De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 20

Chapter 203,238 wordsPublic domain

De wet van 1786 erkent in den considerans het feit, dat velen, door mishandeling van hunne slaven, oorzaak zijn, dat deze misdaden plegen, waarvoor zij gestraft worden.... De mishandeling, hier bedoeld, moet bestaan in het onthouden van het vereischte voedsel en kleeding: en de misdaden, welke daaruit voortspruiten, moeten geacht worden te strekken tot het aanschaffen van voedsel en kleeding.

Welligt was het stelen van aardappelen in dit geval een van die misdaden, waarop gedoeld werd.

Nog vinden wij het volgende geding.

De gedaagden hadden zich, met het oogmerk gevlugte negers te achterhalen, naar de plantage begeven van den heer Whitsell, in welks nabuurschap velen dezer zich hadden verscholen, en welke plantage in een staat van oproer verkeerde. Toen zij het huis naderden, met geladen geweren, sprong een neger uit, of uit de nabijheid van het huis te voorschijn en liep naar eene moeras; maar men gaf vuur en doodde hem.

De regter verklaarde voor de jury, dat er omstandigheden konden bestaan, door de spanning en oproerigheid der omliggende streek, waarin het dooden van een neger zonder magtiging der overheid geoorloofd was.

Deze uitspraak werd vernietigd door het Hoog Geregtshof door de volgende eindbeslissing.

Volgens de wet van 1740 mag een blanke den slaaf kastijden en in ligten graad straffen, wanneer hij buiten de plantage gevonden wordt, waarop hij werkzaam is, en wanneer de slaaf den blanke aanrandt mag deze hem dooden; maar een slaaf die slechts wegloopt mag niet gedood worden. De gedaagden zijn ook, volgens de gewone wet niet strafbaar, indien wij den neger als persoon beschouwen; want de wet heeft hem de magt niet toegekend, om een neger als misdadiger te beschouwen, en zonder die magt mogen zij hem niet dooden.

Indien wij den neger als persoon beschouwen, zegt de regter, en door de uitspraak in deze zaak, geeft hij blijkbaar te kennen, dat hij allezins tot die meening overhelt; maar zoovele uitstekende autoriteiten op het gebied der regtsgeleerdheid hebben het tegendeel beweerd, dat hij niet dan schroomvallig en in den vorm eener hypothese voor zijn gevoelen uitkomt. De lezer zal welligt niet weten, dat de kwestie of de slaaf in eenig opzigt als persoon of menschelijk wezen moet beschouwd worden, breedvoerig en aan beide zijden door bekwame mannen voor de geregtshoven is bepleit, en wij achten ons gelukkig, dat de balans der meening van de regterlijke magt ten gunste van den slaaf overhelt. De regter Clarke uit Mississippi drukt zich zeer duidelijk uit, en voert juiste en treffende argumenten aan, ofschoon, zoo als hij zelf erkent, tegenover zeer achtenswaardige autoriteiten in het regtswezen, dat de slaaf persoon, dat hij een redelijk wezen is. Zijne redevoering komt voor in het proces van den Staat Mississippi tegen Jones, en is ook als letterkundig voortbrengsel de aandacht van den lezer wel waard.

Het schijnt dat de moord op een slaaf gepleegd was uitgemaakt en bewezen voor den gewonen regter, maar dat men niet in het vonnis had berust, en zich in appèl had begeven, op grond dat er in dien Staat geen slavenmoord bestond. De regter Clarke sprak toen aldus:

"De vraag is hier, of het doodslaan van een slaaf moord is. Omdat er wezens zijn, die door de maatschappij van vele hunner regten zijn beroofd, volgt daar nog niet uit, dat zij van alle regten zijn verstoken. In sommige opzigten mogen de slaven als roerende goederen beschouwd worden, in andere opzigten zijn zij echter menschen. De wet rekent hen in staat tot het bedrijven van misdaden. Dit kan slechts zijn op grond dat zij menschen en redelijke wezens zijn. De raadsman van den gedaagde heeft zich herhaaldelijk beroepen op de Romeinsche wet. Die wet gold slechts voor het Romeinsche Rijk, en gaf magt over leven en dood ten aanzien van krijgsgevangenen, die slaven werden, maar zij geldt hier evenmin als eene zelfde magt dáár aan de ouders gegeven over het leven van hunne kinderen. Hij heeft ook met nadruk gewezen op het proces, in Tylors Reports aangehaald, dat in Noord-Carolina gevoerd is; maar in die zaak waren twee regters tegen één van oordeel, dat het dooden van een slaaf moord was. De regter Hall, die in bovengenoemde zaak, bij dat verschil van meening, het vonnis sloeg, grondde zijne conclusie op, zoo als wij meenen, valsche beginselen, door het Romeinsche regt hier van toepassing te verklaren. Zijne gevolgtrekking dus, dat iemand niet met den dood kan gestraft worden, omdat zijne zaak tot de competentie van den burgerlijken regter behoort, wordt noch door het gezond verstand noch door eenige autoriteit gewettigd, maar schijnt ons toe met beiden lijnregt in strijd te zijn. Vóór vele jaren werd in Virginia het regt over leven en dood van de slaven, bij de wet verleend; maar Tucker merkt op, dat, zoodra deze wet was ingetrokken, door al de regtbanken werd aangenomen dat het dooden van een slaaf moord moest zijn. In het proces van den Staat tegen Dolly Chapman wegens het baldadig dooden van een slaaf, werd het in Virginia uitgemaakt dat slaven personen zijn. In de constitutie der Vereenigde Staten worden de slaven uitdrukkelijk als "personen" aangeduid. In dezen Staat heeft de Wetgevende Magt de slaven als redelijke en verantwoordelijke wezens beschouwd; en het zou eene smet zijn op de eer van een Staat, en een blaam op de regterlijke magt, indien men straffeloos een slaaf het leven mogt ontnemen, of in koelen bloede mogt vermoorden, zonder dat de schuldige de grootste straf onderging, die in de criminele regtspleging van zulk een Staat bekend is. Heeft de slaaf geene regten, omdat hij van zijne vrijheid is verstoken? Hij is toch een menschelijk wezen, en bezit al die regten, waarvan hij niet beroofd is door de stellige bepalingen der wet; maar te vergeefs zouden wij naar eenige wet zoeken, door eene verlichte en menschlievende wetgeving gemaakt, die zelfs aan den meester, nog veel minder aan een vreemdeling, magt over leven en dood van een slaaf gaf. Zulk eene wet zou den tijd van Draco of Caligula waardig zijn, en zou als uit eenen mond afgekeurd worden, door al de onderdanen van dezen Staat, waar zelfs wreedheid jegens slaven, en nog veel meer een moord op hen gepleegd, aan de algemeene verachting bloot staat. Door de bepalingen onzer wet kan een slaaf een moord plegen en ter dood veroordeeld worden: is het dus ook geen moord een slaaf te dooden? Kan een bloot roerend eigendom een moord begaan en aan eene straf worden onderworpen...

Het regt van den meester ontstaat niet door de natuurwet of het volkenregt maar alleen krachtens eene stellige wet van den Staat; en al geeft deze aan den meester het regt om diensten van zijn slaaf te eischen, en vergt zij van hem dat hij den slaaf van zijne geboorte tot zijn dood zal voeden en kleeden, daarom geeft zij den eigenaar nog de magt niet om zijn slaaf het leven te ontnemen; en indien zulk eene daad geen moord is, dan is zij ook geene misdaad, en kan de dader daarvoor niet strafbaar zijn.

Het ontnemen van het leven aan een redelijk schepsel, kwaadwillig en met voorbedachten rade, is volgens de gewone wet moord. Is een slaaf geen redelijk schepsel;--is hij geen menschelijk wezen? Is de beteekenis van dat woord redelijk schepsel eene andere dan: menschelijk wezen? Het dooden van een krankzinnige, van een ongeboren kind zelfs is moord even goed als het dooden van een geleerde; en heeft nu de slaaf niet even veel rede als een krankzinnige of een ongeboren kind?"

Zoo overtuigend moest het in de negentiende eeuw der Christelijke jaartelling en in den Staat Mississippi aangetoond worden, dat de slaaf een redelijk schepsel--een menschelijk wezen is!

Van welken aard was het stelsel, van welken aard de algemeene zienswijze, die zulke argumenten noodzakelijk maakten?

Laat ons een blik slaan op eenige stellingen, die met betrekking tot den toestand der slaven in die redenering voorkomen. Volgens den regter Clarke heeft men menschelijke wezens van vele hunner regten beroofd; want hij zegt: "Omdat wezens beroofd zijn door de maatschappij van vele hunner regten, volgt daaruit dat zij verstoken zijn van al hunne regten?" en verder: "hij is toch een menschelijk wezen, en bezit al die regten, waarvan hij niet beroofd is door de stellige bepalingen der wet." Hier neemt hij dus aan, dat de bepalingen der wet den slaaf van zijne natuurlijke regten berooven. Later zegt hij weder: "het regt van den eigenaar bestaat niet door de natuurwet of het volkenregt, maar krachtens eene stellige wet van den Staat." Volgens de uitspraak van dien regter bestaat dus slavernij krachtens hetzelfde regt, waardoor iedere soort van diefstal of verdrukking bestaat--het regt van den sterkste. Eene bende roovers in een Staat heeft regten, juist van denzelfden aard, op al de naburige eigendommen, waarvan zij zich kan meester maken.

Met gewetenlooze onverschilligheid huldigt de wet datzelfde stelsel van geweld en diefstal, dat het beginsel der slavernij is, en bepaalt zij hoever de eigenaar gaan kan in het zich toeëigenen van een ander menschelijk wezen.

De kwestie ontstaat: Mag een eigenaar eene vrouw geven aan den een en hare ongeboren kinderen aan een ander? Zien wij hoe die vraag beslist wordt, Wheeler, p. 28. De ongelukkige vrouw, die hier aangehaald wordt, om aan hare zaak dit belangrijke regtspunt te toetsen, komt voor in het testament van een zekeren Samuel Marksbury, onder den naam en bijnaam van "mijne ligtekooi, de negerin Pen." Deze Samuel zegt in zijn uitersten wil, uit genegenheid en liefde voor zijne eigene kinderen, dat hij die negerin geeft aan zijn zoon Samuel en al hare nog te verwachten nakomelingen aan zijne dochter Rachel. Toen die dochter Rachel huwde, eischte haar echtgenoot die nakomelingen--daar het terstond bewezen was, dat "de ligtekooi verscheidene kinderen had." Nu ontstaat er een belangrijk proces, dat al de scherpzinnigheid der regtsgeleerden op de proef stelt. De regtbank in eersten aanleg beslist, dat Samuel Marksbury de ongeboren kinderen niet had kunnen vermaken, uit kracht van den regtsregel: "Nemo dat quod non habet", d. i., "niemand kan geven wat hij niet heeft", dien men zeker klaar en voldoende zou achten. Nogtans, de zaak komt in hooger beroep; het Hoog Geregtshof vernietigt de uitspraak; laat ons de redenen daarvoor hooren.

De regter erkent de kracht van den regtsregel, hierboven aangehaald,--zegt, zoo als wel te denken was, dat het een zeer juiste en duidelijke regel is--het eenige bezwaar is, dat hij niet op het onderwerpelijke geval van toepassing kan zijn. En waarom niet?

"Hij, die de absolute eigenaar is van eene zaak, bezit ook al de eigenschappen van die zaak om meer waarde te verkrijgen of te vermeerderen, en hij kan ongetwijfeld over die grootere waarde of die vermeerdering beschikken zoo goed als over de zaak zelve. Zoo is het bij voorbeeld een alledaagsche zaak dat men over de renten of vruchten van eenig bestaand eigendom beschikt, en het is niet zeldzaam dat een eigenaar van schapen de wol van eene kudde voor jaren verkoopt."

Men zie ook op de volgende bladzijden Fanny tegen Bryant en Marshall's, Rep., p. 368. Daar vindt men geheel dezelfde zienswijze, en indien de lezer verder gaat, zal hij die beginselen ook toegepast vinden op het huren, verkoopen en verpanden van ongeboren kinderen; en de onverschilligheid, die in de pleidooijen daaromtrent heerscht, is slechts te vergelijken met het kerven van het ontleedmes door al de hartzenuwen van een levend ligchaam, met het doel om de wetten van de zamentrekking der zenuwen te leeren kennen.

De regter Stroud verklaart in zijne schets van de slavenwetten op bladz. 99, dat de strafbepalingen in de slaven-Staten veel strenger zijn voor de slaven dan voor de blanken, en tot staving voert hij de volgende edele en menschlievende beschouwingen aan:

"Men mag niet veronderstellen, dat een wezen, dat niet eens lezen kan, dat niet voorgelicht wordt door de godsdienst, en slechts weinig door goede voorbeelden wordt gevormd, een juist begrip heeft van den aard en de uitgebreidheid van zedelijke of maatschappelijke pligten. Deze opmerking geldt, met slechts eene kleine wijzing, voor de slaven in het algemeen. Men heeft aangetoond, dat de voordeelen eener goede opvoeding voor hen zeer luttel zouden zijn, daar de kans dat zij eenig begrip zouden krijgen van de voorschriften van het evangelie zoo gering is, dat zij naauwelijks in aanmerking kan komen. Zij mogen dus ten eenemale onbekwaam geacht worden om de kracht eener wet te begrijpen; en daarom moeten die wetten, welke bepaaldelijk voor hen gemaakt zijn, zich aanbevelen door eenvoud en toegevendheid.

"Hun toestand vereischt ook, om eene andere reden, toegevendheid ten hunnen aanzien. Zij kunnen niet lezen, en hoe kunnen zij, die weinig of geen omgang hebben met hen, die beter onderwezen zijn, te weten komen, dat er eene wet voor hen gemaakt is? Gehoorzaamheid te vergen aan eene wet, die niet is afgekondigd, die den onderdaan onbekend is, heeft men ten allen tijde onbillijk en tyranniek geacht. Al had men de regering van Caligula niets anders dan dit te verwijten, reeds daarom zou zij ten eeuwige dage met afschuw worden genoemd.

"De wetgevers in de slaven-Staten schijnen bij de zamenstelling hunner strafwetten geheel die aanspraak van den slaaf op hunne toegevendheid uit het oog verloren te hebben. De verharde booswicht maakt hun medelijden gaande, en hem worden althans de wetten bekend gemaakt vóór men van hem verwacht, dat hij ze op zal volgen; maar voor den onwetenden slaaf geldt eene gansche reeks van wreede bepalingen, waarvan hij waarschijnlijk nimmer zal gehoord hebben.

"Vele dier bepalingen hebben alleen betrekking op den slaaf, en voor elk vergrijp daartegen moet hij zwaar boeten; terwijl wat betreft misdrijven, waaraan zoowel blanken als slaven zich kunnen schuldig maken, veel strenger straffen worden opgelegd aan de laatsten dan aan de eersten."

Deze heftige aanval van den regter Stroud staaft hij door twintig bladzijden met bewijzen, waarin hij de schandelijke verhouding aantoont tusschen het aantal misdrijven, waarvoor een slaaf, en die, waarvoor een blanke wordt ter dood veroordeeld. Betreffende dit punt vinden wij de volgende onbarmhartige opmerking in Wheelers Law of Slavery in de noot op bladz. 222.

"Veel is er gezegd over het gebrek aan verhouding tusschen de straffen voor de blanke bevolking en voor de slaven en negers in denzelfden Staat; dat namelijk slaven met veel meer gestrengheid worden gestraft dan blanken, voor het plegen van dezelfde misdaden. Die beschuldiging is voorzeker in zeer vele opzigten waar. Maar men moet in het oog houden, dat de hoofdstrekking der strafwetten oorspronkelijk was: de bescherming en veiligheid van hen, die ze maakten. De slaaf werkt daaraan niet mede. Hij is slechts een van de oorzaken van het kwaad, dat de andere klasse van menschen vreest, en waarin men verwacht, dat die wetten zullen voorzien. Dat hij verantwoordelijk wordt gesteld voor eene inbreuk op die wetten, die de andere klasse tot hare beveiliging heeft daargesteld, is het natuurlijk gevolg van den toestand waarin hij geplaatst is. De gestrengheid dier wetten, is dan ook altijd een uitvloeisel van de vrees voor dat gevaar, werkelijk of denkbeeldig, die de andere klasse koestert."

"Het is altijd zoo geweest bij alle volken, en het zal altijd zoo blijven, omdat er verschil bestaat tusschen vrije en onvrije menschen."

Een treffend voorbeeld van eene wettelijke uitspraak, waaruit die ongelijkheid blijkt, vinden wij in hetzelfde werk op bladz. 224. De zaak komt hoofdzakelijk hierop neder:

De gedaagde, Mann, had voor een jaar eene slavin gehuurd. De slavin pleegt, in dien tijd, een misdrijf van weinig belang, waarvoor de gedaagde haar strafte. Terwijl hij dit doet, loopt de slavin weg; hij schiet op haar en treft haar doodelijk. De regter bij de regtbank in eersten aanleg gaf aan de jury zijn gevoelen te kennen dat, indien zij de straf wreed en te gestreng achtte en onevenredig aan de misdaad, de gedaagde volgens de wet schuldig was, daar de slavin slechts in zeker opzigt zijn eigendom was. De jury had reden om aan te nemen, dat de straf te wreed, ongeoorloofd en onevenredig aan het misdrijf was geweest, en veroordeelde den gedaagde. Maar op welken grond?--omdat, krachtens de wetten van Noord-Carolina, het wreed, ongeoorloofd en onevenredig aan het misdrijf straffen van een slaaf door zijn meester eene strafbare daad is? Neen. Zij veroordeelde den gedaagde, niet omdat de straf wreed en ongeoorloofd was, maar omdat hij de persoon niet was, die haar mogt opleggen, "daar de slavin slechts in zeker opzigt zijn eigendom was."

De gedaagde kwam in hooger beroep; de uitspraak werd vernietigd, op grond, dat de huurder, voor den tijd der huur, in het bezit was van al de regten des eigenaars. De opmerkingen van den regter Ruffin zijn zoo karakteristiek en drukken met zoo veel kracht den strijd uit tusschen het menschelijk gevoel van den regter en de volstrekte noodzakelijkheid eener juiste toepassing der slaven-wet, dat wij haar voor het grootste gedeelte willen overnemen. Men kan zich slechts over de onverstoorbare kalmte verwonderen, waarmede een man, die blijkbaar bezield is met edele en menschelijke gevoelens, over de verschrikkelijkste gevolgtrekkingen en conclusies heenstapt, uit gehoorzaamheid aan de gestelde wetten.

"Een regter," zegt hij, "kan het slechts betreuren, dat geschillen, als het tegenwoordige, aan hem onderworpen worden. Het is niet mogelijk de oorzaken te toetsen, waaruit zij voortspruiten, maar waar instellingen als de onze bestaan, kan men ze wel doorgronden. Ook de strijd in des regters eigen binnenste tusschen zijn gevoel als mensch en zijn pligt als overheidspersoon is heftig, en brengt hem in eene zware verzoeking, om, indien hij het mogt, die kwesties onaangeroerd te laten. Maar het is noodeloos te klagen over pligten, die het noodzakelijk uitvloeisel zijn van onzen staatkundigen toestand; en het is eene regtbank niet geoorloofd eene verantwoordelijkheid van zich te werpen, die de wet haar oplegt. Met hoeveel tegenzin zij er zich dan ook aan leent, de regtbank is gedwongen een oordeel te vellen over de uitgestrektheid der heerschappij van den meester over zijn slaaf in Noord-Carolina. De aanklagt betreft het slaan van Lydia, den slaaf van Elizabeth Jones.... Het geldt hier de vraag, of het wreed, onredelijk slaan van een slaaf door een huurder strafbaar is. De jury, die in deze zaak reeds uitspraak heeft gedaan, heeft haar in dien zin beslist. Zij schijnt dit te hebben gedaan op grond, dat de gedaagde slechts in zeker opzigt eigendom was. Onze wetten beschouwen den eigenaar of ieder ander, in wiens bezit en onder wiens bevel de slaaf is, als bekleed met dezelfde magt. Het betreft altijd eene zelfde zaak: de diensten van den slaaf, en dezelfde magt moet dus verleend worden. In een crimineel proces en in ieder ander opzigt is de huurder en bezitter van een slaaf, met betrekking tot regten en pligten beiden, voor een bepaalden tijd eigenaar.... Maar omtrent de vraag in het algemeen, of de eigenaar in criminali verantwoordelijk is voor het slaan van zijn eigen slaaf of het uitoefenen van eenig ander gezag of geweld, niet verboden bij de wet, koestert de regtbank naauwelijks eenigen twijfel. Dat hij daarvoor in regten kan betrokken worden is nimmer bij regterlijke uitspraak beslist, en, zoo ver mij bekend is, tot hiertoe nimmer beweerd. Er is nimmer eenige actie van dien aard ingesteld. Uit de bestaande gewoonte en het algemeen gebruik, daaromtrent hier te lande gevolgd, blijkt genoeg hoe ver de magt strekt, die de maatschappij noodig acht tot bescherming van het eigendom eens meesters. Indien wij anders dachten, zouden wij toch ons oordeel niet kunnen stellen tegenover het oordeel van ieder ander, en zeggen dat deze of gene autoriteit gerustelijk kan ter zijde gesteld worden.