De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood
Part 8
"Graag, Overste; maar zal Geert Soet mij gelooven?"
"Hij kent Leeuwke," antwoordde van der Does. "Doch om nu zeker te zijn, dat alles goed uitkomt, zal ik u een briefken meegeven. Wanneer wilt gij vertrekken?"
"Ik ben gereed als Uwe Edelheid beveelt," antwoordde de knaap vol moed en ongeduld.
"Durft ge dat tochtje overdag ook beproeven?" vroeg hierop van der Does.
"Overdag nog beter dan des nachts, Overste! Des nachts houdt men mij voor een spion en is de wacht scherper; maar overdag is dat het geval niet zoo erg!"
"Dat geloof ik ook. Doch waar zult ge dan het briefke verbergen? Gij begrijpt, dat moet niemand bij u kunnen vinden."
"Wel, Overste, ik moet toch eenen verrejager medenemen. Als het briefje nu niet te groot was en in een naaldenkoker kon, dan zou ik den verrejager van onder uitboren, daarin den naaldenkoker met het briefje steken en dan de opening van onder met pek dicht maken. Het kon dan niet nat worden en de Spanjaard vindt het nooit, al krijgt hij den polsstok in handen."
"Dat is slim bedacht, knaap! Ga nu naar huis en zorg dat gij over een uurtje met eenen verrejager hier zijt. Het briefje zal ik klein genoeg maken om het in eenen niet al te grooten naaldenkoker te steken."
Op den bepaalden tijd, het kon zoo omstreeks drie uur in den middag zijn, was Gerrit bij Jonker van der Does terug. Het briefken werd, opgerold in den ijzeren naaldenkoker, die schroefvormig sloot, geborgen en daarna in de opening onder aan den polsstok geschoven, waarna alles met pek gesloten werd. Wanneer de stok maar een paar keeren met de modder in aanraking was geweest, zou de slimste man er niets van kunnen zien.
Na den moedigen knaap aangemaand te hebben toch vooral voorzichtig te zijn, liet van der Does hen vertrekken.
Later zullen we wel zien hoe Leeuwke zich van zijne taak kweet. Wij volgen liever Cornelis, die Leeuwke tot aan van der Does' woning vergezeld had, op zijnen weg naar huis. De knaap was ontevreden dat er voor hem zoo weinig te doen viel, en hij meende dat hij, als hij zich ook maar bij de Schutter-vendels had laten inschrijven, nu mogelijk wel inplaats van Gerrit met die boodschap buiten de stad belast zou zijn geworden.
"Goed dat gij thuiskomt, Cornelis," zeide zijn Pleegvader. "Er is werk aan den winkel. Aanstaanden Zondag zullen we met eenige plempen of tentsnebben eenen uitval doen om eene korenvloot uit Ter Gouw binnen te loodsen."
"Zondag, Vader? Hoe komen ze juist aan dien dag?"
"Ik denk dat de Magistraat zóó geredeneerd heeft: "De Calvinisten vieren den Sabbat streng, dat weten de Spanjaarden en daarom zullen ze juist op dien dag geenen uitval verwachten. Ze zullen minder waakzaam zijn en onze kans van slagen wordt er grooter door." Het is te hopen, dat alles gelukt, want dan kan onze stad het een heel poosje tegen den Spanjaard vol houden. Kom, ga mee, we moeten onze schuit gereed maken voor--oorlogsschip. Wel, wel, wie had dat ooit van mijn eenvoudig scheepken durven denken?"
Pleegvader en zoon verlieten terstond hunne woning en begonnen met allen, die zich als vrijbuiter aangemeld hadden, alles voor den uitval gereed te maken.
Heel Leiden was vol hope en zag de graanzolders reeds tot instortens onder den last gevuld.
Het liep tegen den Zondagmiddag.
Wat vrijbuiter was of schippersgezel, was in beweging. Allerwegen zag men levendige belangstelling in hetgeen ondernomen stond te worden; want men gevoelde het, dat het in aller belang was, dat deze tocht met eenen goeden uitslag mocht bekroond worden.
Nauwelijks waren de kerken uit en hadden de belegerden God gedankt voor de overwinning der Zeeuwen bij Antwerpen, en gebeden om Zijnen zegen op het werk, dat ondernomen stond te worden, of allen begaven zich naar het oude Schuitenveer bij de Hoogewoerdspoort, om de plempen en schouwen, waarmede men die van Ter Gouw ter hulp zou komen, te zien vertrekken.
"Hoe staat ge daar en kijkt, alsof ge Vader en Moeder vermoord hebt, Meester?" vroeg een man aan eenen kloeken zestiger, die Deken van het smidsgilde was.
De Deken schudde in antwoord op die vraag het hoofd en zeide: "Het gaat niet! Het kan niet gaan!"
"Wat gaat er niet? Meent gij dat de tocht niet goed bestuurd wordt? Ho, man, heb daarvoor geene vrees! Barend Cornelissen Van Keulen is er bij en Van Schaeck ook. En als die er maar bij zijn, dan...."
"Dan mislukt de tocht nog, als Gods zegen er niet op rust!"
"En we hebben in de kerk...."
"We hebben in de kerk om Zijnen zegen gebeden, wilt ge zeggen! Ja, dat weet ik wel! Maar denkt gij dan, Moerman, dat een dief verhoord zal worden, als hij in het gebed aan God vraagt, of Hij hem helpen wil in zijn boos bestaan?"
"Dat zou dwaas zijn! Maar zijn wij dan dieven? Hebben die van Ter Gouw niet alles eerlijk gekocht? Ontrooven wij het den Spanjool? Heeft bovendien de Eerwaarde Petrus Cornelius ook niet met lof over deze onderneming gesproken?"
"Zeker, zeker! Maar Peter Cornelius is ook een mensch. De booze heeft zijn harte bekoord, zoodat hij ziende niet ziet en hoorende niet hoort!"
"Maar, man, ge raaskalt! De onderneming zál gelukken!"
"Ze zal niet gelukken," riep nu de smid. "Wij zijn dieven, ja, eerlooze dieven van den rustdag. Wij zijn Sabbat-schenders en doen te kort aan het gebod: "Gedenckt den Sabbatdag, dat gij denselven heylight!"
"Ho, ho, Meester! Gij drijft de zaak te ver, veel te ver. Zoo gij dezen morgen in de kerk geweest waart, dan...."
"Ik ben er geweest, man, ik ben er geweest! Maar ik bedroef mij als ik zie, hoe zelfs onze Leeraren het voorbeeld van den Prins van Oranje volgen, en hem nastreven om er even luchtig over heen te loopen, als hijzelf. Neen, dat zou onze volijverige Petrus Dathenus u anders zeggen! Maar wat praat ik tegen dooven! Gij zult het zien, Moerman, niet alleen op dezen tocht zal het ons tegenloopen, maar alles wat de Leidenaars voortaan ondernemen, zal verkeerd uitkomen!"
Na dit gezegd te hebben schudde de oude man diep zuchtend nog eens het hoofd, beschouwde nog eenmaal het gewoel op het water en aan den kant en ging toen heen.
Het was twaalf uren en de schuiten werden van den wal losgemaakt.
De voorste was die van den Utrechtschen beurtman, waarop Barend Cornelissen Van Keulen en Cornelis Joppensz. de hoofdpersonen waren.
Onder het luid gejuich der bevolking staken ze van wal. Aller oogen zagen hen na, zoover ze konden en in bijna aller hart rees de wensen, dat ze spoedig, rijk-geladen en in grooter aantal, mochten terugkomen.
De woelende massa verspreidde zich hierop door de stad om weldra weer eens naar het Schuitenveer terug te komen, ten einde te zien of er nog geene plempen of schouwen waren wedergekeerd.
Men liep den ganschen middag op en neer, en zoo ongeveer des avonds te negen uren, stond de heele kade vol volks. Men had geen schieten gehoord en zij, die op den stadhuistoren geklommen waren, hadden bericht, dat zij niets van een gevecht ontdekt hadden.
Eindelijk vertoonde zich eene schouw, vervolgens nog eene, nog eene, en nog eene! Men telde het aantal en .... er kwamen evenveel terug, als er uitgegaan waren.
Zoo ver mogelijk liep men ze tegemoet, en zoodra er berekend werd, dat de vrijbuiters verstaan konden, wat er geroepen werd, begonnen ze te vragen:
"Waar zijn die van Ter Gouw?"
"Ze zijn niet gekomen! De tocht is mislukt," luidde het antwoord.
Dat was eene tijding, die de hoopvolle harten ineens ontmoedigde. Men wist nu genoeg. Wat ging het de menigte aan, of ze ook te weten kon komen tot hoe ver de vrijbuiters geweest waren; wat de mogelijke oorzaak kon zijn, dat Geert Soet zijne beloften niet gehouden had? De plempen en schouwen kwamen ledig terug, en Leiden zou mogelijk aan den hongersnood prijs gegeven worden! Wee! Wee!
"Gelooft ge me nu nòg niet, Moerman?" vroeg de smid.
"Weg, ongelukskraaier, weg," riep deze, maar kon toch de gedachte niet van zich zetten: "zoo de man eens waarheid gesproken hadde! Arm Leiden dan!"
Bij het vastsjorren der plempen en schouwen waren slechts enkelen tegenwoordig en onder deze was ook van der Does.
"Dat is dan bijster slecht afgeloopen, Cornelissen!"
"Ja, Overste, dat is het. Maar wat in het vaatje is verzuurt niet. De Spanjolen hebben ons uitgelachen zoo hard ze konden; maar al moest ik er alleen op uit, en al vergezelde mij niemand, ik zal het hun met bebloede koppen betaald zetten! Bijlo, dat zal ik, of mijn naam is niet Barend Cornelissen Van Keulen."
"Dat is gemakkelijk te zeggen, maar te doen? Jongen, de Spanjool is geene kat om zonder handschoenen aan te vatten!"
"Al ware hij Satan in persoon, Overste, eer het jaar twee dagen ouder is, zult gij vernemen, dat ik een man van mijn woord ben!"
"Nu goed, goed! Maar zeg, zoudt gij ook half de berekening kunnen maken, hoe het komt, dat Geert Soet en de zijnen zich te vergeefs hebben laten wachten?"
Barend haalde de schouders op, sjorde zijne schuit veel steviger vast dan noodig was en zeide: "Dat is onmogelijk juist te bepalen. Men kan alleen zoo wat naar de waarheid gissen!"
"Nu ja, het spreekt vanzelf, dat we de waarheid eerst later te weten zullen komen. Het zou dwaas van mij zijn, die van u te willen weten! Maar wat vermoedt gij dan, dat de oorzaak van dezen mislukten tocht is?"
"Ik denk dat Leeuwke de boodschap niet goed heeft overgebracht, of wel, dat hij door den Spanjaard is opgelicht! En, duid me deze vrijmoedigheid niet ten kwade, Overste, maar de Magistraat, zoowel als Uwe Edelheid, was wel wat onvoorzichtig zulk eene gewichtige boodschap te laten verrichten door een groot kind!"
Cornelis vond het niet prettig, dat zijn Pleegvader over Gerrit zoo min dacht, want hij, Cornelis, was ervan verzekerd, dat Gerrit zijne boodschap goed gedaan zou hebben, of, in handen van den vijand gevallen was. Hij trachtte zijnen vriend dan ook van alle schuld vrij te pleiten, doch Van Schaeck, baloorig en nijdig, dat de vrijbuiters als kwajongens teruggekeerd waren zonder iets uitgevoerd te hebben, gaf Cornelis zulk eenen uitbrander, dat de knaap stellig zijn "goed woordje" voor Gerrit wel zou ingehouden hebben, zoo hij geweten had, dat Vaders muts zóó verkeerd stond. Het ergste was wel, dat zijn Vader hem verweet, dat hij nog een wicht was, dat het stroo van de wieg nog achter de ooren had zitten. En dat in tegenwoordigheid van Jonker van der Does! En dat tegen hem, die met trots een koperen half maantje op de muts droeg ten teeken, dat hij een Watergeus was! Waarlijk, het was al te erg, en bij nader inzien zou Van Keulen begrijpen, dat hij iets gezegd had, dat hij niet verantwoorden kon.
De tranen sprongen Cornelis in de oogen en hij verwijderde zich schaamrood zoo spoedig hij kon. Hij sloop naar de wallen, waar hij niet komen mocht, omdat de Magistraat bevolen had, dat geen enkel burger, die geene schuttersdiensten deed, op de wallen mocht verschijnen. Dat bevel was noodig geweest, want de vrije burgers hadden menigmaal zonder daartoe vergunning te hebben, ja, zonder iets van de behandeling van het gebrekkige geschut af te weten, een doelloos schot op den vijand gelost. Dat was kruit vermorsen geweest, en tegelijkertijd had men den vijand getart tot wat anders dan belegeren. Neen, hongerlijden vond men in alle gevallen verkieselijker, dan dat er storm geloopen werd, want als dat gebeurde zou de vijand denkelijk wel overwinnen, omdat hij tegen ongeoefende mannen te strijden had.
Zonder door iemand weerhouden te zijn, kwam hij echter op den wal en zijne blikken naar het vijandelijk kamp slaande, balde hij de vuist en bromde: "Leelijke Spanjool, gij zult ondervinden dat Vader mij genoemd heeft een wicht met wiegstroo achter het oor. Gij zijt er de schuld van, maar betaald zetten, zal ik het!"
Erg opgewonden liep hij nu naar huis, en hij was zóó boos, dat hij zelfs weigerde te eten en zoo naar bed ging, om daar zijn hart, in alle stilte, in tranen lucht te geven.
In het eerst kon hij den slaap maar niet vatten, en toen hij eindelijk afgemat van het woelen, de oogen sloot, begon het in zijnen droom: dwars door de vest en rechtuit-rechtaan op eene schans! Twintig soldaten stonden gereed hem dood te slaan; maar met Leeuwke's verrejager gewapend, sloeg hij links en rechts om zich heen. Al de Spanjaarden gingen op de vlucht, en hij wilde ze achtervolgen. Hij voelde dat hij vallen zou,--hij zag de soldaten met hunne lansen in de hoogte hem nu afwachten! Ho, daar viel hij, een geweldige schreeuw en .... hij tuimelde uit het bed en lag op den grond.
"Wat doet ge, Cornelis?" riep Moeder Willempje verschrikt, terwijl ze haar hoofd buiten de bedsteê-gordijnen stak. "Word wakker!"
"W-w-wel-die-die Spanjolen, die Span-Spanjo-jo-len!"
"Cornelis, Cornelis! Word wakker!" riep zij nog eenmaal. Cornelis was half slaapdronken op de been gekomen en smeet nu in het duister eenen stoel om.
"Maar, zeg, jongen, wat zoekt ge dan toch?" riep zij nu in drift uit.
"Niets, niets, Moeder! Ik dacht dat de Spanjolen, -ik-ik-ga al naar bed; maar ze hebben me toch niet-ge-gevangen, -ze-heb-ben-misge-ge-stoken!"
En half droomende stapte hij weer in het bed.
"Bemoei u niet met den jongen, vrouw," zeide Barend; "hij droomde. Maar hij ligt nu weer voor anker."
Thans viel Cornelis werkelijk in eenen diepen slaap, tot hij tegen het aanbreken van den morgen wakker werd. Even als vóór het beleg, stond hij op, kleedde zich aan en ging de straat op.
Daar klinkt een voetstap, hij ziet op en....
"Zoo, Cornelis, al wakker?"
"Ja, Gerrit, maar waar komt ge vandaan?"
"Daartoe heb ik nu geenen tijd om het te vertellen. Is uw Vader al op?"
"Neen, nog niet. Hij zegt dat hij, als hij op is, zich loopt vervelen."
"Nu, roep hem dan! Er is voor jelui vandaag wat te doen!"
"Voor jelui? Dus voor mij ook?"
"Als gij ten minste niet bang zijt, ja zeker!"
"Nu, kom dan zoolang maar in de gang, dan zal ik Vader roepen!"
De beide jongens traden binnen en, terwijl de Vader opstaat en zich aankleedt, hebben wij tijd om met den moedigen Leeuwke de heen- en terugreis van Leiden tot Ter Gouw te maken.
We willen dat liever zoo vertellen, alsof wijzelven den tocht met Gerrit mede gemaakt hebben, inplaats dat we naar Gerrit luisteren, die zijnen tocht op zijne manier aan Cornelis verhaalt.
TIENDE HOOFDSTUK.
Een duur slaapje.
Het was Vrijdag, den vierden Juni, omstreeks zes uur in den namiddag, dat we langs den Hoogen-Rijndijk, tusschen de Ridderhofsteden Swieten en Rhinenburg, eenen stoeren, flinkgebouwden jongen zien loopen. Hij heeft eenen polsstok of zoogenaamden verrejager in de hand en vervolgt, een deuntje fluitende, zijnen weg.
Van den kant van Rhinenburg ziet hij een paar Spaansche Officieren aankomen, en het hart popelt hem van onrust, als hij denkt, dat deze, nu hij zoo gelukkig tusschen de vijandelijke schansen tot hier gekomen is, hem zullen ophouden of, erger nog, hem in het verhoor zullen nemen. Hij heeft echter reeds vooraf een plan gemaakt, wat hij in dat geval doen zal en zet bij voorbaat een jammerlijk gezicht, terwijl hij eene hand voor het hoofd houdt.
Mijne lezers hebben zeker Leeuwke herkend.
Daar zijn de Officieren bij hem en, hen heel nederig groetend, wil hij voorbij gaan.
"Ho, knaap," zei de een, "kunt gij niet spreken, als gij menschen groet?"
"Jawel, Senor!"
"Zoo, en waarom doet gij het dan niet?"
"Ik heb zulk eene hevige hoofd- en kiespijn, Senor," was Leeuwkes antwoord en hij zette er zulk een onnoozel en dom gezicht bij, dat de Officier, die hem aangesproken had, uitriep: "Die jongen is niet wel bij het hoofd!"
"Of een volleerde deugniet, die ons praatjes wijsmaakt en mogelijk wel uit Leiden komt," sprak de ander.
Leeuwke verstond hem zeer goed en vroeg nu met nog onnoozeler gezicht aan den eerste: "Wat zegt Uwe Edelheids kameraad, Senor?"
De vraag was zóó leuk en het gezicht zóó dom, dat beide Officieren in eenen luiden lach uitbarstten.
"Hoe heet gij, bengel?" vroeg de eerste alweer.
"Ik heet Hannes Hannesz., zooals mijn Vader heet en ik kom uit Voorschoten. Mijn Vader is daar ketelboeter en mijne Moeder wascht voor het volk van Capitano Carion. Hi-hi, ze maken veel goed vuil die mannen. Moeder zegt dat ik veel schooner ben, ja, zeker, dat zegt ze."
"En wat moet gij hier doen als gij te Voorschoten woont?"
"Ik ga naar Hasaertswoude, Senor! Daar woont eene vrouw, die helpt alle menschen van de kiespijn af door wrijven, en ik wil naar die vrouw!"
"Maar dan maakt gij eenen grooten omweg, jongen!"
Dat was waar, maar Gerrit liet zich zoo gauw niet vangen en zeide: "Ik had voor den trompetter uit Don Carions vendel eene boodschap aan den Vaandrig van den Drossaard van Wedde, die te Leiderdorp ligt, Senor!"
"En uw Vader is ook soldaat?"
"Neen, Senor, Vader is ketelboeter!"
"Wat is dat: een ketelboeter?"
"Ja, ziet u, Senor, als Uwe Edelheid eenen kapotten ketel heeft, dan zet Vader er een lapje op, of hij soldeert het gaatje. Dat doet hij wàt goed, dat zeggen de soldaten van Don Carion ook, maar ze betalen niet."
"Och kom, ga maar meê, Diala," zeide de ander. "Die knaap is niet recht wijs! Wat staat ge met dat bedelpak te snappen?"
"Hij kan toch wel degelijk een spion of overlooper uit Leiden zijn," merkte de ander aan.
"Denkt ge dan, bij San-Jago, dat die uit Leiden een kalf zullen overzenden? Als ik u was, nam ik den knaap mee, en bracht hem bij Valdez in de legertent! Wie weet welk eene belooning er op zat!"
"Als de Heeren nu soms eenen ketel mochten hebben, die gelapt moet worden, willen ze het dan maar laten weten? Dan kom ik zelf hem halen! Zoo waar als ik zeg, Duitsche Pier lapt ook ketels, maar die komt ze niet halen en hij is ook veel duurder dan...."
"Loop met heel je ketellappers-famielje naar de galg bengel!" zeide Diala en volgde zijnen vriend, die reeds heen gegaan was.
"Dat is weer door eenen zuren appel gebeten," dacht Leeuwke en vervolgde zijnen weg.
Dicht bij Rhinenburg lag een bierhuis waar de schippers dikwijls aanlegden tot het afgeven van pakjes en ook wel eene kan bier dronken. De tavernier was een geheim aanhanger van den Prins en reeds stond Leeuwke gereed om daar binnen te gaan vragen, hoe hij veilig verder kon gaan, toen hij in de gelagkamer vier Spaansche soldaten en "Pier Quaet-Gelaet" zag. Deze herkende hem ook terstond en riep, terwijl hij opsprong: "Op, mannen, vat dien bengel! Dat is een spion uit Leiden!"
Leeuwke had de woorden van den Glipper niet meer verstaan, want hij was terstond op den loop gegaan en snelde, zoo vlug als zijne beenen hem dragen konden, de naburige hofstede Rhinenburg op.
Daar vond hij eenen nieuwen vijand in eenen grooten wachthond, die hem blaffend te gemoet sprong. De Spanjaarden volgden met veel geschreeuw; maar toen dacht de hond zeker, dat de grootste schreeuwers ook de grootste kwaaddoeners waren, en Leeuwke latende loopen, keerde het dier zich om en vloog eenen Spanjaard naar de keel.
Deze, op zulk eene vreemde ontvangst niet voorbereid, tuimelde achterover, en zou zeker door den hond van kant gemaakt zijn, indien zijne kameraads hem niet in allerijl waren komen helpen.
Het kostte moeite den van pijn schreeuwenden Spanjaard van den woedenden hond te bevrijden en, toen het razende dier eindelijk dood aan hunne voeten nederlag, was Leeuwke in het bosch, dat achter de huizinge lag, en tot aan het Galgeveld zich uitstrekte, ontkomen.
Maar, waar nu heen?
Den weg opzoeken, dat was te gevaarlijk! Hij wist immers niet of de Spanjaarden daar in den omtrek kruisten. Waren er ook geene Spanjaarden in het dorp?
Zoo besluiteloos in het hem onbekende bosch heen en weer loopende, telkens vreezende, dat hij den eigenaar of iemand van het huis ontmoeten zou, die hem misschien wel voor eenen dief, of iets ergers nog, zou aanzien, begon hij te denken, dat hij, eenmaal hier zijnde, nu maar wachten moest tot het vallen van den avond. Hier in het bosch tusschen het hout, zou men hem niet gemakkelijk vinden, meende hij.
Dat was de knaap van weinig ondervinding, die zoo handelde; want hij had toch lichtelijk kunnen begrijpen, dat de aanval van den hond en de achtervolging van vier Spanjaarden en eenen Glipper de aandacht op hem moest laten vallen.
Maar gelukkig voor Leeuwke was het, dat de Heer van Rhinenburg niet thuis was, en dat de Spanjaarden te veel met hunnen kameraad te doen hadden, om den vluchteling in het geboomte op te sporen. Daardoor kwam het dat hij ongestoord in het bosch blijven kon, tot het donker genoeg was om te wagen verder te gaan.
Zijn eerste werk was nu uit het bosch te komen. Op goed geluk ging hij rechtuit en kwam eindelijk aan eene vaart, die te breed was om er over te springen. Daar lag aan de andere zijde eene baggerschouw, en zonder zich lang te bedenken, ging hij de vaart door naar den overkant. Ze was dieper dan hij vermoed had; want in het midden begon hij plotseling te zakken. Leeuwke gaf onwillekeurig eenen schreeuw en begon allerlei bewegingen in het water te maken. Eindelijk was hij, waar hij zijn wilde; maar hoe hij er gekomen was, dat wist hij niet! Hij rilde van de koude, en gaarne zou hij ginder op een van de huisjes, waarin hij licht schemeren zag, afgegaan zijn, om zich bij een goed vuur te warmen en een stuk brood te vragen; maar hij durfde niet.
Goede raad was duur; wat moest hij nu doen?
"In vrede," dacht hij, "maar dwars de weilanden over."
Hij stapte dus voort, doch kwam weldra weer aan eene breede wetering, die hij waagde over te springen. Hij nam echter den sprong te kort en kwam dicht bij den kant andermaal in het water terecht.
"Ho, jongen, wat doet gij daar? Hoe komt gij hier? Wie zijt gij?" riep eensklaps een man, die daar te visschen stond en Leeuwke uit het water op den kant hielp.
Het was een oud man en zijne stem had zoo vriendelijk geklonken, dat de knaap zich geen oogenblik bedacht, maar, het was onvoorzichtig genoeg, alles zeide, wat hem op het hart lag.
"Ik heb medelijden met uwe jaren, knaap, en ik zal u niet verklikken; maar weet, dat Klaas Koot den opstand tegen onzen wettigen Vorst verfoeit, en dat hij der Moederkerk is trouw gebleven. Maar ik bleef ook mensch, jongen, en daarom zal ik u helpen, al ben ik overtuigd, dat ik door dat te doen, de zaak van Willem van Oranje bevoordeel en de mijne kwaad doe. Gij vraagt naar Spanjaarden, nietwaar? Nu, ze zijn in mijn huis en het is voor hen, dat ik op mijnen ouden dag, in den laten avond, nog uit visschen ga. Ik heb nu nog al eene tamelijke zoô en kan dus ophouden! Ik ga vooruit en een kwartier daarna klopt gij aan. Dan ben ik uw Oom Klaas en gij zijt?"
"Gerrit, goede man!"
"Best, neef Gerrit, die naar Boskoop moet om mijne zuster te zeggen, dat uwe Moeder ziek is! Begrepen? De Heere vergeve me deze leugens. Maar het is zooals ik zeg, ik heb medelijden met u, ik wil u niet ongelukkig maken! Dus, zooals afgesproken is!"
De oude man pakte zijn vischtuig bij elkander en ging heen, een oogenblik later door Gerrit gevolgd.
Wel keken de Spanjaarden vreemd op toen een jongen, van onder tot boven bemodderd en doornat, binnentrad. Maar zij geloofden het sprookje, dat hij opdischte en lieten hem zelfs vrij goeden Spaanschen wijn uit hunne flesschen drinken, om ook van binnen wat warm te worden. En dat was hard noodig, want Leeuwke rilde en beefde zoo, dat hij haast op de beenen niet kon blijven staan, en zijne tanden klapperden, alsof hij eene harde koorts kreeg.
De oude Koot had spoedig een vuur gebouwd, alsof er een os op gebraden moest worden en zeide: "Nu, neefje, gij weet den weg! Daar hangen mijne Zondagsche kleeren! Gij trekt die natte uit, die kunnen dan hier drogen. Onderwijl eet gij met ons van den baars mede, en als dan uwe kleeren weder droog en in orde zijn, gaat gij maar dadelijk naar Boskoop; want zuster Mina zal er vast van opzien, als ze het hoort!"
Leeuwke had zich spoedig in de veel te ruime kleeding van zijnen zoogenaamden Oom Klaas gestoken en diens vrouw, "Meu Sientje," die hem nog droog ondergoed gegeven had bovendien, zeide toen hij weer in het vertrek kwam: "Toe, neefje-jongen, eet maar! Gij zult ervan opknappen, dat zult gij!"