De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 19

Chapter 193,783 wordsPublic domain

Wat is zij volgens de bepaling van het wetboek en van hen, die geroepen zijn dit toe te passen? "Een slaaf," zegt de wet van Louisiana, "is iemand, die in de magt is van den meester, aan wien hij behoort. De meester kan hem verkoopen, over zijn persoon, zijne vermogens en zijn arbeid beschikken; hij kan niets doen, niets bezitten, niets verkrijgen, dan hetgeen aan zijn meester moet toebehooren (Burg. Wetb., art. 35)." Zuid-Carolina zegt: "Slaven zullen behandeld, verkocht, in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn, in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van hunne executeurs, administrateurs en gevolmagtigden, in ieder opzigt en beteekenis." De wet in Georgia is gelijkluidend.

Dat de lezer eens nadenke hoe ver zich deze laatste bepaling kan uitstrekken. De regter Ruffin zeide, bij het uitspreken van een vonnis in het Hoog-Geregtshof van Noord-Carolina, een slaaf is "iemand, die zelf en wiens nageslacht veroordeeld is te leven in onkunde, onmagtig iets zijn eigendom te maken, en om te werken opdat een ander de vruchten plukke."

Dat is slavernij--dat is slaaf te wezen! De slavenwet dus in de Zuidelijke Staten strekt om millioenen menschelijke wezens in den toestand van roerende eigendommen te houden; om hen in een toestand te houden, dat de eigenaar hen verkoopen, over hun tijd, persoon en arbeid beschikken kan; waarin zij niets kunnen verrigten, niets bezitten, niets verkrijgen dan ten voordeele van hun meester; waarin zij gedoemd zijn, zij en hunne nakomelingen, om te leven in onkunde en onmagtig iets tot hun eigendom te maken--te werken opdat een ander oogste. De wetten op de slavernij strekken om dit vraagstuk op te lossen in verband met de rust der maatschappij en de veiligheid van dat verhevene ras, dat volhardt in het bedrijven dier gruweldaad.

Uit die eenvoudige opgave der strekking van de slavenwetten--uit de overweging dat de klasse van menschen, die op deze wijze vernederd en verdrukt en voortdurend bestolen worden, menschen zijn met dezelfde hartstogten als wij, menschen, even goed als wij, oorspronkelijk geschapen naar Gods beeld, menschen, die deelgenooten zijn dierzelfde menschheid, waarvan Jezus Christus het hoogste ideaal en de uitdrukking is--wanneer wij in het oog houden, dat de stof, waarmede men op die wijze omgaat, dat vreeselijk ontvlambare element is, de menschelijke ziel, die veerkrachtige, onbedwingbare, onsterfelijke ziel, wier vrijen wil zelfs de goddelijke Almagt niet binnen perken stelt--kunnen wij ons een denkbeeld vormen dier ontzettende kracht, die vereischt wordt, om dat magtigste der elementen in dien staat van verdrukking te houden, die ons de omschrijving van het woord slavernij doet kennen.

Waarlijk, het stelsel dat men volgen moet om zoo iets tot stand te brengen en van eeuw tot eeuw in wezen te houden, moet wel een krachtig stelsel zijn; onze lezers zullen dan ook zien dat het krachtig is. Zij die de wetten maken en zij die ze toepassen, mogen dan hare schrikkelijke wreedheid en onmenschelijkheid al gevoelen; zoolang zij de zaak zelve in wezen willen houden, schiet hun niets anders over dan de wetten te maken en ze getrouw ten uitvoer te brengen, wanneer zij gemaakt zijn. Zij mogen dan al met den regter Ruffin, uit Noord-Carolina, zeggen, wanneer zij plegtig van hun zetel het groote grondbeginsel der slavernij verkondigen dat "de magt van den meester onbeperkt moet wezen om de onderwerping van den slaaf volkomen te doen zijn," zij mogen niet hem zeggen: "Ik kom er openhartig vooruit dat ik dit voorstel wreed vind; ik voel het zoo diep als iemand het kan voelen; en als beginsel van zedelijk regt moet ieder het in zijn binnenste afkeuren;"--met hem zullen zij dan ook verpligt zijn er bij te voegen, "Maar in de gegevene omstandigheden moet het zoo zijn... Deze maatregel behoort bij de slavernij.... Zij is een noodzakelijk vereischte bij de betrekking tusschen eigenaar en slaaf."

En even als de regter Ruffin, zijn mannen van eer, beschaafd en met edele en menschlievende gevoelens, verpligt, om die strenge wetten met onverbiddelijke gestrengheid te handhaven. Bij die altoosdurende reactie dier geduchte kracht, de menschelijke hartstogt en de menschelijke wil, die onophoudelijk in aanraking komt met die zamendrukkende kracht, de slavernij, bij dien ziedenden en kokenden nooit geheel bedwongen vloed, wiens vulkanische golven bruisen onder het gansche zamenstel der maatschappij gelijk zij thans is ingerigt, en die gereed is zich een weg te banen bij de minste spleet of scheur, die onbewaakt is,--is er eene blijvende noodzakelijkheid, die dwingt tot gestrengheid in de wetten en onverbiddelijkheid in de uitvoering. Zoo zegt dan ook de regter Ruffin: "de regtbanken zijn niet geroepen om de regtvaardigheid der zaak te onderzoeken. De slaaf moet, om slaaf te blijven, weten dat hij van zijn meester in geen hooger beroep kan komen." Overeenkomstig hiermede, vinden wij in de meer Zuidelijke Staten, waar de slavenbevolking het talrijkst is, en het houden van slaven het meest noodig en de slaven zelven het meest waard zijn--en dus ook het besluit, om bij het stelsel te blijven, de diepste wortels heeft geschoten--de bepalingen het strengste en de toepassing door de regtbanken het onwrikbaarste [3]. En wanneer de uitspraak der regterlijke magt een tegenovergesteld karakter begonnen aan te nemen, zou dit een bewijs schijnen, dat men tot vrijmaking overhelde. Zoo zeer strijdt de slavenwet met elk gevoel van menschelijkheid, dat juist, zoodra men in eene maatschappij begint te wankelen in het vasthouden aan het stelsel van slavernij, de regters terstond het oor beginnen te leenen aan hunne betere natuur, en door eene gunstigere uitlegging zijne noodzakelijke gestrengheid verzachten.

Zulke uitleggingen worden door regtsgeleerden niet zeer bewonderd. Maar onder de werking van het slavenstelsel, wanneer van die verantwoordelijke magt, die het toekent, gebruik gemaakt wordt door de grofste wezens, worden er somtijds zaken voor den regter gebragt, waarbij de consequente toepassing der wet tot gevolgen zou leiden, zoo afschuwelijk en vreeselijk, dat de regter liever onlogisch dan onmenschelijk is. Als eene bron te midden der woestijn, zien wij nu en dan een edel mensch, door de kracht zijner eigene betere natuur, een vonnis vellen, dat in strijd is met ieder beginsel en antecedent in de slaven-regtspleging en wij danken God er voor. Wij wenschten slechts dat er meer van dezen waren, want dan zouden wij de hoop voeden, dat de dag der verlossing na op handen was.

De lezer volge ons thans in het bewijs van deze stelling: De slavenwet strekt slechts tot bescherming van den eigenaar en niet tot het welzijn van den slaaf.

Dit blijkt uit het geheele stelsel van wetgeving en regtspleging, en het is vaak uitdrukkelijk bewezen met eene juistheid, helderheid en naauwkeurigheid, die, uit een regtsgeleerd oogpunt, inderdaad bewonderenswaardig zijn. Zoo zegt onder anderen de regter Ruffin, na aangetoond te hebben dat er dikwijls beperkingen van de magt des eigenaars zijn voortgesproten uit eene vergelijking van slavernij met de betrekking van ouder tot kind, van meester tot leerling of van voogd tot pupil:

"De regtbank neemt de gevolgtrekkingen, aan zulk eene gelijkstelling ontleend, niet aan. De twee gevallen staan volstrekt niet gelijk, zij staan eer tegen over elkander, er ligt eene onoverkomelijke kloof tusschen hen...... In het eene geval beoogt men het geluk van den knaap, die eenmaal dezelfde regten moet hebben als hij, die over hem gesteld is en op wien de pligt rust het kind zoo nuttig mogelijk te maken voor den rang, dien hij later onder blanken zal innemen...... Met de slavernij is het geheel anders gesteld. Het geldt slechts het voordeel van den meester, zijne zekerheid en de algemeene veiligheid."

En niet alleen wordt dit beginsel in zoo vele woorden bepaaldelijk verkondigd, het wordt ook met nadruk gehuldigd in een tal van argumenten en redeneringen, die ten grondslag liggen aan wettelijke uitspraken. Ja zelfs bij die maatregelen, welke in het belang van den slaaf schijnen genomen te zijn, heeft men het menigmaal zorgvuldig doen uitkomen, dat hij slechts beschermd wordt om zijne waarde als eigendom voor zijn meester, en niet uit eenig mededoogen voor hem zelven. Zoo is het dan ook uitgemaakt, dat een eigenaar niet vervolgd kan worden voor het mishandelen of slaan van zijn slaaf, ten zij de mishandeling zoodanig zij, dat de dienst er door lijdt.

Het is wel waard na te gaan in welken geest deze kwestie besproken is. Wij willen daarom een voorbeeld bijbrengen, dat Wheeler in zijn Law of Slavery, p. 289, mededeelt.

Een zekere Dale werd beschuldigd, dat hij den slaaf van Cornfute mishandeld en geslagen had. De advocaat van Cornfute beweerde, dat het niet noodzakelijk was schade aan de dienst veroorzaakt te bewijzen, om daarvoor eene actie in te stellen; dat zelfs die actie kon worden ingesteld voor het slaan van het paard van den eischer, en dat de heer het regt had eene actie in te stellen voor het slaan van zijn lijfeigene; en wel uit dit beginsel dat, daar de lijfeigene zelf niet vervolgen kan, het vergrijp niet achterhaald zou hunnen worden, tenzij de heer daartoe de magt had. Van de andere zijde werd aangevoerd dat, volgens de uitspraak van den Opperregter Raymond, het slaan van een paard niet kon vervolgd worden, dan wanneer eenig kennelijk nadeel aan het dier was toegebragt, waardoor zijne waarde verminderde.

De uitspraak van den regter Chase luidde: dat er voor dit geval geen regt was te krijgen, omdat de waarde van den slaaf niet verminderd was, en, zonder dat er nadeel of schade aan den eigenaar berokkend was, kon geene vordering worden ingesteld; die uitspraak grondde hij, onder anderen, hierop, dat er ook geene reciprociteit bestond: dat namelijk de meester niet aansprakelijk was voor mishandelingen of slagen, waaraan de slaaf zich had schuldig gemaakt, en dus ook op geene vergoeding regt had, wanneer omgekeerd zijn slaaf de lijdende persoon geweest was.

Wanneer de lezer nu nagaat aan welk eene verregaande wreedheid en schandelijke behandeling een slaaf, slavin of slavenkind kan worden blootgesteld, zonder dat zij daardoor voor het oogenblik ongeschikt worden voor de dienst van hun meester, dan zal hij een volkomen begrip hebben van de onmenschelijkheid dier uitspraak.

In dienzelfden geest is in Noord-Carolina uitgemaakt, dat patrols (personen, die des nachts de wacht houden) niet verantwoordelijk zijn aan den eigenaar voor de straf, die zij slaven opleggen, tenzij uit hun gedrag duidelijk blijke, dat zij het gedaan hebben met slechte bedoelingen jegens den eigenaar.

De onbarmhartigheid van eenige dier wettelijke uitspraken komt vooral uit in twee vonnissen, in Wheelers Law of Slavery, pag. 243, te vinden. Omtrent de kwestie of het misdaad is den persoon van een slaaf te mishandelen of te slaan, zijn er in Noord- en in Zuid-Carolina twee uitspraken gevallen; en men zou moeijelijk kunnen zeggen welke der twee om hare meêdoogenloosheid den voorrang verdient. Die van Zuid-Carolina luidt aldus:

De regter O'Neill zeide;

"Volgens de gewone wet, kan er geene misdaad door mishandeling of slagen op den persoon van den slaaf gepleegd worden. Want niettegenstaande (om bepaalde redenen) de slaaf door de wet als persoon beschouwd wordt, is hij in het algemeen slechts een roerend persoonlijk eigendom, en zijne regten of persoonlijke bescherming behooren aan zijn meester, die een actie tot schadeloosstelling voor het slaan van zijn slaaf kan instellen. Daarom wordt er geen vergrijp tegen den Staat gepleegd door het eenvoudig slaan van den slaaf zonder dat dit met wreedheid gepaard gaat, of met het oogmerk om hem te dooden of te vermoorden. De rust van den Staat wordt daardoor niet verstoord; want het lot van een slaaf wordt over het algemeen, volgens de wet; niet beschouwd als met den vrede van den Staat in verband staande. Hij is geen burger, en heeft dus als zoodanig geene aanspraak op zijne bescherming."

Hoe kan men sierlijker en kouder de volkomene onverschilligheid van den Staat voor het lot van den slaaf uitdrukken. Maar in Noord-Carolina schijnt de zaak met nog meer zorg onderzocht.

De Opper-regter Taylor toont aan, dat er toch nog redenen zijn waarom het mishandelen of het slaan van een slaaf, wel beschouwd, in eenig algemeen verband staat met het welzijn en de veiligheid der maatschappij, zoodat het een inbreuk zou kunnen maken op de rust, en daarom als strafbaar beschouwd moet worden.

"De slaaf moet--en over het algemeen is hij het ook--geheel onderworpen zijn aan den wil van zijn meester; van dezen moet hij verdiend of onverdiend, de straf zich laten welgevallen; want hij kent de uitgestrektheid der heerschappij over hem gegeven, en hij weet dat de wet de regten van dezen handhaaft. Maar wanneer een ander dan de eigenaar zich dezelfde magt wil toekennen, dan is de natuur geneigd hare regten te doen gelden, en den slaaf tot wederstand aan te zetten, die dikwijls voor het oogenblik hem baat, maar hem ook somtijds noodlottig is. De maatschappelijke vrede is dus verbroken, even goed alsof een vrije man geslagen was: want de partij van den aanvaller is steeds de sterkste, en zulk een zamentreffen eindigt meestal dat men zich meester maakt van den slaaf, en hem eene strenge kastijding doet ondergaan, zonder de aanleiding van den twist in aanmerking te nemen. Er bestaat bij gevolg even veel reden om zulke handelingen strafbaar te verklaren, als zij strafbaar zijn wanneer een blanke er het slagtoffer van is. Eene willekeurige mishandeling aan den slaaf gepleegd is eene uittarting van den eigenaar, wiens wrevel wordt opgewekt, en kan dus eene inbreuk op de rust ten gevolge hebben, wanneer het dezen namelijk tot dadelijke wraak aanzet. Indien die daad in drift gepleegd wordt, zou waarschijnlijk de moord slechts manslag zijn, op denzelfden grond, dien Lord Hale aanvoerde, en waarvan hij als voorbeeld bijbragt het geval dat A. op den weg reed en B. zijn paard uit het spoor sloeg, waarop A. in drift ontstak en B. doodde. Die mishandelingen worden ook gewoonlijk gepleegd door menschen, wier gedrag oorzaak is, dat zij door de maatschappij veracht worden en die, daar zij van den omgang met welgezinde burgers zijn uitgesloten, hun toevlugt zoeken tot den kring van kleurlingen en slaven, die zij door hun voorbeeld bederven, door hunne gemeenzaamheid stoutmoedig maken, en die zij daarna slaan, meenende dat een slaaf zich niet tegenover een blanke durft doen gelden. Indien zulke daden straffeloos kunnen gepleegd worden, zal de publieke veiligheid niet enkel in groot gevaar worden gebragt, maar ook de waarde van den eigendom, die uit slaven bestaat, aanmerkelijk verminderen, daar zij, die de mishandelingen plegen, zelden eenige schadevergoeding geven kunnen. In geen geval wordt het ook vereischt dat hij, die eenige beleediging, werkelijk of denkbeeldig, van een slaaf heeft ondergaan, zich-zelven regt moet verschaffen; want de wet zorgt in alle opzigten voldoende, dat de mishandelingen door slaven gepleegd gestraft worden, door hen voor een regtbank te regt te doen staan, die hen in het openbaar kan doen geeselen. Deze bepaling maakt het zelf-regt-verschaffen niet alleen onnoodig maar ook strafbaar volgens de wet, daar deze alle personen tegen de aanvallen van slaven beveiligt, zelfs ook dan, wanneer de eigenaar weigerachtig mogt zijn, om na gedane klagten zijn slaaf te straffen. De wet is dikwijls ingeroepen en krachtdadig toegepast bij het wreed mishandelen van dieren, voor noodelooze en baldadige wreedheid door meesters aan hunne slaven gepleegd, en voor handelingen in strijd met de kieschheid, de zeden en de gezondheid. Men moet dus door redenering en analogie tot het besluit komen, dat een menschelijk wezen, hoewel de bezitting van een ander, in zoo verre moet beschermd worden, dat hij geen oorzaak kan zijn, dat de algemeene veiligheid door hem wordt op het spel gezet.

Ten einde, voor ieder geval den slaaf tot de zoo noodige gehoorzaamheid te dwingen en hem als eigendom nuttig te doen zijn, waarborgt de wet aan den meester een onbeperkt gezag over hem, en zij zal niet ligtelijk in die betrekking tusschen heer en slaaf tusschen beiden komen. Het is inderdaad grootendeels een waarborg voor zijne regten als eigenaar, dat de slaaf beschermd wordt tegen baldadige mishandelingen van de zijde van hen, die geen magt over hem hebben; want het lijdt geen twijfel, dat een slaaf minder geschikt zal zijn om zijn meester te dienen, wanneer hij zich door de wet blootgesteld ziet aan de willekeurige mishandelingen van een ieder.

Wanneer dit niet een angstig streven verraadt om al wat naar menschelijkheid zweemt uit de uitspraak, voor zoo ver zij den slaaf betreft, te verwijderen, en eene rondborstige verklaring bevat, dat hij slechts beschermd wordt met het oog op de algemeene veiligheid, en zijne waarde als eigendom voor zijn meester, zouden wij niet weten hoe anders zulk eene verklaring op te stellen. En na die koelbloedige voorafgaande opmerkingen is het eenigzins vreemd tot de volgende zeker geheel onverwachte redenering te zien komen, die in de daarop volgende paragraaph te lezen is:

"Gematigd als de slavernij is door de menschlievendheid onzer wetten, de beschaving onzer zeden, en de publieke opinie, die zich verzet tegen elke daad van wreedheid jegens hen, zou het in strijd zijn met het stelsel ten hunnen aanzien gevolgd, indien de mishandeling in de aanklagt vervat niet strafbaar ware."

De lezer gelieve wel in aanmerking te nemen, dat deze merkwaardige verklaring afgelegd is in Noord-Carolina. Wij zullen gelegenheid hebben om in het vervolg daarop terug te komen, wanneer wij uit het wetboek van Noord-Carolina eenige proeven dier menschlievende wetten bijbrengen.

In denzelfden geest is, op wettelijken grond, in Louisiana beslist, dat, indien iemand den slaaf van een ander zoodanig mishandelt, dat hij ten eenemale nutteloos wordt, en de eigenaar van dien persoon de volle waarde van den slaaf ontvangt, deze daardoor, van dat oogenblik af, het eigendom wordt van den persoon, die hem mishandelde. In Wheelers Law of Slavery vinden wij een regtsgeding dat daarop betrekking heeft. Eene vrouw stelde eene actie in voor de mishandeling van haar slaaf door den slaaf van den gedaagde. De mishandeling was van dien aard, dat hij ten eenemale onbruikbaar werd, daar zijn eenig oog hem was uitgestoken. De regtbank in eersten aanleg besliste, dat haar 1200 dollars zouden worden uitbetaald; dat de gedaagde voorts zou betalen 25 dollars 's maands van het oogenblik af, dat de daad gepleegd was, als ook de rekening van den geneesheer en 200 dollars voor het onderhoud van den slaaf gedurende zijn gansche leven, die nu voor altijd in het bezit zijner eigenares zou blijven.

De zaak kwam in hooger beroep. De regter vernietigde het vonnis en wees den slaaf toe aan hem, wiens slaaf de misdaad had bedreven. In den loop van het geding, merkte de regter op met die koelbloedigheid en duidelijkheid, waardoor de meeste gedingen van dezen aard merkwaardig zijn:

"Het menschlievend beginsel, dat ons tot de veronderstelling zou leiden, dat de meesteres, wie hij lang heeft gediend, haar ongelukkigen blinden slaaf liefderijker zou behandelen, dan de beklaagde, aan wien het vonnis de slaaf gehaat moet maken, kan bij de beslissing in deze niet in aanmerking komen."

Een ander geding, voorkomende in Wheelers Law, p. 198, willen wij hier slechts in de hoofdtrekken mededeelen. Het is de zaak tusschen Dorothee en Coquillon. Een jong meisje moest, bij testamentaire beschikking harer meesteres, op haar een-en-twintigste jaar in vrijheid worden gesteld; verder was bij dat testament bevolen, dat zij tot dien tijd zou worden onderwezen, op eene wijze dat zij later, wanneer zij vrij was, haar eigen brood kon verdienen, terwijl hare diensten tot op het oogenblik van hare in-vrijheid-stelling vermaakt werden aan de dochter van den gedaagde. Hare moeder (eene vrije vrouw) diende eene klagt in, dat er niet gezorgd werd voor de opvoeding van het kind, en dat zij mishandeld werd. De strekking van hare klagt was, dat het kind op een-en-twintig jarigen leeftijd in vrijheid zou worden gesteld en intusschen door den Sheriff zou worden verhuurd. De uitspraak viel ten nadeele der moeder uit, op grond--dat zij niet handelen mogt voor hare dochter in een geval, dat de dochter, indien zij meerderjarig was, niet voor haar zelve zou hebben mogen handelen, daar haar aanklagt strekte om mishandelingen te doen ophouden gedurende den tijd van slavernij, waarover een slaaf geene actie kan instellen.

En thans het volgende geding tusschen Jennings en Fundeberg. Het schijnt dat Jennings eene actie tot schadevergoeding instelde tegen Fundeberg voor het dooden van zijn slaaf. De toedragt der zaak was deze: Fundeberg vervolgde, met anderen, weggeloopen negers, verraste hen in hunne legerplaats, en, zoo als het proces-verbaal zeide, "schoot zijn geweer op hen af, toen zij vlugtten, om hen tot stilstaan te dwingen." Een van hen werd in het hoofd getroffen, en was dus tot stilstaan gedwongen;--en de eigenaar van den knaap stelde eene actie tot schadeloosstelling in tegen hem, die zijn slaaf gedood had.

De uitspraak der regtbank in eersten aanleg was als volgt:

De regtbank "is van oordeel dat de dood toevallig, en de gedaagde daarvoor niet verantwoordelijk kan worden gesteld..." wanneer iemand wettig zich ophoudt met het eigendom van een ander en het zonder opzet vernietigt, kan hij niet van doodslag beschuldigd, of tot schadeloosstelling voor de vernietigde waarde aangesproken worden. In de onderwerpelijke zaak was de gedaagde bezig met eene wettige en verdienstelijke daad, en, indien hij werkelijk zijn geweer afschoot op de wijze door hem verklaard, was het eene geoorloofde daad.

Het hof, waarbij men van dit vonnis in appèl kwam, vernietigde die uitspraak, op grond dat, wanneer men met het eigendom van een ander omgaat, men aansprakelijk is voor elke schade, die door eene zekere mate van omzigtigheid had kunnen vermeden worden. "Het vuurgeven.... geschiedde te spoedig en onvoorzigtig."

Spreekt de geest van geheel dit geding zelf niet reeds genoeg?

Ook het daarop volgende proces, in Wheelers Law, p. 202, van Richardson tegen Dukes, willen wij hier inlasschen.

Schadeloosstelling voor het dooden van den slaaf des eischers.

Het is gebleken, dat de slaaf aardappelen stal van eene bank bij het huis des beklaagden. De beklaagde schoot op hem een met ganzenhagel geladen geweer af en doodde hem. De jury veroordeelde den beklaagde tot eene boete van één dollar, ten behoeve van den eischer. Hooger beroep.

Het hof. De regter Nott beweerde, dat de uitspraak vernietigd moest worden; dat de jury aan den eischer de waarde van den slaaf moest doen uitbetalen. Dat, zoo de jury van oordeel was, dat de slaaf een slechten inborst bezat, dit eenige vermindering in den prijs zou kunnen ten gevolge hebben, maar dat de eischer in ieder geval regt had op eene schadeloosstelling voor het dooden van zijn slaaf. Wanneer de eigendom betrokken is, geeft de waarde van het artikel, die zoo na mogelijk kan bepaald worden, een regt, dat men geene vrijheid heeft te schenden.

Het schijnt dat de waarde van dit ongelukkig eigendom min of meer te lijden had door de omstandigheid, dat het aardappelen stal. Ongetwijfeld had het daarvoor goede redenen; dit althans zouden wij afleiden uit de volgende opmerking in een der redevoeringen van den regter Taylor uit Noord-Carolina.