De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 21

Chapter 213,672 wordsPublic domain

Men heeft de betrekking van meester tot slaaf gelijk gesteld met andere maatschappelijke betrekkingen; en ons argumenten tegengeworpen, ontleend uit de wetsbepalingen, die de magt regelen van den ouder over het kind, den voogd over den pupil, den meester over den leerling; maar de regtbank kan de beginsels, waarop die bepalingen berusten, hier niet van toepassing verklaren. De gevallen staan niet gelijk; zij zijn met elkander in strijd en tusschen hen ligt een onoverkomelijke kloof. Het verschil is dat, hetwelk tusschen vrijheid en slavernij bestaat en grooter verschil kan men zich niet denken. Bij het een heeft men ten doel het geluk van het kind, geboren om dezelfde regten te genieten, welke hij bezit, op wien de pligt rust het kind zoo nuttig mogelijk te maken voor de plaats die het later onder de vrijgeborenen zal innemen. Voor dat doel en voor zulk een toekomstig lid der maatschappij, schijnen redelijke en verstandelijke ontwikkeling de natuurlijkste middelen, en deze zijn ook in den regel voldoende bevonden. Een gematigde magt is slechts den voogd of ouder toegekend om zijn gezag krachtdadig te maken. Indien die magt te kort schiet, dan is het beter de betrokken personen aan hun eigen hartstogten en de straf, waarmede de wet hen bedreigt, over te laten, dan toe te staan dat zij onbeperkt worde uitgeoefend door eenig bijzonder persoon. Met de slavernij is het geheel anders gesteld. Daarbij beoogt men het voordeel van den meester, zijne zekerheid en de publieke veiligheid; hij, wien het geldt, is een persoon, veroordeeld, hij zoowel als zijne nakomelingen, om in onkunde te leven, onmagtig om iets tot zijn eigendom te maken, gedoemd te arbeiden opdat een ander de vruchten plukke. Door welke redeneringen kan men zulk een wezen overtuigen van iets dat zelfs den domste als ten eenemale onwaar moet voorkomen, dat hij namelijk tot dien arbeid veroordeeld is op grond eener zedelijke verpligting of ter wille van zijn eigen geluk. Zulke diensten kunnen slechts gevergd worden van iemand, die geen eigen wil heeft; die zijn wil onvoorwaardelijk ondergeschikt maakt aan dien van een ander. Zulk eene ondergeschiktheid is alleen denkbaar bij eene onbeperkte magt over zijn ligchaam. Niets anders is in staat zulk een invloed uit te oefenen. De magt van den meester moet absoluut wezen, om de onderwerping van den slaaf volkomen te doen zijn. Ik kom er openhartig voor uit, dat die uitspraak wreed is. Ik voel het zoo diep als iemand het voelen kan; en als beginsel van zedelijk regt, zal ieder in zijn binnenste het afkeuren; maar in den tegenwoordigen stand van zaken, moet het zoo zijn; er is geen geneesmiddel. Dit beginsel behoort bij de slavernij. Het kan er niet aan ontnomen worden, zonder op eens al de regten aan den meester te ontnemen en den slaaf van zijne onderwerping te ontheffen. Het is de vloek der slavernij, zoowel voor de vrijen als voor de slaven in onze maatschappij, maar het is het noodzakelijk vereischte bij de betrekking van den eigenaar tot den slaaf. Dat er bijzondere feiten kunnen plaats hebben, die zoo wreed en barbaarsch zijn, dat de wet verpligt is tusschen beiden te treden, is zeer waarschijnlijk. De moeijelijkheid is slechts waar eene regtbank tusschen beiden mag komen. In het afgetrokkene zou men slechts behoeven te vragen, welke magts-uitoefening van den meester binnen de perken van regt is, en het antwoord zou waarschijnlijk alle moeijelijkheden wegruimen: maar wij mogen de zaak niet uit dat oogpunt beschouwen. Het is ons niet geoorloofd in algemeene beschouwingen omtrent de zaak zelve te treden. Wij mogen de regten van den meester niet bij eene regtbank ter toetse brengen. De slaaf moet, zal hij slaaf blijven, weten dat hij van zijn meester niet in hooger beroep kan komen; dat deze zijne magt in geen geval zich aangematigd heeft, maar dat zij hem is toegekend door de wetten der menschen althans, zoo niet door God. Waarlijk er zou groot gevaar te duchten zijn, indien de regtbanken geroepen moesten worden om de straf te wijzigen naar iedere soort en de mate van ieder verzuim van pligten der dienstbaren."

"Niemand kan de vele en tergende uittartingen van den meester voorzien, waartoe de slaaf door zijne eigene hartstogten of door anderen wordt aangezet; noch den toorn van den meester, die zich misschien eensklaps en bloedig op hem zal wreken; eene wraak die gewoonlijk straffeloos gepleegd wordt, omdat zij in het geheim plaats heeft. Het Hof doet dus gaarne afstand van die magt om de verhouding, waarin deze twee elementen onzer maatschappij tot elkander staan, te veranderen.......

"Ik herhaal het: gaarne zou ik mij aan de beslissing in deze zaak onttrekken, maar, daartoe geroepen, is het Hof gedwongen tot de verklaring, dat, daar de slavernij bij ons bestaat, in den tegenwoordigen stand van zaken en zoolang de Wetgevende Magt het niet noodig zal geoordeeld hebben stellig het tegendeel te bepalen, het gebiedend de pligt is des regters om de onbeperkte magt van den eigenaar over zijn slaaf te erkennen, behalve in die gevallen waarin zij door de wet verboden is.

En die verklaring leggen wij af op grond dat die magt noodzakelijk is voor het instandhouden der waarde van slaven, tot bescherming van den eigenaar en voor de algemeene rust, die in hooge mate van hunne onderwerping afhankelijk is; en eindelijk, omdat zij krachtdadig medewerkt tot de veiligheid en het welzijn der slaven zelven. De eerste uitspraak wordt derhalve verworpen en de gedaagde vrijgesproken."

Men kan die beslissing, zoo helder en duidelijk in hare uitdrukkingen, zoo waardig en plegtig door haren ernst en zoo treurig in hare conclusie niet lezen, zonder te gelijk diepen eerbied voor den man en afschuw voor het stelsel te gevoelen. Die man, te oordeelen naar deze enkele proeve, en dit is al wat de schrijfster van hem weet, bezit dat uitnemend gezond verstand, dat door geen omhaal van woorden of drogredenen zich laat medeslepen, maar dat een diepen en doordringenden blik werpt in alles, waarmede het in aanraking komt. Hij toont ook een edelen afkeer van die huichelarij, om standvastig eene slechte zaak met een goeden naam te noemen, zelfs wanneer zij algemeen erkend en wettig is. O, wij zouden dit zoo gaarne meer zien in onze noordelijke, zoowel als in onze zuidelijke Staten.

Ééne zaak betreuren wij slechts, dat zulk een man, met zulke geestvermogens begaafd, slechts geroepen is, om de wet uit te leggen, niet om haar te hervormen.

HOOFDSTUK III.

SOUTHER TEGEN DE REPUBLIEK--HET NON PLUS ULTRA VAN MENSCHLIEVENDHEID IN DE WET.

"En toch ondanks zulke wetten en uitspraken doet mevrouw Stowe enz.--Courier and Enquirer."

Het proces van Souther tegen de Republiek is door den Courier and Enquirer aangehaald als een zeer gunstig staaltje der wettelijke beslissingen onder de vigerende slavenwetten, met de volgende opmerking:

"En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet mevrouw Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom, in Louisiana, letterlijk te laten doodgeeselen door zijn meester Legree; en zulke feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft, beschrijft zij gedurig met de meest afschrikwekkende kleuren, om de instelling der slavernij te doen kennen!"

Door die woorden werd schrijfster dezes in den waan gebragt, dat dit proces op eene wijze was gevoerd geworden, die zoo veel eer deed aan het menschelijk gevoel, dat men de regtspleging omtrent de slaven van een gunstiger standpunt zou gaan beschouwen. Daarom deed zij de moeite zich het verslag van dat proces te verschaffen, met het oogmerk het openbaar te maken als tegenstelling van de vele wreedheden, die men bij de studie van dit gedeelte van het onderwerp ontmoet. Een regterlijk ambtenaar heeft het gecopieerd uit Grattan's Reports, en zij laat het hier volgen. Indien het den lezer verbaast, het kan bij hem niet meer verbazing opwekken dan bij de schrijfster zelve.

"Souther tegen de Republiek, 7 Grattan 673, 1851.

"Het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar, ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven gestrengheid gegeven, is moord, al mogt ook het oogmerk van den meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden."

"Simeon Souther werd in de zitting van October 1850 bij den omgaanden regter in Hanover county aangeklaagd wegens moord op zijn eigen slaaf gepleegd. De acte van beschuldiging bevatte 15 punten, waarin de verschillende wijzen van kastijding en pijniging, waardoor de moord zou gepleegd zijn, op zich zelf of gepaard gaande waren aangegeven. Het vijftiende punt omvatte ze allen: en, daar de regtbank verklaarde dat die beschuldiging bewezen was, zal men uit de opgave der feiten in dat punt vervat, kunnen zien wat den beschuldigde werd ten laste gelegd, en waardoor het bewijs geleverd werd.

In dat vijftiende punt van beschuldiging werd gezegd, dat op den 1sten September 1849, de beschuldigde zijn slaaf Sam met koorden om zijne polsen, hals, midden, beenen en enkels aan een boom bond. Dat de beschuldigde den aldus gebonden slaaf eerst met roeden geeselde. Dat hij hem daarna met een lat slagen en stooten toebragt, en twee van zijne slaven, een man en eene vrouw, beval den verslagene met de lat te slaan. Dat, terwijl de verslagene aldus aan een boom gebonden was, de beschuldigde hem sloeg, stompte, schopte en trapte op verschillende plaatsen van zijn hoofd, aangezigt en ligchaam; dat hij zijn ligchaam brandde .... dat hij hem toen waschte met warm water, waarin Cayene peper was afgetrokken; en dat hij zijne twee slaven voornoemd dwong hem met hetzelfde mengsel van water en Cayene peper te wasschen. Dat, na het knevelen, geeselen, beuken, slaan, stooten, stompen, schoppen, trappen, verwonden, kneuzen, verminken, branden, wasschen en pijnigen, vermeld, de beschuldigde den verslagene losmaakte van den boom, zoodanig, dat hij met kracht op den grond viel; dat hij hem intusschen sloeg, stompte en trapte op zijn hoofd, slapen en verschillende deelen van zijn ligchaam. Dat de beschuldigde toen den verslagene naar eene werkplaats in zijn huis deed brengen, waar hij een zijner slaven beval om, in zijn bijzijn, de voeten van den verslagene in de stokken te sluiten, zijne beenen aan een stuk hout vast te maken, en een touw om zijn hals te slaan, waarmede hij aan de post van de deur werd vastgemaakt, en op die wijze den verslagene te worgen en te doen stikken. En dat, terwijl de verslagene dus op deze wijze was vastgemaakt, de beschuldigde hem sloeg, stompte, trapte en beukte op zijn hoofd, zijn aangezigt, borst, buik, zijden, rug en verdere deelen van het ligchaam; en dat hij nogmaals zijn slaven beval het ligchaam van den verslagene te branden. In dit punt der aanklagt wordt ook de beschuldiging neergelegd dat onder en door deze verschillende straffen en pijnigingen de slaaf Sam gestorven is. Het bleek dat de beschuldigde met het straffen van den verslagene des morgens aanving, en dat het den ganschen dag duurde; en dat de verslagene stierf in het bijzijn van den beschuldigde, een van zijne slaven en een der getuigen, terwijl de marteling nog steeds werd voortgezet.

Het vonnis van het hof werd bij monde van den regter Field uitgesproken.

Souther werd beschuldigd en schuldigverklaard aan moord zonder voorbedachten rade, door de omgaande regtbank van Hanover county, in hare zitting van April jl., en werd veroordeeld tot vijf jaren confinement, welk tijdvak door de jury was vastgesteld. De moord bestond in het dooden van een negerslaaf, genaamd Sam, het eigendom van den beschuldigde, door wreed en overdreven geeselen en pijnigen, hem aangedaan door Souther, bijgestaan door twee zijner slaven op den eersten September 1851. De beschuldigde verzocht herziening van zijn vonnis, op grond, dat de misdaad indien zij aanwezig was, niet meer was dan manslag. Het verzoek om de zaak op nieuw in behandeling te brengen werd afgewezen, en de redenen, welke geacht werden een nieuw onderzoek noodig te maken, onvoldoende bevonden. Die redenen waren: Dat de slaaf Sam, die in de acte van beschuldiging genoemd wordt, de slaaf en het eigendom van den beschuldigde was. Dat met het doel den slaaf te straffen voor dronkenschap en den omgang dien hij erkende, met Henry en Stone, twee der getuigen ten laste, hij hem vastbond en kastijdde in tegenwoordigheid van gezegde getuigen; dat hij hem eerst slechts luttel geslagen had met takken van perzik- of appelboomen, maar daarna op de wijze in de acte omschreven, nadat hij gezegde getuigen had doen roepen, die de strafoefening bijwoonden even als verscheidene andere slaven van den beschuldigde; en dat de slaaf in kwestie stierf onder de uitoefening van gezegde straf, in tegenwoordigheid van een zijner slaven en van een der getuigen ten laste. Maar er was geen bewijs dat het oogmerk van den beschuldigde was den slaaf te dooden, tenzij dit oogmerk moest worden afgeleid uit de wijze en den duur der strafoefening. Integendeel was het bewezen, dat de beschuldigde herhaaldelijk verklaard had, terwijl de slaaf de straf onderging, te gelooven dat deze slechts voorgaf te lijden maar inderdaad niet leed. De regter verklaarde daarop dat de slaaf gestraft werd op de wijze als in de acte van beschuldiging werd vermeld. Die acte van beschuldiging bevat vijftien punten en loopt over eene zeer wreede en baldadige geeseling en marteling. [4]

Men mag aannemen dat in de jaarboeken der criminele regtspleging geene afschuwelijke en verregaande wreede daad vermeld wordt als die, waarvan in het proces van Souther gesproken wordt; en toch is met ernst en nadruk door zijn advocaat beweerd, dat hier slechts sprake kon zijn van manslag.

Die advokaat heeft verder aangevoerd, dat iemand niet aangeklaagd en vervolgd kan worden wegens hardvochtige geeseling van zijn eigen slaaf. Dat de wet den meester veroorlooft zijn slaaf te kastijden, en dat, indien deze kastijding den dood ten gevolge heeft, dit gelijk te stellen is met den moord door iemand in het volvoeren eener wettige daad gepleegd, en slechts manslag kan geacht worden. Door dit Hof is, in het proces tegen Turner, beslist, dat de eigenaar van een slaaf voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet aangeklaagd kan worden; maar daaruit volgt in geenen deele, dat, wanneer zulk baldadig, wreed en hardvochtig slaan den dood ten gevolge heeft, hoewel dit niet werd beoogd, die mishandelingen als geoorloofd door de wet moeten beschouwd worden, en de misdaad als manslag moeten doen qualificeren, wanneer de slagen alleen zijn toegebragt met het doel den slaaf te kastijden. Het is wel de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf, en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf baldadig, wreed en hardvochtig; maar bij zulk eene overdrevene strafoefening, alleen om te straffen, handelt de eigenaar van den slaaf voor zijn eigen risico; en indien de dood het gevolg is van zulk eene kastijding, kan de betrekking van den meester tot den slaaf geen grond tot verschooning of eene verzachtende omstandigheid geacht worden. De beginselen van het gemeene regt, die ten aanzien van den moord gelden, zijn hier zonder wijziging of uitzondering van toepassing; en op grond van die beginselen is de daad van den beschuldigde, in de onderwerpelijke zaak, moord.... De daad van den beschuldigde is geen manslag maar moord met voorbedachten rade.

Wij voelen ons gedrongen eenige opmerkingen omtrent dat proces hier te laten volgen.

Die marteling duurde, naar het schijnt, twaalf uren. Zij had plaats in de county Hanover van den staat Virginia. Twee blanken waren van nabij van de geheele toedragt getuigen, en deden, voor zoover ons blijkt, geene poging om de lieden uit den omtrek er bij te roepen en die gruweldaad te doen ophouden. Welk eene opvoeding, welke zienswijze doet dit in deze menschen onderstellen!

De zaak werd voor den regter gebragt. Ons gevoel wordt hevig geschokt bij het lezen der acte van beschuldiging, die men niet gaarne ten tweeden male zou doorloopen. Men zou ligtelijk meenen, dat zij aller gemoederen in beweging bragt, dat de bewoners der county allen als één man zouden zijn opgestaan, om den wreedaard uit te werpen even als Paulus den adder afschudde. Het blijkt integendeel, dat niemand partij vatte; dat de regters met eene koelbloedigheid de feiten onderzochten, en weder onderzochten zoo als men slechts in de annalen der inquisitie aantreft; dat met nadruk en ernst door beschaafde en kundige Amerikanen werd beweerd, dat die reeks van gruwelen niet het feit van moord daarstelden! en, in de koude en duidelijke taal, in de regtspleging gebruikelijk, dat "de misdaad, indien zij aanwezig was, slechts manslag was," en dat eene Amerikaansche jury het "moord zonder voorbedachten rade" noemde. Bij ieder, die de acte van beschuldiging leest, zal gewis de wensch opkomen, dat, indien men in Virginia dit "doodslag zonder voorbedachten rade" noemt, een moord met voorbedachten rade de voorkeur verdient. Had Souther plotseling zijn slaaf een kogel door het hoofd gejaagd, in tegenwoordigheid van blanke getuigen, dan zou dit moord met voorbedachten rade geweest zijn; maar nu hij hem liever twaalf uur lang doodmartelt, onder voorgeven hem te kastijden, nu, zegt de beschuldiging, dat er slechts doodslag zonder voorbedachten rade gepleegd is; "omdat," zoo als het verzoek om op nieuw de zaak in behandeling te nemen, met bewonderenswaardige ongevoeligheid zegt: "het niet is bewezen, dat het oogmerk was van den gevangene den slaaf te dooden, tenzij dit oogmerk mogt worden afgeleid uit de wijze en den duur der strafoefening."

In het vonnis is eene overhelling merkbaar tot het denkbeeld dat twaalf uren doorgebragt met het slaan, trappen, stompen, branden en verminken van een menschelijk wezen, wel eenigzins moet beschouwd worden als eene overschrijding van de grenzen eener geoorloofde kastijding. Maar die gewaagde meening wordt met omzigtigheid uitgedrukt en met eene zekere aarzeling, en wordt opgewogen door de omstandigheid, die eveneens in die merkwaardige acte wordt aangevoerd, dat de beschuldigde, gedurende de strafoefening, herhaaldelijk verklaarde te gelooven dat de slaaf slechts voorgaf te lijden, maar inderdaad niet leed. Het schijnt dat deze omstandigheid door de regters werd aangemerkt als een zeer aannemelijk bewijs voor de zuiverheid van Southers oogmerken, en het zeer waarschijnlijk maakte, dat hij slechts eene kastijding op het oog had.

Ook schijnt het dat Souther, wel verre van de publieke opinie tegen zich te hebben, er velen vond, die, met hem van oordeel waren, dat vijf jaren confinement eene onbillijke en te strenge straf was voor zijn misdaad; van daar zijn verzoek om op nieuw de zaak te doen behandelen en het appel bij het Hoog Geregtshof; van daar ook de vorm van het proces: "Souther tegen den Staat." Souther achtte zich blijkbaar verongelijkt, en het is als zoodanig, dat hij voor het Hoog Geregtshof verscheen.

Tot dusverre levert het proces geene reden op om van de menschlievendheid der regtspleging te gewagen. De wijze, waarop tot hiertoe de zaak behandeld is, herinnert min of meer aan de regtsgedingen, die men in de geschiedenis der inquisitie vindt, over het geoorloofde om kinderen beneden de dertien jaren vuur aan de voeten te leggen, ten einde hun eene bekentenis, die tot bewijs vereischt wordt, te ontlokken.

Beschouwen wij thans de uitspraak van het Hoog Geregtshof, die de schrijver van het artikel in den Courier and Enquirer zoo bijzonder zacht en menschlievend noemt. De regter Field is van oordeel, dat het eene zeer wreede daad geldt, en in zooverre schijnt hij van zienswijze te verschillen met den regter, de jury en den advokaat, door wie de zaak in eerste instantie is behandeld. Verder twijfelt hij, of in de jaarboeken der regtspleging wel eene tweede zoo barbaarsche daad voorkomt, welke twijfel misschien zeer gegrond is; en hij neemt aan, dat het dooden van een slaaf door marteling, onder voorwendsel van kastijding, moord is met voorbedachten rade; ook hierin zal iedereen hem moeten gelijk geven; het eenige, waarover men zich verwonderen moet is, dat het ooit noodig was dat iemand in regten zulk eene stelling moest opperen. Maar, even onbetwistbaar als de regter Ruffin, neemt hij het treurige beginsel in de slavenwetgeving aan, dat de wet niet tusschen beiden kan treden, wanneer de meester zijn slaaf eene marteling doet ondergaan, die den dood niet ten gevolge heeft. Zoo het vonnis iets uitmaakt, dan is het dit beginsel. De conclusie der regtspraak toch luidt:

"Het hof heeft beslist, in het proces tegen Turner, dat de eigenaar van een slaaf, voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet kan vervolgd worden ....

"Het is de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf wreed en hardvochtig ...."

De zeer natuurlijke gevolgtrekking, uit die conclusie af te leiden, is deze: Wanneer het slagtoffer van die marteling, die twaalf uren duurde, slechts een weinig sterker gestel hadde bezeten, en er niet onder bezweken ware, zou er geen wet in Virginia zijn, krachtens welke Souther kon veroordeeld worden.

Indien dit niet het overtuigendste bewijs is voor de waarheid van St. Clare's woorden, dat hij, die het verste gaat en het ergste doet, nog maar de magt gebruikt die de wet hem geeft, "dan weten wij niet waardoor anders die te staven. Wat is het ergste?" een onmiddellijke dood of eene langdurige marteling? Die uitspraak geeft in zoo vele woorden elken meester het regt om eene marteling zoo lang hij wil voort te zetten, maar ontneemt hem slechts de magt om haar door den dood, die dan eene weldaad zou zijn, te doen ophouden. En dit is nu de regterlijke uitspraak die de Courier and Enquirer als eene overtuigende proeve van de menschlievendheid der regtspleging aanvoert.

Het is te hopen voor den uitgever, dat hij nooit dat proces in zijn geheel heeft gelezen; indien hij dat gedaan hadde, zou hij het niet hebben aangehaald. Ieder die het knekelhuis binnen treedt dier regtspleging, met de hoop een bewijs op te doen voor de menschlievendheid van het slaven-stelsel--wij zeggen het den Joodschen dichter na--

Hij weet niet dat de dood daar heerscht, En dat zijne gasten zijn in de diepten der hel.