De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood
Part 9
Leeuwke liet zich niet tweemaal noodigen en daar hij Roomsch was, verried hij zich ook niet bij het gebed, dat hij vooraf deed. Hij at als een delver en dronk als een tempelier, terwijl de Spanjaarden gul genoeg waren hem de beste visschen en de grootste boterhammen te laten.
Een paar uren later ging Leeuwke heen en nog nimmer had hij meer welgemeend, dan op dit oogenblik, gezegd: "God vergelde het u!"
Nu was er voor hem geen gevaar meer. Hier aan deze plas, De Cat geheeten, was de uiterste wachtpost der belegeraars.
Met vernieuwden moed vervolgde hij zijnen weg midden door het dorp. Niemand hoorde hem daar; want alles was er reeds in diepe rust.
Wel had hij gaarne naar den weg gevraagd, maar daar hij nergens eenig leven ontdekte, ging hij, toen hij het dorp uit was, op goed geluk altijd maar rechtuit.
Na een half uurtje geloopen te hebben, kwam hij bij de eerste huizen van Boskoop aan. Eenmaal dáár zijnde, wist hij goed den weg; want hij had de Gouwe dikwijls genoeg bevaren.
Zonder ergens gestoord geworden te zijn, kwam hij midden in den nacht in Ter Gouw.
Gelukkig wist hij waar Geert Soet vertoefde, en onbeschroomd den klopper op de deur latende vallen, stond hij op de stoep te wachten tot hem zou worden opengedaan.
Dat duurde nog al lang en terwijl hij daar zoo stond, begon hij na te denken over alles, wat hem den verloopen dag gebeurd was. En de slotsom was?
"De Spaanschgezinden kunnen toch ook hartelijk en braaf zijn en de Spanjaarden zijn ook menschen, die het zoo kwaad niet meenen!"
Arme jongen, hoe spoedig zou hij ondervinden, dat dan toch vast niet alle Spanjaarden zulke goedige menschen waren, als die welke hij bij Klaas Koot ontmoet had.
Eindelijk werd de deur even geopend en toen hij op de vraag, vanwaar hij kwam en wie hij was, geantwoord had, dat hij uit Leiden kwam en Gerrit Verlaen heette, werd hij terstond binnengelaten.
Zoodra men uit het medegebrachte briefje, dat geheel ongeschonden was, vernam, dat ze Zondag tegen den noen eerst te Leiden verwacht werden, behoefde er niet zulke eene haast gemaakt te worden, en daarom maakte Leeuwke een gretig gebruik van het verlof om gerust te gaan slapen.
Het is waar, de jongen lag maar op eenen stroozak en onder een paar paardendekens, doch dat voelde hij niet, want nauwelijks had hij zich uitgekleed en zijne moede leden op het harde bed uitgestrekt, of hij sliep! Of hij droomde, ja, ziet ge, dat weet ik zoo juist niet te zeggen; maar dat is zeker, dat Geert Soet, toen hij hem des morgens te acht uren kwam wekken, in den slaap hoorde zeggen: "God vergelde het u!"
Waar het hart vol van is, daarvan loopt, in den slaap zelfs, de mond vaak over.
Er was handen vol werks; want de buiten-geslotenen wenschten zooveel binnen de stad te brengen, als hun maar mogelijk was. Dertig schuiten werden volgeladen met allerhande levensmiddelen benevens eenigen voorraad van kruit en lood.
Het zou natuurlijk onmogelijk geweest zijn met deze bezending voorbij de Gouwesluis of Alfen te komen, en daarom had men naar andere wegen uitgezien.
De Baljuw van Hasaertswoude, een man aan de zijde van den Prins, had aangeboden om de vaartuigen, mits ze niet te breed en te lang waren, langs eene binnenvaart, den Spanjaarden onbekend, uit de Gouwe in den Rijn te brengen. Hij kwam des avonds te Ter Gouw aan en zeide, dat hij twee mannen besteld had, die hen nu verder zouden voorthelpen. De een zou vooruitgaan en de Koppieren-kade doorsteken, terwijl de andere achter zou blijven om hun den volgenden morgen den weg te wijzen.
Een oogenblik later kwamen de beide mannen aan.
"G'n avond, Heer Baljuw! Mooi weertje, hè, al zeg ik het zelf," zeide de een.
"Ja, Schooneman, dat is het. Verdient gij nog al graag wat?"
"Dat zou ik gelooven, Heer Baljuw, hoe meer hoe liever, al zeg ik het zelf!"
"Nu best, dan moet ge vannacht de Koppieren-kade bij het Rietveld doorsteken!"
"Ai, Heer Baljuw, als ze me snappen, dan ben ik er bij, gloeiend bij ook, al zeg ik het zelf!"
"Ze zullen je niet snappen, Schooneman, ga maar gerust uwen gang! Het is immer de Baljuw zelf, die het u beveelt."
"Ja, maar Heer Baljuw, hoeveel .... nu, de Heer Baljuw begrijpt me wel!"
"Gij verdient er drie stuivers per uur aan, en ge blijft er, tot hier uw kameraad met deze schuiten aankomt."
"Dat is goed, Heer Baljuw, maar hoeveel verdient mijn kameraad Touw, als ik weten mag?"
"Daar hebt gij immers niemendal mee te maken, Schooneman?"
"Dat is te zeggen, niemendal mee te maken? Als Touw precies zooveel verdient, als ik, dan wil ik wel hier blijven en morgen dezen luiden den weg wijzen. Al zeg ik het zelf, ik ben niet voor ruzie! Hi-hi-hi!"
"Nu, wees maar gerust, Schooneman! Uw kameraad Touw verdient maar twee stuivers in het uur! Hoe denkt gij er over? Gauw hoor, niet of wel!"
"Wel, dan zal ik maar gaan, Heer Baljuw! Voor drie stuivers per uur wil ik graag een pak ransel oploopen, al zeg ik het zelf!"
Schooneman ging heen om zijn werk te verrichten. Omstreeks middernacht kwam hij aan de genoemde Koppieren-kade en begon ijverig te werken. Tegen acht ure hiermede klaar zijnde, keek hij op; maar nog kwamen de schuiten niet.
"Weet-je wat, ik ga een tikkie doen! Zoo den heelen nacht in de kousen, neen maar, een mensch is een mensch, een paar uurtjes slapen en dan toch tweemaal drie, dat is zes stuivers verdienen,--goed dagwerk!"
Na dit bij zichzelven gezegd te hebben stond hij op en ging een eind van den dijk af in een boschje liggen slapen.
Het was negen uren en daar kwam Touw met de schuiten aan. Ja, de Koppieren kade was doorgestoken, maar, waar was Schooneman?
"Schooneman! Schooneman!!!"
Geen antwoord.
Nog eens, maar veel harder: "Schooneman!!!"
Nog geen antwoord.
"Zou de zaak aan de Spanjaarden verraden zijn? Zouden ze den arbeider gevangen hebben genomen?"
Ja, niemand wist hierop wat te zeggen.
Er werd gezocht, hier, daar en overal, behalve in het boschje, dat een paar minuten verder lag en waarin de luiwammes lag te slapen, dat hij ronkte.
De schuitenvoerders belegden nu raad en eindelijk besloot de meerderheid, dat men zou terugkeeren.
Touw ontving zijn geld en ging naar huis in de gedachten, dat Schooneman, zeker al lang thuis zou zijn of, bij den Spanjaard achter de tralies zou zitten kijken.
Tegen den middag werd de slaper wakker. Hij stond op, keek naar de zon, zette een strootje, als zonnewijzer tusschen de vingers en zei: "Twaalf uur, jongens, dat is een voordeeltje. Ik reken van gisteren-avond zeven uur. Vijf en twaalf is zeventien, dat is zeventien keer drie .... eenenvijftig stuivers! En nog zijn de schuiten er niet! Dat heet ik nog eens de kaas snijden, al zeg ik het zelf!"
Zijn slaap was over en hij begon heen en weer te loopen; maar hoe graag hij ook drie stuivers voor het uur kreeg, toch begon het nu te lang te duren. Eindelijk nam hij zijn strootje weer te baat en rekende uit, dat het al zes uur was.
Hij wachtte nog een uur en ging toen heen, natuurlijk rechtstreeks naar het huis van den Baljuw om te zeggen, dat ze niet gekomen waren en of hij vierentwintig maal drie, dat is tweeënzeventig stuivers mocht hebben.
"Wat?" bulderde de Baljuw. "Jij tweeënzeventig stuivers! Pak je weg, lummel! tweeënzeventig stokslagen, ja! Waar zat-je toen de schuiten kwamen?"
"De schuiten zijn er niet geweest, Heer Baljuw! Ik ben tot van avond zes uur aan de Koppieren kade geweest!"
"En van morgen om negen uur waren de schuiten er al! Hebt gij dan geslapen?"
"Hé ja, Heer Baljuw, ik heb wel een tikkie gedaan, al zeg ik het zelf, maar...."
"Ongeluksvogel, die je bent," bulderde de Baljuw, "jij met je tikkie! Kom hier, dan zal ik je tweeënzeventig tikkies geven!"
"Als het geene stuivers zijn, houd ze dan zelf maar, Heer Baljuw!" zeide Schooneman en liep zoo hard, als zijn luie beenen hem dragen konden, naar huis.
"Dat was een duur tikkie," bromde hij, "maar nooit meer zulke baantjes, hoor! Daar zal ik geene vette soppen mee weeken!"
Door de verregaande onvoorzichtigheid van dezen huisman, was dus de geheele onderneming in duigen gevallen.
Leeuwke kon niet verdragen, dat men hem misschien verdenken zou van zijne boodschap niet goed gedaan te hebben, en daarom ging hij, hoe men er ook op aandrong, dat hij blijven zou, tegen den avond, in eenen Spaanschen wachtmantel gedoken, op pad naar Leiden. In zijnen stok had hij nu weer een briefje en hierin werd gemeld dat de schuld niet aan hem lag, maar dat door eenen boeren arbeider, die was gaan slapen, inplaats van wakend op zijnen post te blijven, de onderneming geheel en al mislukt was.
"In den donker zijn alle katjes grauw," zegt men wel eens en daar vandaan zal het dan ook wel gekomen zijn, dat hij onderweg door eenen Waal, uit het leger van Valdez, als Spaansch soldenier, werd aangesproken.
Van dezen vernam hij, dat den volgenden dag van Amsterdam over het Haarlemmermeer een nieuwe voorraad levensmiddelen voor het Spaansche leger zou aankomen, en de Waal wist er zoo veel van te vertellen, en hij zeide alles zoo zonder erg, dat Leeuwke begreep, dat het vast waar moest zijn.
Sluipend tusschen het lange gras en met zijnen verrejager over de slooten springende, kwam hij gelukkig de wachtposten door en voor de Koepoort aan.
Natuurlijk was zijn eerste gang naar Pieter Adriaensz. van der Werff, den Burgemeester, en toen naar Jonker van der Does. Beiden hadden hem gezegd, dat hij eens bij Van Keulen moest aanloopen om hem een en ander te vertellen, en vooral het laatste niet te vergeten, en, omdat hij nu een paar dagen lang aan zoovele vermoeienissen was blootgesteld geweest, gaf van der Does hem dezen dag en den volgenden nacht vrij van den dienst.
Hoe hij dien vrijen dag gebruikte, zullen we in het volgende hoofdstuk zien.
ELFDE HOOFDSTUK.
Zonneschijn en regen.
Maandag, de zevende van Zomermaand, zou voor de belegerden een heldere, zonnige dag zijn.
Weer popelden de harten, ja, weer werden de oogen vochtig, toen van het Utrechtsche veer andermaal eene menigte schouwen, plempen, en tentsnebben zich in beweging stelde.
Dat was eene vloot, eene oorlogsvloot binnen Leiden!
Wie had het ooit kunnen denken, dat die eenvoudige vrachtschuiten nog eenmaal in kleine oorlogsbodems zouden herschapen worden, en dat de traag-stroomde Rijn eene kleine vloot, met vrijbuiters bemand, op zijnen rug zou dragen?
En wie waren de voorsten van den tocht?
Die daar met zijne breede schouders, zijn dik behaard aangezicht en den hoed met breeden rand op het hoofd, is Vader Van Keulen. Dat kleine, dikke kereltje, wiens oogen als twee kooltjes vuur van onder de borstelige wenkbrauwen komen kijken, is Van der Morsch en naast hem staat Van Schaeck, die in kordaatheid en lichaamskrachten voor zijne andere twee makkers niet onderdoet. De beide vrienden Cornelis en Leeuwke, staan bij het roer en aan den glans, die op hunne blozende aangezichten ligt, is het te zien, dat zulk een tocht een kolfje naar hunne hand is.
Langzaam gleden de kleine vaartuigen langs het water en kwamen ongemerkt voorbij de Spanjaarden, die te Leiderdorp lagen, om een weinig verder, en wel bij de Doesbrug de Does op te varen.
Alles ging naar wensch en op het Haarlemmermeer ontmoetten ze de vijandelijke schepen. Aan het vermeesteren van dezen buit was niet veel eer te behalen; want de schippers, die allerlei levensvoorraad aan de Spanjaarden moesten brengen, waren gedeeltelijk daartoe eenvoudig gedwongen, daar zij aan de zijde van den Prins van Oranje waren en alleen uit vrees den Spanjaard gehoorzaamden. De overige schippers, die het met de Spanjaarden hielden, hadden op geenen overval gerekend, en zoo kwam het, dat bijna alles, zonder bloedvergieten in handen der vrijbuiters viel. Bij het terugkeeren zou hun moed echter op eene zware proef gesteld worden. Bij de Doesbrug gekomen, gaven ze het afgesproken teeken aan de Leidenaars, dat dezen zich gereed zouden houden tot eenen uitval.
En het was wel noodig ook; want de Spanjaarden hen met den roof ziende aankomen, begonnen hen heftig te bestoken.
Onder hen, die de Spanjaarden dapper bijstonden, behoorde ook "Pier Quaet-Gelaet."
"Leeuwke, Leeuwke!" schreeuwde Cornelis, "daar hebt ge dien verrader, dien akeligen Glipper! Toe laten wij samen hem zijne bekomst eens geven!"
"Dat is goed," riep Leeuwke, "dien schelm nemen wij voor onze rekening, en als het maar een weinig meeloopt, dan kan hij zijn testament wel schrijven ook!"
"Voor den Satan, daar is de ketelboeters-jongen van Voorschoten!" schreeuwde een Spaansch Hopman. "Vangt hem, mannen, levend of dood!"
"Hoort ge het, Keesje, ze willen me vangen, als een spreeuw! Hier pak aan je lootje, en als gij niet genoeg hebt, opperbest, man, dan kunt gij nog meer krijgen," riep Leeuwke en sloeg den naderenden Spanjaard eenen haak op het hoofd.
Intusschen was Van Schaeck op het voorste gedeelte van zijne schuit aan den slag. Zijn eenig wapen was een ouderwetsch, verbazend groot slagzwaard, doch dat wist hij zoo goed te hanteeren, dat de Spanjaarden hem niet aan het lijf konden komen.
"Frisch op, jongens!" riep hij. "Cornelis, gij levert vandaag uw proefstuk, verstaat gij? Dan is Vader Van Keulen tevreden."
"Dat zal ik," antwoordde Cornelis, terwijl hij met de kolf van zijn musket de vijanden niet alleen van zich afhield, maar hen zelfs met wonden deed terugdeinzen.
Daar klonk het schot van eene veldslang langs het water, en onder de Spanjaarden begon eenige verwarring te ontstaan.
Zoodra de Leidenaars het afgesproken teeken gezien hadden, werd er terstond alarm geklept en eenige oogenblikken later werd er een uitval gedaan aan de Hoogewoerds- en de Zijlpoort.
Toch was de worsteling hevig en vooral op de schuit van Van Keulen.
Cornelis had zijn musket weggesmeten en even als Leeuwke eenen haak genomen.
Daar haakte hij eenen vijand in de kleeren en deze tuimelde in den Rijn, doch kwam onder het vallen los.
"Het is Pier!" riep Cornelis en springt overboord. De worsteling van die twee was niet gelijk, doch Cornelis hing den Glipper letterlijk met hand en tand om den hals.
"Wacht, Keesje, ik zal een handje helpen," riep Leeuwke en zijnen haak in Piers wambuis slaande, zeide hij: "Al zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet! Kom een beetje dezen kant op, beste jongen!"
"Bengels, laat me los en ik geef ieder zooveel geld als gij maar hebben wilt," schreeuwde Pier.
"Ik heb geld genoeg, man, al leef ik geen half uur meer! Kom hier, engel, ik heb een kostelijk appeltje met je te schillen," riep Leeuwke.
Hoe Pier ook tegenspartelde, hij moest het opgeven en voor de twee koene jongens zwichten.
Daar tuimelde de laatste Spanjaard door Van Schaecks zwaard doodelijk getroffen, in het water.
"Wacht jongens, ik zal dat katvischje eens even aanboord helpen halen! Dat is eene mooie vangst, zei de jongen en hij haalde eene waterrat uit de fuik. Kom aan, een-twee-drie! welkom aanboord, Pier! Nog welvarende sedert den laatsten tijd, dat we elkander gezien hebben? Maar man, wat zit het haar verward! Het lijkt wel een braambosch. Hier Leeuwke, pak hem bij den kop, en jij, Cornelis, houd zijne voeten vast, dan zal ik hem eens even den pols voelen en naar zijne gezondheid vragen," spotte Van Schaeck.
Pier deed, wat hij kon, om zich uit het geweld dezer drie te verlossen en mogelijk zou het hem gelukt zijn ook, als Van der Morsch en Van Keulen niet toegeschoten waren. Thans zat er voor den Glipper niets anders op dan zich te laten knevelen, en met gejuich werd hij met den rijken buit, door de Leidenaars ontvangen.
Zoodra Cornelis aan wal was, liep hij, zoo vlug zijne vermoeidheid hem dit toeliet, naar huis. Hij smeet de deur open en vloog zijne Moeder om den hals.
"Dat is eerst een dag geweest, Moedertje!" riep hij. "We hebben den Spanjool tarwe, rogge, honderdvijftig vaten boter, driehonderd hammen, honderd vaten bier, vijftien veldstukken en nog wat kruit en lood op den koop toe, ontnomen!"
"Kind, kind, is het wel waar? En wilt ge mij niet blijde maken met eene doode musch?"
"Neen, Moeder, het is waar, heusch en warempel waar! En dan hebben we nog wat! We hebben "Pier Quaet-Gelaet," den Glipper, ook! Dag, Moeder!"
"Waar gaat gij dan nu weer heen, kind?"
"Ik moet toch zien, wat er met Pier gebeurt," riep Cornelis en was al op straat.
"Naar den Blauwen-steen, mannen, naar den Blauwen-steen," hoorde Cornelis roepen toen hij op de Breedstraat kwam, waar honderden mannen en vrouwen zich van den Glipper hadden meester gemaakt en zich niet stoorden aan de bevelen van enkele Hoplieden, die zeiden, dat het uitoefenen van het recht aan den Magistraat toekwam.
Eindelijk wist Jonker van der Does met zijne schutters de razende menigte tot staan en Pieter Van Wezel in handen te krijgen. Hij zag echter zeer goed in, dat het volk tot oproer zou kunnen overslaan, zoo men aarzelde den Glipper terstond zijn verraad met den dood te doen bekoopen. Hij liet dus den Magistraat zoo spoedig mogelijk roepen en midden op straat bij den Blauwen-Steen werd de Glipper eerst ontpoorterd en daarna op eene buitengewoon wreedaardige wijze terdood gebracht.
Die Blauwen-Steen lag in de Breedstraat tegenover de Maarsmansteeg en werd altijd tot dat doel gebruikt.
Toen men den volgenden dag zag, dat de vijand weer druk in de weer was om de Lammenschans te voltooien, werd het volk, opgewonden door het krijgsgeluk op het Haarlemmermeer en op den Rijn, overmoedig en het meende, dat men even goed, zoo niet gemakkelijker, eene schans kon vernielen, als eene vloot met levensmiddelen binnen brengen. De Magistraat helde ook tot dat gevoelen over, en daarom werd er besloten om met zes plempen eenen uitval te doen om het voltooien van die schans te beletten. Weer vochten onder hen, die den uitval deden, Van Keulen, Van Schaeck, Van der Morsch en de beide jongens als leeuwen; maar ze werden genoodzaakt met verlies van vijf man en vier hunner plempen terug te trekken.
Dat was de eerste donkere dag der belegering, en, er zouden er nog meer komen.
Tot nog toe hadden de Leidenaars hunne kool- en warmoestuinen, die buiten de Rijnsburger-poort lagen, door eene schans bij de Poelbrug tegen den vijand beveiligd, doch op Dinsdag, den vijftienden Juni, namen de Spanjaarden, die van Voskuyl kwamen, de schans in, zoodat de belegerden thans voor een groot gedeelte van versche groenten verstoken waren.
Het begon er dus voor hen, die daar binnen waren, met den dag al donkerder en donkerder uit te zien, en niettegenstaande de Prins van Oranje en de Staten des Lands gedurig middelen wisten te bedenken om binnen de belegerde stad bericht te brengen, dat er allerlei pogingen werden aangewend om den vijand, die zich zoo aan alle zijden van de stad genesteld had, te verjagen, en zoo het beleg te doen ophouden, werd de moed der arme burgers daardoor niet zeer aangewakkerd. Een nauwkeurig onderzoek deed uitkomen, dat de heele voorraad koren slechts honderdtien last bedroeg, en daar de Regeering weinig geloof sloeg aan de goede uitkomsten van de pogingen, die tot ontzet werden aangewend, besloot zij de burgerij op rantsoen te moeten stellen. Ieder, die op wacht moest, kreeg iederen dag een pond brood en zij, die daarvan bevrijd waren, moesten zich met een half pond tevreden stellen. Van hen, die voor meer dan veertien dagen leeftocht in huis hadden, kocht men de eetwaren op. Weldra ontstond er ook gebrek aan munt-specie, en hoewel men niet, evenals in het eerste beleg, tot het slaan van papieren geld zijne toevlucht nam, ging men er toch toe over geld te slaan naar het model van den stempel, die bij het eerste beleg gediend had om de papieren munt te maken. Aan de eene zijde stond weer trots den tegenstand der Predikanten bij het eerste beleg, "Haec Libertatis ergo" en aan de andere zijde was het stadswapen, om hetwelk de letters N. O. V. L. S. G. J. P. A. C. stonden. Het waren de aanvangletters van eenige Latijnsche woorden, die beteekenen: Penning, geslagen in de belegerde stad Leyden onder het bestuur van den Doorluchtigen Prins van Oranje. In den buitenrand stond: Godt behoede Leyden. Deze munt was achtentwintig stuivers waard. Op een kleiner muntstuk, dat veertien stuivers waarde had, stond een leeuw met een zwaard in den eenen en het wapen der stad in den anderen klauw en in den rand de spreuk: "Pugno pro Patria," dat is: ik strijd voor het vaderland. Aan de keerzijde stond Lugdunum Batavorum, welke naam men in het Latijn aan Leiden geeft. Behalve deze, had men ook nog koperen stukken met het omschrift: Heere ontfermt Holland ende salight Leyden.
De gevolgen der insluiting openbaarden zich hoe langer hoe meer, zoodat men besloot om opnieuw eenen bode naar den Prins te zenden. De koene Leeuwke had zich andermaal tot dien gevaarvollen tocht beschikbaar gesteld, en gewapend met zijnen verrejager ging hij op Maandag, den vijfden Juli, op weg.
"Wat zijt gij toch gelukkig, dat gij altijd zulke boodschappen moogt doen, Gerrit," zeide Cornelis, die zijn vriend weer naar de wallen bracht. "Vader beschouwt mij nog altijd als een kind, en hoe ik hem ook vlei om eens te mogen uitgaan, het is al om niet! Als straks de belegering gedaan is, zal ieder den mond vol hebben van Leeuwke, en ik, die eveneens wil doen zooals gij doet, ik zal vergeten worden!"
"Hei, hei, wat ge vandaag niet doen moogt, dat moogt ge misschien morgen, Cornelis! Geloof me, kameraad, er is nog meer dan genoeg voor het mes. Maar zeg, als ik eens niet terugkwam, en de Spanjaard mij gevangen nam en doodde, zoudt gij dan mijnen dood willen wreken, Cornelis? En .... ja, zoudt gij dan ook voor mijne lieve Moeder en de anderen willen zorgen? Voor Moeder en zus Gonda vooral!"
"Ja, zeker zou ik dat! Twintig Spanjolen voor één Leeuwke! Maar ge zijt veel te slim en te vlug om in hunne handen te vallen! Dat zal niet gebeuren," antwoordde Cornelis.
"Slimheid en vlugheid doen wel veel, Cornelis, maar niet alles, en het spreekwoord zegt niet ten onrechte: "Een vlieghe die vlocht soe langhe om die keerse, datsie daer ten lesten een mael in valt." Het kan dus best gebeuren dat ik op eenen keer niet meer terugkom en die keer kan nu zijn. Maar kom, onnoodige zorgen maken vischgraten. Ik ga er van door! Dag, Kees!"
Dit zeggende liet de koene knaap zich het klinket van de poort openen en was daarop weldra tusschen de schansen verdwenen. Reeds meende hij in veiligheid te zijn, toen eenige Spanjaarden, die achter het hooge gras in hinderlaag lagen, te voorschijn sprongen en den moedigen knaap belett'en verder te gaan.
"Halt! Waar moet dat heen, manneke?" vroeg thans een der soldaten.
Hoe gevat Leeuwke in andere gevallen ook op een antwoord was, nu wist hij niet, wat hij zeggen moest en versprak zich telkens.
Mogelijk had hij er zich nog met eene leugen kunnen uitredden, doch daar kwam een der twee Officieren aan, die hij op zijnen eersten tocht misleid had en door wien hij te Leiderdorp herkend was geworden.
"Bij mijne zaligheid, dat is de knaap, die zulk eene hoofd- en kiespijn had," zeide Diala zoodra hij den knaap in het oog kreeg. "Gij verbeurt het leven, kerels, als gij hem laat ontkomen! Brengt hem in mijne tent!"
Don Diala, die bevel voerde over de schans bij Zoeterwoude, ging vooruit en pas was hij gezeten, of ze brachten den sidderenden knaap voor hem.
"Waar gaat gij heen, knaap?" vroeg hij.
"Naar Hasaertswoude, Edele Heer!"
"Leugens en verzinsels," riep de Spanjaard. "Zeg de waarheid! Of meent gij dat ik mij weer door uwe uitvluchten met een kluitken in het riet zal laten sturen?"
Nog zweeg Leeuwke, doch toen Diala begon te dreigen, hem te zullen laten ophangen, als hij niet sprak, verbrak de knaap het stilzwijgen, en antwoordde op alle vragen, die hem gedaan werden.
"Het schijnt dat de touwslagers-dochter den tongriem losgemaakt heeft, kwâjongen," zeide de Spanjaard, met dat "touwslagers-dochter" de galg bedoelende.--Na eenige woorden met een ander Officier gesproken te hebben vervolgde hij luid lachend en op spottenden toon: "En zeg eens, hoe gaat het met uwe kiespijn? Is die al beter? En is uwe hoofdpijn ook al genezen, ja?"
Leeuwke zweeg.
"En met de ketelboeterij van uwen Vader? Altijd nog goede zaken, ja?"