De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 17
"Uncle Tom's Cabin" volgens deze beginselen beoordeelende, aarzel ik niet te zeggen, dat het werk eene getrouwe schildering van het leven en de instellingen in het Zuiden is. Er is niets in het boek, dat onbestaanbaar is met de wetten en gebruiken der slavenhoudende Staten; de deugden, ondeugden en bijzondere kleuren van karakter en manieren zijn allen zuidelijk en moeten door iedereen, die het boek leest, terstond herkend worden; ik mag nooit in één man zulk een verdorvenheid hebben gezien als het karakter van Legree vertoont, hoewel ik tien duizend maal de verschillende schaduwen daarvan bij onderscheidene personen heb waargenomen. Aan den anderen kant heb ik nooit zoo vele volmaaktheden in één menschelijk wezen vereenigd gezien, als Mrs. Stowe aan de dochter van eenen slavenhouder heeft gegeven. Evangeline is een beeld van schoonheid en goedheid, dat nooit uit het gemoed kan worden gewischt, welke vooroordeelen het ook hebben mag; en toch heeft geheel haar karakter eene zuidelijke kleur, haar edelmoedig medelijden, hare schoonheid en teêrheid, hare gevoeligheid zijn allen zuidelijk. Zij zijn "aan den grond eigen", en daar zij het zuidelijke ideaal van schoonheid en beminnelijkheid vertegenwoordigen, kunnen zij nooit uit zuidelijke harten verbannen worden, zelfs niet door de magt der Waakzaamheids-commissiën.
Het karakter van St. Clare kan niet missen liefde en bewondering in te boezemen. Hij is het ideaal van een zuidelijk "gentleman"--vol eergevoel, edelmoedig en menschelijk, van beschaafde manieren, goede opvoeding en onbekrompen vermogen. In de behandeling zijner slaven dwaalt hij veeleer naar den kant der zachtheid dan der kracht af; en hij is door de natuurlijke aandrift zijner goedhartigheid altijd hun vriendelijke beschermer, zonder veel te bedenken wat hun overkomen kan, wanneer dood of ongeluk hen van zijne vriendschap berooven.
Mr. Shelby, de eerste eigenaar van Oom Tom, en die hem, door geldelijke ongelegenheden gedrongen, aan eenen handelaar verkoopt, is geenszins een slecht karakter; zijne vrouw en zoon, zijn al wat eer en menschelijkheid kunnen verlangen; en kortom de eenige blanken, die in dit boek eene zeer ongunstige vertooning maken, zijn de booswicht Legree, die van geboorte een Vermonter is, en de gladtongige slavenhandelaar Haley, die de spraak van een Noordlander heeft. Het blijkt dus, dat Mrs. Stowe met het schrijven van "Uncle Tom's Cabin" niet ten oogmerk heeft gehad, het zuidelijke karakter zwart te maken. Een zorgvuldig onderzoek van het boek zou tot de tegenovergestelde gevolgtrekking leiden, dat zij gezind is geweest de Zuidlanders tegen den laster in bescherming te nemen, en zelfs een verheven denkbeeld van de zindelijke maatschappij te geven, terwijl zij de onheilen van het stelsel der slavernij ten toon stelde. Zij rigt hare batterijen tegen de instellingen, niet tegen personen; en is edelmoedig genoeg om een overgeloopen Vermonter voor haar afschuwelijkst portret van een barbaarschen dwingeland te laten zitten.
Hoe onaangenaam die pligt ook wezen mag, kan ik toch mijne getuigenis niet wederhouden, om te bevestigen, dat familiën van slaven dikwijls gescheiden worden. Ik weet niet hoe iemand de stoutheid kan hebben, om dit te loochenen. De zaak is van openbare bekendheid, en dikwijls het onderwerp van pijnlijke opmerkzaamheid in de zuidelijke Staten. Ik heb dikwijls het gebruik, om man en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, hooren verdedigen, voorspreken, op duizenderlei manieren vergoelijken, maar ik heb het nooit hooren ontkennen. Hoe kon het ook ontkend worden daar de omstandigheid, die het gesprek uitlokte, waarschijnlijk juist een pas gebeurd voorbeeld van wreede scheiding was? Neen, mijnheer, de ontkenning dezer omstandigheid door vuile papierbekladders moge ver verwijderde personen bedriegen, zij kan niemand in het Zuiden misleiden.
In al de slavenhoudende Staten is de huwelijksbetrekking tusschen slaven, of tusschen een slaaf en een vrij persoon, geheel willekeurig. Er is geene wet, die haar bekrachtigt, of in eenigen vorm, regtstreeks of zijdelings, erkent. In één woord, zij is onwettig, en bindt niemand--noch de slaven zelven, noch hunne meesters. Door man en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, schendt de handelaar of eigenaar geene wet van den Staat. Hij koopt of verkoopt bij publieke auctie of onder 's hands datgene, wat de majesteit der wet verklaard heeft eene koopwaar te zijn. De slagtoffers mogen van zielesmart krimpen en de teerhartige toeschouwer mag het met sombere verontwaardiging aanzien, maar het baat niet. De inspraak van barmhartigheid en regtvaardigheid in het hart is in oproer tegen de wet des lands.
De wet zelve bewerkt niet zelden de wreedste scheidingen van familiën, bijna zonder tusschenkomst van persoonlijke bedrijven. Dit gebeurt, wanneer iemand insolvent sterft, of dit bij zijn leven wordt. Zijne goederen, vaste en roerende, moeten openlijk aan den hoogsten bieder verkocht worden; en de executeur, administrateur, of wie anders met het beheer van het vermogen belast is, kan, hoewel hij ook de menschlievendste gezindheid mag koesteren, het losrukken der dierbaarste banden van verwantschap niet verhinderen. Het voorbeeld door Mrs. Stowe gegeven, in den verkoop van Oom Tom door Mr. Shelby, is een zeer gewoon geval. Financiëele ongelegenheid is de vruchtbaarste bron van ongeluk voor den slaaf, zoowel als voor den meester; en voorbeelden van familiebanden, welke door deze oorzaak verbroken worden, komen dagelijks voor.
Het gebeurt dikwijls, dat groote misbruiken, in schennis der wet en in weerwil van alle pogingen der regering tot bedwang daarvan, plaats hebben; dit is het geval met dronkenschap, hazardspelen en andere ondeugden. Maar hier is eene wet, aan alle slavenhoudende Staten gemeen, die den kwaaddoener steunt en beschermt, terwijl hare geduchtste verschrikkingen bewaard zijn voor diegenen, die tusschenbeiden zouden willen komen om de onschuldigen te beschermen. Staatslieden van hoogen en eervollen naam hebben, uit een hersenschimmig begrip van politieke noodzakelijkheid, deze wet in het abstracte verdedigd, terwijl zij, zonder aarzeling, elke toepassing daarvan als onregtvaardig zouden veroordeelen.
In een opzigt verheugt het mij openlijk te zien loochenen, dat familiën van slaven gescheiden worden; want terwijl dit een schandelijk gebrek aan waarheidsliefde bewijst, toont het tevens een prijselijk gevoel van schaamte, en leidt tot de hoop, dat de publieke opinie in het Zuiden niet veel langer meer dit allerhatelijkste, hoewel niet wezenlijk noodzakelijke gedeelte van het stelsel der slavernij zal dulden.
In dit verband wil ik u eene aanmerking van den redacteur der Southern Press, in een der laatste nommers van dit blad, herinneren, waarin hij het bestaan van het bedoelde misbruik erkent en de verbetering daarvan aanbeveelt. Hij zegt:
"Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het behoort de meest ondoordringbare zedelijke wapenrusting aan te doen. Aldus is deszelfs pligt, zoowel als belang, alle kwaad te verzachten of weg te nemen, dat een bijkomend gevolg der instelling is. De scheiding van man en vrouw, ouders en kinderen is zulk een kwaad, hetwelk wij weten, dat hier algemeen vermeden en gelaakt wordt, hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij opmerken, dat door deze noordelijke dweepers als kenmerkende proeven van het stelsel worden opgevat. Nu zien wij geen groot kwaad of ongerijf, maar veel goed in een wettelijk verbod van zulke voorvallen. Laten de man en de vrouw, de ouders en de minderjarige kinderen te zamen verkocht worden. Zulk eene wet zou slechts geringen invloed hebben op de algemeene waarde of bruikbaarheid van slaven-eigendom, en zou in sommige gevallen het geweld voorkomen, dat het gevoel van zulke betrekkingen door een gedwongen of vrijwilligen verkoop wordt aangedaan. Wij zijn overtuigd, dat het voor meester en slaaf heilzaam zou zijn, het huwelijk en de waarneming van alle pligten en betrekkingen daarvan te bevorderen."
Hoezeer ik ook van den redacteur der Southern Press verschild heb, wat zijne algemeene begrippen van staathuishoudkunde betreft, ben ik toch genegen hem zijne vroegere dwalingen te vergeven uit aanmerking zijner openbare erkentenis van dit "bijkomende kwaad" en zijne rondborstige aanbeveling van het wegnemen daarvan. Een zuidelijk nieuwsblad, minder aan de handhaving der slavernij toegewijd dan de Southern Press, zou zich door zulk eene aanbeveling ernstig gecompromitteerd hebben, en deszelfs raad zou veel minder kans gehad hebben om in acht genomen te worden. Ik denk dus, dat Mr. Fisher den dank van ieder goed man in het Noorden en in het Zuiden verdient, omdat hij zoo stoutmoedig de noodzakelijkheid van hervorming heeft aangewezen.
Het tafereel, hetwelk Mrs. Stowe van de slavernij als eene instelling heeft geschilderd, is alles behalve gunstig. Zij heeft de schrikkelijke wreedheid en onderdrukking in het licht geplaatst, die uit eene wet voortspruiten, welke aan eene klasse der maatschappij eene bijna volstrekte en onverantwoordelijke magt over eene andere geeft. Evenwel toont de machinerie zelve, die zij voor haar oogmerk heeft gebruikt, dat niet allen, die aan het stelsel deelnemen, noodzakelijk schuldig zijn. Het is eene verhevene deugd in St. Clare, die hem Oom Tom doet koopen. Hij wordt door geene zelfzuchtige of ongeoorloofde beweegreden gedreven. Bewogen door het verlangen om zijne dochter genoegen te doen en door zijn eigen menschelijk gevoel, koopt hij eenen slaaf, ten einde hem voor het harde lot op de plantaadjes te bewaren. Indien hij te voren geen slavenhouder was geweest, was het nu zijn pligt er een te worden; dit, denk ik, is de moraal, die uit de geschiedenis van St. Clare moet getrokken worden, en het Zuiden heeft regt om het gezag van Mrs. Stowe ter verdediging van het slavenhouden tot zooverre in te roepen.
Men kan zeggen, dat het St. Clare's pligt was, Oom Tom vrij te laten, maar de rijkdom der Rothschilds zou iemand nog niet in staat stellen om zijne zucht tot weldadigheid tot zulk eenen prijs te voldoen; en indien dit zijn pligt was, is het dan niet evenzeer de pligt van ieder rijk man in de vrije Staten om met hetzelfde weldadige oogmerk de slavenmarkt van New-Orleans te bezoeken? Het komt mij voor, dat een slaaf te koopen, om hem voor een hard en wreed lot te bewaren, zonder voornemen om hem vrij te laten, op zich zelf eene goede daad is. Indien de slaaf naderhand in staat mogt geraken om zich los te koopen, zou het zonder twijfel de pligt des eigenaars zijn hem te emanciperen, en het zou niet meer dan billijk wezen, elken dollar, dien de slaaf verdiend had, boven de kosten van zijn onderhoud, op zijne rekening te stellen, tot de prijs voor hem betaald ten volle teruggegeven was. Dit is alles wat de regtvaardigheid van den slavenhouder zou kunnen eischen.
Zij, die tegen "Uncle Tom's Cabin" hebben geraasd als een opruijend boek, hebben op eene onverklaarbare manier (verondersteld dat zij het werk gelezen hebben) de moraal voorbijgezien, die het leven van den held bevat. Oom Tom is de getrouwste der dienstknechten. Letterlijk "gehoorzaamde hij in alle dingen zijne meesters naar het vleesch; niet als oogendienaar, als menschenbehager, maar in opregtheid des harten en God vreezende." Indien zijn gedrag de minste afwijking van de letterlijke vervulling van dit gebod der Heilige Schrift aanbiedt, is het in een geval, dat de goedkeuring van den gestrengsten casuïst moet wegdragen; want het gebod van gehoorzaamheid strekt zich natuurlijk slechts tot geoorloofde bevelen uit. Het is alleen, wanneer het monster Legree hem beveelt zijne mededienaren eene onverdiende tuchtiging te geven, dat Oom Tom gehoorzaamheid weigert. Hij wilde niet luisteren naar een voorstel om met Eliza naar Ohio te vlugten, in den nacht nadat zij door Mr. Shelby aan den handelaar Haley waren verkocht. Hij dacht, dat dit ontrouw aan zijn gewezen meester zou zijn, dien hij in zijne armen had gedragen, en dezen in moeijelijkheden zou kunnen brengen. Hij bood geen tegenstand aan Haley, en gehoorzaamde zelfs Legree in ieder wettig bevel; maar toen van hem geëischt werd, dat hij het werktuig van zijns meesters wreedheid zou zijn, verkoos hij, met den moed en de standvastigheid van eenen Christelijken martelaar, liever te sterven, dan zijn leven te redden door een misdadig toegeven. Zoo was Oom Tom geen slecht voorbeeld ter navolging voor dienstknecht of meester.
Ik ben, mijnheer, met hoogachting,
Uw dienstwillige dienaar, Daniël R. Goodloe.
A. M. Gangewer, Esq., Washington.
De schrijfster heeft vergunning gekregen om het volgende uittreksel te plaatsen uit eenen brief, door eene dame in het Noorden van den redacteur van een Zuidelijk nieuwsblad ontvangen. Het gemoed en karakter des schrijvers zullen bij het lezen daarvan voor zichzelven spreken.
Charleston, Zondag, 25 Julij 1852.
"Uncle Tom's Cabin" werd mij omtrent veertien dagen geleden door *** verschaft, en gij kunt verzekerd zijn, dat ik het boek met oplettende belangstelling gelezen heb. "Wat is nu uwe meening er van?" zult gij vragen; en mijn vroeger gevestigde meeningen aangaande de questie der slavernij en de beginselen, welke ik ten opzigte dier bijzondere instelling zoo lang heb ondersteund, kennende, zult gij misschien een ontwijkend antwoord verwachten. Dit zou mijn eigen geweten van de waarheid mij thans niet veroorloven. Het boek is eene getrouwe schildering van het leven, waarin de donkere trekken heerlijk gelijkende zijn. Het leven--de karaktertrekken, voorvallen en zamenspraken--is het leven zelf ten papiere gebragt. In haar naschrift ontwijkt zij eenigzins de vraag of het naar werkelijke tooneelen was gevolgd, maar zij zegt dat er vele dergelijke voorbeelden bestaan. Hierin zegt zij zeker de waarheid. Indien zij de teekening van Legree aan de Roode Rivier, voor die van *** op *** eiland Zuid-Carolina had gegeven, dan had zij geen beter portret kunnen schilderen. Ik heb reden om te twijfelen of zij niet eenige kennis van dat gedrogt had, gelijk men weet, dat hij is, en hem om het effect heeft verplaatst.
Mijne stelling in betrekking tot de uiterste partij, zoowel in Georgia als in Zuid-Carolina, zou mij weerhouden van de volle uitdrukking mijner gevoelens over sommige heerschende beginselen der instelling. Ik heb de slavernij in al hare verschillende gedaanten bestudeerd--ik ben in verschillende deelen der wereld met den Neger in aanraking gekomen, en heb het mijn doel gemaakt zijnen aard te bestuderen, zoo ver mijne beperkte vermogens mij licht wilden geven--en wat ook mijne meeningen geweest zijn, zij waren gegrond op hetgeen ik eene opregte overtuiging achtte.
Gij weet wel hoe vele gelegenheden ik in de laatste drie jaren heb gehad om de verschillende werkingen te onderzoeken van eene instelling, welke thans de grootste en gewigtigste vraag voor ons bondgenootschappelijk welzijn bevat. Deze gelegenheden heb ik niet verwaarloosd, maar ik heb mij met ligchaam en ziel toegewijd aan het onderzoek der ingewikkelde betrekkingen daarvan, der inrigting over het geheel en der bijzondere nadeelen en hardheden daarvan voor enkele personen. Het kwaad is daarin gelegen, dat de regten van den meester vast bepaald, maar de wetten, die de regten van den slaaf moesten regelen, eene doode letter zijn. Welke maatregel van wetgeving, gegrond op de noodzakelijkheid van zelfverdediging voor hen, die de wetten maken--zelfs al ware verbetering hun oogmerk--zou gehandhaafd kunnen worden, wanneer het voorwerp, hetwelk de wet betreft, door den wetgever als slaven-eigendom wordt bezeten? Het bestaan zelfs eener wet ter verbetering van den toestand van eigendom wordt eene ongerijmdheid, in zooverre het om de uitvoering is te doen. Eene wet, die bestemd is om te regeren en den geregeerde geen middel heeft om hare bescherming te zoeken, is niets anders dan het zamenvoegen van zoo vele nuttelooze woorden tot eene ijdele vertooning. Maar waarom van wetten te spreken? Datgene wat als de volksregten van een volk wordt beschouwd, en elk hardnekkig vooroordeel, aangevoerd om deszelfs eigendomsbelang te beschermen, schept zelf zijne eigene magt tegen het zwakkere vat. Wetten, welke hiermede strijden, worden impopulair, zijn den heerschenden wil hatelijk, en inderdaad eene doode letter. Zoo lang de stem der geregeerden niet gehoord kan worden, en hunne verongelijkingen buiten het gebied of bereik der wet liggen, gelijk negenmaal van de tien het geval is, waar is daar hoop op herstel? De meester is het sterke vat; de Neger voelt zijne afhankelijkheid, en de gevolgen van een beroep op zijne regten vreezende, onderwerpt hij zich aan de wreedheid van zijnen meester, liever dan iets nog wreeders te moeten vreezen. Het is in die betwiste gevallen van wreedheid, dat wij het kwaad der slavernij vinden, en in die regerende wetten, welke aan slechte menschen uit het Noorden de magt geven, om de wreedste slavenmeesters te worden. Leid uit mijne aanmerkingen niet af, dat ik de Abolitionisten zoek te vriend te maken. Dit is mijn voornemen niet; maar bij eenen staat van zaken, die luide om hervorming roept, dwingt mij de waarheidsliefde om te zeggen, dat de menschelijkheid eene wet vordert, om de kracht en den oppermagtigen wil des meesters te regeren; en dat in geen gedeelte de hervorming noodiger is dan in dat, hetwelk het voedsel en de kleeding van den slaaf betreft. Iemand moet jaren lang in het Zuiden wonen, eer hij ten volle met vele uitwerkselen van de slavernij kan bekend worden. Iemand uit het Noorden, die geen bijzonder belang heeft bij het staatkundig en maatschappelijk welzijn van het Zuiden, kan jaren lang daar wonen, en in zijne dagelijksche aangelegenheden van stad tot stad gaan, en toch maar de gepolijste zijde der slavernij te zien krijgen. Met mij is het anders geweest. Haar invloed op den Neger zelven, en haar invloed om het maatschappelijk en commerciëel welzijn van het Zuiden zijn voor mij geheel opengelegd, en ik heb in het laatste jaar meer van hare uitwerkselen gezien, dan mij in al den tijd te voren was geopenbaard. Het is met deze gevoelens, dat ik gedwongen ben het boek van Mrs. Stowe eer te bewijzen, hetwelk ik acht dat geschreven moet zijn door iemand, die uit eene grondige kennis van het onderwerp hare bouwstoffen had geput. De karakters van den slavenhandelaar, van den insolventen eigenaar in Kentucky en den koopman van New-Orleans, zijn voorbeelden van wat er in die streken dagelijks gebeurt. Nieuwsbladschrijvers mogen zoo veel zij willen van dramatisch effect spreken; het verhaal is niet voor hen bestemd, en de voorvallen der gewone werkelijkheid zouden een nog sterker gekleurd tafereel vormen. Ik zou een boek kunnen schrijven, met datums en ontegensprekelijke bewijzen, van misbruiken welke in het geheugen van hen, onder wie zij plaats hadden, zijn geprent, hetwelk geen dramatisch effect zou noodig hebben, en tien maal afgrijselijker zou in het oog loopen, dan iets, dat Mrs. Stowe beschreven heeft.
Ik heb in de Southern Press twee kolommen gelezen van Mrs. Eastman's "Aunt Phillis's Cabin, of het Zuidelijke Leven gelijk het is," met de aanmerkingen des redacteurs. Ik heb geene kritiek daarbij te voegen, daar het werk zichzelf critiseert. De redacteur had het kunnen vermijden, door het publiek voor een ezel verklaard te worden, indien hij zijnen onzin had teruggehouden. Indien die twee kolommen een proefje van Mrs. Eastman's werk zijn, beklaag ik hare poging en haren naam als schrijfster.
TWEEDE GEDEELTE.
HOOFDSTUK I.
DE DRUKPERS.
De New-York Courier and Enquirer van den 5den November bevatte een artikel, dat voor de schrijfster van zeer veel belang was, omdat het kort, klaar en duidelijk de voornaamste tegenwerpingen opsomde, die tegen de Negerhut konden ingebragt worden. Wij willen dat artikel hier in zijn geheel inlasschen, omdat het den grondslag uitmaakt der opmerkingen in de volgende bladzijden vervat.
De schrijfster der Negerhut, wordt in dat artikel gezegd, heeft tegen duizenden en millioenen harer medemenschen valsche getuigenis afgelegd.
"Zij heeft dit gedaan door hun, als slavenhouders, in het oog der wereld, de schuld te geven van de misbruiken eener instelling, waaraan zij ten eenemale onschuldig zijn. Haar werk is zoodanig ingerigt, dat het slechts drie schaduwzijden der slavernij bloot geeft: vooreerst, de wreede behandeling der slaven; ten tweede, de scheiding van huisgezinnen; en ten derde, het gemis aan godsdienstig onderwijs voor slaven.
Om het eerste aan te toonen, laat zij eene belooning uitloven voor het terugbrengen "dood of levend" van een weggeloopen slaaf, hoewel men nog nooit van eene belooning met zulk een alternatief gehoord heeft of heeft kunnen hooren ten zuiden der lijn van Mason en Dixon, en het herhaaldelijk door de Zuidelijke geregtshoven is uitgemaakt, "dat een slaaf, die slechts weggeloopen is, niet mag gedood worden." Zij legt woorden als deze in den mond van een harer personen: "De eigenaar, die het ergste doet, handelt nog slechts binnen de perken der magt, die de wet hem toekent;" terwijl integendeel het Burgerlijk Wetboek van den Staat waarin de schrijfster zulk een bewering doet uiten--Louisiana--bepaalt, dat:
"De slaaf geheel ondergeschikt is aan den wil van zijn meester, die hem mag kastijden en straffen, maar niet met overdreven gestrengheid, of zoodanig dat verlamming of verminking er het gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of zijn dood veroorzaakt."
Terwijl dat wetboek eene geregtelijke verkooping vaststelt: "Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het opleggen der voor dat geval vastgestelde straf, ook het in het openbaar verkoopen van den slaaf te bevelen, ten einde dezen buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik heeft gemaakt."
"Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is, overeenkomstig de wetten worden behandeld en gestraft."
In het vorige jaar werd door het Hoog Geregtshof in Virginia aangenomen, in het regtsgeding van Souther tegen den Staat, dat het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar, ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven gestrengheid gegeven, moord is, al mogt ook het oogmerk van den meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden! En het is nog geen zes maanden geleden, dat de Gouverneur van Virginia, Johnston, een slaaf vrijsprak, die zijn meester, welke hem wreed had mishandeld, had gedood.