van rust en kalmte.
Maar, mogt gij ook de verwijten niet tellen eener gehoonde maatschappij, mogt gij met onvermurwbare gevoelloosheid de knagingen van uw schuldig geweten ondergaan, bedenk, dat er een vreeselijker tijd voor u zal aanbreken, en weldra voor u zal ingaan, wanneer gij voor een regterstoel moet verschijnen, wiens onmagt u geene straffeloosheid kan doen verwachten; wanneer gij uwe met bloed bevlekte handen zult moeten toonen voor den regterstoel van een onpartijdigen alwetenden Regter. Bedenk dat, roep ik u toe, bedenk, zoolang het nog tijd is, dat God is regtvaardig, en dat Zijne vergelding niet eeuwig zal uitblijven!
De boete, welke den schuldige, die hier zoo plegtig werd ten toon gesteld, werd opgelegd, bedroeg zeven honderd pond, of, bij wanbetaling, eene gevangenisstraf van zeven jaren.
En toch schijnt het dat er mannen waren, die de wijziging dezer wet een zeer twijfelachtig en vooruitgang der beschaving noemden!" Tot staving van dit gevoelen, wordt als autoriteit aangehaald, zoo als de lezer in de redevoering van den advokaat Hunt in het vorig hoofdstuk kan zien, de meening van den kanselier Harper. En, zoo als in zulke pleidooijen gewoonlijk het geval is, wordt de oude wet genoemd als eene wet die den slaaf beter beschermt dan de nieuwe. De uitslag der twee processen zou ook waarlijk die meening eenigermate aannemelijk maken, want onder de oude wet werd Slater ten minste veroordeeld tot eene boete van zeven honderd pond, terwijl onder de nieuwe Eliza Rowand er afkomt met een "naauwkeurig onderzoek."
Op die wijze straft de wet den moord van een slaaf. Hoe straft zij nu den moord van den eigenaar door zijn slaaf?
Wij willen als eene proeve daarvan een kort verslag geven van een regtsgeding van dien aard, dat niet lang geleden in Virginia gevoerd werd en medegedeeld werd in de Alexandria Gazette van den 23sten October 1852, als uittreksel uit den Charleston Free Press.
Zaak van den Neger Henry.
Het geding van dezen slaaf, die beschuldigd werd van eene poging tot moord op den Heer Harrison Anderson, ving aan des maandags en werd ten einde gebragt des donderdags avonds. De opperregter in Braxton, County Davenport Esq. met vier hem toegevoegde regters maakten de regtbank uit.
De Staat werd vertegenwoordigd door zijn attorney Charles B. Harding, Esq., en de beschuldigde werd met zeer veel bekwaamheid en zeer welsprekend verdedigd door de Heeren Wm. C. Worthington en John A. Thompson Esqrs. Het bewijs der schuld was overtuigend. De meerderheid der regters oordeelde dat op hem de hoogste straf van toepassing was; maar met eenparigheid werd besloten, dat hij veroordeeld zou worden tot het ontvangen van vijfhonderd geeselslagen, niet meer dan negen en dertig achter elkander. De geneesheer van het gevangenhuis werd gelast toe te zien, dat zij niet te spoedig na elkander zouden gegeven worden, en alleen dan, wanneer, naar zijn oordeel, de beschuldigde ze verdragen kon.
In een ander blad vinden wij dat de Free Press zegt:
De meerderheid der regters oordeelde, dat op hem de hoogste straf van toepassing was; maar met eenparigheid werd besloten, dat hij veroordeeld zou worden tot het ontvangen van vijfhonderd geeselslagen, niet meer dan negen en dertig achter elkander. De geneesheer van het gevangenhuis werd gelast toe te zien, dat zij niet te spoedig na elkander zouden gegeven worden, en alleen dan, wanneer, naar zijn oordeel, de beschuldigde ze verdragen kon. Dit moge welligt eene harde en wreede straf schijnen, maar wanneer wij in aanmerking nemen, dat zij in overeenstemming is met de wetten van het land, en dat de oproerigheid onder de slaven van dezen staat inderdaad zorgwekkend wordt, mogen wij de billijkheid dier straf niet in twijfel trekken.
Wil iemand beweren, dat, omdat het leven van den meester aan meer gevaar is blootgesteld van de zijde van den slaaf, dan dat van den slaaf van de zijde des meesters, deze evenredigheid in de straf bestaat? Zij die zulk eene wet verdedigen, zullen wel doen eens na te denken over de ernstige woorden van een oud boek, dat ingegeven werd door Een, die geen aanzien des persoons kent:
"Zoo ik het regt versmaad heb van mijn dienstknecht of van mijne dienstmaagd, als zij zich over mij beklaagden;
"Wat zoude ik dan doen als God opstond? en als Hij bezoeking deed wat antwoord aan hem geven?
"Heeft niet, die mij in 's moeders ligchaam vormde, ook hem gemaakt? en ons in éénen moederschoot gekoesterd?"
HOOFDSTUK IX.
MATIGE KASTIJDING EN TOEVALLIGE DOOD.
De Staat tegen Castleman.