De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 23

Chapter 233,692 wordsPublic domain

De beschaafde wereld zal welligt vragen, in welken Staat deze wet is ontworpen, aangenomen, herzien en in stand gehouden, om thans nog onder de herziene wetten voor te komen en in toepassing te worden gebragt in het jaar onzes Heeren 1850, zoo als de bovenstaande uittreksels uit zeer geloofwaardige bladen aantoonen. Misschien bij eenigen Heidenschen of Turkschen stam, in een rooversnest, bij eene horde barbaren, waar vertoornde goden gediend worden en de wijn, ter hunner eere, in schedels wordt geplengd? De beschaafde wereld zal het niet gelooven, maar het is een feit, dat deze wet gemaakt is en in stand gehouden wordt door menschen, in ieder ander opzigt dan met betrekking tot hunne slavenwet, zoo beschaafd en verlicht van geest, zoo menschlievend als eenige andere Christen natie; door burgers, die zich beroemen uit Schotsch bloed te zijn gesproten en de christen-instellingen van dat land onder zich te hebben doen voortleven. Nieuwsgierigheid om de mannen te kennen, die toen de Wetgevende Magt in Noord-Carolina uitmaakten, leidde de schrijfster tot eene meer opzettelijke studie der handelingen en beraadslagingen der Conventie van dien Staat, die geroepen werd om zijne constitutie te herzien en den 4den Junij 1835 te Raleigh bijeenkwam. Regtvaardigheid dwingt ons te erkennen, dat bij die beraadslagingen, waarin al de verschillende en vaak strijdige belangen van alle onderdanen van den Staat werden ter sprake gebragt, zooveel eerlijkheid, regtschapenheid, gematigdheid, goede trouw en zuiverheid van bedoelingen in de behandeling der tegenover elkander staande aanspraken, en zulk een doorgaande eerbied voor de pligten van wet en godsdienst, aan den dag gelegd werden, als zeker slechts zelden in die mate worden aangetroffen in de discussiën van wetgevende vergaderingen, die met zulk eene taak zijn belast. Die handelingen leveren het bewijs, dat men het godsdienstig gevoel of de beschaving van personen niet kan beoordeelen naar eene schijnbaar laakbare handelwijze, wanneer die personen zijn opgevoed onder een stelsel, dat in strijd is met beiden. Voor zoo verschillende toepassing is het begrip van hetgeen wij deugd noemen vatbaar.

Men kan toch niet aannemen, dat mannen als de regter Ruffin of zoo vele anderen, die deel uitmaakten van de Conventie, waarvan wij spreken, zich zelven bevoordeelen wilden door de bepalingen van zulk eene wet. Maar wat dan? Die wet toch maakt de weerlooze slaven eensklaps tot eene prooi van die klasse van menschen, die in elke maatschappij bestaan, die geen geweten, geen eergevoel, geene schaamte hebben, die te ver beneden de achting hunner medeburgers staan, om door de publieke opinie te worden teruggehouden, en voor wie nu ook de wet den eenigen band, die hen nog zou kunnen binden, verbreekt. Zulke menschen zijn niet zeldzaam in het Zuiden. Men ondervindt helaas maar al te zeer, dat zij overal bestaan, in Engeland, in Amerika, in alle deelen der wereld; maar hunne verdorvenheid kan slechts tot volle ontwikkeling komen onder een stelsel, dat hen met absolute magt bekleedt en hen van alle verantwoording ontslaat.

HOOFDSTUK V.

BESCHERMENDE WETTEN VAN ZUID CAROLINA EN LOUISIANA. HET HALSIJZER VAN LOUISIANA EN NOORD-CAROLINA.

Tot hiertoe hebben wij de beschermende wetten van Noord-Carolina, Georgia en Tennessee beschouwd; thans willen wij ook een blik slaan op de gezamenlijke beschermende wetten der overige Staten, als proeven van wetgeving.

In Zuid-Carolina straft de wet van 1740 het opzettelijk, met voorbedachten rade dooden van een slaaf, met het ontnemen van het burgerregt en eene boete van zeven honderd pond, of, bij wanbetaling, met eene gevangenisstraf van zeven jaar. Maar het opzettelijk vermoorden van een slaaf, in den zin bij de wet bedoeld, is eene misdaad, die niet dikwijls zal gepleegd worden. Juist die soort van doodslag, welke zeker het meest door eigenaren of opzigters gepleegd zal worden, werd aan die bepaling onttrokken, want een ander artikel dierzelfde wet, dat wij hier laten volgen, ten einde de lezer zelf de gevolgtrekking make, luidt:

"Indien iemand, in drift of plotselinge opwelling van toorn of door eene billijke straf, zijn eigen slaaf of den slaaf van een ander doodt, zal hij gestraft worden met eene boete van drie honderd vijftig pond."

In 1821 werd de wet, waarbij het opzettelijk dooden van den slaaf slechts met gevangenis werd gestraft, grootendeels ingetrokken, en op zulk eene misdaad de doodstraf gesteld; maar die tweede bepaling, die betrekking heeft op het dooden van een slaaf in drift of in eene plotselinge opwelling van toorn, of door eene billijke straf, werd slechts veranderd door--eene vermindering der geldboete tot op vijf honderd dollars, benevens eene gevangenisstraf voor den tijd van zes maanden.

De tweede beschermende wet, die wij thans willen nagaan, is die van Zuid-Carolina, in 1740 tot stand gebragt.

"In geval iemand opzettelijk de tong wegsnijdt of het oog uitsteekt..... van een slaaf of hem wreedaardig schroeit of brandt of een ligchaamsdeel ontneemt, of eenige andere straf doet ondergaan dan geeseling of tuchtiging met eene rijzweep, riemen, teenen, dunne stokken of het sluiten van den slaaf in ijzeren boeijen of inkerkering, wordt hij voor elk dier mishandelingen gestraft met eene geldboete van honderd pond."

In de bewoordingen dezer wet ligt, even als in iedere andere beschermende bepaling, eene diepe beteekenis. Terstond reeds moeten wij vragen welk eene soort van instelling en welken toestand der maatschappij verraadt eene wet, die zulke voorschriften bevat? In den regel worden de wetten niet gemaakt tegen feiten die niet gepleegd worden en min of meer algemeen zijn.

De voorstanders van het slavenstelsel zijn zeer geneigd om het te vergelijken met het stelsel, ten aanzien der arbeiders in Engeland en Amerika gevolgd. Veronderstellen wij dat in het Engelsche Parlement of bij de Wetgevende Magt van Noord-Amerika, de volgende wet werd voorgesteld, onder den titel van "Wet tot bescherming van werklieden", enz.

"In geval iemand opzettelijk de tong wegsnijdt of het oog uitsteekt van een werkman, of hem wreedaardig schroeit of brandt of een ligchaamsdeel ontneemt of eenige andere straf doet ondergaan dan geeseling of tuchtiging met eene rijzweep, riemen, teenen, dunne stokken of het sluiten in ijzeren boeijen of inkerkering, wordt hij voor elke dier mishandelingen gestraft met eene boete van honderd pond."

Op welke wijze zulk eene wet in Engeland zou ontvangen worden, zal een Engelschman zelf het best kunnen beslissen; maar in Amerika zou het hem, die haar voorstelde, slechts onder de kandidaten voor Bedlam doen rangschikken. En toch, dat er zulk eene wet in Zuid-Carolina vereischt wordt, blijkt genoeg, wanneer wij in aanmerking nemen, dat, omdat er zulk eene wet niet bestaat in Virginia, het daar is uitgemaakt, dat een ellendeling, die een slaaf al deze wreedheden doet ondergaan, daarvoor niet kan vervolgd worden, ten zij de slaaf er onder bezweken is.

Maar gaan wij voort. Welke straf staat nu op het plegen dier gruwelijke wreedheden?

De man, die ze pleegt, verbeurt honderd pond. Zeker mag hij dat wel betalen voor zulk eene onnoodige daad, wanneer, van de andere zijde, de Wetgevende Magt hem verlof geeft tot iedere marteling, die zijne wraakzucht en scherpzinnigheid kunnen uitdenken, door middel van rijzweep, riemen, teenen, een dunnen stok, of door het sluiten in boeijen of inkerkering. Ieder zal moeten toestemmen, dat hier ruim kust en keur is van wettige middelen tot marteling, om eene gewone dorst naar wraak te lesschen, en dat eene grootere verscheidenheid van pijnigingswerktuigen overtollig zou zijn. De voorstanders der slavernij, zijn geneigd om den toestand van den slaaf met dien van den engelschen landman te vergelijken. Wij wisten niet, dat de landbouwer in Engeland ongelukkig genoeg was, nu de dagen der lijfeigenschap voorbij zijn, om door zulk eene bepaling beschermd te worden.

De regter Stroud zegt, dat, wat de hoofdpunten betreft, dezelfde wet in Louisiana is aangenomen. De burgerlijke wet van Louisiana drukt dan ook op de volgende wijze hare menschlievende strekking uit:

De slaaf is ten eenemale ondergeschikt aan zijn meester, die hem mag kastijden en tuchtigen, maar niet met buitengewone gestrengheid, noch zoodanig, dat hij hem verlamt of verminkt, of zijn leven in gevaar stelt of zijn dood veroorzaakt. Burg. Wetb. Louisiana, art. 173.

De uitdrukking "buitengewone gestrengheid" geeft weder veel te denken. Het geeft de handen vrij aan de jury in Staten, waar slaven gewoon zijn te sterven, onder eene matige tuchtiging; waar vogelvrij-verklaarde slaven mogen gedood worden door de middelen, die men geschikt zal achten; en waar men speciale wetten heeft moeten maken tegen het schroeijen, branden, uitsnijden der tong, uitsteken van het oog, enz. Wat zal men dan buitengewone gestrengheid moeten noemen? Dit is eene vraag voorzeker, die de onderdanen van Staten, waar zulke wetten niet bestaan, moeijelijk kunnen oplossen. In een der uittreksels uit de nieuwsbladen, waarvan wij in onze voorrede gewaagden, werd de volgende beschermende wet van Louisiana, als bijzonder bevredigend en geruststellend genoemd. Wij geven haar zoo als wij ze in de schets van den regter Stroud aangehaald vonden.

Geen eigenaar zal gedwongen worden zijn slaaf te verkoopen, dan in een der twee volgende gevallen: vooreerst, wanneer hij slechts mede-eigenaar van den slaaf is, en de andere mede-eigenaar de verkooping vraagt, ten einde de eigendommen te verdeelen; ten tweede, wanneer er bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijn slaaf wreed mishandeld heeft, en de regter het oorbaar keurt om, behalve het opleggen der boete voor dat geval bepaald, te bevelen, dat de slaaf in het openbaar zal verkocht worden, ten einde hem buiten het bereik te stellen van de magt, waarvan de meester misbruik heeft gemaakt.--Burg. Wetb. art. 192.

Het punt, dat thans ter beslissing van de jury zal staan, is: wat is eene wreede mishandeling van den slaaf? En indien nu al die wreedheden, die door het besluit der Wetgevende Magt, dat wij hebben aangehaald, niet beschouwd worden als wreede mishandelingen, dan mogen wij met regt vragen, wat wordt daaronder dan verstaan?

Al wat wraakzucht en wreedheid kunnen verlangen, kan gepleegd worden onder bescherming der wet van Zuid-Carolina, die, zoo als wij zeiden, ook in Louisiana bestaat. Het is waar de wet sluit eenige wreedheden uit. Indien iemand lust heeft zijn slaaf te schroeijen of te branden--en uit de wet moet men opmaken, dat er zoodanige menschen zijn,--dan waarschuwt de wet hem dat hij dit behoorlijk zonder getuigen doet; want als toetssteen der regtspleging in het Zuiden kan de bepaling dienen, dat het getuigenis van kleurlingen door de wet niet erkend wordt, en die mishandeling, al werd zij ook met de grootste onbeschaamdheid door den eigenaar gepleegd, in het bijzijn van honderden zijner slaven, zou nimmer bewezen kunnen worden.

Men mag aannemen, dat de wreedaards, die zulk eene wet op het oog heeft, over het algemeen genoeg gezond verstand zullen hebben, om zich aan die mishandelingen niet schuldig te maken in tegenwoordigheid van blanke getuigen, daar deze enkele maatregel van voorzigtigheid hun ten eenemale de vrijheid geeft om te doen wat zij goedvinden. Men heeft ons gezegd, zooals ons ook door onzen vriend in het nieuwsblad, dat wij aanhaalden, herinnerd is, dat in Louisiana, de leemte die ontstaat door het van onwaarde verklaren van het getuigenis van negers, aangevuld is door de volgende merkwaardige bepaling in den Code Noir:

"Indien een slaaf verminkt, geslagen of mishandeld is, strijdig met de ware strekking en bedoeling dezer bepaling, en niemand daarbij tegenwoordig is, zal in dat geval de eigenaar of de persoon, met het toezigt van den aldus verminkten slaaf belast, verantwoordelijk gesteld voor en schuldig gehouden worden aan gezegde mishandeling en zonder verder bewijs veroordeeld worden, tenzij gezegde eigenaar of ander persoon voormeld het tegendeel kan aantoonen door goede en deugdelijke bewijzen, of zich door zijn eed van de aanklagt kan zuiveren, welken eed elke Regtbank, ter kennisse waarvan zulk eene mishandeling zal zijn gebragt, bij de wet gemagtigd wordt af te nemen. Code Noir, misdaden en misdrijven, 56, XVII."

Kan men gelooven, dat verstandige menschen zulk eene proeve van verregaanden onzin--zoo belagchelijk reeds bij de eerste lezing--ooit als wet hebben kunnen uitvaardigen?

Het doel is om het regt zijn loop te doen hebben ten aanzien dier wreedaards die schroeijen, branden, verminken enz. Hoe wordt dit gedaan?

Men heeft bepaald dat, wanneer een slaaf in een toestand van verminking wordt gevonden, de eigenaar of opzigter daarvan verdacht zal zijn, tenzij--tenzij wat? Tenzij hij het tegendeel kan bewijzen--of het tegendeel kan bezweren, dit komt op hetzelfde neder: beiden beantwoorden aan het doel. De vraag is: zal iemand, die slecht genoeg is dat te doen, ook niet slecht genoeg zijn om een valschen eed af te leggen? Zullen menschen, die de verpersoonlijkte wreedheid zijn, zooals die mishandelingen moeten doen gelooven, ook niet gewetenloos genoeg zijn om een valschen eed te zweren?

Waarvoor werd deze wet ooit gemaakt? Wie waagt het dit op te lossen?

Omtrent deze gansche zaak willen wij het oordeel hier laten volgen van den regter Stroud, die in de volgende bewoordingen de gansche massa der beschermende wetten in het slavenstelsel in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika zamenvat.

"Het resultaat van eene naauwkeurige beschouwing van al wat over dit punt is geschreven, is--dat de magt van den meester om ligchamelijke straf toe te passen tot op zekere hoogte, in al de slavenhoudende Staten geoorloofd wordt door de wet; dat in ten minste twee Staten uitdrukkelijk veroorloofd wordt om gebruik te maken van de rijzweep of riemen, als werktuigen om den slaaf te slaan; dat hij in dezelfde Staten, volstrekt straffeloos den slaaf in boeijen kan klinken, om hem tot levenslange gevangenis te doemen, wanneer hij dat verkiest; dat voor wreedaardig schroeijen, opzettelijk uitsnijden der tong, uitsteken van het oog, of voor eenige andere verminking, wanneer zij bewezen is, slechts eene boete van honderd pond beloopen wordt in Zuid-Carolina; dat, ofschoon in alle Staten op het willekeurig, opzettelijk en moedwillig dooden van den slaaf, thans de doodstraf gesteld is, die straf, daar slechts blanken als getuigen kunnen gehoord worden in een proces tegen een blanke, slechts zelden, zoo niet nooit, kan worden toegepast."

Wanneer men nu deze met eene andere wet, in Louisiana van kracht, vergelijkt, dan zal men moeten erkennen, dat er waarlijk niet veel te rekenen is op de algemeene menschlievendheid, die met een slavenstelsel onvereenigbaar is. Wij zeiden zoo even, dat die merkwaardige beschermende wet van Zuid-Carolina, ten opzigte van het schroeijen, branden, verminken enz. van den slaaf, wat de hoofdzaak betreft ook in Louisiana aangenomen werd; en dat de straf voor het plegen dier gruweldaden, wanneer men niet bedachtzaam genoeg is, om ze op eene afgezonderde plaats te plegen, zich bepaalt tot eene geldboete van vijf honderd dollars.

Vergelijken wij thans daarmede eene andere wet van Louisiana:

Indien iemand, wie ook, een ijzeren keten of band breekt of schendt, waarvan een slaven-eigenaar zich bediend heeft om het wegloopen of ontsnappen van eenigen slaaf of slaven te beletten, wordt hij, wanneer de daad bewezen is, gestraft met eene boete van honderd tot duizend dollars en eene gevangenisstraf van zes tot vier en twintig maanden." Besluit der Wetgevende Vergadering van 6 Maart 1819.

Een Europeaan zal met regt vragen: wat is dat halsijzer, dat de Wetgevende Magt waardig gekeurd heeft om in eene speciale wet in hare bescherming te nemen? Tot beantwoording dier vraag roepen wij het zeer geloofwaardige getuigenis in van Miss Sarah M. Grimké, eene persoonlijke bekende van de schrijfster. Miss Grimké is de dochter van den nu overleden regter bij het Hoog Geregtshof van Zuid-Carolina en zuster van wijlen den heer Thomas S. Grimké. Thans is zij lid van de Society of Friends, en woont te Belleville, New Jersey. Hare mededeeling is van dien aard, dat de schrijfster nimmer voornemens was die publiek te maken en ook nooit zou hebben publiek gemaakt, indien zij het thans niet noodzakelijk oordeelde, om daarmede de slaven-wetten toe te lichten. Die mededeeling komt voor in een verslag, door Miss Grimké aan haar schoonbroeder Weld gezonden, en is reeds openbaar gemaakt in 1839, in diens werk, getiteld: De slavernij zoo als zij is.

"Eene schoone mulattin, ongeveer achttien of twintig jaar oud, wier onafhankelijk gemoed de vernederende slavernij niet kon dragen, liep gedurig weg; voor dat misdrijf was zij door haar eigenaar en eigenares herhaaldelijk naar den opzigter van het Charlestown-werkhuis gezonden, om daar met zweepslagen te worden gestraft. Dit was met zoo veel onmenschelijke gestrengheid gedaan, dat het vleesch op haar rug op de vreeselijkste wijze vaneen was gereten; men kon geen vinger tusschen twee wonden leggen. Maar hare zucht naar vrijheid was te krachtig, om door marteling te worden uitgedoofd; en eindelijk werd zij herhaalde malen achter elkander gegeeseld en in boeijen gesloten. Een zware ijzeren band, met drie lange staven er aan, werd om haar hals gesmeed, en een stevige gezonde voortand haar uitgehaald, als herkenningsmiddel, wanneer zij mogt ontsnappen. Haar lijden was verschrikkelijk; zij kon slechts op haar rug liggen, en deze was geheel vaneen gereten door de geeselslagen, zoo als ik persoonlijk heb gezien; haar eenige rustplaats was eene mat op den grond. Deze mishandelingen werden gepleegd in een huisgezin, waarin de vrouw des huizes dagelijks in den bijbel las en met hare kinderen godsdienstoefening hield. Zij ging door voor en was ook, voor zooveel betreft het geven van aalmoezen, eene liefdadige vrouw en zeer medelijdend voor de armen; en toch was de lijdende slavin, die naaister van het gezin was, altijd in de kamer dier vrouw bezig met naaiwerk of andere huiselijke verrigtingen, met haar gewonden en bloedenden rug, haar geschonden mond en grooten ijzeren halsband, zonder, naar het schijnt, eenigen zweem van medelijden in haar op te wekken."

Van dien ijzeren halsband heeft de schrijfster ook uit andere even geloofwaardige bronnen veel gehoord. [9] Dat men hem dagelijks in de straten zal zien is niet waarschijnlijk; maar dat hij dikwijls gebruikt wordt blijkt daaruit, dat men eene wet heeft noodig geacht om hem tegen schending te bewaren. En vergelijk thans eens de straffen bij die twee wetten gesteld! De barbaarsche wreedheid in de wet van Zuid-Carolina omschreven komt hem, die ze pleegt, slechts op vijfhonderd dollars te staan, indien hij het doet in tegenwoordigheid van blanken. De daad van menschlievendheid, in de tweede wet vermeld, wordt gestraft met eene boete van twee honderd tot duizend dollars en eene gevangenis van zes tot vier-en-twintig maanden, naar goedvinden der regtbank! Welk gevoel bezielde de meerderheid der Wetgevende Vergadering toen deze wetten gemaakt werden?

HOOFDSTUK VI.

BESCHERMENDE BEPALINGEN TEN AANZIEN VAN VOEDSEL, KLEEDING, ARBEID, ENZ.

De werking der wet van Zuid-Carolina toegepast op Tom bij Legree. Scheiding van ouders en kinderen.

Thans, nu wij gezien hebben hoe ligchaam en leden der slaven beschermd worden, zal de lezer welligt nieuwsgierig zijn om te weten op welke wijze de slaaf voedsel en kleeding gewaarborgd zijn en hoe hij tegen bovenmatigen arbeid gevrijwaard is. Er zijn wel is waar velen in de Noordelijke Staten, die meenen, dat zulke bepalingen op zich-zelven reeds overtollig en dwaas zijn: "Hoe!" zeggen zij, "zijn de slaven dan geen eigendom? en is het denkbaar, dat iemand de waarde van zijn eigendom opzettelijk zal verminderen door onthouding van voedsel en kleeding of door bovenmatigen arbeid?" Die redenering schijnt echter niet zoo overtuigend geweest te zijn voor de wetgevers der Zuidelijke Staten als voor de bewoners van het Noorden, want, zooals de regter Taylor zegt: "de wet van 1786 erkent in den considerans het feit, dat vele personen door wreedaardige mishandelingen hunner slaven, hen dwingen tot misdaden, waarvoor zij veroordeeld worden," en heldert die woorden nader op door het volgende: "De wreede behandeling, hier bedoeld, moet bestaan in het onthouden van voedsel en van de noodzakelijke levensbehoeften; de misdaden, hieruit voortvloeiende, strekken om zich de noodige spijzen en kleederen aan te schaffen."

In den Staat Zuid-Carolina bestaat eene wet van 1740, waarin eene bepaling voorkomt met den volgenden considerans:

"Vermits vele eigenaars van slaven en andere personen, met de zorg, de oppassing en het toezigt van slaven belast, hen zoodanig tot onverpoosden en zwaren arbeid dwingen, dat hun de tijd voor eene noodwendige rust niet gelaten wordt...."

En daarop bepaalt de wet, dat de slaaf des zomers niet meer dan vijftien en des winters niet meer dan veertien uren zal werken. De regter Stroud maakt hierbij de opmerking, dat in drie van de slavenhoudende Staten de werkuren voor veroordeelden, wier straf bestaat in dwangarbeid, niet meer bedraagt dan tien uren, zelfs in de zomermaanden.

Dat was dan de beschermende wet van Zuid-Carolina, die strekken moest om het misbruik van magt te doen ophouden van meesters, die hunne slaven zoo onafgebroken laten arbeiden, dat hun de tijd tot noodzakelijke rust ontbreekt! Welk denkbeeld moet ons die menschlievende bepaling geven van hen, die haar hebben gemaakt. Om den slaaf te beschermen tegen hetgeen zij bovenmatigen arbeid rekenen, stellen zij in hunne menschlievendheid vast, dat hij slechts vier of vijf uren meer zal werken dan de veroordeelden in de tuchthuizen van den naburigen Staat. Op Jamaica is, behalve op de zon- en feestdagen, die aan de slaven geschonken worden, tien uren daags het maximum van den tijd waarin zij gedwongen kunnen worden te werken.

Met betrekking tot de beschermende maatregelen, die den slaaf voedsel en kleeding moeten verzekeren, geeft de regter Stroud het volgende uittreksel uit de wetgeving van Zuid-Carolina. De schrijfster deelt het mede zoo als zij het in de "Schets" heeft aangetroffen.

"Indien iemand, die eigenaar of belast is met de zorg, het bestuur of het toezigt van den slaaf, weigert, veronachtzaamt of nalaat aan dien slaaf of die slaven de noodige kleeding of het noodige deksel en voedsel te geven, zal het ieder vrijstaan, ten behoeve van dien slaaf of die slaven eene aanklagt in te dienen bij den eersten regter in het district, waar die slaaf of of slaven leeft of leven of gewoonlijk werkzaam is of zijn.... en gezegde regter zal de partij, tegen wie de aanklagt gerigt is, dagvaarden en de zaak onderzoeken; en indien de regter voornoemd de gezegde aanklagt waar mogt bevinden, of wanneer de gedaagde zich niet kan vrijspreken of de beschuldiging afwerpen door zijnen eed, waartoe gezegde gedaagde vrijheid heeft in ieder geval, waarin geen regtstreeksch bewijs van zijne schuld aanwezig is, zal gezegde regter zulke maatregelen nemen ten behoeve van dien slaaf of die slaven, als hij oorbaar zal achten; en zal hij eene boete kunnen en mogen opleggen aan den gedaagde, ten bedrage van eene som twintig pond niet te boven gaande, voor elk der hem ten laste gelegde feiten."

Eene wet van bijna gelijken inhoud bestaat in Louisiana.