De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 15
"Volgens de vriendelijke vergunning van het Hof, waarvoor ik opregtelijk dankbaar ben, maak ik gebruik van de vrijheid, om eenige woorden te voegen bij de aanmerkingen, reeds door mijne advokaten gemaakt. En hoewel ik, volgens mijne eigene bekentenis, een misdadiger ben in het oog uwer geschondene wetten, gevoel ik mij toch overtuigd, dat ik menschen aanspreek, die harten hebben, om te gevoelen, en in het afmeten der straf, die ik zal lijden, hoop ik, dat gij zachtmoedig zult zijn; want het is een nieuwe toestand, waarin ik geplaatst ben. Nooit voorheen in den loop van geheel mijn leven, is mij een oneerlijk bedrijf te last gelegd. En van mijne kindschheid af hebben goede ouders, wier namen ik ten hoogste vereer, mijn gemoed eene begeerte ingeprent, om deugdzaam en eerlijk te zijn, en het is altijd mijn doel geweest mij zoo te gedragen, dat ik de achting en het vertrouwen mijner medemenschen verdiende. Maar, heeren, ik heb uwe wetten geschonden. Deze overtreding heb ik begaan, en ik sta nu voor u, tot mijne smart en leedwezen, als een misdadiger. Doch ik werd er door een gevoel van menschelijkheid toe gedreven. Men heeft vermoed, gelijk ik onderrigt ben, dat ik verbonden ben met eene broederschap, die zich vereenigd heeft met het oogmerk om zulke overtredingen te begaan als die, waarvan ik beschuldigd ben. Maar, heeren, die meening is valsch. Ik alleen ben schuldig--ik alleen heb de overtreding begaan--en ik alleen moet de straf lijden. Mijne ouders, mijne vrienden, mijne betrekkingen zijn even onschuldig aan eenige deelneming aan of kennis van mijne overtreding als een ongeboren kind. Mijne ouders zijn nog in leven [2], hoewel op jaren gevorderd, en volgens den loop der natuur zullen nog weinige jaren hun leven op aarde besluiten. In hunnen ouderdom en zwakheid zullen zij steun en bescherming noodig hebben; en indien het met uwe denkbeelden van regtvaardigheid bestaanbaar is mijn tijd van gevangenschap kort te maken, zult gij de duurzame dankbaarheid ontvangen van eenen zoon, die zijne ouders eerbiedigt, en de gebeden en zegeningen van een bejaarden vader en moeder, die hun kind liefhebben."
Groote aandoening vertoonde zich nu in de geregtszaal, en de meesten der gezworenen schreiden, naar men zegt. Zij verwijderden zich voor eene korte poos en gaven eene uitspraak voor drie jaren hechtenis in het Penitentiary.
De "Nashville Daily Gazette" van 13 April 1849 bevat het volgende berigt:
DE ZAAK VAN MENSCHENDIEVERIJ.
Richard Dillingham, die op den 5den December laatstleden werd gearresteerd, in zijn bezit hebbende drie slaven, welke hij voornemens was naar eenen vrijen staat mede te nemen, werd gisteren voor het Criminele Hof teregtgesteld. De gevangene bekende zijne schuld en hield eene korte rede ter vergoelijking van zijn misdrijf. Hij beleed, dat het bedrijf door hem alleen ondernomen was, zonder opstoking aan eenige zijde, en dat hij alleen verantwoordelijk was voor de dwaling, waartoe zijne opvoeding hem vervoerd had. Hij had, zeide hij, geene andere beweegreden dan het welzijn der slaven, en dacht niet eenig voordeel te behalen door hen te bevrijden. Hij werd veroordeeld tot drie jaren gevangenis in het Penitentiary, de kortste tijd, welke de wet voor het gepleegde misdrijf toelaat. Mr. Dillingham is een Kwaker van Ohio, en is in dien Staat onderwijzer geweest. Hij behoort tot eene fatsoenlijke familie, en is niet onbeklaagd door hen, die de teregtstelling bijwoonden. Het was eene roekelooze onderneming, en duur heeft hij zijne roekeloosheid bekocht.
Zijne moeder bezocht, eer zij Nashville verliet, den gouverneur, en had een onderhoud met hem over een pardon voor haren zoon. Hij gaf haar eenige aanmoediging, maar meende, dat zij haar verzoekschrift voor het oogenblik liever moest uitstellen. Na verloop van verscheidene maanden schreef zij hem daarover, maar hij scheen van gezindheid veranderd te zijn, gelijk de volgende brief zal toonen:
Nashville, 29 Augustus 1849.
Waarde Mevrouw
Uw brief van den 6den der 7e maand is ontvangen, en zou vroeger beantwoord zijn, indien ik niet van huis was geweest. Uwe bekommering voor uwen zoon is natuurlijk, en het zou streelend wezen die te beloonen door hem los te laten, indien dit in mijne magt was. Maar het misdrijf, waarvoor hij boet, is te duidelijk gebleken, en de strekking daarvan is zeer schadelijk voor onze regten en onze rust als volk. Hij is veroordeeld tot den kortsten tijd in onze wet bepaald. En in allen gevalle zou ik in zijne zaak niet kunnen tusschen beiden komen dan over eenigen tijd, en om openhartig met u te zijn, ik zie niet hoe het mogelijk is zijnen tijd te verkorten. Doch mijn tijd van dienst zal spoedig om zijn, en de verkozene gouverneur, generaal William Trousdale, zal mij vervangen. Tot hem kunt gij u verder vervoegen.
Uwe, enz. N. L. Brown.
De directeur van het Penitentiary, John Mc. Intosh, was zeer tegen hem bevooroordeeld. Hij achtte het vonnis te ligt, en daar hij van eenen barschen aard was, had Richard niet veel van zijne goedheid te wachten. Doch de echte regtschapenheid en openhartigheid, die onder alle omstandigheden zijn gedrag kenteekenden, bewerkten spoedig eene verandering in het gemoed zijner bewakers en zijner vijanden in het algemeen. Hij werd een gunsteling van Mc. Intosh en eenigen der wacht. Volgens de regels der gevangenis mogt hij niet meer dan eens in de drie maanden schrijven, en wat hij schreef moest natuurlijk door den gouverneur worden nagezien.
Hij werd eerst aan het zagen en schuren van steen gezet, maar daar zijn zwak gestel hem voor zulken arbeid ongeschikt maakte, en de vlekkelooze heiligheid van zijnen wandel hem den eerbied zijns cipiers deed verwerven, werd hij spoedig bevorderd tot hofmeester van het gevangenis-hospitaal. In eenen brief aan eenen vriend geeft hij aldus berigt van deze verandering in zijnen toestand:
Ik veronderstel, dat gij reeds onderrigt zijt van de verandering in mijnen toestand, daar ik in het hospitaal aan het Penitentiary als hofmeester ben geplaatst.--Ik gevoel mij maar weinig bevoegd voor den post, dien men mij heeft aangewezen, maar ik zal beproeven om mijn best te doen. Ik geniet de aangenaamheid van een goed vuur en eene warme kamer, en mag des avonds blijven opzitten en lezen, hetgeen ik een groot voorregt acht.--Ik ben nu bijna negen maanden hier geweest, en moet er nog zeven en twintig blijven. Dit schijnt mij in het vooruitzigt een lange tijd. Ik tracht zoo geduldig te zijn als ik kan, maar somtijds word ik neerslagtig. Ik werp de gedachten aan mijn ouderlijk huis en mijne vrienden zooveel mogelijk van mij af; want als ik mij daaraan overgeef vergrooten zij slechts mijne zwaarmoedigheid. En wat mijn gevoel het meeste pijnigt is de gedachte aan het verdriet en den angst, die gij allen om mij lijdt. Houdt op met bedroefd over mij te zijn, want ik ben dat onwaardig; en het veroorzaakt u maar leed zonder mij iets te baten.--Gelijk altijd, de uwe in de banden der genegenheid.
R. D.
Hij was weinig langer dan een jaar in de gevangenis geweest toen de cholera Nashville bereikte en onder de gevangenen uitbrak. Richard was nacht en dag bezig om de zieken te verzorgen; zijn belangloos en medelijdend gemoed dreef hem tot eenen arbeid, waarvoor zijn teeder gestel, door gevangenschap ondermijnd, niet berekend was. Uitgeput door dezen arbeid, zonk de zachtmoedige, geduldige beminnaar van God en zijnen broeder eindelijk te rust en ging vreedzaam heen naar eene wereld, waar allen liefdewaardig zijn en liefhebben.
Hoewel zijne briefwisseling met haar, die hij het meeste liefhad, werd afgebroken, daar hij onwillig was om zijne brieven aan het toezigt des directeurs te onderwerpen, bereikte haar toch een briefje, haar overgebragt door de hand van een gevangene, wiens tijd om was. In dezen brief, de laatste dien eenig vriend op aarde van hem ontving, zegt hij:
"Ik denk dikwijls, ja altijd aan u; als ik dat niet deed, zou ik ophouden te bestaan."
Welk een stelsel moet het wezen, dat het noodzakelijk maakt om zulk een man met veroordeelde misdadigers op te sluiten, omdat hij zijnen medebroeder meer liefheeft dan wel verstandig is?
HOOFDSTUK XIV.
DE GEEST VAN ST. CLARE.
De algemeene stem der drukpers en der maatschappij in de slavenstaten, zoo ver die in het Noorden bekend is geworden, heeft de voorstellingen van "Uncle Tom's Cabin" luide veroordeeld. Evenwel zou het onregtvaardig wezen voor het karakter van het Zuiden, indien men weigerde te erkennen, dat het vele zonen heeft met billijkheid genoeg om het kwaad van deszelfs "eigenaardige instellingen" te bemerken en moed genoeg om dit te belijden. De manhaftige onafhankelijkheid door deze personen getoond, in eene maatschappij waar het volksgevoelen als een dwingeland heerscht, hetzij volgens de wet of in spijt der wet, behoort naar waarde geëerd te worden. De sympathie van zulke gemoederen is eene edele aanmoediging tot philantropische pogingen.
De schrijfster deelt hier eenige getuigschriften van mannen uit het Zuiden mede, niet zonder eenigen trots op zulk eene vriendelijke beoordeeling van diegenen, die men natuurlijk verwachten moest, dat haar boek met een vooroordeel daartegen zouden lezen.
De Jefferson Inquirer, uitgegeven te Jefferson City, Missouri, 23 October, 1852, bevat het volgende stuk:
UNCLE TOM'S CABIN.
Ik heb onlangs dit beroemde boek gelezen, dat misschien meer editiën heeft gehad en in grooter aantal verkocht is, dan eenig werk van de Amerikaansche pers, in denzelfden tijd. Het is een werk van hooge letterkundige verdienste, en de verschillende karakters daarin zijn met veel kracht en waarheid geteekend, hoewel zij, gelijk de meeste karakters in romans en werken van verdichting in sommige opzigten te sterk gekleurd zijn. Het bevat geen aanval op de slavenhouders als zoodanig, maar integendeel worden velen van hen voorgesteld als zeer edel, grootmoedig en weldadig. Ook wordt er geen aanval op hen als klasse gedaan. Het stelt de vele onheilen der slavernij in het licht als eene door de wet gevestigde instelling, maar zonder deze onheilen te last te leggen aan hen, die slaven houden, en schijnt ten volle de moeijelijkheid te bevatten om een hulpmiddel te vinden. Het moet op den slavenhouder den invloed hebben van hem een zachter en beter meester te doen worden; waartegen niemand eenig bezwaar kan hebben. Dit wordt gezegd zonder bedoeling om alles te onderteekenen, wat het boek bevat, evenmin als eenige andere roman. Maar indien ik mij niet bedrieg, zijn er weinigen, behalve diegenen, die zeer bevooroordeeld zijn, die dit boek zullen lezen zonder een beter Christen en een meer welwillend en menschlievend mensch te worden. Als slavenhouder voel ik mij in het minst niet gekrenkt. Hoe Mrs. Stowe, de schrijfster, hare buitengemeen naauwkeurige kennis van de Negers, hun karakter, dialect, gewoonten, enz. heeft verzameld, is boven mijn begrip, daar zij nooit--gelijk uit de voorrede blijkt--in eenen slavenstaat of onder slaven of Negers heeft gewoond. Maar zeker zij zijn verwonderlijk wel afgeschilderd. Het boek is zeer belangwekkend en onderhoudend, en zal den lezer een rijk genot geven.
Thomas Jefferson.
Het gevoelen van den redacteur en uitgever zelven wordt in deze woorden gegeven:
UNCLE TOM'S CABIN.
Wij hebben, even als een goed gedeelte van "de wereld en het overige des menschdoms," het boek van Mrs. Stowe gelezen, dat den bovenstaanden titel draagt.
Uit de talrijke opgaven, courant-artikels en geruchten, hadden wij besloten, dat het boek alles was wat dweepzucht en ketterij konden bedenken, en waren er dus zeer tegen bevooroordeeld. Maar na het lezen, kunnen wij ons niet onthouden van te zeggen, dat het een werk van meer dan gewone zedelijke waarde is en verdient in ernstige overweging te worden genomen. Wij beschouwen het niet als "een bederf voor het zedelijk gevoel" en als een grof "schotschrift tegen een gedeelte van ons volk." De schrijfster schijnt genegen om de zaak onpartijdig te behandelen, hoewel in sommige opzigten de tooneelen te hoog gekleurd en te sterk uit de verbeelding geteekend zijn. Het boek kan echter lezers in vreemde gewesten verleiden, om eenige van de algemeene en betere trekken van het "leven in het Zuiden gelijk het is," (waaraan wij persoonlijk boven het leven in het Noorden de voorkeur geven) verkeerd te beoordeelen; maar het is een volmaakte spiegel van verscheidene klassen van menschen, "die wij voor het oog van onzen geest hebben en niet vrij zijn van al de gebreken, waaraan het vleesch onderhevig is." Men heeft gevreesd, dat dit boek de belangen der slavenhouders zou benadeelen, maar wij duchten zoo iets niet, en aarzelen niet, het onze vrienden en het publiek in het algemeen ter lezing aan te bevelen.
Mrs. Stowe heeft eene kennis van vele eigenaardigheden van het leven in het Zuiden getoond, die inderdaad verbazend is, als men bedenkt, dat zij door geboorte en woonplaats eene Noordsche dame is.
Wij hopen dus, dat onze vrienden, eer zij een hard oordeel vellen over de verdiensten van "Uncle Tom's Cabin" en ons veroordeelen omdat wij ter gunste daarvan spreken, (met uitzondering van eenige bezwaren er tegen), het werk zorgvuldig zullen lezen; en terwijl wij zoo spreken, mogen wij zeggen, dat wij voor niemand onderdoen in getrouwheid aan de regten en belangen van het Zuiden.
De redacteur van de St. Louis Battery (Missouri) spreekt het volgende oordeel uit:
Wij namen dit werk eenige avonden geleden op, met juist zulke vooroordeelen, als wij mogen vermeenen dat vele anderen het zijn begonnen te lezen. Wij zijn zoo veel in aanraking geweest met ultra abolitionisten--hebben zoo veel blijk gehad, dat hunne menschlievendheid veel meer haat tegen den meester dan liefde voor den slaaf was, vergezeld met eene diepe onkunde van de omstandigheden, die beiden omringen, en eenen hooggaanden afkeer van het geheele negergeslacht--dat wij nagenoeg tot het besluit waren gekomen, dat er van eenen noordelijken schrijver over het onderwerp der slavernij niets anders dan bombast en onzin te verwachten was.
Mrs. Stowe heeft ons door deze schilderingen van het leven onder de nederigen van het tegendeel overtuigd.
Zij brengt bij de behandeling van het onderwerp een volkomen koel, berekenend oordeel, en een ruimen, alles omvattenden geestelijken blik mede, vereenigd met eene diep gevoelige, warme, vrouwelijke ziel, over welk alles eene waarlijk regenboogkleurige verbeelding is uitgespreid, welke het licht harer schilderijen sterker en schooner maakt, naarmate de schaduwen daarvan donkerder en akeliger zijn.
Wij verwonderen ons niet, dat het exemplaar, hetwelk wij hier voor ons hebben, tot het zeventigste duizend behoort. En nog zeventig duizend zullen niet aan de aanvraag voldoen, of wij bedriegen ons in het vermogen van het Amerikaansche volk om de wezenlijke verdiensten van letterkundige voortbrengselen te waarderen. Mrs. Stowe heeft in "Uncle Tom's Cabin" een gedenkteeken voor zich gesticht, duurzamer dan marmer. Het zal staan in de woestijn der slavernij gelijk de Memnon staat te midden van het zand der Afrikaansche woestijn, om beide den blanke en den Neger de nadering van den morgen te verkondigen. Het boek is geen abolitionisten-werk, in den hatelijken zin des woords. Het is, gelijk wij hebben aangeduid, vrij van alles, wat naar dweepzucht gelijkt, hoe groot de geestdrift ook is, die elke bladzijde verlevendigt en als electriek vuur door al de draden van het verhaal loopt. Het vertoont in een enkel overzigt de uitmuntendheden en de onheilen van het stelsel der slavernij en ademt den waren geest van Christelijke menschlievendheid voor den slaaf en Christelijke liefde voor den meester.
De volgende getuige geeft zijne getuigenis in eenen brief aan den New-York Evening Post:
LICHT IN HET ZUIDEN.
De onderstaande mededeeling komt ons ter hand met het postmerk New-Orleans, 12 Junij 1852.
"Ik heb juist "Uncle Tom's Cabin, or Scenes in Lowly Life" door Mr. Harriet Beecher Stowe gelezen. Ik kreeg dit boek door middel van een jong student, die het in het Noorden had gekocht om het op zijne te huisreis naar New-Orleans te lezen. Hij was geheel en al onbekend met den inhoud, maar werd door den titel uitgelokt, meenende dat het hem op reis zou kunnen onderhouden. Door zijne familie werd het mij getoond, als iets dat mij waarschijnlijk zou bevallen. Ik zag naar den naam der schrijfster en zeide: "O ja, alles van die dame wil ik lezen," anders zou ik op een werk van verdichting, zonder zulk eene aanbeveling, niet gelet hebben.
"De aanwezige personen zeiden mij, dat het een zeer onderhoudend werk was en de tooneelen verwonderlijk levendig geteekend waren. Ik nam het aanbod van eene leening aan en nam het boek mede naar huis. Hoewel ik het niet van woord tot woord heb gelezen, heb ik het geheel doorgezien, en thans wensch ik mijne getuigenis te geven van de juistheid, waarmede de toestand van den slaaf daarin geteekend wordt. Het werk is hier en daar opgekleurd, maar de werkelijke toestand van den slaaf wordt niet erger gekleurd, dan hij inderdaad is. Dood-geeselen komt er in voor; ik weet dat het gebeurt. Smartelijke scheidingen van meester en slaaf, onder omstandigheden vereerend voor des meesters menschelijk gevoel, komen ook voor. Ik weet dat ook. Vele familiën, nadat zij hunne kinderen hebben opgevoed, geheel afhankelijk van slaven, om alles voor hen te doen, en gewoon aan alle weelde en gemak, bevinden dat al hunne middelen zijn uitgeput en alleen de zwarten over zijn, die zij dan moeten verkoopen, om verder te kunnen leven. Wegloopen, weet iedereen, is de ergste misdaad, die een slaaf in de oogen van zijnen meester begaan kan, uitgezonderd wanneer de meester menschelijk is, en van zulk eenen zullen weinig slaven willen wegloopen.
"Ik ben zelf een slavenhouder. Ik ben lang ontevreden met het stelsel geweest, inzonderheid sedert ik den Bijbel tot mijn toetssteen gemaakt heb, om het te beoordeelen. Ik ben overtuigd, uit wat ik daarin lees, dat slavernij niet in overeenstemming is met hetgeen God behaagt in zijne schepselen te zien. Ik ben geheel en al tegen het stelsel, en ik ben voornemens al den invloed, dien ik heb, altijd daartegen te gebruiken. Ik ben zeer stout in het spreken er tegen, hoewel ik in het midden daarvan leef, omdat ik beschermd word door eenen krachtigen arm, die de sterkste pogingen kan bekampen en verijdelen, welke de vrienden der slavernij thans aanwenden, om haar te doen voortduren.
"Ik hoop opregtelijk, dat er nog meer Mrs. Stowes zullen komen, om de werkelijkheid der slavernij ten toon te stellen. Er zijn uitstekende geesten noodig, om haar te vertoonen gelijk zij is, opdat zij naar hare eigene verdienste beoordeeld worde.
"Gelijk Mrs. Stowe, denk ik, dat, nu zoo vele, en dat wel brave menschen in het Noorden stil toegestemd hebben, om den slaaf aan zijn lot over te laten, door in de laatste maatregelen der regering te berusten, zij die anders denken, zich behooren te roeren. Christelijke pogingen moeten het werk doen, en het zou spoedig gedaan zijn, indien Christenen zich wilden vereenigen, niet om de Vereenigde Staten te bederven, maar om eerlijk te spreken, en vrijelijk te spreken tegen hetgeen zij weten, dat kwaad is. Zij weten niet, welke aanmoediging zij den slavenhouders geven, om hunne prooi vast te houden. Een ontrust geweten kan gemakkelijk gerust gesteld worden door de goedkeuring van godvruchtige lieden, vooral wanneer belang en neiging daartoe medewerken.
"Ik hoor, dat er een antwoord op "Uncle Tom's Cabin" zal gegeven worden, getiteld: "Uncle Tom's Cabin as it is." Ik ben blijde daarover. Onderzoek is datgene wat noodig is.
"Gij zult u verwonderen, waarom een onbekende u deze mededeeling zendt. Dit geschiedt eenvoudig, ten einde uw hart te bemoedigen en uw voornemen te versterken om te volharden en alles te doen wat gij kunt ter bevordering van de emancipatie der slaven. Wie ik ben, zult gij nooit weten, en ik wensch ook niet, dat gij of iemand anders dit weet. Ik ben een
"Republikein."
De volgende feiten doen de verdichting van "Uncle Tom's Cabin" bij vergelijking flaauw en kleurloos schijnen. Zij zijn uit den New-York Evangelist.
UNCLE TOMS CABIN.
Mijnheer de Redacteur!
Ik zie in uw blad, dat sommige lieden de opgaven van Mrs. Stowe ontkennen. Ik heb haar boek gelezen van woord tot woord. Ik ben geboren in Oost-Tennessee, bij Knoxville, en naar wij dachten, in een verlicht gedeelte der Unie, zeer begunstigd met maatschappelijke, staatkundige en godsdienstige voorregten enz. Welnu, ik meen in het jaar 1829, of misschien 28, was een goede oude Duitsche Methodist eigenaar van een zwarten man, Robin geheeten, een Methodistisch prediker en bestuurder van hoeve, branderij enz. verkooper en rentmeester. Deze goede oude Duitsche Methodist had een zoon, Willey geheeten, een schoolmakker van mij, en voor dien tijd een zeer knappe jongen. De oude man was ook eigenaar van een schrander mulatten meisje met heldere oogen, en Willey--de ondeugende jongen--werd verliefd op het arme meisje. Het gevolg werd spoedig ontdekt; en onze goede oude Duitsche Methodist beval broeder Robin, om het meisje voor hare goddeloosheid te geeselen. Broeder Robin antwoordde, dat hij zulk eene wreedheid niet kon of wilde plegen, als het wezen zou, om het meisje te geeselen voor wat zij niet helpen kon, en voor dit blijk van ongehoorzaamheid werd de oude Robin door den ouden goeden Duitschen broeder gegeeseld, tot hij niet meer staan kon. Hij werd te bed gebragt, en omtrent drie weken later, toen mijn vader den Staat verliet, lag hij nog te bed aan de gevolgen van dat geeselen.