De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 25
"De Procureur-Generaal, Henry Bailey Esq., stond toen op en voerde ongeveer op de volgende wijze het woord voor den Staat. Hij zeide, dat, na maanden angst en spanning, eindelijk de gordijn was opgetrokken, en hij en de jury op het punt stonden hun treurige rol in dit drama van het werkelijk leven, dat zoo lang de aandacht van het publiek had gaande gehouden, op zich te nemen. Hij zoowel als de jury was geroepen tot de vervulling van een gewigtigen, moeijelijken en ernstigen pligt. Zij moesten vonnis vellen tusschen de beschuldigde en den Staat--in eene zaak, waarbij het leven gemoeid is; van hunne uitspraak hing het leven of de dood, de eer of de schande der beschuldigde af; maar hij vertrouwde, dat hij en de gezworenen kracht en helderheid van geest zouden hebben, om hunne taak getrouw te vervullen; en wat ook de uitslag wezen mogt, hun geweten zou door dat bewustzijn getroost en gerustgesteld worden. Hij verzocht de jury wel in het oog te houden en te overwegen, welke eene gewigtige taak en heilige verpligtingen zij thans ten uitvoer moesten brengen. De grondwet van den Staat bekleedde hen met eene magt over het leven en al wat dierbaar was aan het gezin van de ongelukkige vrouw, over wie zij oordeelen moesten. Maar aan hen was ook opgedragen de heilige zorg voor de handhaving der wetten van het land; en aan hunne uitspraak was eene der ernstigste vraagpunten, die ooit aan de beslissing eens menschen onderworpen worden, overgelaten. Zij moesten den weg der regtvaardigheid volgen, zonder om te zien, zonder noch ter regter, noch ter linker af te wijken, en zich niet laten leiden, noch door eenig vooroordeel jegens de beschuldigde, noch door eene zwakke toegefelijkheid ten haren opzigte. Sommigen hunner mogten welligt persoonlijk onbekend zijn met den pligt, die hun te wachten stond, maar zij waren allen bekend met de wet, en ook op hen rustte thans de verantwoording als gezworenen. Het was naauwelijks noodig hun te zeggen, dat, indien de schuld bewezen was, zij niet mogten aarzelen het "schuldig" uit te spreken, al moesten zij dan ook dat schuldig nederschrijven in bloedige tranen. Geen ongeoorloofd medelijden, geene zwakke teêrgevoeligheid mogt hen weerhouden, wanneer het doodvonnis geëischt werd, in het vervullen hunner duidelijk omschreven taak. Zij moesten eene wet toepassen, geene wet maken; zij waren geroepen om de wet te handhaven, door het vervullen van den hoogsten pligt jegens God en hun land. Indien iemand hunner hieromtrent twijfelde of aarzelde, zou spreker niet kunnen veronderstellen, dat hij onder de gezworenen zou hebben plaats genomen. De wet eischt den dood als de verdiende straf voor de misdaad, waarvan hier sprake is, en de jury heeft gezworen de wet te handhaven. Die wet is ook in volkomene overeenstemming met de Heilige Schrift, die ons leert "dat het land niet gezuiverd zal worden van het bloed, dat er in vergoten is, uitgezonderd van het bloed van hem, die het vergoten heeft." Hij was dus overtuigd, dat zij allen zouden bezield zijn met het standvastig besluit, om in deze te handelen naar hetgeen een gezond oordeel, en een rein geweten hun bevolen. De beschuldigde echter had ook regt daarop zoowel als het vaderland; zij had aanspraak of eene regtvaardige en onpartijdige behandeling. Volgens de wijze en menschlievende beginselen onzer wet, waren zij verpligt de beschuldigde voor onschuldig te houden, en zij stond schuldeloos voor hen, tot dat de schuld wettig, deugdelijk en voldoende zou zijn bewezen. Doof voor de stem eener toegevende menschlievendheid en van een blind vooroordeel, moesten zij hunne taak aanvaarden met een volkomen onbevangenen en onbevooroordeelden geest; zij moesten de omstandigheden wegen met naauwgezetheid en zorgvuldigheid, en wanneer door een wettig, grondig en voldoend, ofschoon geen stellig bewijs, de schuld bewezen was, moesten zij zonder aarzelen, zonder vrees en opregt voor hunne overtuiging uitkomen. Daarna herinnerde hij hen aan het onderscheid in sommige opzigten door de wet gemaakt; maar liet de feiten geheel daar: de mededeeling daarvan liet hij over aan de getuigen, die hij in geenen deele door zijne opmerkingen wilde leiden. De beschuldigde was aangeklaagd wegens moord op een slaaf gepleegd. Dit werd, volgens de gewone wet, geacht geen moord te zijn. Het was ook geen moord volgens de vroegere wet; maar de wet van 1821 heeft het dooden van een blanke en van een zwarte gelijk gesteld. Hierop las hij de wet van 1821 voor, waarin gezegd wordt, dat "hij die kwaadwillig, opzettelijk en boosaardig een slaaf vermoordt, wanneer de daad bewezen is, den dood zal ondergaan, zonder bijstand van een geestelijke." De regels, die ten aanzien van moord in de gewone wet voorkomen, zijn echter ook in dit geval van toepassing. Het in te stellen onderzoek moest voornamelijk loopen over twee vragen: 1o. Heeft de beschuldigde een moord gepleegd? hetgeen uit de bewijzen duidelijk moest blijken. Indien zij niet daaraan schuldig was, zou het proces ten einde zijn; en 2o. Van welken aard is die moord, of die misdaad? was zij gepleegd met voorbedachten rade? "Kwaadwilligheid (malice)" ging de Procureur voort, "is het criterium van misdaad. Waar moord gepleegd is, wordt kwaadwilligheid verondersteld, ten zij het tegendeel blijke; en dit moet uitgemaakt worden door de bijkomende omstandigheden." Kwaadwilligheid is een woord, dat in de regtspleging eene eenigzins andere beteekenis heeft dan in het dagelijksch leven. "Volgens den geleerden Michael Foster, bestaat het niet in kwaadwilligheid jegens den een of ander," het beteekent niet haat tegen een bijzonder persoon; maar het is algemeen in zijne beteekenis en uitwerking. Want even als doodslag, zonder oogmerk om den doodslag te plegen, niet altijd moord is; en er verschoonbare redenen kunnen bestaan, die den moord in eene opwelling van drift of in toorn gepleegd slechts manslag doen zijn; zoo kan er ook moord gepleegd worden zonder kwaadwilligheid jegens een bepaald persoon, ja, bij volkomen onverschilligheid omtrent den verslagene, zoo als, wanneer de roover iemand doodt om zijne misdaad geheim te doen blijven. Kwaadwilligheid is die verdorven eigenschap van het hart, die iemand zijn maatschappelijken pligt doet vergeten, en hem tot misdaad aanzet. Zij is ook dan aanwezig, wanneer men zonder zich om de wet of het leven zijns naasten te bekommeren onder eene menigte volks schiet, en op die wijze moord pleegt op een, misschien aan den dader onbekend, persoon. Zulk eene eigenschap keurt de wet af, en straft haar, wanneer zij tot daden leidt, met den dood, omdat zij in strijd is met de bestaande wetten der maatschappij. Men kan zulk eene daad ook plegen zonder nog juist de wet te verachten; maar wanneer zij gepleegd is, zonder dat men de gevolgen heeft berekend, en zij den dood na zich sleept, is zij moord in het oog der wet. "Wanneer de feiten, die bij het onderzoek aan het licht moesten komen, niet aan deze voorwaarden beantwoorden, noodigde hij de jury uit de beschuldigde vrij te spreken, hetgeen zij aan hun pligt en aan de regtvaardigheid verschuldigd waren. Elk feit moesten zij met een naauwlettend oog beschouwen en daaruit besluiten of het noodlottig gevolg het uitvloeisel is eener onbedachtzame handeling of van eene te voren beraamde wraak, hetgeen de wet met den naam van kwaadwilligheid bestempelt. Verder zou hij zich van voorafgaande opmerkingen onthouden, maar overgaan tot het blootleggen der feiten, door de getuigen zelven mede te deelen."
Verklaring der getuigen onder eede.
J. Porteous Deveaux, coroner in het district Charleston, hield de lijkschouwing den 7den Januarij laatstleden, van het ligchaam der gedoode Maria, slavin van Robert Rowand, in de woning van mevrouw T. C. Bee (de moeder der beschuldigde), in de Logan-street. Het ligchaam bevond zich in een aangebouwd vertrek, eene keuken; het was het ligchaam van een oud en uitgeteerd persoon, tusschen de vijftig en zestig jaren oud; het werd in zijne tegenwoordigheid niet onderzocht door geneesheeren; hij zag eenige weinige schrammen op het gelaat; het werd naar het stadhuis gebragt. Mevrouw Rowand werd verhoord; hare verklaring was geschreven; zij werd hier overgelegd en luidt als volgt:
"Mevrouw Eliza Rowand. Verklaring onder eede. Gezegde Maria is hare min, en heeft zich gisteren morgen misdragen; de ondergeteekende zond Maria naar het huis van den heer Rowand, om gekastijd te worden door Simon; de ondergeteekende zond Maria van huis omstreeks ten zeven ure, des morgens; zij keerde terug tegen negen ure; kwam in hare kamer; Simon is niet in de kamer geweest vóór den dood van Maria; de ondergeteekende verklaart, dat Maria in de kamer nederviel; de ondergeteekende heeft haar doen oprigten door Richard, die toen in de kamer was, en de ondergeteekende gaf haar eenig duivelsdrek; toen verliet de ondergeteekende de kamer; Richard kwam bij haar en zeide dat Maria dood was; de ondergeteekende verklaart, dat Richard Maria niet geslagen heeft, en dat niemand anders haar geslagen heeft in de kamer der ondergeteekende. Richard verliet onmiddellijk het vertrek na de ondergeteekende; Maria was ongeveer twee-en-vijftig jaar oud; de ondergeteekende liet Maria door Richard naar Simon brengen, in het huis van den heer Rowand, om gestraft te worden; de heer Rowand was niet in de stad; Maria stierf omstreeks ten twaalf ure. Richard en Maria stonden met elkander op goeden voet; de ondergeteekende was in de kamer gedurende al den tijd dat Richard en Maria te zamen waren.
Eliza Rowand."
"Bezworen voor mij den zevenden Januarij 1847.
J. P. Deveaux, Coroner D. C."
Getuige begaf zich naar het vertrek der beschuldigde, waar de slavin was overleden; hij zag niets bijzonders; eenige stukken hout in eene kist onder den schoorsteen; zijne aandacht werd bijzonder getrokken door een stuk hout, achttien duim lang, drie duim breed en ongeveer een halve duim dik; hij mat het niet; de jury, met het onderzoek belast, heeft het gemeten; het was van geene ligte houtsoort; hij meent dat het van eikenhout was; er was eenig pijnboomhout en eenig gezaagd eikenhout. De geneesheer Peter Porcher werd geroepen om het lijk te schouwen, hij deed dit buiten tegenwoordigheid van den getuige.
Alvorens de getuige zijne plaats verliet, stond B. F. Hunt Esq., een der raadslieden van de beschuldigde, op en ving de verdediging voor de jury aan, nagenoeg in de volgende woorden:
Hij zeide, dat de zaak, thans in behandeling, geheel nieuw was; of zij goede of kwade gevolgen zou hebben, wilde hij niet voorspellen. Het was voor de eerste maal, dat in dezen Staat eene vrouw van onbesproken karakter en uit eene achtenswaardige familie als beschuldigde teregt stond, en met de doodstraf werd bedreigd wegens feiten, die ontstaan waren uit hare huiselijke betrekking tot haar eigen slaaf. Het was een schouwspel troostvol en aangenaam welligt voor hen, die de instellingen van ons land een kwaad hart toedroegen, maar dat bij ons slechts smart en droefheid kon opwekken. Hij wilde het menschelijk gevoel niet tegen de borst stuiten en eischen, dat de misdaad onstrafbaar zou worden verklaard; maar eene regterlijke tusschenkomst tusschen den slaaf en den eigenaar was eene zeer kiesche en gevaarlijke zaak. Het was voor de eerste maal dat hij stond tusschen den slaven-eigenaar en den regter, en zijne gemoedsstemming was verre van aangenaam. Het gold hier eene gansch andere zaak dan doodslag door den eenen gelijke gepleegd op den anderen. Tucht was noodzakelijk, waar slavernij bestond; en daarbij kwam geen nieuw beginsel ter sprake. Het zelfde beginsel werd in iederen Staat gevolgd; aan boord van een schip en in het leger, was altijd aan den bevelhebber eene ruime magt over den ondergeschikte gelaten. Beschuldigingen van minderen tegen hunne meerderen moesten altijd met groote omzigtigheid worden onderzocht, en vooral, wanneer hun wreedheid of misdaad jegens die minderen werd ten laste gelegd. Ten gevolge der betrekking van den eigenaar tot den slaaf, bestonden bij hen de gewone drijfveren tot moord niet, maar integendeel krachtige redenen, die het van de zijde des eerste tegengingen. Moord werd meestal gepleegd uit hebzucht of hartstogt. De meester won niets, maar verloor veel door den dood van zijn slaaf; en wanneer hij opzettelijk een slaaf het leven benam, moest meer dan gewone kwaadwilligheid hem tot die daad geleid hebben. Het beginsel, waaruit de vroegere wet van 1740, die het dooden van een slaaf met boete en verlies van burgerregt strafte, veranderd werd, was zeer betwistbaar. Zij was de wet van onze voorouders; zij strookte met hunne staatkunde, was goedgekeurd door hunne wijsheid, en werd onveranderd door hunne nakomelingen gehandhaafd tot het jaar 1821. Dat beginsel was in ons regtswezen ingeweven, ondanks de plannen, pogingen, en het schreeuwen van hen, die maatregelen beraamden voor de verbetering onzer maatschappij, waarbij zij geen belang hadden, en waarvan zij de instellingen niet kenden, en wier bemoeijingen leidden tot de treurige tooneelen van 1822. Hier verwees hij naar de zienswijze van den kanselier Harper, omtrent dit punt, die in zijne schoone en wijsgeerige Memoir on Slavery zegt: "Het is een eenigzins zonderling verschijnsel, dat, terwijl er in onzen Staat geene wet is, die op den moord van een slaaf hooger straf stelt, dan eene boete, er toch, durf ik zeggen, ten minste tien moorden op blanken gepleegd worden tegen één op een slaaf. Wij gaan zelfs verder: bij ons is de moord op slaven gepleegd zeldzamer dan op ouders, kinderen en werklieden en andere wreede en onnatuurlijke moorden in Staten, waar de slavernij niet bestaat. En toch meent men, dat zij minder beschermd worden dan hunne meesters. De verandering werd in de wet gebragt, om te gemoet te komen aan de meeningen en de kreten van hen, die ten eenemale onbekwaam waren zich een begrip van de zaak te vormen; en eene goede wet is zelden het gevolg van zulk een geest bij de wetgeving. Uit het feit, dat ik aanhaalde, blijkt genoeg, dat zij minder bescherming noodig hebben. Daardoor wordt de jury minder geneigd tot schuldig verklaren, en op die wijze kan het gebeuren, dat een schuldige aan alle straf ontsnapt. Veiligheid is eene der schadeloosstellingen voor hun nederigen staat."
Dat was het oordeel van den kanselier Harper, omtrent dit onderwerp, dat hij grondig had bestudeerd, en wiens zienswijze algemeen verspreid is in Amerika en ook in Europa. Gelukkig, zeide hij verder, was de jury, in dit land bekend met onze staatkunde en onze gewoonten en zamengesteld uit mannen, te onafhankelijk en eerlijk om zich te laten leiden door het gewoel en het geschreeuw daar buiten. Alles was naar behooren in acht genomen; eindelijk waren thans de leden van het Geregtshof vergaderd, bij hetwelk zijne cliënte hulp en toevlugt gezocht had. De drempel van dat Hof was heilig; geene profane stemmen drongen daar binnen door. De wet onderzocht de feiten door de getuigen onder eede medegedeeld, en nu moest de stem zwijgen dier zwakke teergevoeligheid en de ooren gesloten worden voor die verzonnen bloedige en akelige verhalen, het voedsel voor ledige hoofden. Hij waarschuwde de jury geen gehoor te leenen dan aan het getuigenis van blanken, onder eede in de volle regtszaal afgelegd. Zij konden geen getuigenis denken, dat niet van deze kwam. Daarvoor waren zij gekozen, en hunne bekwaamheid stelde hen boven den invloed van ongegronde beschuldigingen, die niet wettelijk bewezen waren, of van die verhalen van buitensporige gruwzaamheid, gegrond op de verklaring van negers, even slecht en boosaardig als valsch. Was het aan slaven veroorloofd tegen hun eigenaar te getuigen, het zou den band verbreken, die hen in vrede en eendragt zamenhield, en hen in staat stellen om hunne meesters tot het slagtoffer te maken van hunne kwaadwilligheid of wraakzucht. Men had het soms gezien, dat geheele benden hadden zamengespannen om kapiteins van schepen van den schandelijksten moord te beschuldigen, maar een regterlijk onderzoek had de valschheid dier beschuldigingen aan het licht gebragt. De waarheid was in dit geval verwrongen, en er was een moord gemaakt uit iets, dat slechts uit de gewone huiselijke tucht voortvloeide. Er moest soms gekastijd worden, wanneer er inbreuk op die tucht is gemaakt; en de mate dier kastijding stond aan niemand ter beoordeeling dan aan den eigenaar zelf. Het gebeurde in deze was droevig en ongelukkig, maar er bestond geen reden om het leven te benemen. De eigenaar had geen geldelijk belang bij den dood van zijn slaaf: die dood kon slechts het gevolg zijn van buitensporige woede van den meester, die zijn eigen hart met leed en rouw vervulde. Aan deze beschuldiging lag niets anders ten grond dan een algemeen geloofd gerucht, voortspruitende uit een bewijs, dat hier niet kon aangevoerd worden, het gevolg van die boosheid en verdorvenheid, die leugen baart. De hoop op vrijheid, op verandering van eigenaar, wraakzucht en zoovele andere redenen konden er bestaan, die den slaaf aanzetten om zijn meester te beschuldigen; geloof te hechten aan zulk eene beschuldiging zou gelijk staan met het verbreken van alle banden der menschelijke maatschappij. Waar opzettelijke, boosaardige moord was gepleegd, hetzij door man of vrouw, was de toepassing der wet een pligt jegens God en den mensch; maar de jury was dáár om te verhoeden, dat de onschuldige getroffen werd. De daad, waarvan hier sprake was, was geen moord volgens de gewone wet. De wet van 1740 was gebaseerd op het practisch gezond verstand onzer oude planters, en de geest er van dreef nog boven. De wet van 1841 strekte, blijkens hare bewoordingen, slechts tot vermeerdering der straf van hen, die bewezen werden een slaaf te hebben vermoord; en dit was een zeer twijfelachtig blijk van grooteren maatschappelijken vooruitgang. Maar, volgens de wet van 1821, moest de moord geschied zijn opzettelijk en kwaadwillig en wanneer de slaaf straf verdiende, moest de meester niet aansprakelijk gesteld worden voor iederen duim dien hij buiten de grenzen zijner magt ging; of hij door dit te doen een misdadiger was, zou de jury beslissen. De meester moest een oproerigen slaaf bedwingen; en boos opzet, waardoor de kwaadwilligheid moest bewezen worden, was een vereischte om den eigenaar volgens de wet tot verantwoording te roepen. Hij maakte de jury indachtig aan de woorden van Hem, die sprak, als niemand ooit heeft gesproken: "Dat hij, die zonder zonde is, den eersten steen op haar werpe." Zij, als slavenhouders, zouden welligt ook uitersten te betreuren hebben, waaraan zijzelven zich schuldig hadden gemaakt. Hij was geenszins verwonderd over de redevoering van den Procureur-Generaal, wiens pligt het was elke zaak met gestrengheid te behandelen. Hij keurde goed dat het onderzoek zou loopen 1o. over het feit van den doodslag en 2o. over het karakter of de aanleiding tot die daad.
Het getuigenis der beschuldigde toonde ten duidelijkste aan, dat de slavin een natuurlijken dood gestorven was, en niet een gewelddadigen. Zij werd gekastijd met een wettig wapen; verkeerde in ziekelijken toestand, zij was zenuwachtig en pijnlijk ten gevolge harer straf, kortom in geen gewonen toestand. De zaak had zich zeer natuurlijk toegedragen; het publiek was misleid door hersenschimmige vertelsels, of het getuigenis van slaven, die bij de zaak belang hadden. De negerin kwam in het vertrek harer meesteres; viel op den grond; er werd haar een geneesmiddel gegeven; men veronderstelde dat zij was ingeslapen,--zij was den doodslaap ingegaan. Om het wijze en staatkundige der oude wet van 1740 aan te toonen (de schuldigverklaring was onder beide wetten dezelfde, slechts de straf was bij de wet van 1821 veranderd) voerde hij aan, dat eene daad als deze, volgens de gewone; wet, geen moord was; ook worden, volgens de gewone wet, niet dezelfde bewijzen geldig verklaard als hier. "Daar wordt," zeide hij, "moord verondersteld bij doodslag; dit is niet het geval wanneer het een slaaf geldt. De wet van 1740 veroorlooft den meester, wanneer de slaaf in zijne tegenwoordigheid is gedood en er geen blanke getuige bij tegenwoordig was, zich van de beschuldiging te zuiveren door een eed; en die zuivering is voldoende, ten zij klaarblijkelijk het tegendeel is bewezen door twee blanke getuigen. Dit is juist wat de beschuldigde gedaan heeft; zij heeft, zoo als de wet veroorlooft, door zich op God te beroepen, zich gezuiverd. En haar eed is van kracht, althans tegenover den laster van hare eigene slaven. Waaraan moet meer waarde worden toegekend, aan de geruchten van anderen of aan het voorschrift der wet, die door onze voorouders is ingesteld? Er bestaat niet het minste stellige bewijs tegen de beschuldigde, niets dan eenige waarschijnlijkheid; en eene vernuftig uitgedachte redenering slechts kan tot eenig besluit leiden."
Regt, dat was al wat zijne cliënte vroeg. Zij gaf zich over aan onpartijdige, bekwame mannen, en zij verheugde zich in dat voorregt, omdat zij nu vertrouwde het regt te zullen verkrijgen, dat zij voor zich-zelven zouden eischen.
De heer Deveaux werd niet weder gehoord.
Resumé van het getuigenverhoor onder eede.
Dr. E. W. North. (Attorney maant hem aan niets te getuigen wat hij slechts bij gerucht weet). Getuige was de huisarts van mevrouw Rowand; begaf zich den 6den Januarij, op verlangen van mevrouw Rowand, naar het huis harer moeder, in Loganstreet; vond haar beneden in de huiskamer; zij verkeerde in een zenuwachtigen en overspannen toestand; was eene maand geleden eveneens geweest; had haar toen zijne hulp verleend; zij sprak tot den getuige niet over de slavin Maria; hij vond Maria op eene kamer in het bovengedeelte van het huis, omstreeks ten een ure na den middag; zij was dood; zij scheen ongeveer anderhalf uur vroeger gestorven te zijn; zijne aandacht werd getrokken door een stuk pijnboomhout op eene stellage of tafel in het vertrek; bovenaan was een groote knoest; zoo Maria er mede geslagen was, moest het zware kneuzingen hebben veroorzaakt; andere stukken hout lagen in eene kist, en daaronder veel kleinere; het lijk lag in een hoek van het vertrek; het was niet afgelegd; hij veronderstelde dat de slavin daar gestorven was; de likteekenen op het ligchaam waren, naar het oordeel van den getuige, weinig merkbaar; eenige schrammen op het gelaat; hij vermeed opzettelijk eenig nader onderzoek; bespeurde wonden aan het hoofd; sprak met mevrouw Rowand niet over Maria; verliet het huis; het was op den 6den Januarij, den dag vóór dat de zaak voor den regter kwam; kende de slavin vroeger, maar had nooit over haar gepractiseerd.