De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

Part 11

Chapter 113,739 wordsPublic domain

"Ik plagt, toen ik pas begon, mij veel moeite te geven, om ze wat langer te doen uithouden--met hun medicijnen te geven als zij ziek waren en kleeren en dekens en wat niet al, om hen zoo als men zegt fatsoenlijk en comfortabel te houden. Maar och Heere! het baatte niet: ik legde er geld bij toe en had nog veel moeite bovendien. Nu, ziet ge, zet ik hen maar aan, ziek of gezond. Als de eene Neger dood is, koop ik een ander; en ik vind dat dit in alle opzigten goedkooper en gemakkelijker uitkomt."

Hierbij komt, dat de arbeid op de suikerplantaadjes van zoodanigen bijzonderen aard is, dat de meester in zekeren tijd van het jaar zijne slaven moet overwerken, of hij moet gezind zijn een groot financiëel verlies te beloopen. In die zeer sierlijk geschrevene verdediging der slavernij, Professor Ingraham's "Reizen in het Zuidwesten," wordt de volgende beschrijving van het suikerbereiden gegeven. Wij halen hem aan bij voorkeur boven iemand anders, omdat hij als lofredenaar spreekt, en de zaak met de sierlijkheid van een Mr. Skimpole beschrijft.

Wanneer het malen eens begonnen is, wordt het werk niet gestaakt, voor dat het is afgedaan. Van het begin tot het einde ziet men hetzelfde drukke, vrolijke tooneel. De negers "wier zware taak den zondag niet van de week afscheidt," werken van achttien tot twintig uren, "en maken den nacht medearbeider met den dag" hoewel, om den last zoo veel mogelijk te verligten, de troep in twee wachten wordt verdeeld, waarvan de eene het eerste, de andere het laatste gedeelte van den nacht neemt; en in weerwil van dezen aanhoudenden arbeid, verbetert het voorkomen der Negers en schijnen zij vet en frisch. Zij drinken vrijelijk van het suikersap, en de ziekelijken onder hen herleven en worden sterk en gezond.

Nadat het malen is afgedaan, hebben de Negers verscheidene feestdagen, wanneer zij volle vrijheid hebben om te dansen en zich vrolijk te maken, zoo veel zij verkiezen; en het rietlied--dat door een van den troep wordt geïmproviseerd, terwijl de anderen in een lang en onverstaanbaar koor invallen--klinkt nacht en dag in de ooren, met "muzikale en zwaarmoedige" toonen.

Het bovenstaande wordt medegedeeld als een voorbeeld hoe gemakkelijk de gruwelijkste omstandigheden in de aardigste en zachtste bewoordingen kunnen verhaald worden. In een werk, getiteld "Reizen in Louisiana in 1802," is het volgende uittreksel (zie Weld's Slavery as It is, p. 134) waaruit blijkt, dat deze vrolijke manier van nacht en dag te werken drie maanden duurt.

"Bij het persen der suiker, een tijdperk van twee tot drie maanden, werken zij (de slaven in Louisiana) nacht en dag. Hun slaap wordt zoodanig verkort, dat zij gedurende dien geheelen tijd naauwelijks te rust gaan."

Laat nu iemand eens de bijzondere geschiedenis schrijven van zeven honderd zwarten--mannen en vrouwen--genoodzaakt om drie maanden lang nacht en dag onder de zweep des drijvers te werken.

Mogelijk, indien de heer die het berigt schreef, zelf met zijne vrouw en kinderen in dit "vrolijke tooneel" van arbeid gebezigd werd--indien hij de vrouw die hij beminde, de dochter die zijne ziel dierbaar was, gedwongen zag om met den grooten troep te deelen in het werk, "dat den zondag niet van de week afscheidt, en den nacht mede-arbeider van den dag maakt," zou hij eene andere meening van de vrolijkheid daarvan hebben; en het zou zeer heilzaam kunnen zijn, indien elk verdediger der slavernij voor een saizoen dit voorregt genoot, vooral daar Mr. Ingraham zoo zorgvuldig is om ons te zeggen, dat de werking daarvan op de algemeene gezondheid zoo uitmuntend is, dat het voorkomen der Negers verbeterd, en zij vet en frisch schijnen, en dat de ziekelijken onder hen herleven en sterk en gezond worden. Men zou het bijna verwonderlijk vinden, dat, indien het werkelijk zulke heilzame gevolgen heeft, wanneer men de slaven nacht en dag laat werken en suikersap te drinken geeft, dit gebruik niet het geheele jaar door wordt voortgezet; hoewel misschien in dat geval de Negers zoo vet zouden worden, dat zij daardoor buiten staat zouden zijn om te werken. Misschien is het ook dewijl die gezonde arbeid niet langer wordt voortgezet, dat de Landbouw-maatschappijen van Louisiana genoodzaakt zijn om het jaarlijksche verlies van slaven op de suikerplantaadjes op twee en een half percent te schatten. Philantropen moesten eens daarover denken. Misschien zou het kwaad verholpen kunnen worden, door hen zes maanden lang des nachts te laten werken, in plaats van drie.

Deze tijdelijke drang van arbeid is echter niet tot de suikerbereiding beperkt. Er is ook eene drukte in het katoen-saizoen, gelijk iedereen kan opmerken, die de zuidelijke nieuwsbladen leest. In zekeren tijd van het jaar wordt de geheele belangstelling van het publiek op de inzameling van den katoenoogst gevestigd. Dienaangaande zegt Mr. Weld (Slavery as It is, p. 34):

In de katoen- en suikergewesten wordt een roekeloos wedspel gespeeld, waarbij, hoewel er schijnbaar slechts eene verbeurte van geld wordt gewaagd, eigenlijk menschenlevens op het spel staan. De hoogte, waartoe deze wedijver in het Zuiden en Zuidwesten gedreven wordt, de menigte van planters, die daaraan deelnemen, en de onverschilligheid voor het menschelijk leven, waarmede bij dit moorddadige spel wordt gehandeld, kan iemand, die niet in het midden daarvan geleefd heeft, zich niet wel verbeelden. De winzucht is slechts eene der beweegredenen, die hen aansporen; de éclat van met een gegeven aantal arbeiders den grootsten oogst verkregen te hebben, is insgelijks een krachtige prikkel; de zuidelijke nieuwsbladen doen in den oogsttijd zorgvuldig verslag van den "katoen-bluf," het "puik van katoen plukken," het "voorbeeldeloos drijven" enz. Zelfs de uitgevers van zoogenaamd godsdienstige bladen moedigen de melée aan, en zingen den lof des overwinnaars. Daaronder herinneren wij ons den Eerw. J. N. Maffit, redacteur van een godsdienstig blad te Natchez, Mississippi, waarin hij zorg droeg "DEN KATOEN-BLUF" eene in het oog loopende plaats in kapitale letters te geven.

Als een voorbeeld van dezen wedijver uit den jongsten tijd, deelen wij het volgende mede uit den "Fairfield Herald," Winsboro' S. C. 4 November 1852.

KATOEN-PLUKKEN.

Wij vinden op vele van onze zuidelijke en westelijke beurzen aankondigingen van het bedrag van katoen door arbeiders geplukt, en van de hoeveelheid door elken arbeider; en daar wij zulk eene opgaaf hebben ontvangen, welke wij, wat de hoeveelheid door één arbeider geplukt, nooit overtroffen hebben gezien, plaatsen wij met genoegen het berigt, met de aanmerking dat het van een burger van dit district is, die opzigter is voor Majoor H. W. Parr.

Broad River, 10 October 1852.

Heeren redacteurs!

"Ten einde iets tot uwe verscheidenheid bij te dragen, (mits het uwe goedkeuring ontmoete) zend ik u de opgaaf van een dag katoenplukken, niet door uitgelezene arbeiders maar door het uitschot van eenen troep op eene plantaadje, daar de gezonde (able bodied) arbeiders tot ander werk zijn uitgezonden. Nu de uitslag van een dag plukkens, van zonsopgang tot zonsondergang, door twee en twintig plukkers--vrouwen, jongens en twee mannen:--4880 pond schoon geplukt katoen van den stengel.

"Het hoogste, 350 pond, door verscheidene, het laagste 115 pond. Een van het aantal heeft in de laatste zeven en een halven dag (zondag uitgezonderd) elf uren daags, 1900 pond schoon katoen geplukt. Wanneer iemand van mijne landbouwkundige vrienden dit overtreft, in denzelfden tijd en onder zonneschijn, zal ik nog eens beproeven.

James Steward."

Het schijnt dat deze landbouwkundige verklaart dezen buitengewonen uitslag te hebben verkregen, met wat hij het uitschot van een troep noemt; en om zijnen roem daarop des te hooger te verheffen, berigt hij het publiek omstandig, dat er geene "able bodied" arbeiders gebezigd werden; dat deze geheele triomf behaald werd met vrouwen en kinderen en twee zieke mannen; met andere woorden, hij roemt er op dat hij uit vrouwen, kinderen, zwakken en zieken 4880 pond schoon geplukt katoen op eenen dag heeft gehaald; en dat hij een van deze arbeiders 1900 pond schoon katoen in eene week heeft doen plukken! en voegt er met zelfvoldoening bij, dat wanneer een zijner landbouwkundige vrienden dit overtreft, in denzelfden tijd en onder zonneschijn, hij "nog eens zal beproeven."

Zal nu een onzer lezers het opgebruiken der arbeiders op de plantaadje van Legree nog voor eene overdrijving houden? En zie met hoe veel voldoening dit verslag door den redacteur wordt aangekondigd, als iets zeer prijselijks en lofwaardigs.

"Ziet het loon der werklieden, die uwe landen gemaaid hebben, hetwelk van u verkort is, roept; en het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de ooren van den Heere Sabaôth."

Dat de beschrijvingen van het huis, de manier van huishouden en kortom het geheele leven op de plantaadje van Legree, geene fabelachtige verdichtselen of overdrevene schilderingen van slechts bij uitzondering voorkomende gevallen zijn, daarvan heeft de wereld overvloedige getuigenissen, en heeft deze reeds een aantal jaren gehad. Laat de lezer de volgende getuigenis aangaande de woningen der Negers overwegen, welke de wereld in het werk van Mr. Weld eenige jaren onder de oogen heeft gehad. Daaruit blijkt de staat van zaken in dit opzigt, ten minste tot aan het jaar 1838.

Mr. Stephen E. Maltby, inspecteur van levensmiddelen, Skaneateles, New-York, die in Alabama heeft gewoond.--"De hutten, waarin de slaven sliepen, hadden doorgaans maar een vertrek, en dat zonder vloer."

Mr. George A. Avery, ouderling van de vierde Presbyteriaansche kerk, Rochester, New-York, die vier jaren in Virginia heeft gewoond.--"Onder al de negerhutten, die ik in Virginia zag, kan ik er mij niet een herinneren, waarin een andere vloer was dan de aarde, of iets, dat een noordelijk arbeider of handwerksman, blank of gekleurd, een bed zou noemen, of eene enkele afschutting tot afzondering der seksen."

Mr. William Ladd, Minot, Maine, president van het Amerikaansche Vrede-genootschap, voorheen slavenhouder in Florida.--"De woningen der slaven waren hutten, door hen zelven van palen en staken gebouwd en met palmbladeren gedekt. De deur, als zij er een hadden, was van dezelfde stoffen, somtijds van planken op den oever gevonden. Zij hadden geene vloeren, geene afzonderlijke vertrekken; behalve dat de Guinesche Negers somtijds eene kleine afsluiting voor hunne "god-huizen" hadden. Deze hutten bouwden de slaven zelven, na hunne taak en op Zondag."

De Eerw. Joseph M. Sadd, leeraar der Presbyteriaansche kerk, Castile, Greene County, New-York, die voor 1837 vijf jaren in Missouri leefde.--"De slaven leven algemeen in ellendige hutten, die zonder vloeren zijn, en hebben slechts een enkel vertrek, waarin beide seksen door elkander opeengepakt zijn."

Mr. George W. Westgate, lid der Congregationale kerk, Quincy, Illinois, die een aantal jaren in de slavenstaten heeft doorgebragt.--"Op oude plantaadjes zijn de negerkwartieren van latten en planken gemaakt, die zelden eene genoegzame beschutting voor wind of regen geven; hunne grootte verschilt van acht bij tien, tot tien bij twaalf voet, en zes of acht voet hoogte; somtijds is er een gat voor een venster uitgezaagd, maar nooit zag ik er raam of glas in. In het nieuwe land en in de bosschen zijn de kwartieren doorgaans van boomstammen gebouwd en van dezelfde afmetingen."

Mr. Cornelius Johnson, lid der Christelijke kerk te Farmington, Ohio, die in 1837-38 in Mississippi woonde.--"Hunne huizen waren gewoonlijk van boomstammen gebouwd; somtijds hadden zij ramen, dikwijls geen vloer; sommigen hebben twee vertrekken, doch gewoonlijk maar een; elk van deze vertrekken bevatte een huisgezin. Somtijds bestonden deze huisgezinnen uit man, vrouw en kinderen, terwijl in andere gevallen personen van beide seksen bij elkander gestopt werden, zonder op familiebetrekking acht te geven."

De "Western Medical Reformer" spreekt in een artikel over de "Cachexia Africana" door een geneesheer uit Kentucky, aldus over de hutten der slaven: "Zij zijn bij elkander gedrongen in eene kleine hut, die somtijds een onvolkomenen, somtijds geen vloer heeft, zelden boven den grond verheven, zonder versche lucht en omringd met vuilnis."

Mr. William Leftwich, een inboorling van Virginië, maar die het grootste gedeelte van zijn leven in Madison County, Alabama, heeft gewoond.--"De woningen der slaven zijn hutten van boomstammen, van tien tot twaalf voet in het vierkant, dikwijls zonder vensters, deuren of vloeren; zij hebben stoelen, tafel noch bedstede."

Reuben L. Macy, van Hudson, New-York, lid van de Godsdienstige Societeit der Vrienden. Hij woonde in Zuid-Carolina in 1818-19.--"De huizen voor de veldslaven waren omtrent veertien voet in het vierkant, op de ruwste wijze gebouwd, met eene kamer zonder schoorsteen of vloer, met een gat in het dak om den rook uit te laten."

Mr. Samuel Sapington, van Lancaster, Pennsylvania, geboortig van Maryland, voorheen een slavenhouder.--"De beschrijvingen doorgaans van negerkwartieren gegeven zijn juist; de kwartieren zijn zonder vloer, en niet voldoende om de guurheid van het weder af te weren; zij zijn "uncomfortable" zoowel des zomers als des winters."

De Eerw. John Rankin, inboorling van Tennessee.--"Wanneer zij des nachts naar hunne ellendige hutten terugkeeren, vinden zij daar geen middel tot gemakkelijke rust, maar moeten zonder deksel op den kouden grond liggen en huiveren terwijl zij slapen."

Philemon Bliss, van Elyria, Ohio, die in 1835 in Ohio woonde: "De woningen der slaven zijn gewoonlijk kleine, opene hutten van boomstammen, met slechts een vertrek en zeer algemeen zonder vloer."--Slavery as It is, p. 43.

De Eerw. C. C. Jones, van wien wij reeds gesproken hebben, neemt, wanneer hij den toestand der Negers als een veld voor den zendelingsarbeid beschouwt, al de omstandigheden van hun uiterlijk leven in aanmerking. Hij spreekt van een gedeelte van Georgia, waar men zooveel aandacht voor het welzijn der Negers heeft gehad als in eenig gedeelte der Vereenigde Staten. Hij geeft het volgende tafereel:

Hunne manier van leven is over het algemeen ruw en gemeen. Vele negerhuizen zijn klein, laag bij den grond, zwart berookt, dikwijls met vloeren van vuilnis, en huisraad van de geringste soort. Op sommige goederen hebben de huizen ramen, en zijn zij net gewit, groot genoeg en in alle opzigten gerijfelijk. De verbetering in de grootte, de bouwstoffen en den bouw der negerhuizen breidt zich uit. Nu en dan vindt men er een van baksteen gebouwd. Religious Instruction of the Negroes, p. 116.

Wanneer wij nu toegeven wat Mr. Jones zegt, namelijk, dat er wat de huisvesting der Negers betreft, onder verlichte en Christelijke menschen gedurige verbeteringen gemaakt worden, moet men toch in overweging nemen, hoe vele menschen er zijn, die noch verlicht, noch Christelijk zijn, hoe weinig voordeel al deze verbeteringen voor den meester opleveren, en hoe zij dus geheel de gevolgen van natuurlijke grootmoedigheid of Christelijk gevoel moeten zijn, zoodat de lezer veilig mag besluiten, dat deze verbeteringen veeleer de uitzondering dan de regel zijn.

Een vriend der schrijfster, in de vorige maand in Georgia reizende, schrijft aldus:

Op de lange rij van rijst- en katoenplantaadjes, die zich langs den spoorweg van Savannah naar deze stad uitstrekt, bevatten de neger-kwartieren naauwelijks eene enkele hut, welke een noordelijk landman geschikt tot schuilplaats voor zijn vee zou achten. Zij zijn allen van staken gebouwd, zoo weinig sluitende, dat zij bijna overal open zijn, zonder een enkel glas-venster, en met slechts een enkelen leemen schoorsteen voor elke groep van vier tot acht hutten. En toch weidden onze medereizigers op hun gemak uit over het vreemde, dat de Negers zoo slecht in staat zijn om koud weder te verdragen.

Men vergelijke dit tafereel uit den tegenwoordigen tijd met het berigt, door den Eerw. Horace Moulton gegeven, die tusschen 1817 en 1824 vijf jaren in Georgia doorbragt, en men zal zien, dat er in dezen Staat ten minste eenige gelijkenis bestaat tusschen het oudere en het nieuwere gebruik:

De hutten der slaven zijn meestal van de armoedigste soort. Zij zijn niet zoo goed als die tijdelijke lootsen, die bij spoorwegen worden opgeslagen. Zij worden van palen en planken gebouwd, met weinig of geen balkwerk er aan. Zij hebben geene kagchels of schoorsteenen; sommigen hebben aan het eene einde iets dat naar eene stookplaats gelijkt, en aan dien kant zijn dan een paar planken uit den wand of van het dak genomen, om den rook uit te laten. Deze gebouwen hebben maar één vertrek; de plaats waar men in en uitgaat, dient tot deur en venster tegelijk; de wanden en het dak zijn met ruwe, in vele gevallen oude afgekeurde planken gedekt. Bij warm weder, vooral in de lente, houden de slaven den geheelen nacht rookend vuur aan, om de muggen en moskieten te verdrijven, die in het geheele lage land van het Zuiden zeer lastig zijn; zoo zeer dat de blanken onder stellaadjes slapen met netten er over, zoo fijn geknoopt dat de moskieten er niet door kunnen vliegen.--(Slavery as It is, p. 19).

Dezelfde Mr. Moulton geeft het volgende berigt van het voedsel der slaven, en de wijze van handelen op de plantaadje, waarop hij werkzaam was. Het moet hier gemeld worden, dat hij in den tijd toen hij zich in het Zuiden bevond, in zekere handelsbetrekkingen was, welke hem gelegenheid gaven om dikwijls verschillende plantaadjes te bezoeken en velen der slaven onder zijn gezag te hebben. Zijne gelegenheden tot waarneming waren dus zeer gunstig. Er is eene eenvoudigheid en droogheid in zijnen stijl, welke de gedachte verwijdert, dat hij uit zijne verbeelding zou schetsen:

Het was een algemeen gebruik, overal waar ik geweest ben, dat de meesters elk hunner slaven, mannen en vrouwen, een "peck" koren in de week tot voedsel gaf. Dit tegen vijftig cents per bushel--en het was niet meer waardig zoolang ik daar was--zou voor den kost op twaalf en een halven cent per hoofd in de week komen.

Mij kostte mijne tafel toen ik in het Zuiden was, door elkander genomen, een dollar daags;--den prijs van veertien bushels koren in de week. Dit zou mijn kost in prijs gelijk doen staan met den kost van zesenveertig slaven! Dit is alles wat goede of slechte meesters op de plantaadjes in den omtrek van Savannah hunne slaven toestaan. Een peck koren moet elken slaaf eens in de week worden uitgemeten. Een man met wien ik werkte, echter verlangend zijnde om van zijne arbeiders (omtrent vijftig in getal) eer ik vertrok, zoo veel werk gedaan te krijgen als mogelijk was, kocht voor hen elke week, of tweemaal in de week, een ossenkop op de markt. Hiervan maakten zij eene soep in een grooten ijzeren ketel, waarom heen de arbeiders op etenstijd kwamen, en de soep uitscheppende, mengden zij die met hun meel, en aten het alsof het een feestmaal was. Deze man vergunde zijne slaven tweemaal daags te eten, terwijl ik eene karrewei voor hem deed. Hij beloofde mij een kastoren hoed en zulk een goed pak kleeren als er in de stad gekocht kon worden, als ik zoo veel voor hem wilde afmaken eer ik naar het Noorden terugkeerde, en gaf mij daartoe volle magt over zijne slaven. Zoo kan men zien, welke verzoekingen opzigters somtijds hebben, om zoo veel werk als zij kunnen uit de arme slaven te halen. Het bovenstaande is eene uitzondering op den algemeenen regel van voeding; want op alle andere plaatsen, waar ik werkte en die ik bezocht, kregen de slaven niets van hunne meesters dan het koren, of eene daarmede gelijk staande hoeveelheid rijst of aardappelen; en daarvan mogten zij slechts eenmaal daags gaan eten. De gewoonte was des morgens vroeg op den horen te blazen, als een sein voor de arbeiders om op te staan en naar het werk te gaan. Eens begonnen bleven zij werken tot omtrent elf uur, wanneer, op het sein, allen ophielden en naar de hutten gingen, hunne vuren aanlegden, hun meel tot koek maakten, aten, en dan weder op het sein van den horen naar hun werk gingen, en bleven doorwerken tot aan den nacht, of tot dat hunne taak gedaan was. Sommigen maakten hun ontbijt op het veld onder het werk gereed. Ieder slaaf moet met een handmolen zijn eigen koren malen, nadat hij des avonds zijn werk gedaan heeft. Doorgaans is er op elke plantaadje één handmolen ten gebruike der slaven.

Sommige planters hebben geen koren, andere komen dikwijls te kort. In plaats daarvan geven zij dan rijst of zoete aardappelen, die geen van beiden zoo goed voor de slaven zijn als koren. Zij klagen meer over flaauwheid, wanneer zij met rijst of aardappelen, dan wanneer zij met koren gevoed worden. Ik was eenige weken bij een man, die mij zijne arbeiders gaf om eene karrewei te doen, en om den tijd te besparen, kookte een voor al de anderen. Hierbij werd op de volgende wijs gehandeld: Twee gevorkte stokken werden in den grond gestoken, en een korten staak over de vorken gelegd hebbende, hingen zij een ketel daaraan; dan maakten zij vuur onder den ketel en kookten den brij; wanneer deze gereed was, werden zij om den ketel geroepen met hunne houten borden en lepels. Zij schepten uit en aten, om den ketel staande, of op den grond zittende, gelijk hun best gelegen kwam. Als zij aardappelen hadden, haalden zij die met hunne handen er uit en aten ze zoo.--Slavery as It is, p. 18.

Mr. Thomas Clay, een slavenhouder van Georgia en een zeer menschlievend man, die met zeer goed gevolg is werkzaam geweest om de verbetering der Negers te bevorderen, zegt in zijne rede voor het Georgia Presbytery 1833, van hun voedsel: "De hoeveelheid volgens gebruik toegestaan, is een peck koren in de week."

De Maryland Journal and Baltimore Advertiser, 30 Mei 1788, zegt: "Een enkel peck koren, of dezelfde maat rijst, is het gewone rantsoen voor eenen zwaar werkenden slaaf, waarbij nu en dan, hoewel zelden, eene kleine hoeveelheid vleesch gevoegd wordt."

Kapitein William Ladd, van Minot, Maine, voorheen een slavenhouder in Florida, zegt: "Het gewone rantsoen was een quart koren daags aan een slaaf, die volle taak werkte, met eenig zout: goedertierene meesters gaven een peck koren in de week."

De wet van Noord-Carolina bepaalt, dat de meester zijnen slaaf een quart koren daags zal geven, hetwelk in de week een quart minder is dan een peck.--Haywood's Manual, 525; Slavery as It is, p. 29. De meester, die een peck in de week gaf, zou dus denken, dat hij boven de wet ging, en een quart uit edelmoedigheid gaf.

Deze staat van zaken zal veel waarschijnlijker voorkomen in dat gedeelte des lands, waar de geschiedenis geplaatst is. Dit is in de zuidwestelijke Staten, waar geene levensbehoeften op de goederen worden geteeld, maar al de voorraad voor de slaven uit de meer noordelijk gelegene Staten wordt gekocht.

Laat de lezer zich nu de verschillende verzoekingen verbeelden, die onder deze omstandigheden kunnen ontstaan om het rantsoen der slaven te verkorten;--schaarschte van geld, financieele ongelegenheden, hooge prijs van levensmiddelen en verschillende andere oorzaken van dien aard hebben eenen grooten invloed op den meester of opzigter.