De Slavernij In Suriname Of Dezelfde Gruwelen Der Slavernij Die

Chapter 2

Chapter 23,741 wordsPublic domain

Zie hiervoor het uittreksel uit de Circulaire van Otto Tank. Maar laten wij partikuliere berigten voor een oogenblik daar en gaan wij over tot het verslag van Regeringswege gegeven. Lezen wij het Reglement op het onderhoud, den arbeid, de huisvesting en de tucht der slaven, bekrachtigd bij Koninklijk besluit van 6 Februarij 1851, No. 17, en door den Gouverneur van Suriname 6 Mei 1851 afgekondigd. Van dat reglement is gezegd, dat het bepalingen inhoudt, die alleszins ten waarborg strekken tegen elke mishandeling der slaven; dat, indien het opgevolgd werd, dit eene groote verzachting in het lot van den slaaf te weeg zou brengen.

Nemen wij slechts enkele punten:

"Te Paramaribo en te Nieuw-Rotterdam kunnen of moeten de ambtenaren der Policie, eenvoudig op aanvraag der meesters of van derzelver vertegenwoordigers (NB. zonder dus te kunnen of mogen onderzoeken of deze aanvraag billijk is!) aan de slaven boven de 14 jaren, de mannelijke 25, de vrouwelijke 15 zweepslagen toedienen, en hierbij voegen opsluiting gedurende 3 etmalen, met of zonder boeijen.

Op de plantagiën of gronden hebben de gezagvoerders regt tot het opleggen eener straf van 14 dagen opsluiting, het aanleggen eener ligte kettingboei gedurende 14 dagen en weder 25 of 15 slagen; terwijl eigenaars of administrateurs het regt hebben het dubbele der straf op te leggen.

Zouden die slagen altijd op de plantagien, waar zeker weinig toezigt van regeringswege is, zoo juist gesteld worden? en hoe dikwijls kan dan die straf herhaald worden? Hiervan schijnt geene bepaling te zijn.

Maar al ging dit altijd juist, is het toch niet een gruwel? Moet het hart eens Christens niet geschokt worden, wanneer hij eerst deze verschrikkelijke tuchtiging, als tot een gewonen toestand behoorende, omschreven heeft gezien, en dan in het regeringsverslag verder leest: "Door deze nieuwe bepaling heeft het lot van den armen slaaf eene wezenlijke verbetering ondergaan!!!"

Als een staaltje hoe wreed de tuchtigingen onder toezigt der policie kunnen zijn, deelen wij hier mede hoe zulks in Amerika geschiedt. Wij ontleenen het aan het uitmuntend werk van Mevr. Beecher Stowe: de Slavernij, sleutel op de Negerhut. Hollandsche vertaling, bladz. 84. Het is een fragment van eenen brief van Ds. Stowe aan Mr. Charles Summen gezonden, die tien dagen te New-Orleans besteedde aan het bezigtigen der openbare inrigtingen, scholen, asylen, gasthuizen, gevangenscholen enz.

"In de neger-afdeeling zag ik veel om mij te doen blozen, dat ik een blanke was en veel dat voor een oogenblik eenen boozen geest in mijne dierlijke natuur opwekte. Toen ik op een groot bestraat binnenplein kwam, waar omheen gallerijen liepen, gevuld met slaven van verschillenden ouderdom, sekse en kleur, hoorde ik het kletsen eener zweep, waarvan elke slag als een knallend pistoolschot klonk. Ik draaide mijn hoofd om en zag een tooneel, dat mij letterlijk tot in het gebeente deed koud worden, en mij voor de eerste maal in mijn leven het gevoel gaf, dat mijne haren te bergen rezen. Daar lag een zwart meisje plat voorover op eene plank; hare twee duimen zamengebonden en aan het ééne einde vastgemaakt; hare voeten insgelijks gebonden en strak naar het andere einde getrokken; terwijl een riem, over haren rug gaande en om de plank bevestigd, haar vast daartegen aandrukte. Beneden den riem was zij geheel naakt. Naast haar, op eenen afstand van zes voet, stond een reusachtige neger met eene lange zweep, welke hij met schrikkelijke kracht en verbazende juistheid aanwendde. Elke slag nam eene streep vel mede, die aan de zweep vastkleefde of lellend op de steenen viel, terwijl het bloed daarop volgde. Het arme schepsel kromp en gilde, en met eene stem, die te gelijk hare vrees voor den dood en hare schrikkelijke pijn deed blijken, schreeuwde zij tot haren meester, die bij haar hoofd stond: "O spaar mijn leven! sla mij de ziel niet uit!" Maar de zweep bleef nederdalen; streep op streep werd van hare huid afgestroopt, kerf op kerf werd in het levende vleesch gesneden, tot het een wankleurige, bloederige klomp raauwe lillende spieren werd. Het was met de grootste moeite dat ik mij weêrhield van op dezen pijniger toe te springen en zijne zweep te stuiten. Maar, helaas! wat kon ik anders doen dan mij omkeeren, om mijne tranen voor de lijderes en mijne schaamte over het menschdom te verbergen?

"Dit was in eene openbare, geregeld georganiseerde gevangenis; de straf was eene zoodanige, die door de wet erkend en toegelaten was.

"Maar denkt gij dat de rampzalige een gruwelijk misdrijf had gepleegd, daarvan overtuigd en tot de zweep veroordeeld was? Geenszins. Zij was voor haren meester gebragt, om door den gemeenen beul gegeesseld te worden, zonder proces, regten of jurij, alleen op zijn wenk of knik, voor een of ander wezenlijk of vermeend misdrijf, of om zijne grilligheid of boosaardigheid te voldoen. En hij mag haar, zonder eenige reden op te geven, dag aan dag daar brengen, en zooveel slagen laten geven als hij verkiest, beneden de vijf en twintig, indien hij het loon maar betaalt. Of indien hem dat belieft, kan hij aan zijn eigen huis eene geesselplank houden en zich daar tot een' barbaar maken. Eene stuitende bijzonderheid dezer gruwelijke strafoefening was de openbaarheid daarvan, gelijk ik gezegd heb. Het gebeurde op een binnenplein, door gallerijen omringd, die met kleurlingen van verschillende sekse waren gevuld, weggeloopene slaven, aangeklaagde misdadigers en slaven, die te koop waren. Men zou natuurlijk denken, dat zij naar voren drongen en met ontzetting het barbaarsche schouwspel beneden aanzagen; maar dit deden zij niet; velen van hen merkten het naauwelijks op, en velen waren er geheel onverschillig voor. Zij gingen voort met hunne kinderachtige tijdkortingen, en sommigen op een afgelegen gedeelte der galerij lachten luidkeels. Zoo laag kan de mensch, naar Gods beeld geschapen, in barbaarschheid verzinken!"

Wij zien hieruit, dat die tuchtigingen toch ook nog zeer wreed zijn. Zijn zij dit niet alzoo in Suriname? Nu, veel van het bijkomstige kan er afgedaan worden, en nog zal het niet ophouden verschrikkelijk te blijven.

In Paragraaf 5 van het genoemde regerings-reglement, wegens het verbod van scheiding tusschen moeders en kinderen, is mede nog deze bepaling gevoegd, dat de afzonderlijke verkoop van eenig slavenkind of van de moeder, ook als een toevoegsel aan de haar op te leggen straf kan plaats hebben.

De vrijheid, dit zoo heerlijke voorregt, waarvoor onze vaders zoo lang gebeden, zoo lang gestreden hebben, is den armen slaaf ontzegd; elke poging, tot verkrijging daarvan aangewend, wordt zwaar gestraft. (Zie parag. 3.)

Zoo daar eene daad van verzet of geweld tegen personen, die den vlugteling hebben aangehouden, gepleegd is, (en hoe spoedig kan zich dit geval voordoen) kan de doodstraf toegepast worden; en hoe gestreng wordt mede de begunstiging gestraft! (Zie dezelfde paragraaf.)

Laten wij, Nederlanders! niet langer roemen op onze vrijheid; laten wij liever blozen, dat het woord des Heeren, Matth. VII: 12: "Alle dingen, die gij wilt dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo," bij ons, die ons roemen eene Christen-natie te zijn, nog zoo weinig doorgedrongen is.

In ons burgerlijk wetboek leest men: "Allen, die zich op het grondgebied van den staat bevinden, zijn vrij en bevoegd tot het genot der burgerlijke regten. Slavernij en alle andere persoonlijke dienstbaarheden, van welken aard ook of onder welke benaming ook bekend, worden in het rijk niet geduld."

Welk een voortreffelijk artikel in ons wetboek! Maar, helaas! het strekt zich niet uit tot de inwoners onzer overzeesche bezittingen; want hoe ware het dan mogelijk, dat onze overheid dáár nog reglementen maken moet voor menschen, die men slaven noemt!

Is dit niet met twee maten meten? Moet dit niet den Heere een gruwel zijn?

"Maar," zoo zegt iemand, "die slaven zijn ons eigendom, onze bezitting."

Dat zij zoo; maar met welk regt noemen wij den slaaf ons eigendom?

"Zij of hunne vaderen," sprak eenmaal een onzer uitnemende mannen, "zijn gestolen, geroofd; en onze vaderen hebben deze gestolenen, deze geroofden gekocht, om ze tot hun voordeel te gebruiken. En hechten wij dan niet ons zegel aan de ongeregtigheden, door onze vaderen gepleegd? Zijn ook wij dan niet medepligtig aan de gruwelen, onafscheidelijk aan het bestaan der slavernij verbonden?"

Men voert ons de opmerking tegen, dat de slavernij voor die lieden toch eigentlijk nog eene weldaad is; daar zij nu in eene Christelijke (?) maatschappij leven, onder den klank des evangeliums.

Maar deze opmerking geldt ter verontschuldiging al zeer weinig. Of wat is het voor een Christendom, dat men dien armen menschen brengt, nadat men hen eerst op de aller-onchristelijkste wijze geroofd, verkocht, geslagen en den dieren gelijk gemaakt heeft! En buitendien, mag men iemand slaaf doen zijn, om hem Christen te kunnen maken? Mag men het kwade doen, opdat het goede er uit voortkome?

Dat dit ook niet de reden ter aanhouding der slavernij is, is duidelijk genoeg. Van achtingwaardige en betrouwbare zijde is medegedeeld, dat er eenige jaren geleden door de eigenaars bij de regering aanvraag tot emancipatie met schadeloosstelling gedaan is; maar dat deze zaak was vervallen, omdat er geen geld was. Zoodat het ook hier weder bleek, dat de dienst van den Mammon zich nimmer met de wegen Gods vereenigt. Dit was wederom eene bevestiging der waarheid: Het is onmogelijk twee heeren te dienen.

Eene gewone, dikwijls herhaalde tegenwerping tegen de emancipatie is: "De Engelsche emancipatie is mislukt."

Maar Otto Tank, reeds vroeger hier genoemd, zegt in die meergemelde circulaire daarvan:

"Niet een eenigen Engelschman, (en onder hen waren oude aanzienlijke planters,) heb ik aangetroffen, die den toestand der slavernij zou terug gewenscht hebben, veeleer dankten zij God, uit zulk eene jammerlijke betrekking verlost te zijn. De toestand der Engelsche koloniën in de West-Indië is, volgens de getuigenis bij de hooge Overheid op de plaats zelve ingewonnen, over het geheel genomen gunstig; maatschappelijk geluk en welvaren, in verband met zedelijkheid en kunstvlijt, nemen overal toe in uitgebreidheid en kracht."

Wegens de emancipatie op Jamaïka, voornamelijk door middel van den ijverigen zendeling Knibb daargesteld, vinden wij toch ook gunstige berigten over den toestand der negers op dat eiland. Men leze slechts de beschrijving dezer emancipatie, medegedeeld in de Berigten wegens de uitbreiding van Gods rijk op aarde, 6de deel, bladz. 67. Eerst waren door een parlements besluit van 16 Augustus 1834, de kinderen na dien tijd geboren vrij verklaard, de volwassenen nog slechts tot eenen diensttijd van 6 jaren verpligt, maar ondanks dit besluit hielden de misbruiken en mishandelingen nog niet op. "Dat alles," zoo leest men verder: "bragt Knibb met onverschrokken moed aan het licht, en hij rustte niet, totdat eindelijk het Parlement reeds den 1 Augustus 1838 alle negers vrij verklaarde. Welk eene vreugde op het eiland Jamaïka! Hoe verbeidden de negers in den laatsten nacht hunner slavernij, in verzamelingen van vele duizenden, het slaan van het middernachtelijk uur!

Groote vreugdefeesten werden gevierd, ketenen en geesselroeden werden plegtig begraven. Maar ofschoon ook alle planters een oproer hadden geprofeteerd, geen spoor daarvan vertoonde zich. Zij zelven zochten oproer te maken, ten einde alzoo oorzaak te vinden, om de negers te overvallen. Zij bedreigden het leven van Knibb; onder kerktijd lieten zij ruiters de deuren der kerken voorbijsnellen met den kreet: "Meester Knibb is doodgeschoten! Onbeschrijfelijk was de spanning onder de negers, maar Knibb trok door het eiland van het ééne einde tot het andere, en bragt allen tot bedaren. De negers breidden zich nu in kleine dorpen uit, wier namen zeer merkwaardig waren, als b. v.: Beproef en zie; Goede tijding; Tijd en geduld; Sta pal; Lang gewacht; Ten laatste gekomen. Knibb zorgde voor kerken en scholen, leeraars en schoolmeesters, en geraakte daardoor in geldelijken nood; maar hij vertrouwde op Hem, die spreekt: "Mijne is het zilver en het goud." Tot redding uit dezen nood, en om zich te ontdoen van al den afschuwelijken laster en de verdrukking, welke de zendelingen en de negers voortdurend van de planters hadden te verduren, werd Knibb weder naar Engeland gezonden, waar hij in het voorjaar van 1840 aan wal stapte. Hij doorreisde het land, en droeg zijne zaak den volke voor in treffende redevoeringen. Hij sprak: "Hoort! welke menschen de vrijgemaakte negers zijn. De verwoeste kerken hebben zij uit eigene middelen opgebouwd; in plaats van elf kleine kapellen, staan er thans 12 groote kerken. Hunne leeraren en meesters bezoldigen zij zelven. Mijne gemeente onderhoudt 2 zendelingen en 7 onderwijzers en onderwijzeressen, en toch is er geen enkel rijk man onder hare leden. Voor dat zij vrij waren telden wij 28,000 gedoopten, of die tot den doop werden toebereid, maar thans 46,000. In de provincie waar ik woon, werden van de 125,000 menschen gedurende het laatste jaar slechts 19 voor de regtbank getrokken. Toen de Heer Gurney de gevangenis in Falmouth bezocht, was daarin slechts één mensch, en die was een blanke. In het gebied van St. Arns is de gevangenis voor 6 maanden gesloten en de cipier intusschen gepensioneerd geworden. Van de 25,000 leden, die tot onze kerk behooren, is slechts één persoon om misdaad voor het geregt geweest, en die is vrijgesproken. Als ik naar den loopmolen ging, om dien nog eens te bezien, zeide mij de opziener: "men kan het ding niet meer gebruiken, want het is verroest." De plaats, waar één onzer diakenen vroeger zoo gruwzaam was gegeeseld geworden, vond ik met doornen begroeid.

Zulke getuigenissen, hoewel van onderscheidene tijden (de brief van Otto Tank was van Mei 1848) en van onderscheidene personen, spreken toch nog al gunstig voor de emancipatie op Engelsche wijze. Ook van andere plaatsen kunnen wij nog spreken.

In Ecuador is de slavenstand dit jaar afgeschaft, met schadeloosstelling aan de eigenaars.

Dat Nieuw Grenada in humaniteit niet achteruit is gegaan, blijkt uit het feit der vrijgeving aller slaven in dit gemeenebest op den 1 Januarij 1852, ten getale van 16,468, overeenkomstig de informatie van den secretaris van buitenlandsche zaken. Later heeft het gouvernement nog Grenadasche slaven vrijgekocht, die tevens naar Peru vervoerd waren geworden.

Uit een artikel in de Gaceta official, 23 Sept. ll., zien wij dat deze geëmancipeerden hunne vrijheid zich waardig maken. Wij schrijven de uitdrukking dezer courant hier letterlijk af:

"Nooit is het gedrag dezer ongelukkigen beter geweest dan sedert zij in het genot hunner vrijheid zijn geraakt."

Volgens de hier medegedeelde berigten levert de emancipatie toch goede vruchten op. Acht men ons echter niet in staat te kunnen oordeelen, wij vermogen echter te waarschuwen tegen het te zeer verkeeren onder eene vrees voor de consequentie van het beginsel, dat doodend voor de zaak, doodend voor iedere goede zaak is.

Is de emancipatie op Engelsche wijze niet goed? heeft zij vele gebreken? welaan, men doe het op andere wijze; men trachte ze beter, doeltreffender te maken.

Hij spiegelt zich zacht, die zich aan een ander spiegelt.

De wijze hoe kan nader besproken worden; zij kan met biddend overleg geschieden, en God zal ook, in dezen, wijsheid verleenen, zoo zij Hem gevraagd wordt.

Dat dan slechts eerst het beginsel vast sta: "Er moet geëmancipeerd worden."

Even als Cato, die overtuigd, dat de verdelging van Carthago voor den bloei van Rome noodzakelijk was, op iedere vergadering in den Romeinschen Senaat, tijdig en ontijdig sprak: "Carthago moet verdelgd worden;" zoo zij en worde op elke vergadering, het zij in de hooge landsvergadering, het zij in eene andere, waar over West-Indië gesproken wordt, dit steeds, zij het ook al niet in den mond, dan ten minste toch in het hart: "Er moet geëmancipeerd worden!" Dit beginsel dringe door bij de regering, bij het gansche volk!

Alle wettige pogingen moeten hiertoe aangewend worden.

Zij dit met een biddend opzien tot Hem, die gekomen is, om den gevangenen vrijheid te verkondigen, loslating der banden hun, die gebonden zijn, enz. enz.

En nu een woord tot u, eigenaars van slaven te Suriname, in Nederland wonende!

Gij zijt het vooral, die in dezen medewerken moet; vooral zoo in u een Christelijke zin en geest woont.

Er zijn immers onder u vele Christelijke mannen?

Welk eene tegenspraak! Een Christen en tevens eigenaar van slaven!

Zoo gij toch de liefde des Heeren, die zich zelfs tot de overgave in eenen bloedigen kruisdood openbaarde, kent, zoo gij Zijne navolgers zijn wilt, dan wilt gij toch ook wel een der eerste vereischten, het tweede der grootste geboden, "hebt uwe naasten lief als u zelven," in acht nemen? Matth. VII: 12 is toch voor u niet te vergeefs geschreven? Wie uwer zou slaaf willen zijn? Niemand uwer wenscht dit. Welnu, houdt dan ook uwe medemenschen niet langer in slavernij!

Mede van eene geachte zijde is medegedeeld, dat de emancipatie aan de Kaap de Goede Hoop, niet die goede gevolgen gehad heeft, welke men wenschte, omdat ze alleen van de regering en niet mede van de eigenaars was uitgegaan.

Welnu, werkt dan met de regering mede, om dezelve op ordelijke, goede wijze tot stand te helpen brengen; stelt uwe vordering tot schadeloosstelling matig, anders Verliest gij misschien alles; want zoo de emancipatie niet spoedig op Christelijke ordelijke wijze geschiedt, zal deze misschien weldra op revolutionaire wijze komen, tot nadeel voor u zelven, en zonder gewenscht gevolg voor de arme slaven.

Dat hun bloed toch niet op uwe hoofden kome!

Zoo gij slechts voor een gedeelte eigenaar zijt, en u niet met uwe mede-eigenaars ter zake der vrijmaking uwer slaven verstaan kunt, volg dan het voorbeeld eener Christelijke achtingswaardige dame.

Deze had een zeker aandeel in eene plantagie, zij voor zich zou gaarne emanciperen, maar zij had slechts één klein aandeel, en kon dit dus, afgescheiden van hare mede-deelhebbers niet doen.--Hoe dan nu te handelen! Het grootste gedeelte der inkomsten, van deze plantagie genoten, geeft zij ter bevordering der emancipatie aan het bestuur der Nederlandsche maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij; het andere gedeelte aan de zending der broedergemeente op Suriname.

Dit is mede eene wenk. Emancipatie en evangelie-verkondiging moeten vereenigd zijn, wil men van beide goede vruchten zien.

Zoo en op nog vele andere wijzen kunt gij, eigenaars van slaven! in deze goede zaak medewerken.

Misschien was uw geweten op dit punt nog niet wakker. Gij denkt nog slaven te kunnen en mogen houden, mits gij ze goed behandelt, mits gij hun het evangelie laat verkondigen.

Maar ach, gij bedriegt u grootelijks. Er is niets wat tegen het Evangelie meer lijnregt indruischt dan het houden van slaven. Dit is door Mevr. Beecher Stowe in hare Negerhut en Sleutel daarop, ten duidelijkste bewezen. Gaarne wil ik gelooven, dat het de begeerte van velen uwer is, dat uwe slaven goed behandeld worden; dat gij dienovereenkomstig uwe bevelen geeft; dat het op uwe plantagien nog al tamelijk wel gaat.

Maar daar de meesten uwer niet te Suriname op hunne plantagiën, doch in Nederland wonen, zoo kunt gij niet beletten, dat uwe slaven voor willekeur gevrijwaard worden. Kunt gij steeds van den Christelijken zin uwer administrateurs, directeurs en blank-officieren verzekerd zijn?

Laat ons dan eens eenige mogelijkheden veronderstellen.

Terwijl gij met uw gezin om het woord van God geschaard zijt, terwijl gij met de uwen leest en spreekt over de liefde, over de genade van Jezus Christus, als gekomen om de treurigen te troosten, om den gebondenen vrijheid te verkondigen, terwijl gij u in die liefde verheugt, God voor die genade dankt, wordt misschien op dat zelfde oogenblik één uwer slaven of slavinnen gruwzaam met de zweep geslagen en in boeijen geklonken.

Waarom?

Misschien omdat het werk niet vlug genoeg van de hand ging, of omdat de drift van een uwer directeuren was opgewekt, een uwer blank-officieren eenen kwaden luim had!

Gansch willekeurig toch kan daar ginds herhaaldelijk eene straf toegediend worden, die hier slechts de snoodste misdadiger op regterlijk gezag en na naauwkeurig onderzoek ondergaan moet.

Misschien terwijl gij u met de uwen, volgens Gods woord, onderhoudt over de reiniging van alle besmetting des vleesches, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods, wordt ginds op een uwer plantagiën eene slavin, u toebehoorende, door een uwer directeuren of blank-officiers aan zijne wellusten opgeofferd.

Zijn deze dingen niet mogelijk?

Geschiedt zulks nimmer?

Geeft het regt of liever de magt door den blanken opzigter uitgeoefend, hiertoe niet dikwijls al te gereede aanleiding?

Men hoort hiervan nog al eens gewagen. Is dit altijd en enkel laster?

Kunnen zulke ontzettende gruwelen altijd door u geweerd worden?

Hebt gij volkomene zekerheid, dat uwe slaven niet mishandeld worden?

Ik wil dit eens voor een oogenblik als mogelijk veronderstellen; maar gij komt te sterven, uwe plantagie moet met de slavenmagt verkocht worden. Kunnen dan zij, die gij getracht hebt menschelijk en goed te behandelen, niet in wreeder handen vallen, en zal het voor hen dan nog niet zwaarder, niet ellendiger zijn?

En hoe kan men onder dergelijken toestand zegen over de Evangelie-verkonding verwachten?

God is magtig, om niettegenstaande de slechtste omstandigheden, toch Zijn woord en geest tot de harten te doen doordringen; wij zien dit ook, Hem zij hiervoor lof en eer toegebragt, in Suriname. Maar kunnen wij als menschen eene redelijke hoop voeden, op eenen zegen bij de verkondiging van het Evangelie, dat vrijheid den gebondenen predikt, zij het dan ook de geestelijke vrijheid? moeijelijk te verstaan, zwaar te onderscheiden is dit zeker voor hen, die door de verkondigers of bevorderaars der verkondiging, in alle gevallen belijders van dat Evangelie, toch van hunne maatschappelijke vrijheid beroofd zijn, welke hun niet terug gegeven wordt, omdat het tegen eigen tijdelijk voordeel strijdt. Zal men hun alzoo vertrouwen inboezemen?

"Wij vermeenen te mogen zeggen: onmogelijk."

Aanzienlijken in den lande, rijkelijk door God met tijdelijke middelen gezegenden, die al deze gaven ontvangen hebt, om dankbaar te genieten, trekt u het lot dezer ongelukkigen aan! Getroost u des noods eenige opofferingen, hoe weinig behoeven deze te zijn, van tijd en geld om alles aan te wenden, wat mogelijk is om de Emancipatie te bevorderen!

Ook gij minder bedeelden kunt medewerken, ligtelijk kunt gij nog wel iets afzonderen. Kunt gij het niet, dan toch kunt gij nog uwe stem laten hooren tegen den gruwel der slavernij. Dat er eene algemeene stem uitga, om de regering in hare goede bedoelingen in deze te versterken.

Wendt u op wettige wijze tot den koning, later tot de Staten-Generaal. Reeds is er een voorbeeld gegeven door een adres, dat van wege het bestuur der afschaffings-maatschappij uitgegaan, zeer vele onderteekenaars gevonden heeft en den koning aangeboden is, of weldra zal aangeboden worden.

Dit adres is van den volgenden inhoud:

Aan den Koning!

Geven eerbiedig te kennen de ondergeteekenden, ingezetenen van

dat zij wenschen de hulp en de goede zorgen Uwer Majesteit in te roepen ten behoeve van duizenden ongelukkige natuurgenooten; zij bedoelen de slaven in de Nederlandsche Overzeesche Bezittingen, meer bijzonder in de kolonie Suriname.