De slavernij in Suriname, of dezelfde gruwelen der slavernij, die in de 'Negerhut' geschetst zijn, bestaan ook in onze West-Indische Koloniën

Part 1

Chapter 13,671 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Print project.)

DE SLAVERNIJ IN SURINAME,

Of

Dezelfde gruwelen der slavernij, die in de "Negerhut" geschetst zijn, bestaan ook in onze West-Indische koloniën!

Door

J. Wolbers. (ten voordeele van de emancipatie der slaven.)

Amsterdam, H. de Hoogh. 1853.

DE SLAVERNIJ IN SURINAME.

Hoort het Nederlanders! deze woorden, aan het hoofd van dit opstel geplaatst, zijn uitgesproken door een' man, die door een langdurig verblijf in de West-Indiën in staat was uit eigene ondervinding te spreken, en die alzoo als een bevoegd getuige in deze zaak kan optreden. Het was op eene vergadering der Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij, gehouden te 's Gravenhage, den 20sten October 1853, dat hij deze woorden uitsprak. Zijne taal was niet die der opgewondenheid, maar der bezadigde overtuiging, die zelfs zeer tegen overdrevene, eenzijdige beschouwingen in deze waarschuwde, en de toestanden in de West-Indiën nog in vele opzigten verdedigbaar achtte.

En echter, hoezeer ook deze waardige man zijne stem tegen de slavernij hooren liet, en ijverig medewerkte, om het lot der slaven te verbeteren en plannen tot hunne vrijmaking aan de Regering voor te stellen--toch was het nog aan hem te zien, dat het verkeer sedert zoo vele jaren in een land, waar de slavernij tot eenen geregelden maatschappelijken toestand behoort, niet kan nalaten het gevoel op dit punt eenigzins te verstompen. Ja, ik werd op nieuws bevestigd in de overtuiging, dat men, levende onder eene dusdanige atmospheer, zich niet, of ten minste zeer moeijelijk, van haren invloed kan vrijwaren, en dat dien ten gevolge van de gunstige beschouwingen der slavernij in West-Indiën, hoezeer ook geheel te goeder trouw gegeven, nog wel iets af te dingen valt.

Zien wij dit onder anderen uit het volgende:

De reeds meergemelde heer deelde der vergadering eenige fragmenten uit eenen brief van een overheidspersoon in het district Nickerie mede, waarin deze meldde, dat het aldaar rustig was, dat er bijna geene ontvlugtingen van slaven plaats hadden, dat het verbod aan de eigenaars gegeven, om hunne slaven op hunne goederen niet meer eigenmagtig te tuchtigen, goed werkte; terwijl, daar deze tuchtigingen nu door en onder opzigt der policie [1] geschiedden, het lot van den slaaf zeker eene groote verbetering ondergaan had. Evenwel erkende hij toch vernomen te hebben, dat de straffen, op de plantagiën toegediend, nog dikwijls zeer buitensporig waren.

Ik ben geheel overtuigd, dat deze waardige spreker het berigt, dat er bijna geene ontvlugtingen der slaven meer plaats hadden, te goeder trouw geloofde, doch wat mij betreft, niet minder geloof meen ik te mogen hechten aan hetgeen door een ander lid der vergadering uit eenen anderen brief voorgelezen werd, en hetgeen met het bovengemelde in lijnregte tegenspraak stond.

Deze brief, door iemand, die thans tijdelijk in de West-Indiën is, aan zijnen broeder in Nederland gerigt, luidde als volgt:

"Overigens, beste broeder! is de dienst in West-Indiën alles behalve aangenaam; alles is nietig en klein; overal achteruitgang zigtbaar; terwijl kleingeestige trots alle conversatie tot eene plaag maakt.

"Daarenboven zijn wij niets meer of minder dan dienaren van policie, wier taak het is het wegloopen van slaven te beletten en reeds weggeloopene wederom bij hunne lieve meesters te brengen.

"Dat is dan nu ook mijne eervolle betrekking aan de Nickerie, en dank hebbe de liefderijke (!) behandeling, die de slaven niet zelden moeten dulden, wij hebben handen vol werk!

"Is het te verwonderen, dat die ongelukkigen, die op eene wederregtelijke wijze van hunne vrijheid zijn beroofd, en op wie het juk der slavernij zwaar drukt, geene pogingen onbeproefd laten ter herkrijging hunner vrijheid? Waarlijk, men sprak in Nederland veelal over de slaven als over wezens, die nog voor geene vrijheid rijp zijn, en die bij hunne meesters eene veel minder harde behandeling hebben te verduren dan menig arbeider in beschaafde landen; en ik erken dat er uitzonderingen zijn, dat er werkelijk goede meesters voor hunne slaven bestaan. Maar zij, die het lot dier wezens, vooral op de plantagiën, over het algemeen van zulk eene gunstige zijde beschouwen, toonen zelfs geen flaauw denkbeeld te hebben van het ellendig aanzijn, waartoe vele dier ongelukkigen zijn gedoemd. En toch die zelfde mannen, die met de regterhand den broeder geesselen ten bloede toe, bieden hem met de linkerhand het boek des levens en leveren, zonder het te weten, eene parodie op het Christendom, die meer schade doet aan de goede zaak dan tien zendelingen in één jaar kunnen herstellen.

"De menschen, die den slaaf het Christendom brengen, die hem willen leeren zijne goden te verlaten voor den liefderijken Vader; die menschen, welke den slaaf eene godsdienst prediken, wier hoogste bestanddeel de hoogste liefde is, die menschen beginnen met den broeder, dien zij willen bekeeren, als een wild dier te ketenen, als een handelsartikel hem te verkoopen, ten bloede toe hem te geeselen, zijne vrouw en dochters te onteeren. En als dat alles heeft plaats gehad, verwondert men zich over de weinige sympathie des zwarten voor eene godsdienst, wier belijders zulke gruwelen plegen!"

Uit dezen brief blijkt, dat er toch nog al ontvlugtingen plaats hadden, en dit strijdt alzoo met het door bovengemelden overheids-persoon medegedeelde. Hoe is het ook mogelijk voor zoo iemand, hoe welgezind ook, alles te weten te komen, daar men zeker, van de goede bedoelingen der regering in de zaak der emancipatie bewust, zooveel mogelijk deze zaken voor hare vertegenwoordigers tracht te verbergen.

Dat er echter zeer veel vrees voor bestaat, blijkt, gelijk verder verhaald werd, daaruit, dat de rivier, uitmakende de grensscheiding der kolonie, steeds afgezet wordt met wachtposten en pontons, ten einde het ontvlugten der slaven te beletten.

Doen dus die beide mededeelingen de slavernij aldaar niet van eene afschuwelijke zijde kennen?

Ja zeker! want het blijkt dat vele voorzorgen noodig zijn, om het ontvlugten te beletten; en tevens ziet men dat de aangehoudene vlugtelingen zwaar gestraft worden; terwijl, niettegenstaande die vele voorzorgen, niettegenstaande de gestrenge straf, er toch nog vele ontvlugtingen plaats hebben.

Hoe sterk is dus niet de begeerte naar vrijheid bij die ongelukkigen levendig, zoodat zij daarvoor alles trotseren! En zoude die begeerte niet zeer gevoed worden door de slechte behandeling, die velen hunner van hunne meesters ondervinden, door die buitensporig strenge tuchtigingen, welke zij op de plantagiën moeten ondergaan? Inderdaad, reeds daaruit alleen mogen wij vermoeden, dat dergelijke tooneelen, als in de Negerhut geschetst worden, ook in Suriname plaats vinden.

Zie onder anderen de Vereeniging: Christelijke Stemmen, in het Nommer van Maart 1853, bladz. 595 en 596.

Daar lezen wij:

Het is mij een belangrijke pligt geworden om den deskundige te vragen waaraan wij ons te houden hebben in de kwestie der emancipatie der slaven, na de mededeeling, in de Nederlander in het Nr. 790 uit een adres aan Zijne Majesteit den Koning opgenomen, waarin de volgende woorden voorkomen:

»Een enkel voorbeeld slechts, Sire! van hetgeen volgens geloofwaardig getuigenis niet lang geleden in het aan Uwe Majesteit en Nederland door God toevertrouwd Suriname voorviel."

»Eene plantagie werd door de welwillendheid der directie opengesteld voor de prediking van het Evangelie. De eerste heilrijke vruchten vertoonden zich reeds. Orde, tucht, huwelijkstrouw, matigheid, zedelijkheid begonnen te heerschen. Maar ach! de plantagie geraakt onder ander beheer, de prediking werd verboden; de slaven werden gedwongen tot dronkenschap en schrikkelijke zonden, en spoedig had de Satan het woord weggenomen, dat in hunne harten gezaaid was.

«Eene jeugdige slavin, naar men meent, vrucht van het overspel haars meesters, werd bekend gemaakt met de genade Gods in Christus. Tot ontucht aangezet door dien zelfden meester en diens zoon, weigerde zij volstandig. Er moest wraak geoefend worden. Geesseling is volgens de milde verordeningen in de West het onvermijdelijk gevolg, wanneer de slaaf de hand tegen zijnen blanken meester opheft. Hiertoe wist men het meisje te tergen. Het onschuldig slagtoffer werd dan ook gegeesseld. En in het midden der smarten hoorde men haar uitroepen: «Heere Jezus! mijn ligchaam moge mijnen meester toebehooren, mijne ziel behoort U toe, en Gij wilt niet dat die zondigt door toestemmen in ontucht met mijnen vader en broeder. Heere! Gij hebt voor mijne zonden oneindig meer geleden dan ik ooit doen kan uit gehoorzaamheid aan Uw gebod. Daarom, Heere Jezus! Uw wille geschiede, behoud maar mijne ziel!""

In dat zelfde Tijdschrift van April dezes jaars, bladz. 667, leest men het volgende:

»In December 1840 heb ik de West-Indiën verlaten, na een verblijf van ongeveer 3 jaren, in Januarij 1837 aldaar aangekomen zijnde; en hoewel niet al dien tijd in Suriname zelve hebbende doorgebragt, ben ik toch een geruimen tijd in die rivier en voor de stad Paramaribo gestationeerd geweest. Tijdens mijn verblijf in die streken, bestond reeds de bepaling: dat slavenkinderen en ouders bij verkoop niet van elkander mogten gescheiden worden, waren er bepalingen gemaakt op de straffen der negers, en mogten de slavenmagten niet van de plantagie waarop zij behoorden, naar andere worden overgebragt; eene bepaling, die niet alleen aan liefde tot de negers moet toegeschreven worden, maar die ook wel degelijk aan veiligheid en om oproer tegen te gaan zijnen oorsprong te danken heeft, daar de neger zeer gehecht is aan den grond, waar hij toe behoort. In de stad Paramaribo, om het straffen der negers in de huizen te vermijden, bestond het zoogenaamde piket, waar de slaaf op aanvraag van den meester een zeker bepaald aantal slagen ontving. Niettegenstaande al deze wetten en bepalingen heb ik, op eene plantagie gelogeerd zijnde, des morgens bij het opstaan reeds de zweep in werking gehoord, en eens des avonds in gezelschap met dames uit het achterhuis de kreten van eene slavin, die iets tegen hare meesteres misdaan hebbende door een neger met een touw slagen werden toegebragt. Wanneer ik nu hier te lande heb gezien, dat onder al onze wetten en vrijheden, arbeiders en ondergeschikte dienaren uit vrees niet durfden klagen over eenen rentmeester, die hen niet behandelde naar regt en billijkheid, dan geef ik toch in bedenking, of de neger op eene afgelegene plantagie zal durven klagen over de mishandelingen, hem aangedaan door iemand, die zoo vele middelen tot zijne dienst heeft om, zoo als men zegt, hem deze klagten betaald te zetten of in te peperen.

«Tijdens mijn verblijf aldaar begon men meer toegang aan de zendelingen der Hernhutters op de plantagien te verleenen. Was dit alleen uit liefde voor de onsterfelijke zielen der negers? Ach neen! want uit den mond van eenen administrateur en eigenaar zelven vernam ik, dat men ondervonden had, dat de slaven, die onderwijs van de zendelingen ontvingen, veel meer ondergeschikt waren dan anderen.

«Dit nu was de toestand bij mijn vertrek nu 12 jaren geleden, en nu is toch niettegenstaande al die wetten en bepalingen een feit in het bewuste adres van 1848 aangehaald, dat toch wel later zal zijn voorgevallen, en het is te betreuren dat de daders niet met naam genoemd zijn, hetgeen mij voorkomt altijd in het opgeven van dergelijke feiten een noodzakelijk vereischte te zijn."

Zoo schrijft mij een onzer edelste mannen, die evenmin er tegen opziet zijnen naam te noemen als de berigtgever van de in bijgaanden brief opgeteekende daadzaken.

Waarde Ds.!

De laatste uwer vragen kan ik nu bepaald beantwoorden.

Ik had heden middag eene bijeenkomst met een heer, die vroeger in 's lands dienst als marinier een geruimen tijd in Suriname verkeerde, niet alleen te Paramaribo, maar ook aan de Nickerie en elders. Zijn antwoord op die vragen, die ik hem deed, kwam hierop neer: «Of en welke wetten er tegen de mishandeling der slaven zijn, kan ik u niet met juistheid zeggen; maar vraagt u mij of ze gehandhaafd worden, dan kan ik als ooggetuige bepaald zeggen: neen. Wat hiervan zijn moge in de stad, onmiddelijk onder het oog der regering, weet ik niet, maar op de plantagien, ook daar, waar zich beambten van gouvernementswege in de nabijheid bevinden-- vooral bij de grenzen van het Engelsch gebied en door Engelschen van origine--wordt de afschuwelijkste wreedheid gepleegd, en is de slaaf blootgesteld aan de onmeedoogendste mishandeling. Al wat ik daarvan met eigene oogen gezien heb, zou ik u niet in bijzonderheden willen mededeelen en u zoudt het niet kunnen aanhooren."

Eenige voorbeelden echter haalde hij er van aan: Eenige slaven en slavinnen eener plantagie aan de Nickerie wilden zich gaan beklagen bij den beambte. Wel wetende dat zij geene vergunning zouden ontvangen om zich te verwijderen, verlieten zij hunne hutten in stilte, en begaven zich naar den Droski. Deze, in plaats van zich in persoon tot den Directeur te vervoegen, om op de plaats zelve en bij onpartijdigen naar de waarheid onderzoek te doen, schrijft aan hem, en ontvangt, zoo als zich denken laat tot antwoord, dat de geheele aanklagt leugen is. Op die getuigenis gaat de beambte af, en zonder moreele overtuiging van de schuld der arme negers geeft hij ze allen, vrouwen zoowel als mannen ter strafoefening over aan een burgerlijk officier; deze laat hun de beenen kruisselings over elkander en de armen uitgestrekt op een paar dwars over elkander geplaatste balken vastgebonden, voorover op den grond leggen, en beveelt daarop aan twee mannen de--men mag zeggen--bloedige geeseling te beginnen. De beschrijving, welke die heer er mij van gaf was ontzettend, en de herinnering er van vervulde hem nog met de levendigste verontwaardiging. Elke slag nam een stukje van het vleesch weg, en--het aantal slagen klom tot bij de 200.--Hij was er ooggetuige van, maar kon het er niet bij uithouden, gelijk dan ook de vreesselijke tooneelen van dien aard, die zich gedurig herhaalden, zonder dat men beschermend tusschenbeiden komt, eene der beweegredenen waren, die hem zijn ontslag hadden doen verlangen.--Het blijkt wel uit bovenstaand geval wat er zij van het regt, dat het gouvernement den slaven toekent, om zich te beklagen in geval van mishandeling. Het andere voorbeeld dat hij aanhaalde was dit: Een jongen had een zuurzak (vrucht) weggenomen. »De missie" liet hem tot straf in een boom binden, en zoo buiten vernachten ten prooi aan de ondragelijkste marteling van wege de Muskiten. »Dat de jongen den volgenden morgen nog leefde," voegde hij er bij, »was inderdaad een wonder."

Verder op bladz. 670.

Eene volgende geschiedenis werd ons medegedeeld. Den edelen schrijver werd in Suriname zelve dit verhaal medegedeeld. Er ligt eene poëzij in, die de haren te berge doet stijgen en het bloed in de aderen stilstaan. Wij geven dit verhaal ook enkel als poëzij, maar willen dan toch mededeelen, wat gruwelijke geschiedenis aangaande eene onzer Surinaamsche slavenhoudsters verhaald wordt:

»Ik heb met uitstekende belangstelling gelezen Uncle Tom's Cabin, hoewel met eenig vooroordeel dit werk begonnen zijnde, maar ik heb aan de waarheid daarin vervat hulde moeten toebrengen.

»Kan nu in onze kolonie, door de bestaande wetten, de gruweldaad niet op die hoogte gevoerd worden, om karakters als eenen Simon Legree te doen ontwikkelen, Suriname kan toch ook eenen Wolf noemen, dien men in vrouwenkleederen heeft laten ontsnappen, en eene mevrouw, die in eene tentboot reizende, het kind van eene slavin dat schreeuwde, en door de moeder niet kon worden gestild, van haar afnam, en zoo lang onder water hield tot het gesmoord was, zeggende: »ik zal wel maken dat het stil zwijgt;" dit laatste heeft aanschouwd iemand, die ik tijdens mijn verblijf in de kolonie heb aangetroffen.

Maar men heeft aldaar slechts rond te zien, om op te merken, dat de zonde ook zijne straf medebrengt; en ik ben vele kreken doorgevaren, daar plantagie aan plantagie verlaten, verwoest en verwilderd lag, en de gebouwen langzamerhand in puin nederstorten."

Eindelijk meldde ons de Nederlander van 17 October:

«Door weinigen zal de wenschelijkheid ontkend worden van een onderzoek, omtrent de juistheid of logenachtigheid der berigten, die, ook in den laatsten tijd, omtrent de mishandelingen der slaven in onze West Indische bezittingen zijn openbaar gemaakt.

Daaronder heeft ons vooral ook het volgende verhaal getroffen van hetgeen zeer onlangs, in December 1852, zou geschied zijn. Het betreft onmenschelijkheden aan eenen slaaf, wegens het niet verraden van de zijnen, gepleegd.

«Gij weet dat er hier van tijd tot tijd nog boschpatrouilles plaats hebben, welker doel is, weggeloopen slaven levend of dood in de bosschen te schieten of op te vangen. Krijgt men hen levend in handen, dan is eene vreesselijke geesseling met de zweep of tamarinde roede, welke nog gevoeliger treft, hun loon. Schiet men hen echter dood of zoodanig, dat zij aan hunne wonden sterven, dan voert men slechts de regterhand met zich, ten blijke dat men terugkeerende regt op de op ieder hoofd gestelde premie heeft. Deze hand wordt dan gedurende den togt 's avonds geroosterd of zoogenaamd gebarbakot, om het bederven er van te voorkomen. Wat zou ik u een aantal ongeloofelijke martelingen kunnen mededeelen, welke, door zulke patrouilles opgevangene slaven, van deze moesten ondergaan!

«In het begin van December des vorigen jaars trok er weder zulk eene patrouille het bosch in, onder bevel van eenen burger-kapitein, en geleid door een' gids, welke zelf een weggeloopene of opgevangene slaaf was. Den eersten dag reeds stiet men op een verlaten kamp en vernielde den volgenden dag een door den gids aangewezen kostgrond, marcheerde daarop verder, tot dat de gids verklaarde in de ongebaande wildernis geen bepaalden weg meer te weten en dus het spoor te hebben verloren, waar zich andere wegloopers bevonden. Oogenblikkelijk kreeg de arme slaaf 50 slagen met woudstokken.

«Den volgenden dag de gids op nieuw moetende verklaren, den weg niet meer te weten, maakte men een vuur aan, en plaatste hem daarboven, op een' kleinen, de hitte ondragelijk makenden afstand, dreigende men, indien hij niet dadelijk wilde zeggen waar zich de weggeloopene slaven bevonden, hem te zullen ophangen; iets wat dan ook werkelijk plaats had. Men sneed eerst toen het koord los, toen hij er half dood bij hing, en keerde toen naar den kostgrond van den vorigen dag terug, waar men den gids op nieuw 50 slagen gaf. Twee dagen later bond men hem in het bosch op een boom, met de handen en voeten onder denzelven vast, na afloop waarvan de 32 slaven, die de patrouille, als lastdragers waren medegegeven, werden gelast ieder op hunne beurt 5 à 6 stokslagen aan hunnen kameraad te geven, hebbende tijdens deze wreede afstraffing de burger-kapitein en burger-adjudant zich met ontblootte degen en ponjaard aan weerszijden van het slagtoffer geplaatst, ten einde hem bij iedere zijwaartsche beweging eene wonde door de punten dier wapens toe te brengen, iets, hetwelk dan ook onderscheidene malen geschiedde. Des avonds, op den kostgrond zittende, vermaakte men zich, met brandend lak en sigarenasch op het ligchaam van den reeds zoo zeer mishandelden gids te werpen, terwijl de aanvoerder hem nog 2 slagen met een geweer op het hoofd gaf, en sommige der soldaten den armen slaaf op nog laaghartiger wijze hebben mishandeld.

De patrouille kwam onverrigter zake terug. Men had eene zeer slechte jagt gehad, want er was geen enkel mensch doodgeschoten of opgevangen. Doch er was een slaaf mishandeld, zoo als ik u dit heb medegedeeld, en dit wel gedeeltelijk op last, en geheel in tegenwoordigheid van iemand, die met de zorg voor de behandeling van een niet gering aantal slaven, en met de handhaving der wetten, in het onder zijn gezag geplaatst gedeelte der kolonie, is belast!"

Spreekt dit slechts van enkele feiten, een algemeen overzigt wegens de behandeling der slaven in Suriname is te vinden in eene door de hoofdvoorstanders van de zending der Evangelische Broedergemeente in de kolonie Suriname, den Heer Otto Tank, aan de Heeren eigenaars van plantagiën gerigte circulaire, waarin hij slechts meerdere vrijheid tot het geven van onderwijs aan de negers vroeg. In dezen brief komen de volgende uitdrukkingen voor:

"Mijne Heeren! ik zou meenen laakbaar te handelen, wanneer ik mijne overtuiging voor u, gelijk het voor vrije Nederlanders betaamt, niet eerlijk en rondborstig deed kennen. Daarom wil ik ook dit niet terug houden. Terwijl ik Suriname reeds kende, heb ik nu ook de meeste slavenlanden in West-Indiën en Noord-Amerika bezocht en naauwkeurig gadegeslagen, met deze uitkomst, dat ik de slaven nergens aan zulk eene slechte behandeling heb onderworpen gezien als in Suriname.

Waar ziet men elders de negers naakt en door zweepslagen gewond langs de straten gaan? Zelfs niet bij den arbeid zijn de negerslaven op de Deensche eilanden ongekleed en waar, dan bij ons, moet de neger straf ondergaan, alleen omdat hij eene klagt heeft ingediend; waar worden zij zoo onmenschelijk gestraft als bij ons? Het naast aan ons gelijk staan de Franschen en dan volgen de Spanjaarden."

Aan zoodanigen barbaarschen staat van zaken kan geen einde komen ten zij door emancipatie.

Deze en dergelijke gebeurtenissen hebben plaats, kunnen ten minste plaats vinden, zelfs zoo iets ontzettendst als hetgeen door de Nederlander vermeld is; want dergelijke jagten, bosch-patrouilles genaamd, geschieden niet zelden.

In de vergadering dato 20 October, werd aan hem, die uit eigene ondervinding spreken kon, gevraagd, of er ook tijdens zijn verblijf in Suriname bosch-patrouilles hadden plaats gehad.

Het antwoord was bevestigend, "maar" voegde hij er bij, "er was door de hooge Overheid bevolen de negers niet te mishandelen, in plaats van kogels slechts hagel op de geweren te laden, en niet op de edele deelen, slechts op de beenen en voeten te schieten."

Inderdaad eene verzachting, die echter nog genoeg smartelijks voor het menschelijk, om niet te zeggen voor het Christelijk gevoel overlaat. Maar zou ook deze verzachtende verordening der Overheid wel altijd op plaatsen ver buiten haar gezigt, en in eenen staat van agitatie, waarin men door de jagt en zeer zeker door de jagt op menschen ligtelijk geraakt, opgevolgd geworden zijn? Zou alles zoo in den regel en stipt overeenkomstig de bevelen zijn geschied?

Wij durven zeggen, neen! Maar al ware dit zoo, is dan nog niet de gedachte afschuwelijk, dat menschen van ons vleesch en been, als een wildbraad gejaagd en vervolgd worden, alleen omdat zij hunne vrijheid zoeken te verkrijgen?

Vrije Nederlanders! Wij vragen u dit in gemoede af, is dit niet verschrikkelijk?

Maar behoeven wij tot schetsen van gruwelen onze toevlugt te nemen, om het gruwelijke der slavernij te doen uitkomen?

De beschrijving van den gewonen toestand der slaven, is voldoende.