De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 24
Nu zou men welligt uit de ernstige en plegtige bewoordingen dier wet afleiden, dat zij althans tot iets moest leiden. Wij willen met een enkel voorbeeld aantoonen wat er door bereikt werd, Angelika Grimké Wild, eene zuster van Sarah Grimké, die wij zoo straks noemden, deelt het volgende mede omtrent den toestand van slaven op plantages. [10]
"En ik moet hier verklaren, dat de behandeling van slaven op plantages niet bekend is aan de arme lijders zelven en hunne opzigters en drijvers. Meestal kan zelfs de eigenaar zeer weinig van den toestand zijner slaven te weten komen, en zijne vrouw en dochters nog veel minder. Een paar voorbeelden uit mijn eigen familiekring zal dit bewijzen. Onze vaste woonplaats was te Charleston; ons buitenverblijf te Bellemont, op twee honderd mijlen afstand in het noordwestelijk gedeelte van den Staat, waar vroeger ons gezin jaarlijks eenige weinige maanden plagt door te brengen. Onze plantage was drie mijlen van die buitenplaats verwijderd. Daar leefden en werkten de slaven voor den veldarbeid. Nu en dan--eens in de maand misschien--ging de een of ander van ons eens naar de plantage; maar ik voor mij bezocht nimmer de velden, waarop de slaven arbeidden, en wist bijkans niets van hun toestand; dit echter weet ik, dat de menschen, die met het opzigt over hen waren belast, over het algemeen ruwe en gewetenlooze mannen waren. Maar het doet mij genoegen te weten, dat de wijze, waarop gewoonlijk de slaven in die streek behandeld worden, veel minder streng is dan op de plantages, die zuidelijker zijn gelegen.
"De planters der oostelijke en in het midden gelegen deelen van den Staat wonen slechts zelden op hunne plantages. Zij hebben meest allen, bijna zonder uitzondering, twee woonplaatsen, en brengen minder dan de helft van het jaar op hunne goederen door. En zelfs wanneer zij zich dáár ophouden, nemen staatszaken, jagt-partijen, wedrennen, speculaties, reisjes, bezoeken, omgang, letterkundige studiën, enz. zooveel van hun tijd weg, dat zij, ten opzigte van den toestand hunner slaven, bijna geheel moeten afgaan op de rapporten van hunne opzigters. Ik deel dit mede, omdat die slavenhouders (de aanzienlijken onder hen), naar ik geloof, de eenigen zijn, die met hunne huisgezinnen in het Noorden komen; en de meeningen omtrent de slavernij in het Noorden zijn meestal op hun getuigenis gegrond."
De mededeeling van Miss Grimké omtrent de opzigters kan worden aangevuld door hetgeen de eigenaars in het Zuiden van die klasse van menschen weten. De heer Wirt noemt hen in zijn "Leven van Patrick Henry" de laagste en diepstgezonkene van alle standen in de maatschappij, een uitvaagsel, eene zeer verdorven, diep gevallen en gewetenlooze klasse van menschen." Denken wij ons thans, terwijl de eigenaar te Charleston zich bezig houdt met letterkundige uitspanningen, de slaven op eenig Belmonte of andere plantage, die het honger lijden en de koude moede, eene vergadering houden om te zien, op welke wijze eenige verandering in hun toestand kan worden gebragt. Een breedgeschouderde, stoutmoedige knaap, dien wij Tom zullen noemen, zegt dat het te erg loopt, dat hij het niet langer wil verdragen; en daar hij op de eene of andere wijze bekend is geworden met die menschlievende wet ter zijner bescherming, besluit hij bij de wetgeving hulp te zoeken. Tom spreekt met stoutheid, want hij is slechts kort geleden aangekocht en heeft het tot dus verre elders beter gehad. De vrouwen en kinderen bewonderen hem, maar de ouden der plantage,--Sambo, Cudge, Pomp en de oude moeder Dinah,--geven hem te kennen dat hij zich moet in acht nemen en beter deed zich er niet mede te bemoeijen. Maar Tom is jong en voortvarend en slaat geen acht op die lessen der voorzigtigheid; hij is vastbesloten om, indien er iets is dat men regt noemt, regt te krijgen. Na lang zoeken vindt hij eindelijk een blanke in de nabuurschap, die belangeloos genoeg is om de klagt voor hem in te dienen.
De opzigter Legree wandelt op een mooijen zomerschen morgen naar den een of anderen regter, Dogberry zullen wij hem heeten, om zich te zuiveren van de beschuldiging dat hij zijn negers geen voedsel en deksel genoeg geeft. Wij willen den onnoozelen blanke, die de dwaze taak op zich genomen heeft, Shallow noemen. Verbeelden wij ons nu het volgende tooneel: Legree staat onverschillig met zijne handen in de zakken, terwijl hij een pruim tabak in den mond houdt; de regter Dogberry, zit in volle regterlijke waardigheid, die verhoogd wordt door een flesch brandewijn, waarom eenige glazen geschaard staan, om het verstand voor te lichten en te verhelderen in die duistere zaken.
Regter Dogberry. Kom aan mijne heeren, neemt eerst eenige versterking.--Zet u, mijnheer Legree, zet u, mijnheer...., hoe is uw naam als ik vragen mag?--Shallow.--De heeren Legree en Shallow nemen stoelen en drinken eens van hun brandewijn. Na eenige onverschillige praatjes, begint de regter de zaak, waarom het te doen is, aldus:
"Nu van die negers. Mijne heeren, gij kent de wet van--hum hum! waar duivel is die wet? (Hij bladert intusschen in een oud wetboek). Hoe drommel komt het toch, dat gij ooit van die wet hebt gehoord, Shallow? ik ben zeker dat ik alles er van vergeten ben; o hier is zij. Welnu, mijnheer Shallow, de wet zegt dat gij een bewijs moet leveren, dat weet ge."
Shallow (stamelend en aarzelend). Wel nu kom aan! ziet dan niet iedereen, dat die negers uitgehongerd zijn? Zie maar eens welke lompen zij aan hebben!
Regter. Ik kan het niet zeggen voor zoo ver ik althans het gezien heb. Zij schijnen heel tevreden.
Shallow. Vraag het maar eens aan Pomp of Sambo of Dinah of Tom!
Regter. (Met waardigheid). Ik sta verbaasd over u, mijnheer Shallow! Wilt gij dan een neger tot getuige roepen? Ik vertrouw de wet beter te kennen. Wij moeten een regtstreeksch bewijs hebben, dat weet ge.
Shallow zweeg; Legree neemt met een veelbeteekenenden blik nog een glas brandewijn met water, en regter Dogberry kuchte herhaaldelijk. Na eenige oogenblikken herneemt de regter:
"Welnu, mijnheer Legree zal, denk ik, in ieder geval wel geen bezwaar maken om zich door een eed te zuiveren, dan is alles gedaan, zoo als ge weet." Daar zweren juist datgene is, wat het meest tot de gewoonten van den heer Legree behoort, kan er voor hem geene betere afdoening van zaken te denken zijn; en hij zweert dus zoo veel en zoo breedvoerig als men verlangt; en op die wijze is de zaak ten einde gebragt. Maar zij is niet ten einde gebragt voor Tom of Sambo, Dinah of wie ook, die voor den regterlijken ambtenaar zijn genoemd. Wat er met hen zal gebeuren, wanneer Legree te huis komt, laten wij aan het oordeel van de lezer over.
In den aanvang van ons Tweede Gedeelte haalden wij eenige gezegden aan, waarin beweerd werd dat er in Louisiana nadrukkelijke verbodsbepalingen bestaan tegen de scheiding van jonge kinderen van hunne ouders. Hij, die dit aangevoerd heeft, schijnt in eene zoete onkunde te verkeeren van en een onbeperkt vertrouwen te stellen in hetgeen de menschen al zoo verrigten, dat zeker over het algemeen, zeer prijzenswaardig is. Want omtrent eene scène in de Negerhut, waarbij verhaald wordt dat aan Cassy hare dochter ontrukt is, maakt hij de volgende naïve aanmerking:
"Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hij verneemt, dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop het verhaal geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.
In den Code Noir vinden wij:
"Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders, kinderen te verkoopen, die niet den vollen leeftijd van tien jaren bereikt hebben."
En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet, waarvan eene der bepalingen aldus luidt:
Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen de moeder van een of meer slavenkinderen, onder den leeftijd van tien jaar verkoopen zonder gezegd kind of gezegde kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, op die persoon of personen de straf van toepassing zal zijn in de zesde afdeeling van deze wet vermeld. Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot twee duizend dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf maanden. Zie wetten van Louisiana, 1e. zitting 1828, 1829, no. 24, afdeeling XVI.
Welk eene treffende onnoozelheid moeten wij uit die verklaring afleiden: Iets kan niet plaats hebben in eenigen Staat, omdat het door eene wet verboden is.
Werd er niet twee jaren geleden eene wet uitgevaardigd, waarbij verboden werd vlugtelingen te herbergen of hunne gevangenneming te beletten? en is het niet waarschijnlijk, dat dit nogtans ieder jaar gedaan wordt? Wat beteekent eene wet wanneer zij de gansche publieke opinie tegen zich heeft? en zal iemand kunnen beweren, dat de publieke opinie in Louisiana door daden getoond heeft tegen die scheiding van huisgezinnen te zijn?
Maar laat ons een enkel geval meer bijzonder beschouwen, met het oog op de twee groote grondbeginselen der slaven-regtspleging: vooreerst dat een slaaf in geen geval in regten kan ageren, dan tot het erlangen zijner persoonlijke vrijheid en dit moet nog in sommige Staten door een blanke geschieden; en ten tweede dat een slaaf geen getuige kan zijn in eene zaak, waarbij blanken zijn betrokken.
Veronderstellen wij dat Butler Cassy's negenjarig kind wil verkoopen. Er is eene wet die het verkoopen van kinderen beneden de tien jaar verbiedt; wat staat Cassy nu te doen? Zij kan geene actie instellen. Zal de Staat zelf dat doen? Nemen wij dit eens aan--wat dan? Welnu, Butler, zegt dat het kind tien jaren oud is. Als hij wil, kan hij zeggen, dat het tien en een half of elf jaar is. Wat zal Cassy daartegen aanvoeren? Zij kan niet als getuige optreden; bovendien zij is geheel in Butlers magt. Hij dreigt haar dat, indien zij zich eenigzins in de zaak durft mengen, hij haar kind zal doen geeselen, dat er geen duim breed ongeschonden blijft; en zij weet dat hij het doen kan, en dat er geen hulp mogelijk is; hij kan haar opsluiten in een kerker, haar naar eene verwijderde plantage zenden, of haar op eenige andere wijze als hem goed dunkt zijne tirannij doen gevoelen, en daar is niemand die tusschen beiden kan treden.
Wat beteekent nu die beschermende bepaling voor Cassy? zij kan als eene waarschuwing misschien strekken voor het algemeen, of als eene officiële uitdrukking van de meening des wetgevers; maar men zou met evenveel vrucht kunnen beproeven om den loop der Mississippi te stuiten met een riethalm, als den stroom van den handel in menschelijke wezens met zulk een maatregel.
Thans gelooven wij wel, dat de lezer met ons zal erkennen, dat hoe minder de voorstanders der slavernij van beschermende bepalingen spreken, zooveel te beter dit voor hen is.
HOOFDSTUK VII.
REGTSPLEGING.
De staat tegen Elisa Rowand.--Het "schild der bescherming" voor het leven van een slaaf.
"Wij kunnen dat regtsgeding slechts als eene heilzame gebeurtenis beschouwen." Charleston Courier.
Nu wij een denkbeeld gegeven hebben van den aard der wetten die omtrent de slavernij bestaan, heeft de lezer regt te vergen dat wij hem ook met de toepassing er van bekend maken. Wij willen als proeve een regtsgeding aanhalen, waarvan in den Charleston Courier van den 6den Mei 1847 verslag wordt gegeven. De Charleston Courier is een der hoofd-organen van de meening in Zuid-Carolina, en het proces wordt medegedeeld, schijnbaar in het volle bewustzijn dat er niets in voorkomt, dank zij de naauwgezetste onpartijdigheid des regters, wat in het minst de eer van den Staat bezwalkt. De Charleston Courier zendt het verslag dan ook de wereld in onder luid trompetgeschal, als iets dat voor altijd het zwijgen moet opleggen aan hen, die zeggen, dat Zuid-Carolina het leven van den slaaf niet beschermt.
Vervolging wegens moord.
"Gisteren was in onze gemeente aller belangstelling opgewekt en verkeerden allen in eene zekere spanning, door eene zaak van groot gewigt en geheel nieuw in onze regtspleging. Het gold eene aanklagt van moord tegen eene dame van aanzienlijken huize, en moeder eener uitgebreide familie, die beschuldigd werd haar eigen slaaf of den slaaf van haar echtgenoot om het leven te hebben gebragt. De geregtszaal was opgevuld met nieuwsgierigen in deze ongewone zaak, die met onvermoeide aandacht en in even grooten getale de zitting bleven bijwonen tot het vonnis, waarbij de beschuldigde vrijgesproken werd, was gevallen. Wij kunnen dit regtsgeding slechts beschouwen als eene heilzame, ofschoon op zich-zelf treurige gebeurtenis, daar het de wereld zal doen zien dat, ofschoon hooggeplaatst door rang en vermogen, en aanspraak makende op de toegevendheid, die het regt en het erfdeel der zwakkere sekse is, niemand toch kan dulden, dat zelfs eene vrouw ontsnappen zou aan de meest stipte regtvaardigheid, op gevaar af een schandelijken dood te ondergaan, wanneer de beschuldiging op haar rust, dat zij een slaaf heeft vermoord, wiens leven onze wet even goed met het schild der bescherming dekt als dat van den blanke, behalve met betrekking tot den aard der bewijzen, tot verdediging of overtuiging vereischt. Terwijl kwalijk gezinden uit deze zaak kunnen leeren, dat hun een streng onderzoek en eene verdiende straf wacht, wanneer zij, gevolg gevende aan hunne drift, het leven aan den slaaf ontnemen, kunnen ook de vijanden onzer staatsinstellingen zien, dat, ondanks hunne lasterlijke beschuldigingen van het tegendeel, wij in dit opzigt de pligten, die de wet en de menschlievendheid ons opleggen, ten volle betrachten."
Wij laten hier het verslag van het proces volgen.
Vervolging wegens moord van een slaaf.
De Staat tegen Eliza Rowand. Voorjaarszitting, 5 Mei 1847.
Regter. O'Neall.
De beschuldigde werd voor de balie gebragt, vergezeld van haar echtgenoot en hare moeder, en gedurende de zitting met zeer veel hulpvaardigheid bijgestaan door den sheriff J. B. Irving Esq. Na de acte van beschuldiging gehoord te hebben, verklaarde zij onschuldig te zijn, en beriep zich op God en haar land. Na het verhoor der getuigen (volgen de namen der getuigen), nam de beschuldigde als leden der jury aan de volgende personen, die, na behoorlijke eedsaflegging, met de behandeling der zaak belast waren (volgen de namen der gezworenen).
De acte van beschuldiging luidt als volgt:
De Slaat tegen Eliza Rowand.--Vervolging wegens moord van een slaaf.
Staat Zuid-Carolina. District Charleston.
In de zitting van het Hoog Geregtshof, aangevangen en gehouden in en voor het district Charleston in den Staat Zuid-Carolina, te Charleston, in het district en den Staat voornoemd, op Maandag, den derden Mei van het jaar onzes Heeren achttien honderd zeven en veertig,
Verklaren de gezworenen uit en voor het district Charleston voornoemd, in den Staat Zuid-Carolina voornoemd, onder eede vergaderd, dat Eliza Rowand, echtgenoot van Robert Rowand Esq., niet hebbende de vreeze Gods voor oogen, maar aangezet en verleid door de inspraken des duivels, op den zesden Januarij van het jaar onzes Heeren achttien honderd zeven en veertig, met geweld van wapenen, te Charleston, in het district Charleston en den Staat voornoemd, op eene zekere slavin van genoemden Robert Rowand, genaamd Maria, in vrede levende met God en met gezegden Staat, op tijd en plaats voornoemd, kwaadwillig, opzettelijk, boosaardig en met voorbedachten rade, een aanval heeft gedaan; en dat een zekere andere slaaf van gezegden Robert Rowand, genaamd Richard, op tijd en plaats voornoemd, in tegenwoordigheid en op last van gezegde Eliza Rowand, met een stuk hout, dat hij, Richard, in beide handen hield, genoemde Maria op het hoofd heeft geslagen, en haar door de slagen met gezegd stuk hout verscheidene doodelijke kneuzingen op de kruin, het achterhoofd en de zijden van haar hoofd heeft toegebragt, aan welke kneuzingen gezegde Maria terstond is overleden; en dat Eliza Rowand voornoemd, op tijd en plaats voornoemd, kwaadwillig, boosaardig, opzettelijk en met voorbedachten rade aan genoemden slaaf Richard bevolen, gelast en van hem geëischt heeft gemelden moord op gemelde wijze te plegen. En dat de gezworenen voornoemd onder eede verklaren, dat gezegde Eliza Rowand, haar, de slavin Maria voornoemd, op de gemelde wijze en door de gemelde middelen, kwaadwillig, boosaardig, opzettelijk en met voorbedachten rade heeft gedood en vermoord, in strijd met het besluit der Wetgevende Vergadering van gezegden Staat, voor dat geval gemaakt en aangenomen, en in strijd met de rust en de waardigheid van den Staat voornoemd.
De gezworenen voornoemd verklaren verder, onder eede, dat gezegde Eliza Rowand, niet hebbende de vreeze Gods voor oogen, maar aangezet en verleid door de inspraken des duivels, op den zesden Januarij van het jaar onzes Heeren achttien honderd zeven en veertig, met geweld van wapenen, te Charleston, in het district Charleston, in den Staat voornoemd, op eene zekere slavin van genoemden Robert Rowand, genaamd Maria, in vrede levende met God en met gezegden Staat, op tijd en plaats voornoemd, kwaadwillig, boosaardig, opzettelijk, en met voorbedachten rade, een aanval heeft gedaan, en dat gemelde Eliza Rowand, met een stuk hout, dat zij, gezegde Eliza Rowand, op tijd en plaats voornoemd, in beide handen hield, haar, de meergemelde slavin, genaamd Maria, daarmede op het hoofd heeft geslagen en door de slagen, met gezegd stuk hout, verscheidene kneuzingen op de kruin, het achterhoofd en de zijde van het hoofd heeft toegebragt, aan welke kneuzingen gemelde Maria, op plaats en tijd voornoemd, terstond is overleden. En dat de gezworenen voornoemd alzoo onder eede verklaren, dat gemelde Eliza Rowand, haar, de slavin Maria voornoemd, op de gemelde wijze en door de gemelde middelen, kwaadwillig, boosaardig, opzettelijk en met voorbedachten rade, heeft gedood en vermoord, in strijd met het besluit der Wetgevende Vergadering van gezegden Staat, voor dat geval gemaakt en aangenomen, en in strijd met de wet en de waardigheid van den Staat voornoemd."
H. Baily. Procureur-Generaal.
Voor die lezers, die misschien te vergeefs zouden trachten eenigen gezonden zin of inlichting te putten uit de zoo omslagtige bewoordingen van zulke stukken, moet schrijfster dezes hier bijvoegen, dat de strekking der medegedeelde acte is, mevrouw Eliza Rowand te beschuldigen hare slavin Maria te hebben gedood op een van de twee volgende wijzen, òf door haar op het hoofd te slaan met eigen handen òf door dit, op haar bevel, te doen verrigten, door haar slaaf Richard. De beschuldiging was al dus geformuleerd. Om nu den lezer de verdere argumenten duidelijk te doen begrijpen, moeten wij hem herinneren, dat de wet van 1740, zoo als wij hierboven reeds zeiden, den moord van een slaaf slechts strafte met eene boete en verlies van burgerregten, terwijl de wet van 1821 op die daad de doodstraf stelt.
"Op verzoek van den heer Petigru werd aan de gevangene toegestaan zich van de balie te verwijderen en zich bij haar raadsman neder te zetten; de regter stond het verzoek toe, onder nadrukkelijke verklaring, dat hij dit deed omdat de beschuldigde eene vrouw was, maar dat nooit aan een man zulk een voorregt zou worden verleend.