De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 16

Chapter 163,548 wordsPublic domain

Wederom: in het najaar van 1836 ging ik voor mijne gezondheid naar het Zuiden, bleef in een dorp in Mississippi en kreeg bezigheid in het grootste huis van het graafschap als boekhouder bij eene firma van Lonisville, Kentucky. Een man, die bij het dorp woonde, dertig jaren oud en ongetrouwd, kwam in ongelegenheid, en gaf mijn patroon een verband op een knappen slaaf; die omtrent tweehonderd pond woog--schrander, vlug, gehoorzaam, en bijzonder getrouw en eerlijk, zoo zeer dat hij tot een voorbeeld werd gesteld. Hij had eene vrouw, die hij liefhad; zijn eigenaar sloeg de oogen op haar en zij werd zijne matres. De slaaf beklaagde zich bij zijnen meester; zeide hem, dat hij zijn best deed, om zijne pligten te vervullen, dat hij een goede en getrouwe Neger voor hem was, en dat het hard was, dat, nadat hij den geheelen dag en tot tien ure in den avond zwaar had gewerkt, zijne huwelijksbetrekkingen gestoord en verbroken werden. De blanke ontkende de beschuldiging en de vrouw insgelijks. Op eenen avond, tegen den eersten September, kwam de slaaf vroeger dan gewoonlijk naar huis, tegen negen ure. Het was een akelige, regenachtige avond; hij maakte in zijne hut vuur aan, ging zijn avondeten krijgen, en vond het oogenschijnlijk bewijs der schuld van zijnen meester. Hij werd woedend, gelijk ik denk dat ieder man worden zou, greep een slagtersmes, sneed zijnen meester de keel af, gaf zijne vrouw steken op zeven en twintig plaatsen, kwam naar het dorp, en klopte aan de deur van het kantoor. Ik zeide hem binnen te komen. Hij deed zulks en vroeg naar mijn patroon. Ik riep hem. De slaaf zeide hem, dat hij zijnen meester en zijne vrouw had gedood, en om welke reden. Mijn patroon sloot hem op, en hij, een doctor en ik gingen naar het huis, en vonden den meester dood en de vrouw van den slaaf bijna; zij bleef echter in leven. Wij (mijn patroon en ik) keerden naar het dorp terug, bewaarden den slaaf tot de zon opkwam, lieten hem opgesloten, en gingen ontbijten, met voornemen om den slaaf naar de gevangenis te brengen (daar het belang van mijnen patroon was den slaaf zoo mogelijk te redden, dewijl hij duizend dollars aan hem gewaagd had), maar terwijl wij aten, braken eenige menschen, die van den moord gehoord hadden, de deur open, namen den armen kerel, deden hem een ketting om den hals, en dreven hem naar de bosschen met de punt der bajonet, met groot rumoer de plaats voorbij komende, waar wij zaten te eten. Mijn patroon dit hoorende, liep naar buiten en ontzette den slaaf. Het gepeupel brak weder in, nam den slaaf en bragt hem weder, gelijk te voren gezegd is, de stad uit.

Mijn patroon bad hen toen, om hunne stad niet op zulk eene manier te schandvlekken, maar eene jury van twaalf nuchtere mannen te benoemen, om te beslissen wat er gedaan zou worden. En twaalf, zoo nuchter als er te vinden waren (ik was niet nuchter), zeiden, dat hij moest gehangen worden. Zij bonden hem toen een touw om den hals, en plaatsten hem op een oud paard. Hij hield eene aanspraak aan het gepeupel, die ik toen dacht, dat, indien zij van een senator gekomen was, met toejuichingen zou zijn ontvangen; en met dat al was hij kalmer dan ik ben, nu ik dit schrijf. En nadat hij alles had gezegd van de daad en hare redenen, schopte hij het paard onder zich weg, en zonk in de eeuwigheid. Mijn patroon heeft dikwijls gezegd, dat hij nooit in zijn leven iets edelers zag dan het gedrag van dien slaaf.

Nu, mijnheer de redacteur, heb ik u de feiten gegeven, en ik kan u de namen en datums geven. Gij kunt doen, wat gij denkt, dat best is voor de zaak der menschelijkheid. Ik hoop het kwaad van mijn vroeger leven gezien te hebben en zal pogen mij te verbeteren. Met hoogachting

James L. Hill.

Springfield, Illinois, 17 Sept. 1852.

"Het gevoelen van een Zuidlander," hieronder medegedeeld, verscheen in de National Era, te Washington uitgegeven. Dit is een anti-slavernij-blad, maar dat door den edelen toon en de uitstekende bekwaamheid, waarmede het geschreven wordt, de achting en begunstiging van vele lezers in de slavenstaten heeft verworven.

De volgende mededeeling komt ons ter hand onder eenen omslag uit Louisiana.--Red. van de Era.

HET GEVOELEN VAN EEN ZUIDLANDER.

Aan den redacteur der National Era.

Ik heb juist in den New-York Observer van 12 Augustus, een artikel uit de Southern Free Press gelezen, met eene inleiding aan de redactie van den Observer, onder de leus van "Vooruitgang aan den regten kant!"

De redacteur van de New-York Observer zegt, dat de Southern Free Press een bekwaam en ijverig verdediger der zuidelijke instellingen is geweest, maar dat hij thans het maken eener wet voorstaat om het scheiden van familiën te verbieden, en onderrigt aanbeveelt aan die slaven, die het eerlijkste en getrouwste zijn. De Observer voegt er bij: "Het was zulke taal als deze, die gewoon begon te worden, voor dat het noordelijke fanatisme de vooruitzigten der emancipatie bedierf." Dit is zoo niet! Het noordelijke fanatisme, gelijk hij het noemt, heeft alles gedaan wat tot verbetering van den toestand der slaven gedaan is. Iedereen die iets van de slavernij in de laatste dertig jaren weet, zal zich herinneren, dat omtrent zoo lang geleden, de toestand van den Staat in Louisiana--want alleen van Louisiana spreek ik, omdat ik Louisiana alleen ken--zoo onderdrukt en ellendig was, als eenig verhaal van de abolitionisten, dat ik ooit gezien heb, dien gemaakt hebben. Ik zeg abolitionisten, ik meen de vrienden en voorstanders der vrijheid op eene billijke en eerlijke manier. Indien iemand aan mijne bewering twijfelt, laat hij dan inlichting zoeken; laat hij de zwarte wetten van Louisiana nemen en lezen: laat hij opgaven verzamelen van waarheidlievende personen, op wier gezegden men vertrouwen kan.

Deze rampzalige toestand der slaven maakte de vrienden der menschelijkheid wakker, die als mannen en Christenen onbevreesd optraden en waarheden spraken, en met verontwaardiging hun afgrijzen van de onderdrukkers openbaarden. Zulke maatregelen bragten natuurlijk eenen strijd voort, die den kreet der menschelijkheid al luider en luider door het land deed klinken. De vrienden der vrijheid wonnen de overmagt in de harten des volks, en de slavenhouders werden tot staan gebragt. Sommigen verminderden hunne wreedheden, uit vrees voor de gevolgen, terwijl anderen begonnen na te denken, die misschien niet onwillig daartoe waren, toen hun dit werd opgedrongen. Men onthield zich niet alleen van wreedheden, maar de gemakken van den slaaf werden vermeerderd. Eene rugwaartsche beweging was nu niet uitvoerbaar; de vrees voor opstand hield hen er aan vast. De slaven hadden vrienden gevonden, en zij waren waakzaam. Men ontdekte echter spoedig, dat te veel voorregten, te veel zachtheid en het geven van kennis de magt zouden verwoesten, om den slaaf ter neder te houden, en strekken om het stelsel te verzwakken, zoo niet te vernietigen. Derhalve moesten er strenge wetten gemaakt en boeten daaraan verbonden worden. Niemand moest een slaaf onderwijzen of laten onderwijzen, zonder boete. De wet is tegenwoordig in kracht. Deze noodzakelijke wetten, gelijk zij worden genoemd, worden allen op rekening van de vrienden der vrijheid, van hunne bemoeijing gesteld. Ik vermeen, dat zij met regt aan hunne bemoeijing worden toegeschreven; want wie, die de geschiedenis van het beloop der wereld bestudeert, weet niet, dat in elken strijd tegen de magt de zwakke, totdat hij de overwinning behaalt, met meer strafheid zal behandeld worden? Verlies echter hunnen vorigen toestand niet uit het oog. Wet op wet is sedert gemaakt, om de koord vaster om den armen slaaf digt te halen, en allen zijn aan de abolitionisten toegeschreven. Wel nu, er wordt toch vooruitgang gemaakt. Hier komt de Southern Press te voorschijn, en doet eenige eerlijke bekentenissen. Hij zegt: "De aanvallen op de slavernij, in de laatste twintig jaren door het Noorden gedaan, hebben het kwaad daarvan vergroot. De behandeling der slaven is zonder twijfel een kiesch en moeijelijk vraagstuk geworden. Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het moet de ondoordringbaarste zedelijke wapenrusting aandoen." Hij denkt, dat de bruikbaarheid van slaveneigendom niet zou benadeeld worden, door het maken eener wet, welke de scheiding van slavenfamiliën verbood; want hij zegt: "Hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij zien dat door die noordelijke dweepers worden opgevat, als kenmerkende trekken van het stelsel," enz. Dit is onzin! Het zijn geene gevallen, "die somtijds voorkomen," volstrekt niet! Het zijn gevallen, die dagelijks voorkomen, hoewel er familiën zijn, die uitzonderingen vormen, en velen, zou ik hopen, die het niet willen doen. Terwijl ik schrijf, kan ik mij drie mannen herinneren, die door slavenhandelaars uit Virginië hier gebragt zijn, en waarvan ieder zes of zeven kinderen bij zijne vrouw heeft gelaten, van welke zij nooit weder gehoord hebben. Een ander is hier kort geleden gestorven, die hetzelfde getal in Carolina had gelaten, waarvan hij nooit weder gehoord had.

Ik bleef den zomer van 1845 te Nashville. Gedurende de maand September kwamen er zes honderd slaven door die plaats, in vier verschillende troepen, naar New-Orleans; hunne eindelijke bestemming was waarschijnlijk Texas. Een aanmerkelijk getal daaronder waren vrouwen; jonge vrouwen natuurlijk; vele moeders moesten niet alleen hare kinderen, maar hare zuigelingen hebben achter gelaten. Een troep alleen had eenige weinige kinderen. Ik deed eenige uitstapjes naar de verschillende badplaatsen van Nashville. En terwijl ik te Robinson of Tyree Springs was, twintig mijlen van Nashville, op de grenzen van Kentucky en Tennessee, zeide mijne kasteleines eens tegen mij: "Daar komt een troep geketende slaven aan." Ik ging naar den weg en bezigtigde hen. Om hen te beter te kunnen waarnemen, stuitte ik den blanke vooraan, die op zijn gemak in een wagen met een paard zat, en vroeg hem of deze slaven te koop waren. Ik telde hen en lette op hunne gesteldheid. Zij werden door drie wagens met een paard verdeeld, in ieder waarvan een koopmansknecht zat, zoo geschikt, dat zij den geheelen troep overzagen. Sommigen waren ongeketend; zestig waren geketend in twee benden, dertig in elk, de regterhand van den eenen aan de linkerhand van dien aan den anderen kant, vijftien uitmakende aan elke zijde van een grooten ossenketting, waaraan al de handen vastgemaakt waren, en dien zij dus genoodzaakt waren op te houden--mannen en vrouwen door elkander, en omtrent in gelijke evenredigheid--allen jonge lieden. Geene kinderen daarbij, behalve eenige weinigen in den wagen achteraan, welke de eenige kinderen waren in de vier troepen. Ik zeide tot eene fatsoenlijke mulattin in huis: "Is het waar, dat de slavenhandelaars de moeders van hare kleine kinderen nemen?"--"Missis! het is waar; want hier werd verleden week zulk eene meid (haar noemende) die omtrent eene mijl van hier woonde, na den eten weggenomen--zij wist er des morgens niets van--verkocht, onder den troep gestoken, en haar kindje werd aan eene buurvrouw gegeven. Zij was eene stevige jonge vrouw en bragt een goeden prijs op."

De opname van Texas in de Unie bragt dien zomer dezen levendigen handel te weeg. Maar te huis komende in eene kleine boot, met laag water, had een slavenhandelaar aan boord vijf en veertig mannen en vrouwen op eene kleine plek bijeen gepakt, sommigen met handboeijen aan. Een man van een fatsoenlijk voorkomen had eene vrouw en zeven kinderen te Nashville gelaten. Bij Memphis hield de boot, volgens vroegere beschikking, stil bij eene plantaadje, om er nog dertig in te nemen. Een uur vertoef was de tijd, die met den kapitein der boot was bedongen. Dertig jonge mannen en vrouwen kwamen den oever der Mississippi af, er uitziende als de ellende in eigen persoon, zoo pas van het veld; morsig, mistroostig en neerslagtig; sommigen met een ouden doek onder den arm; eenige weinigen hadden dekens; sommigen hadden geheel niets en zagen er uit, alsof niets hun meer schelen kon. Ik berekende, terwijl ik hen den oever zag afkomen, dat ik alles, wat zij met elkander hadden, wel in een pak kon dragen. Dat zij zoo kort vooraf gewaarschuwd waren om te vertrekken was dewijl men vreesde, dat zij zich schuil zouden houden. Zij zagen er allen droevig uit, daar zij al wat hun dierbaar was achter lieten, om onder den hamer gebragt en het eigendom van den hoogsten bieder te worden. Geene kinderen daarbij! De geheele vijf en zeventig werden op een klein plekje van de boot opeen gepakt, mannen en vrouwen bij elkander.

Men verheugt zich te zien, dat de zedelijkheid het hoofd opsteekt bij de voorstanders der slavernij, en dat eene "ondoordringbare zedelijke wapenrusting" noodig wordt geacht. Ik hoop dat dit niet naar de compromises van Mr. Clay mag blijken te gelijken. De Southern Press zegt: "Wat de karikaturen der slavernij in "Uncle Tom's Cabin" en "The White Slave" betreft, allen op denkbeeldige omstandigheden gegrond, enz.; wij beschouwen die als ten hoogste boosaardig en opruijend (incendiary). Hij, die het onderneemt door kwaad spreken eene vijandschap tusschen twee naasten en buren te doen ontstaan, wordt met regt door alle menschen en alle zedestelsels voor een misdadiger gehouden." Dan haalt hij het negende gebod aan en vervolgt: "Maar valsch getuigenis te geven tegen geheele Staten en millioenen van menschen enz., zou eene misdaad schijnen zoo veel dieper in schandelijkheid, als het kwaad grooter en de aanleiding geringer is." Vooreerst wil ik de Southern Press uitdagen, om te bewijzen, dat Mrs. Harriet Beecher Stowe ééne onwaarheid heeft gezegd. Indien zij de waarheid heeft gezegd, dan is deze inderdaad een krachtig werktuig van "aanval op de slavernij," gelijk die noordelijke dweepers in de laatste "twintig jaren" gedaan hebben. Het aantal, tegen welke zij zondigt, schijnt naar de meening des redacteurs, de schandelijkheid harer misdaad te vergrooten. Dit is goed geredeneerd! Ik hoop dat de redacteur zal leeren gevoelen, dat goddeloosheid in het groot erger is, dan in het klein en tegen enkele personen, en oneindig moeijelijker te bereiken is, vooral wanneer zij lang heeft bestaan. Zij verzamelt stoutheid en kracht, wanneer zij door het gezag van den tijd wordt gewettigd en ondersteund door velen, die belang hebben om haar in stand te houden. Zoo is het met de slavernij; en Mrs. Harriet Beecher Stowe verdient de dankbaarheid van "Staten en millioenen van menschen" voor haar talentrijk werk, waarin zij die in het ware licht ten toon stelt. Zij heeft waarheid, regt en menschelijkheid voorgestaan, en deze zullen hare pogingen ondersteunen. Haar werk zal door "Staten en door millioenen van menschen gelezen worden", en wanneer de Southern Press haar poogt zwart te maken, door hare eigene bekentenis aan te voeren, "dat het onderwerp der slavernij haar zoo pijnlijk was geweest, dat zij zich verscheidene jaren lang onthouden had van daarover te spreken," en te zeggen dat dit naar zijne meening "de scherpheid van het venijn in haar boek verklaart;" zoo zullen zijne werkelijk venijnige pijlen schadeloos voor hare voeten neêrvallen; want de lezers zullen voor zichzelven oordeelen en zeer genegen zijn om te besluiten dat er meer venijn komt van de Southern Press dan van haar. Zij verdedigt wat regt is en gaat den regten weg, waarop weinigen verdwalen; hij verdedigt wat onregt is, en heeft bijgevolg te laveren, in te willigen, te loochenen, te lasteren en allerlei dingen te doen.

Met allen eerbied voor zooveel regte beginselen als de Southern Press ter gunste der slaven mag hebben aangevoerd, moet ik de menschelijke natuur zeer slecht kunnen beoordeelen, indien ik mij vergis met te zeggen, dat Mrs. Stowe veel gedaan heeft, om hem deze inwilligingen te ontlokken; en het te voorschijn brengen van "die ondoordringbare, zedelijke wapenrusting," welke hem juist als een bolwerk van veiligheid voor de slavernij in het hoofd gekomen is, heeft hare gereedheid aan hare en andere dergelijke pogingen te danken. Ik hoop dat de Southern Press niet het bedorven kind zal navolgen, en uit kwaadheid weigeren zijne taart op te eten.

De "White Slave" heb ik niet gezien. Ik kan den aard van dit werk raden; want ik heb veertien of vijftien jaren geleden den overtogt naar New-York gedaan, met eene jonge vrouw, welker gelaat in een overvloed van licht bruine krullen was gehuld, en die den geheelen weg over als eene blanke met de passagiers aan tafel zat. Toen wij aan de quarantaine, Staten-Eiland, kwamen, ontving de kapitein eenen brief, met expresse door iemand te New-Orleans gezonden, waarin zij als zijne slavin werd opgeëischt, en de kapitein met al de straffen der bestaande wet bedreigd, indien zij niet terstond teruggebragt werd. De schreijende oogen van het ongelukkige meisje zeiden de waarheid, toen de kapitein haar dit met weerzin mededeelde. Zij bekende zonder te aarzelen, dat zij weggeloopen was, en dat eene vriendin hare vracht had betaald. De vereischte maatregelen werden genomen, en zij werd naar eene paketboot gebragt, die bij Sandy Hook lag en naar New-Orleans bestemd was.

"Uncle Tom's Cabin," denk ik, is eene getrouwe afschildering der slavernij. De voorvallen zijn versierd, maar de toestand van den slaaf is naar waarheid beschreven. Ik heb het werk niet blad voor blad gelezen, daar mijn oogmerk was, te zien in welk omstandigheden de slaaf verkeerde, ik zou een geval van doodgeeselen kunnen opgeven, hetwelk met dat van Oom Tom zou gelijk staan, evenwel zijn zulke gevallen niet veelvuldig.

Het aanstoken van vijandschap tusschen naasten, waarover de Southern Press klaagt, verdient opmerking. Wie zijn naasten? Het duidelijkste antwoord op deze vraag is te vinden in het antwoord, dat Christus aan den schriftgeleerde gaf, toen deze hem dit vroeg. Eene andere vraag zal opkomen: Of in het oordeel van Christus, Mrs. Stowe als eene naaste of als eene kwaadstookster zou worden beschouwd? Daar de almagtige Bestuurder van het heelal en de Schepper der menschen gezegd heeft, dat Hij alle volken der aarde uit eenen bloede en den mensch naar Zijn eigen beeld geschapen heeft, zou de zwarte, onaangezien zijne kleur, een naaste schijnen te zijn, die onder zijne vijanden gevallen is, welke hem beroofd hebben van de vruchten van zijnen arbeid, zijne vrijheid, zijn regt op zijne vrouw en kinderen, zijn regt om te leeren lezen en op alles wat de wereld dierbaar acht, behalve zulk eene hoeveelheid van voedsel en kleeding als hem voor het doel van zijn beroover bruikbaar maken. Laten de voorstanders der slavernij de enkele gevallen van zachtheid, van gegeven onderwijs en van liefderijke gehechtheid, die onder sommige meesters gevonden worden, niet als proeven der slavernij aanvoeren! Dit is oneerlijk! Zij vormen uitzonderingen, en groote achting heb ik daarvoor; maar zij zijn niet de regelen der slavernij. De strijd die aangestookt wordt, heeft niet ten doel om iets weg te nemen, dat anderen toebehoort--noch hun zilver, noch hun goud, noch hun fijn linnen en purper, hunne huizen of landen, hunne paarden of vee, noch iets dat hun eigendom is; maar om eenen naaste te verlossen van hunne onmenschelijke begeerlijkheid.

Een Republikein.

Geene inleiding is noodig voor de volgende briefwisseling, en geene aanbeveling zal vereischt worden, om haar de belangstellende aandacht van nadenkende lezers te verzekeren.

Washington City, 6 Dec. 1852.

Waarde Heer!

Ik verneem dat gij uit Noord-Carolina zijt en altijd in het Zuiden gewoond hebt, gij moet bij gevolg bekend wezen met de werking van de instelling der slavernij. Gij hebt zonder twijfel ook dat wereld beroemde boek, "Uncle Tom's Cabin" door Mrs. Stowe, gelezen. De verdedigers der slavernij ontkennen, dat dit boek eene getrouwe schildering der slavernij is. Zij zeggen, dat de voorstellingen daarvan overdreven, de tooneelen en voorvallen ongegrond zijn, en, in één woord, dat het geheele boek eene caricatuur is. Zij ontkennen ook, dat familiën gescheiden worden--dat kinderen van de ouders, vrouwen van hare mannen worden verkocht, enz. Onder deze omstandigheden, ben ik verlangend om u naar uw gevoelen over het boek van Mrs. Stowe te vragen, en of, naar uwe meening, hare opgaven geloof verdienen of niet.

Ik heb de eer te zijn, enz. A. M. Gangewer.

D. R. Goodloe, Esq.

Washington, 8 Dec. 1852.

Waarde Heer!

Uw brief van den 6den dezer, waarin mijn gevoelen over "Uncle Tom's Cabin" gevraagd wordt, is wel ontvangen; en daar er geene reden is, waarom ik dat zou terughouden of het moest de vrees voor de publieke opinie zijn (daar het, naar ik verneem, uw oogmerk is mijn antwoord openbaar te maken), zal ik het u eenigzins omstandig geven.

Een boek van verdichting moet, om het lezen waardig te zijn, natuurlijk gevuld zijn met zeldzame en treffende gebeurtenissen, en de hoofdkarakters moeten opmerkelijk zijn, sommige door groote deugden, andere misschien door groote ondeugden of dwaasheden. Een verhaal van gewone gebeurtenissen uit het leven van alledaagsche menschen zou onuitstaanbaar flaauw en vervelend zijn; en een boek uit zulke bouwstoffen zamengesteld, zou bij de bevallige en krachtige schilderingen van leven en zeden, welke wij in de geschriften van Walter Scott en Dickens hebben, dat gene wezen, wat eene landmeters-teekening van een veld van tien akkers bij een geschilderd landschap is, waarin het oog door duizend verscheidenheden van heuvel en dal, van groen heestergewas en helder water, van licht en schaduw, met éénen blik wordt bekoord. Om te beslissen of een roman eene getrouwe schildering der maatschappij bevat, is het niet noodig te vragen of men de hoofdpersonen elken dag kan ontmoeten, maar of zij kenmerkend zijn voor den tijd en het land--of zij de heerschende gevoelens, deugden, ondeugden, dwaasheden en eigenaardigheden voorstellen--en of de gebeurtenissen, treurig of het tegendeel, zoodanige zijn als nu en dan kunnen voorvallen en werkelijk voorvallen.