De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut
Part 10
Doch daar Mr. Clapp niet voor een vertegenwoordiger der orthodoxie zal gehouden worden, dan veronderstelle men, dat St. Clare luistert naar de volgende verklaringen van den Eerw. James Smylie, een geestelijke van grooten invloed in de Presbyteriaansche kerk, in een tractaatje over de slavernij, hetwelk hij verklaart geschreven te zijn, met het opzettelijk doel om de gemoedsbezwaren van godsdienstige menschen in Mississippi en Louisiana, ten aanzien van hare geoorloofdheid, op te heffen.
Indien ik geloofde of van gevoelen was, dat het de wettige strekking van het Evangelie was, de slavernij af te schaffen, hoe zou ik dan eenen man naderen, die zoo vele slaven had als Abraham, en hem zeggen, dat ik zijn verlof wenschte te bekomen om voor zijne slaven te prediken?
Men veronderstelle dien man onkundig van het Evangelie, dat hij mij vroeg wat mijn oogmerk was, dan zou ik hem opregtelijk zeggen (en ieder dienaar van het Evangelie behoort opregt te zijn) dat ik het Evangelie wenschte te prediken, omdat deszelfs wettige strekking is, zijne slaven eerlijk en getrouw te doen worden; niet dienende "met oogendienst, als menschenbehagers, niet stelende, maar alle goede trouw bewijzende."--"En dit is," zou hij vragen, "werkelijk de strekking van het Evangelie?" Ik zou antwoorden: "Ja!" Dan zou ik mogen verwachten, dat een man die duizend slaven had, indien hij mij geloofde, mij niet alleen veroorloven zou voor zijne slaven te prediken, maar dat hij meer zou doen. Dat hij gewillig zou zijn om een huis voor mij te bouwen, mij een tuin en ruimen voorraad tot onderhoud te bezorgen; omdat hij besluiten zou, dat voorwaar deze prediker meer voor hem waardig zou zijn dan twaalf opzigters. Maar onderstel, dat hij mij zeggen zou vernomen te hebben, dat de strekking van het Evangelie was, de slavernij af te schaffen, en mij vroeg of dit zoo was. Ha, daar zit de knoop. Nu heeft hij mij in de klem. Wat zal ik zeggen? Zal ik als een oneerlijk man, verbloemen en verdraaijen, en mij keeren en wringen om een antwoord te vermijden? Neen, ik moet als een Kentuckiër, er plomp voor uitkomen, en hem zeggen dat abolitie, de strekking van het Evangelie is. Waarop moet ik nu rekenen? Ik heb den man gezegd, dat de strekking van het Evangelie is, hem zoo arm te maken, dat hij genoodzaakt zal zijn, zelf te graven en hout te hakken; dat hij zijn eigen paard moet opvangen, roskammen en zadelen; dat hij zijne eigene brogans moet poetsen (want hij zal niet in staat zijn om laarzen te koopen). Zijne vrouw moet zelve aan de waschtobbe staan, den bezem aanvatten, de potten wasschen en alles koken wat zij en haar houthakker zullen eten.
Vraag.--Is het te verwachten, dat een meester tot nog toe onkundig van het Evangelie, zoo smoorlijk daarop verliefd zou raken, door eene kennis van deszelfs strekking, dat hij het prediken daarvan onder zijne slaven zou aanmoedigen? Waarlijk, Neen.
Maar onderstel, wanneer hij die laatste vraag naar deszelfs strekking aan mij doet, dat ik hem, zonder uitvlugt of draaijerij, duidelijk en opregt, kon en wilde zeggen, dat het eene lastering van het Evangelie was, te zeggen dat emancipatie of abolitie deszelfs wettige strekking was. Ik zou hem zeggen dat de geboden van sommige menschen, en niet de geboden van God, de slavernij tot zonde maken.--Smylie on Slavery, p. 71.
Men kan zich verbeelden met welk een gezigt St. Clare zulke uitleggingen van het Evangelie zou ontvangen. Het moet nog opgemerkt worden, dat dit tractaatje niet slechts het gevoelen van een enkel man bevat, maar dat het in een aanhangsel eenen brief geeft van twee kerkelijke ligchamen der Presbyteriaansche kerk, waarin deze gevoelens, wat de hoofdzaak betreft, worden bekrachtigd.
Kan iemand zich verwonderen dat een man gelijk St. Clare vragen zou doen als deze:
"Is dat, wat gij daar in de kerk hoort, godsdienst? Is dat wat men zoo kan buigen en wringen, om in al de kronkelingen van eene eigenlievende, aardschgezinde maatschappij te passen, godsdienst? Is dat godsdienst, wat minder billijk, minder edelmoedig, minder regtvaardig, minder meedoogend voor den mensch is, dan mijn eigen ongodsdienstig, aardschgezind, verblind gemoed? Neen! Als ik naar godsdienst zoek, dan moet ik zoeken naar iets dat boven mij is, niet naar iets dat beneden mij is."
Het karakter van St. Clare werd door de schrijfster met geestvervoering en met hoop geteekend. Zal deze hoop nimmer verwezenlijkt worden? Zullen die mannen in het Zuiden, wie God het vermogen heeft gegeven om het onuitsprekelijke kwaad en onregt der slavernij in te zien en een hart om het te gevoelen, altijd zwijgend en werkeloos blijven? Wat edeler eerzucht voor een man in het Zuiden, dan om zijn land van deze schande te verlossen? Uit het Zuiden moet de verlosser opstaan. Hoe lang zal hij vertoeven? Er is eene kroon heerlijker dan eenige aardsche eerzucht ooit gedragen heeft--er is een lauwerkrans die nooit zal verwelken; hij is gevlochten voor dien held, die in het Zuiden voor de vrijheid zal opstaan, en dat schoone land van den druk en de schande der slavernij bevrijden.
HOOFDSTUK X.
LEGREE.
Gelijk St. Clare en de Shelby's vertegenwoordigers eener klasse van meesters zijn, zoo is Legree de vertegenwoordiger eener andere; en gelijk niet alle goede meesters even verlicht, edelmoedig en weldenkend zijn als St. Clare en Mr. Shelby, of even zorgvuldig en gelukkig aan de godsdienstige opleiding hunner slaven arbeiden als Mrs. Shelby, zoo vereenigen niet alle slechte meesters de uitwendige afschuwelijkheid, de gemeenheid en profaniteit van Legree.
Legree is afgeschilderd niet om de meesters als eene klasse te schandvlekken, maar om aan de achtenswaardige mannen in het Zuiden, die meesters zijn, een zeer gewigtigen trek van het stelsel der slavernij onder de aandacht te brengen, waarover zij misschien nog nooit hebben nagedacht. Het is deze: dat geene wet in het Zuiden eenige proeve van het karakter vordert van den man, wien de absolute magt van meester wordt toegestaan.
In het tweede gedeelte van dit boek zal aangetoond worden, dat de wettige magt des meesters zich uitstrekt tot eene volstrekte dwingelandij over ligchaam en ziel; dat het leven en de leden van den slaaf, zijne familiebetrekkingen, zijn geweten, ja nog meer, zijne eeuwige belangen, door niets beschermd kunnen worden, dan door het karakter van zijnen meester.
De Eerw. Charles C. Jones, van Georgia, zegt, in zijne aanspraak aan meesters, dat zij de magt hebben om het koningrijk des hemels voor hunne slaven te openen of te sluiten; (Religious instruction of the Negroes, p. 158), en een Zuid-Caroliniër, in een artikel onlangs in het Frazer's Magazine geplaatst, erkent, naar het schijnt in eenen zeer ernstigen geest, aldus het feit dezer geduchte magt: "ja, wij zouden het geheele Zuiden willen doen gevoelen, dat de ziel van den slaaf in zekeren zin in de hoede van zijnen meester is, en hiernamaals tot zijne verantwoording zal gesteld worden."
Nu wordt het eerbiedig onder de aandacht gebragt dier hooggeplaatste mannen, die de wetmakers zijn, of deze geduchte magt om te binden en los te maken, om het koningrijk der hemelen te openen en te sluiten, aan ieder man in de maatschappij behoorde toevertrouwd te worden, zonder eenige andere bevoegdheid dan het vermogen om te koopen. Laat die heer uit Zuid-Carolina zijne oogen in de wereld laten rondgaan. Laat hij eene week door eenig gewest, hetzij in het Noorden of het Zuiden reizen, en dan zichzelven vragen, hoe velen van de menschen die hij ontmoet geschikt zijn om met deze magt vertrouwd te worden--hoe velen geschikt zijn om met hunne eigene zielen, veel minder met die van anderen, vertrouwd te worden.
Nu staat in de geheele theorie van regering, gelijk zij in dit land bestaat, tot de uitgebreidheid der magt de stiptheid in evenredigheid, waarmede de waarborg voor de behoorlijke uitoefening daarvan wordt gevorderd. De geneeskundige mag zich niet met het ligchaam bemoeijen, om voor deszelfs kwalen middelen voor te schrijven, zonder een certificaat, dat hij daartoe behoorlijk bevoegd is. De regter mag niet wettig beslissen over zaken, die het eigendom betreffen, zonder eene langdurige opleiding en voorbereiding. Het is alleen deze post van meester, welke de magt verleent om te binden en los te maken, om het koningrijk der hemelen te openen en te sluiten, en verantwoordelijk stelt voor de ziel zoowel als voor het ligchaam, die aan iedereen en zonder onderzoek naar iemands karakter wordt verleend. Iemand mag al zijn geld door zeeroof hebben gewonnen, gelijk wij in het geval van Legree hebben voorgesteld, en er is geene wet hoegenaamd om hem te verhinderen dit geld zoodanig te beleggen, dat hij daardoor eene onbeperkte magt verkrijgt over de zielen en ligchamen zijner medemenschen. Aan den half razenden dronkaard, aan den man befaamd door hardvochtigheid en wreedheid, aan den man geheel beneden de publieke opinie gezonken, aan den bitteren ongeloovige en godslasteraar, vertrouwt de wet deze magt even ruimschoots als aan den achtenswaardigsten en godsdienstigsten man op aarde. En toch denken de menschen, die deze wetten maken en in stand houden, dat zij schuldeloos zijn voor God, omdat zij niet persoonlijk het onregt plegen, dat zij anderen toelaten te plegen.
Aan den zeeroover Legree geeft de wet eene magt, tot welker uitoefening geen man uit eene vrouw geboren, Een uitgezonderd, ooit goed genoeg was.
Zijn er veel zulke menschen als Legree? Laat iemand in de achterbuurten en holen van New-York gaan, of in sommige stegen en gangen van Londen, en zullen zij daar niet vele Legrees zien? Neen, neem het zuiverste district van Nieuw-Engeland, en laat men zijn geheugen raadplegen, en zien of daar niet vele menschen zijn geweest, hardvochtig, gemeen, gevoelloos, barbaarsch, die, indien zij de volstrekte magt van Legree hadden bezeten, haar op dezelfde wijs zouden gebruikt hebben; en dat er in de zuidelijke Staten vele Legrees moeten zijn, is niets anders gezegd dan dat de menschelijke natuur daar dezelfde is als elders. Het eenige verschil is dit, dat in vrije Staten Legree door de wet geboeid en bedwongen wordt; in de slavenstaten maakt de wet hem tot eenen absoluten, onverantwoordelijken despoot.
Het is eene stuitende taak, dit gedeelte van het verhaal der schrijfster met feiten te staven. Men mag die taak wel met vreezen en beven naderen. Het is treurig te denken, dat de mensch, naar Gods beeld geschapen, en door zijne menschelijke geboorte een broeder van Jezus Christus, zoo laag kan zinken en zulke dingen kan doen, dat de ziel bij het beschouwen daarvan siddert; en te denken, dat de man, die zoo verzinkt, onze broeder is, vatbaar, gelijk wij, voor de vernieuwing door den Geest der genade, door welke hij naar het beeld van Christus herschapen en aan de Engelen gelijk gemaakt kon worden. Zij, die de wetten in stand houden, welke deze geduchte magt verleenen, hebben nog eene andere zware verantwoordelijkheid, waarvan zij weinig droomen. Hoe vele zielen van meesters zijn daardoor verloren gegaan! Hoe veel goddeloosheid heeft dit onbeperkte gezag uitgelokt en ontwikkeld, die misschien anders gesmoord zou zijn geworden! Hoe velen zijn in het eeuwige verderf gestort over dit struikelblok van onverantwoordelijke magt!
Welke feiten brengen regtsgedingen in de slavenhoudende Staten somtijds aan den dag! Welke gruwelijke verhalen bevlekken de bladen der processtukken, ongehoorde martelingen beschrijvende, gepleegd in deze negentiende eeuw der Christelijke jaartelling, door den onverantwoordelijken despoot, die eigenaar is van ligchaam en ziel! Laat iemand, indien hij kan, de drie en negentigste bladzijde lezen van Weld's "Slavernij gelijk zij is," waar de Eerw. Mr. Dickey berigt geeft van eene teregtstelling in Kentucky voor een bedrijf van bloedige barbaarschheid, te stuitend voor de menschelijkheid om hier beschreven te worden. De schuldige werd overtuigd en ter dood veroordeeld. Mr. Dickey's verslag van den afloop luidt aldus:
Het Hof zat--Isham werd in de zaak van George aan eene halsmisdaad schuldig verklaard. Hij zou te Salem gehangen worden. De dag was bepaald. Mijn goede oude vader bezocht hem in de gevangenis--sprak en bad twee- of driemaal met hem; ik bezocht hem eens zelf. Wij hoopten, vertrouwelijk, dat hij opregt boetvaardig was. Eer de dag der teregtstelling kwam, werd Isham vermist. Hij was door een of ander middel weggekomen, hoe heb ik nooit geweten. Omtrent twee jaren later vernamen wij, dat hij naar Natchez was gegaan en met eene vrome dame van eenige beschaving getrouwd was. Ik zag hare brieven aan hare zusters, die waardige leden waren van de kerk, waarvan ik leeraar was. De laatste brief meldde zijnen dood. Hij was in het leger van Jackson, en sneuvelde in het vermaarde gevecht van New-Orleans.
Ik ben, mijnheer, uw vriend, Wm. Dickey.
Doch de lezer zal maar al te veel reden hebben, om de mogelijkheid van het bestaan zulker lieden als Legree niet te betwijfelen, wanneer hij in het tweede gedeelte de verslagen van regtsgedingen en regterlijke uitspraken leest.
Laat het zuidelijke land niet gesmaad worden als het eenige land op de wereld, dat zulke menschen voortbrengt; laten wij met smart en nederigheid toestemmen, dat zulke menschen overal gevonden worden; maar laat het zuidelijke land de geduchte beschuldiging niet ontkennen, dat het zulke menschen met eene volstrekte, onverantwoordelijke magt bekleedt, over beide ligchaam en ziel.
Wat betreft het afgrijselijke stelsel om menschen in een gegeven tijd op te werken, hetwelk Legree gezegd wordt op zijne plantaadje te volgen, is er ongelukkig maar al te veel reden om te weten, dat het is aangewend en nog aangewend wordt.
In het boek van Mr. Weld, "De Slavernij gelijk zij is," onder het hoofdstuk van den "Arbeid," pag. 39, worden verscheidene uittrekselen van verschillende documenten gegeven, om te toonen, dat dit stelsel op sommige plantaadjes in zulk eene mate werd gevolgd, dat het leven der slavenbevolking daardoor verkort en haar aanwas verhinderd werd, zoodat zij, indien zij niet jaarlijks werd vernieuwd, van zelf zou uitsterven. Van deze stukken deelen wij het volgende mede:
De Landbouw-Maatschappij van Baton Rouge, La., geeft in haar verslag van 1829 eene uitgewerkte begrooting van het bedrag der onkosten gevorderd voor het onderhouden eener "welgeregelde suikerplantaadje." In deze begrooting wordt het jaarlijksche verlies van slaven, boven de vermeerdering door voortplanting, op twee en een half percent bepaald! Wijlen Josiah S. Johnson, lid van het Congres voor Louisiana, rigtte in 1830 eenen brief aan den secretaris van de Tresorie der Vereenigde Staten, welke eene dergelijke begrooting bevatte, die naar het scheen met groote zorg was vervaardigd en tot in kleine bijzonderheden ging. Vele posten dezer begrooting verschillen van de vorige; maar de schatting der jaarlijksche afneming van de slaven op eene plantaadje was dezelfde--twee en een half percent!
In September 1834 had de schrijver een onderhoud met Mr. James G. Birney, die toen in Kentucky woonde, daar hij het jaar te voren met zijne familie uit Alabama verhuisd was. Eenige uren vóór dat onderhoud, en in den ochtend van denzelfden dag, had Mr. Birney een paar uren met Mr. Henry Clay, op zijn buitengoed bij Lexington, gesleten. Mr. Birney merkte aan, dat Mr. Clay hem verhaald had, dat hij onlangs reden had gevonden om zekere schattingen van de toeneming der slavenbevolking in het verre zuidwesten te wantrouwen--schattingen, welke hij, naar ik meen, in eene rede voor de Kolonisatie-Maatschappij had medegedeeld. Hij geloofde nu, dat de geboorten onder de slaven in die streken niet tegen de sterfgevallen opwogen; en dat dus natuurlijk de slavenbevolking, ongerekend den invoer uit de slaven verkoopende staten, zichzelve niet onderhield.
Onder andere daadzaken, door Mr. Clay gemeld, was de volgende, welke wij woordelijk afschrijven van eene aanteekening, in der tijd door Mr. Birney gemaakt, en welke hij ons vriendelijk heeft verschaft.
"16 Sept. 1834.--Mr. H. Clay onderrigtte mij, in een gesprek aan zijn eigen huis over het onderwerp der slavernij, dat Mr. Outerbridge Horsey--voorheen senator in het Congres uit den staat Delaware en eigenaar eener suikerplantaadje in Louisiana--hem verklaarde dat zijn opzigter zijne arbeiders zoo strikt liet werken, dat eene der vrouwen een kind ter wereld bragt, terwijl zij op het veld aan den arbeid was.
"Insgelijks, dat hij eenige jaren geleden in eene steenbakkerij in den omtrek van New-Orleans was, waarin 100 arbeiders werden gebezigd; daaronder waren van twintig tot dertig jonge vrouwen in het best van het leven. De eigenaar zeide hem, dat er onder deze in de laatste twee of drie jaren geen kind geboren was, hoewel zij ieder een man hadden."
Wijlen Mr. Samuel Blackwell, een hoog geacht burger van Jersey City, tegenover de stad New-York, en lid van de Presbyteriaansche kerk, bezocht eenige jaren geleden vele suikerplantaadjes in Louisiana; en daar hij vele jaren lang eigenaar eener groote suikerraffineerderij in Engeland en naderhand in dit land was geweest, werden hem door de planters niet alleen alle gemakken verschaft om den arbeid van het suikermaken in allen deele te bezigtigen, maar ontving hij ook van hen de openhartigste mededeelingen ten aanzien van de behandeling hunner slaven. Na zijne terugkomst, gaf de heer B. aan heeren van zijne kennis dikwijls de volgende verklaring:--Dat de planters hem algemeen verklaard hadden, dat zij genoodzaakt waren om hunne slaven in het saizoen van het suikermaken (van acht tot tien weken lang) zoodanig te overwerken, dat zij hen in zeven of acht jaren opgebruikten. Want, zeiden zij, nadat het werk begonnen is, moet het zonder ophouden nacht en dag worden voortgezet, en wij kunnen het niet bekostigen een genoegzaam aantal slaven te houden om het extra werk in den tijd van het suikermaken te doen, daar wij hen het overige van het jaar niet voordeelig konden gebruiken.
Dr. Demming, een zeer achtenswaardig persoon, te Ashland, Richland County, Ohio wonende, verklaarde aan professor Wright van New-York:
Dat hij onlangs op eene reis naar het Zuiden, terwijl hij met de stoomboot "Fame" de Ohio-rivier opvoer, gelegenheid had om met Mr. Dickinson, een inwoner van Pittsburg, te spreken, in gezelschap met een aantal katoenplanters en slavenhandelaren van Louisiana, Alabama en Mississippi. Mr. Dickinson verklaarde het voor eene daadzaak, dat de suikerplanters op de suikerkust in Louisiana ondervonden hadden dat, daar het gewoonlijk noodig was om gedurende den kooktijd tweemaal zoo veel arbeiders te gebruiken, als in den groeitijd vereischt werden, zij door geweldig drijven nacht en dag, gedurende den kooktijd, in staat waren om het werk met een troep arbeiders te verrigten. Door deze handelwijs te volgen, konden zij het bekostigen eens in de zeven jaren een troep arbeiders op te offeren! Hij verklaarde verder dat dit afgrijselijke stelsel thans door een aanmerkelijk getal van planters werd aangewend! De juistheid dezer opgave werd in de hoofdzaak door de slavenhouders aan boord toegestemd.
De volgende getuigenis van den eerw. Dr. Channing, van Boston, die eenigen tijd in Virginië woonde, bewijst dat het overwerken van slaven in zulk eene mate dat het leven daardoor verkort wordt en eene afname van bevolking ontstaat, niet tot het verre zuiden en zuidwesten beperkt is.
"Ik hoorde van eene plantaadje door een persoon beheerd, die voor bijzonder voorspoedig werd gehouden, en die in staat was om de slaven te regeren zonder de zweep te gebruiken. Ik was verlangend om hem te zien, en vertrouwde dat ik eene voor de menschheid gunstige ontdekking had gedaan. Ik vroeg hem hoe hij in staat was om ligchamelijke straf achterwege te laten. Hij antwoordde mij met een zeer strakken blik: "De slaven weten dat het werk moet gedaan worden, en dat het beter is het zonder straf te doen dan met straf." Met andere woorden, de zekerheid van en de vrees voor straf waren hun zoodanig ingeprent, dat zij zich nooit daaraan blootstelden.
"Toen bevond ik dat de slaven dezer welbestuurde plantaadje in getal afnamen. Ik vroeg naar de oorzaak. Hij antwoordde met volkomene rondborstigheid: "De troep is niet groot genoeg voor het goed." Met andere woorden zij waren niet berekend voor het werk op de plantaadje, en toch moesten zij het doen, hoewel met de zekerheid van hun leven te verkorten.
"Op deze plantaadje waren de hutten buitengemeen gemakkelijk. Er bestond een ongewoon voorkomen van netheid. Een oppervlakkig opmerker zou de slaven gelukkig genoemd hebben. En toch leefden zij onder eene strenge, drukkende tucht en werden zoodanig overwerkt, dat dit hun leven verkortte."--Channing on Slavery, pag. 162, first edition.
Een vriend der schrijfster, de Eerw. Mr. Barrows, thans geplaatst als onderwijzer in het Hebreeuwsch in het Andover Theological Seminary, verklaarde, in een gesprek met haar, het volgende:--dat hij, terwijl hij, eenigen tijd geleden, te New-Orleans was, door eenen planter werd uitgenoodigd om zijn goed te bezoeken, daar hij dit voor een model hield. Hij vond goede woningen voor de slaven, overvloedige levensmiddelen aan hen uitgedeeld, alle wreede straffen door redelijke en billijke vervangen, en wekelijks een halven dag aan de negers toegestaan om hunne eigene gronden te bebouwen. Er was ook voor hun zedelijk en godsdienstig onderwijs gezorgd. Mr. Barrow vroeg toen den planter:
"Houdt gij uwe plantaadje voor eene proef van den algemeenen toestand?"--De planter antwoordde: "er worden twee stelsels onder ons gevolgd. Het eene is, in eenige jaren alles uit een neger te halen, wat wij kunnen, en dan een ander in zijne plaats te koopen; het andere is, hem te behandelen gelijk ik doe. Mijn buurman op de naaste plantaadje volgt het tegenovergestelde stelsel. Zijne slaven moeten zwaar werken en worden karig gevoed; en zij zijn wel bij mij gekomen en hebben mij op hunne knieën gebeden om hen te koopen."
Mr. Barrow zegt, dat hij vervolgens die plantaadje voorbij kwam, en dat het jammerlijke, neerslagtige voorkomen der arbeiders dit berigt ten volle bevestigde. Hij zegt ook, dat de heer, die zoo menschlievend handelde, hem zeide: "Ik trek niet veel geld uit mijne slaven."
Het zal gemakkelijk zijn aan te toonen, dat dit de aard der slavernij is, en dat de verzoekingen der meesters zoo groot zijn, dat zulke welgeregelde plantaadjes slechts uitzonderingen moeten wezen.
De Eerw. Charles C. Jones, een man van het edelst menschelijk gevoel, en vele jaren lang ijverig werkzaam ten behoeve der slaven, zelf eigenaar eener plantaadje en daarom wel bevoegd om volgens ondervinding en waarneming te oordeelen, zegt, nadat hij over de groote onachtzaamheid der negers, door de slavernij voortgebragt, gesproken heeft:
"En voor eens en altijd, moet ik hier zeggen, dat de verliezen van dit stelsel zoo groot zijn, waarbij de wisselvalligheid der prijzen van de voornaamste artikelen op de markt komt, dat het moeijelijk, ja onmogelijk is, groote onkosten aan plantaadjes te besteden, en ze op den duur voordeel te doen geven."--Religious Instruction, p. 116.
Indien zelfs de godsdienstige en menschlievende meester de moeijelijkheid gevoelt van groote zorg voor het welzijn van den slaaf met voorzigtigheid en spaarzaamheid te vereenigen, hoe gemakkelijk moet het zedelijke vraagstuk dan worden opgelost door gemoederen van die ruwe denkwijs, welke wij bij Legree ondersteld hebben.