De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood
Part 7
Wat het verwijderen der onnutte monden betrof, hierin besloot de Regeering eene wijziging te brengen, en gaf alleen vrouwen en meisjes benevens jongens beneden de zestien jaar verlof om zich naar andere plaatsen te begeven, zoo ze dit wenschten. Weinigen schijnen van dat verlof gebruik te hebben gemaakt, want op eene bevolkingslijst, die in de eerste week van Augustus door de Bonmeesters opgemaakt werd, komen meer vrouwen en kinderen voor dan er mannen waren.
Inmiddels kwam uit Utrecht Don Martin D'Ayala met eene sterke afdeeling voetvolk en ruiterij het leger van Valdez versterken. De bezetting Engelschen aan de Gouwesluis, sloeg, onder aanvoering van hare dappere Bevelhebbers Ghensfort en Van der Laan, de bestormers driemaal af, doch toen de ruiterij van den vijand het voetvolk telkens voorwaarts drong, moest Ghensfort eindelijk de verdediging opgeven en de schans voor de Spanjaarden ontruimen. Waren die van Alfen niet zoo traag geweest, hunne makkers te hulp te komen, misschien zou Ghensfort stand hebben kunnen houden; doch toen de Alfenaars zich op weg begaven, hoorden ze dat de schans al over was en keerden terug om wat later op hunne beurt, zonder veel strijds, hunne sterkte prijs te geven en alzoo den weg van Utrecht tot Holland voor den Spanjaard open te stellen.
Met de verdediging van de sterkte te Valkenburg ging het ook slecht. Wel werd er veel geschoten, doch van weerszijden vielen volstrekt geene dooden, zoodat de Leidenaars, niet ten onrechte, vermoedden, dat de Engelsche troepen, die ze op last van den Prins moesten innemen, met den vijand heulden.
Toen na dit onbeduidende gevecht de Engelschen het op een loopen zett'en, weigerden die van Leiden hen binnen te laten. Men liet hen buiten de wallen blijven, doch verzekerde hun meteen, dat ze daar van alles zouden voorzien worden. Deze ontvangst beviel den mannen zeer slecht, waarom ze terstond tot den vijand overliepen, die hun eerst alle mogelijke eer bewees; maar reeds den volgenden dag dwong aan de schansen te arbeiden. Slechts een dertigtal hunner was niet zoo laag, zich zoo aan den Spanjaard over te geven, en verzocht nogmaals binnen de stad gelaten te worden, hetgeen hun ook nu niet langer geweigerd werd.
Zóó ging Leiden zijne belegering te gemoet. Maar niettegenstaande dat alles, bestond er vooreerst geen gevaar. Men zag maar al te wel, dat de Spanjaard, wetende dat er zoo bitter weinig levensvoorraad in de stad was, besloten had, de veste zoo lang te belegeren, tot de burgers door den honger genoodzaakt zouden worden, de stad over te geven. Men hoopte dus op den tijd, die komen zou, en tegelijk op de hulp door den Prins van Oranje beloofd. En, Leiden had nóg iets waardoor het sterk was. Zij, die het met den Spanjaard hielden, of er mede heulden, waren met uitzondering van enkelen, uit de stad gevlucht. Het grootste deel der bevolking, sprak met minachting over die glippers en wierp al de schuld op hen, doch hunne eigen lichtgeloovigheid brachten ze niet in rekening.
Zoo werd het Vrijdag, de achtentwintigste Mei.
Tengevolge der belegering stonden handel en nering bijna geheel stil. De weverijen waren zoo goed als geheel gesloten en de brouwerijen hadden nog minder dan half werk. Het was derhalve geen wonder, dat iedereen tijd had, om overal bij te zijn, waar iets aan de hand was, of dat de mannen zich verzamelden om door allerlei gesprekken den ledigen tijd te dooden.
"Hebt gij het al vernomen, Cornelis?" vroeg Gerrit zijnen vriend, terwijl ze elkander op de Breestraat ontmoetten.
"Wat moet ik vernomen hebben?"
"Wel, dat er bij den Magistraat een brief van twee glippers ingekomen is?"
"Neen, dat wist ik niet! En wie zijn er de schrijvers van?"
"Ja, voor vaste waarheid wil ik het u niet vertellen. Men zegt, dat de brief afkomstig is uit Haarlem van Jan Adriaensz. De Wilde en Ewout Arent Gerritsz., die daar nu veilig onder Spaansche bescherming zijn."
"Ei, ei! Of ze slib zullen vangen die luiden! Wisten ze maar half hoe al de glippers tegenwoordig hier in een slecht blaadje staan, ze zouden gewis tijd en moeite besparen en niet schrijven. Doch ik heb ook iets! Weet gij al wie onze Overste zal worden?"
"Neen, maar ik kan gauw namen noemen. Is het Jan van Duivenvoorde, Andries Schot, Bart Havicksz., Nicolaas Dircksz. van Montfoort, Jonker Jacob van der Does of zijn neef Jonker Johan van der Does?"
"De laatste is het!"
"Maar is dat wel waar? Hij is nog zoo jong! Hij is vast de jongste van al de Hoplieden! Zou hij wel al dertig jaar oud zijn?"
"Hij is nog maar achtentwintig; maar wat beteekent het of hij jong of oud is? Jonker Jacob van der Does wilde het op zijnen vergevorderden leeftijd niet meer zijn. Hij zag er tegen op, en zeide, dat hij niet gehard was tegen den arbeid, daaraan vast, om bij nacht en bij ontijde langs de straat en op de vesten, waar de nood roept, de voorste te wezen. En heeft hij geen groot gelijk? Vader zegt ook, dat we een jong, krachtig, vroed en dapper man moeten hebben. En dat is Jonker Johan van der Does, die de kaas niet van zijne boterham zal laten halen; want hij heeft op zijn musket laten graveeren:
"Laet ons noch houden de wapenen in handen, Opdat de naem van Vrije Landen, Niet en gedie tot grooter schanden."
"Morgen, zal hij verkozen worden. Maar stil, daar moeten we bij zijn!"
Dit zeggende zett'en de beide knapen het op een loopen naar het stadhuis, waar eene groote menigte elkander voor de pui stond te verdringen.
"Laat hooren wat de glippers schrijven," riepen de ongeduldigsten uit den hoop.
"Ja, lees op, opdat we hooren welke schoone beloften ze ons komen brengen en welke gouden bergen ze beloven," klonk het van elders.
"Stilte dan, mannen, als ge zoo raaskalt dan kunt ge hier wel staan tot de Rijn droog geloopen is, zonder dat ge iets hoort," riep Van Hout, die zich belast had met den inhoud van den brief bekend te maken.
De nieuwsgierigheid legde allen het zwijgen op en daar klonk het:
"Mijn heeren, die sonderlinghe affectie ende liefde die wij dragen tot onse vaderlicke Stad, geaccompaigneert met eene groote verschricktheyt en leedtwesen, is oorsake geweest u luyden te adverteren, te weten, dat wy versien dat myn Heeren geschapen zijn in de extreme calamtie te vallen...."
"Houd op, wij verstaan van dien poespas niets! Zeg maar waar al dat geleuter op neerkomt," lieten velen zich hooren.
"Welnu dan, eerzame burgers der vroede stad Leiden," hernam Van Hout, "de geheele zaak komt hierop neer, dat zij ons aanmanen, ons aan den goedertieren Koning van Spanje te onderwerpen, daar we uit gebrek aan leeftocht, vroeg of laat, ons toch zullen moeten overgeven. Verder hebben ze een goed woordje voor ons gedaan bij Mijnheere van Licques een seer beleeft, discreet en verstandich Heere," en ze eindigen met den wensch: "Biddende God den Heere, dat hem gelieve u E. te inspireren sijne Goddelicke gratie, teneynde ghy mocht hebben 't gerechte verstant om alsulcken uyre, die u tot deser tijdt so avantagieus is, niet te willen met quade perseverantie laten passere!"
"Daar moet een antwoord op gegeven worden, dat klinkt als eene klok," zei Van Keulen, zoodra Van Hout zich verwijderd had, en bijna ieder was het met hem eens. Maar waarin ze het niet eens waren, dat was in den tijd van verzending van het antwoord. Deze wilde het op staanden voet, die stelde voor er eens rijpelijk over na te denken, en gene meende, het had al den tijd.
Zóó regeerde het volk op zijne manier mede, en hoewel, vooral gedurende de belegering, de Magistraat zich wel eens richtte naar de algemeene wenschen van het volk, nu had hij reeds een besluit genomen, want spoedig werd het bekend, dat de Regeering besloten had, reeds den volgenden dag den brief te beantwoorden en wel zoo, dat de Glippers begrijpen zouden, dat men binnen de stad niet naar hunnen raad beliefde te luisteren.
Hiermede was bijna iedereen tevreden en na nog een en ander met elkander besproken te hebben, ging de menigte uiteen en verstrooide zich in de straten.
Reeds vroeg op den Zaterdagmorgen was men weer op de been om den nieuw gekozen Overste, zoodra deze van het stadhuis zou komen, te begroeten.
Maar instede van Jonker van der Does naar buiten te zien komen, kwam Van Hout door eene der hoofddeuren op de pui te voorschijn.
"Geef acht," riep de reeds meermalen genoemde Willem Cornelis Speelman, "daar komt reeds het antwoord van de Glippers!"
"Ei, hoor me dien stoethaspel eens aan," zeide een, die naast hem stond. "Neen, Meester, gij slaat den bal heelemaal mis, man! Maar zeg, hebt gij nog duifkens te koop, van die briefdragerkens, meen ik! Ik wilde...."
"Och, houd toch den snater over duifkens en briefdragerkens! Luister, liever wat ons medegedeeld zal worden, daar hebben we meer belang bij," zeide Van der Morsch.
"Goede en lieve burgers der vroede stad Leiden," riep Van Hout, "de huidige dag bracht ons andermaal eenen brief!"
"Laat hooren, laat hooren," joelde de menigte.
Langzamerhand werd de woelende menigte bedaard. Het gegons, gebrom en geschuifel verminderden, en toen alles stil was, klonk het:
"Aen den Burgher-Meesteren, Regenten en de Raedt der Stad Leyden.
"Lieve 'ende seer beminde Heeren ende Vrunden, ick gebiede mijn t' uwer liefden, 't selve adverterende dat ick een brieve bestelt hebben ter handen van Cousyn Gerrit Jansz. De Man, den welken ik...."
Hier werd de lezer genoodzaakt te zwijgen door het vervaarlijk geschreeuw van:
"Een Glipper! Een nieuwe Glipper! Aan de galg met hem!"
Van Hout maakte allerlei bewegingen om het volk tot bedaren te brengen, en eindelijk schreeuwde hij, zoo hard hem zulks mogelijk was: "Hij is geen Glipper, want zelf heeft hij den brief ongeopend den Magistraat terhand gesteld."
"Zeg ons van wien en vanwaar de brief komt," riep er een.
"De brief komt uit Leiderdorp en is van Gerrit Hoochstraten. Hij schrijft ons, dat hij op bevel van de Spaansche Hopluiden ons den voorslag doet, de stad over te geven. Verder zegt hij nog, dat de Drossaard van Wedden en Gerard van Sighem op hand en tand beloofd hebben, dat er niet meer dan twee vendelen knechten in de stad zullen komen, en dat wij, zoo we geene Spanjaarden begeeren, Duitschers kunnen krijgen. De Drossaard presenteert zijn eigen persoon te stellen tot uwer verzekerheid. Maar onze nieuwe Overste heeft hierop heel eenvoudig geantwoord: "Fistula dulce canit, volucrem dum decipit auceps", dat beduidt: "De vogelaar lokt het vogelken met zoet gefluit".
"Dat is mooi gezegd en kort ook! Bij Sint Pieter, die Jonker van der Does is een man naar ons hart," riepen een paar stemmen.
"Leve van der Does!" klonk het hierop uit Van Schaecks mond, en het volk herhaalde dien juichkreet.
Toen het volk vernomen had van welken inhoud de brieven der Glippers waren en wat men daarop geantwoord had, gingen velen naar de Cloveniers-doelen om daar in handen van Meester Diederick van Bronckhorst, die door den Prins tot Stadvoogd benoemd was, en van Schout, Burgemeesters en Schepenen, den eed van getrouwheid af te leggen. Men schijnt hiertoe gekomen te zijn, omdat men vreesde, dat het volk al heel spoedig tot ontevredenheid zou overslaan, daar het niet lang zou duren of er zou honger geleden worden. Vandaar is het mogelijk wel, dat velen weigerden dien eed te doen, en dat de Regeering de oproeping herhalen moest, met bedreiging van straf, als men er nu nog geen gevolg aan gaf. Om de ontevredenheid der minderen geen voedsel te geven, werden al de weilanden, die in den naasten omtrek van de stad lagen tot algemeen gebruik verklaard en al het vee moest des avonds in de stad gebracht en overdag door wachters beschermd worden tegen eenen overval der Spanjaarden, die al zeer dicht onder de wallen lagen. Voor dat weiden van vee moest men, al had men zelf eigen weiland erbij, geld betalen en iedere veehouder was verplicht op het stadhuis aan te geven hoeveel koeien, kalveren, paarden, geiten of varkens hij had. De prijzen van melk, boter, kaas, rogge-, gerste- en tarwebrood werden vastgesteld en niemand mocht zijne handelswaren onder of boven die prijzen verkoopen. Was er verder reeds vóór het beleg besloten om eene burgerwacht te paard op te richten, teneinde als ruiterij bij eenen uitval dienst te kunnen doen, nu werd er aan dat besluit gevolg gegeven, hoewel er niet ten onrechte zeer velen waren, die niet begrepen, wat zulke onervaren ruiters zouden kunnen doen. Het bleek dat de twijfelaars gelijk hadden, want de ruiterij heeft niets gedaan dan gedurende eenige dagen de wacht houden in de straten. Van meer belang was het dat men iederen Leidenaar, die de wapenen dragen kon, als verdediger der veste bij eene afdeeling schutterij indeelde, terwijl men de varensgezellen eene afdeeling vrijbuiters liet uitmaken.
Gerrit Verlaen of Leeuwke liet zich als schutter in een der vendels inschrijven, doch Cornelis Joppensz. bleef bij zijnen Pleegvader, die liever vrijbuiter wilde zijn. Het duurde echter niet lang of schutters en vrijbuiters deden, al naar het zoo uitkwam, denzelfden dienst.
"Er wordt toch heel wat gedaan, Vader," zeide Cornelis toen hij des avonds met zijne Pleegouders, broeders en zusters aan de tafel zat om het avondmaal, dat bestond uit roggebrood in de wei gekookt, te nuttigen.
"Ja, jongen, heel wat," sprak de Vader. "Één ding is maar jammer."
"Wat, Vader?"
"Dat het mosterd na den maaltijd is. Hadde men terstond na het eerste beleg gedaan, wat men nu doet, dan zouden de acht- of negenduizend Spanjaarden, die nu de stad bijna geheel insluiten, jaar en dag kunnen belegeren zonder de stad te krijgen. Maar nu? Neen, Cornelis, nu voorzie ik onuitsprekelijke ellende of--Leidens val, waarop dan Hollands ondergang volgt."
Terwijl de Vader dit zoo zeide, zuchtte de Moeder luid, en zwak klonk hare stem: "En alles is zoo duur en niets wordt verdiend. Wat er nog opgehaald werd tusschen Maart en Mei is schoon weggegaan met het betalen der schulden in het eerste beleg gemaakt. Hier hebben we half genoeg voor ons allen en toch voor meer geld dan veertien dagen geleden. Waar moet het heen?"
"Waar moet het heen?" werd in alle wijken, in alle straten, in alle huizen vernomen. Men hoorde den rijke zoowel als den arme telkens met eenen diepen zucht die vraag doen en nog eens doen: "Waar moet het heen?"
NEGENDE HOOFDSTUK.
Mislukt Zondags-werk.
Het was een verrukkelijk schoone zomernacht. De maan was zoo even opgekomen en wierp haar zacht licht door de straten van Leiden en over de schansen der belegeraars.
Op de wallen werd eene scherpe wacht gehouden, en zoo vinden we in den voornacht tusschen den derden en vierden Juni, tusschen de Hoogewoerds- en Koepoort, een jong musketier heen en weer loopen, nu en dan eens stilstaande om naar buiten te kijken. Hij moest toch zorgen, dat de vijand niet in alle stilte onverhoeds de wallen beklom.
Die jonge musketier was Leeuwke, en dat hij wat moest zien, bleek uit zijn staren in de richting tusschen de Jaep-Claesz-schans en de half voltooide Lammenschans, die reeds bij het eerste beleg opgeworpen was aan den water-viersprong, gemaakt door de ontmoeting van de Roomburger watering en de Zoeterwoudsche vaart, die beide daar ter plaatse in eenen sterken bocht van den Vliet vielen. Was deze schans eenmaal voltooid en bezet, dan zou de voornaamste waterweg van Leiden naar het zuidelijk deel van Holland, dat nog niet aan de Spanjaarden onderworpen was, gesloten zijn. Aan de vaarten en wateringen naar het Haarlemmermeer had men zoo goed als niets, omdat Haarlem en Amsterdam in de macht der Spanjaarden waren.
De stilte, waarbij Leeuwke in de verte getuurd had, werd eensklaps afgebroken door zijn gefluister: "Bedriegen mijne oogen mij nu, of zie ik daar werkelijk wat tusschen het gras der hooiweiden bewegen?"
Hij keek nog wat scherper en mompelde toen: "Neen, nu zie ik het duidelijk, het is een man, die voortschuifelt."
De man naderde steeds meer en bevond zich weldra aan de overzijde bij de gracht.
"Wie daar?" riep Leeuwke.
"Goed volk," antwoordde een man.
"Goed volk, goed volk! dat zei de dief ook, en haalde Krelis Louwens' hammen uit den schoorsteen. Wie zijt gij? en van waar komt gij?"
"Nu, het mag gezegd wezen, dat ge wakker op uwen post staat, Leeuwke! Laat me maar gauw binnenkomen eer de Spanjaard me nog terug komt halen!"
"Maar wie zijt ge dan toch?"
"Voor den satan, jongen, kent gij dan Jan Claesz. Boon niet meer?"
"Ha! zijt gij die? Hadt me dat maar dadelijk gezegd! En vanwaar komt ge?"
"Ik kom rechtstreeks van den Prins en heb goede tijding, die Leiden opvroolijken zal! Maar het is kunst en vliegwerk de Spaansche wachten voorbij te komen! Die kerels hebben kattenoogen en hondenneuzen!"
Leeuwke riep nu hierop iemand van de wacht, die onzen bode de Koepoort zou openen.
Nauwelijks was Boon in de stad, of hij liep, wat hij loopen kon, naar de Hooglandsche Achtergracht en liet den klopper op de deur van Pieter Adriaensz.' huis vallen.
Het duurde vrij lang eer hem werd opengedaan.
"Is de Burgemeester nog te spreken, vrijster?" vroeg hij.
"Jawel, maar op dit uur? Ik geloof, dat...."
"Ik geloof dat, als ge zegt, dat Jan Claesz. Boon in de stad terug gekomen is met brieven van den Prins en eene goede tijding op den koop toe, dat ik oogenblikkelijk binnen mag komen!"
De meid ging heen en het was, zooals Boon gedacht had.
De Burgemeester stond hem terstond te woord. Ja, hij deed meer dan dat. Onverwijld zond hij Boon naar een paar andere Leden van den Magistraat, den Secretaris Jan Van Hout en naar Jonker van der Does om hen op het stadhuis te ontbieden.
Toen dezen verschenen waren, werden eerst de brieven van den Prins gelezen en vervolgens het goede bericht.
"Laat de klok luiden!" riep Pieter Adriaensz. "Vannacht nog zal de burgerij weten, wat er in Zeeland gebeurd is!"
Dat gelui klonk vreemd in het midden van den nacht.
Verschrikt stonden de menschen op en vroegen of er brand was.
"Neen, geen brand!" riep een, terwijl hij al vast voortliep. "Boon is met brieven van den Prins en nog eene goede tijding in de stad aangekomen!"
Half aangekleed stond het volk zich voor het stadhuis te verdringen, en toen Van Hout op de pui verscheen, begon er al ras gevaar te bestaan, dat velen onder den voet zouden komen, zoo trachtte ieder toch van nabij te verstaan welke die goede tijding was.
Juist was Leeuwke afgelost toen het klokgelui begon en, zijn musket in eenen hoek van het wachthuis zettende en de lont uitdoovende, liep hij, eigenlijk tegen het bevel in, terstond de Hoogewoerd op en kwam, buiten adem, eindelijk voor het stadhuis toen er bijkans nog niemand was. Daardoor was hij een van de voorsten en kon hij uitmuntend verstaan wat Van Hout bekend maakte.
"Goede lieden," dus begon hij, "zoo even is Jan Claesz. Boon in de stad terug gekomen met brieven van den Prins. Zijne Vorstelijke Genade betuigt daarin haren dank, dat gij, zoo vol vertrouwen op het recht der goede zaak, besloten hebt, deze, uwe veste te verdedigen. Al wat in het vermogen van den Prins is zal hij doen om de Spanjaarden te noodzaken, het beleg op te breken."
Een ontevreden gemor ontstond, want voor eene herhaling van wat men wist, was het toch niet noodig, de menschen uit hun bed te luiden.
"Maar er is nog beter nieuws," vervolgde Van Hout. "Den dertigsten der vorige maand hebben die van Vlissingen eene schitterende overwinning op de Spanjaarden behaald. Op Zondagmorgen van den Pinksterdag heeft van Boisot met zijne Geuzenvloot de Spaansche schepen, onder den Vice-Admiraal Adolf van Heemstede, bij Antwerpen aangetast. De Geuzen hebben wonderen van dapperheid verricht. Van de tweeëntwintig schepen des vijands zijn er slechts acht overgebleven, de overigen zijn verbrand of prijs gemaakt, ja, men heeft den Vice-Admiraal zelfs gevangen genomen! Ge ziet, burgers, de vijand is niet onoverwinnelijk, en de onzen toonen, dat ze den Spanjaard niet meer behoeven te vreezen! Houdt moed, burgers, God zal met onze goede zaak zijn! Wij zullen zegevieren! Zoekt thans weder uwe slaapsteden op en droomt van Leidens kloeke volharding in dagen van strijd en nood!"
"Wat zegt ge daar nu van, Cornelis?" vroeg Leeuwke, die zijnen vriend weldra gevonden had.
"Wat ik daarvan zeg, Gerrit? Ik zeg er dit van: "Laten die malle Glippers nu voortaan maar zwijgen, en niet meer zeggen, dat wij ons moeten overgeven, omdat de Spanjaarden toch zooveel sterker zijn dan wij! Mijne hand jeukt, als ik denk hoe de Watergeuzen onder die Spanjolen hebben huisgehouden! Ware ik er ook eens bij geweest, wat ik dapper zou mee gedaan hebben!"
"Nu, ik ook! Maar wil ik u nog eens wat nieuws vertellen? Jonker van der Does heeft een goed oogje op mij en hij heeft mij vanmiddag gezegd, dat ik, als er eens boodschappen buiten de stad moeten gedaan worden, ook wel eens zal mogen gaan. En weet gij waaraan ik dat meevallertje te danken heb?"
"Neen! Hoe zou ik dat weten?"
"Hij heeft me eens buiten met andere knapen slootje zien springen en toen heeft hij verbaasd gestaan, dat ik voor niet ééne sloot staan bleef, maar over alle heensprong, met een loopje zoowel als met eenen verrejager (polsstok)."
"Ei, dan komt het toch te pas, wat gij geleerd hebt, al zeide Meester Pieter Willemsz., de barbier ook eens: "Aap van eenen jongen, gij wordt nog eens verdronken thuisgebracht." Ik zou ook wel graag boodschappen buiten de stad willen doen. Ik vind het daar buiten in het vrije veld toch prettiger dan altijd in de stad."
"Nu, wacht uwe beurt maar af; we zijn de Spanjaarden nog lang niet kwijt. Nog iederen dag worden er nieuwe schansen aangelegd en uit alles blijkt het, dat Valdez de stad door uithongeren tot de overgave dwingen wil."
"Het is waarlijk niet te hopen, want nu reeds begint bij sommigen, en ik durf gerust zeggen bij ons ook, Schraalhans keukenmeester te worden. Wordt de belegering lang volgehouden, dan sterft de halve stad van honger."
"Maar daar heb ik geen plan op," antwoordde Leeuwke.
"Ja, geen plan, geen plan! Als er niets te schransen valt, dan moet men wel vasten."
"Ik vasten? Maar gij begrijpt toch levendig, dat ik dat niet doe! Als er geen eten meer in de stad is, ga ik het bij den Spanjool halen?"
"Ei, ei, hoe moedig! We zullen zien, als het zoo ver komt, wat gij dan doet, kameraad! Maar ik ben hier vlak voor mijn huis en daar ik vrij-man ben, ga ik nog wat slapen! Dag, schutter!"
"Wel te rusten, slaapbol," riep Leeuwke vroolijk en zocht zijn wachthuis weder op.
Nauwelijks was hij aangekomen of hij vernam, dat Jonker van der Does er geweest was, en dat die naar hem gevraagd had.
"En heeft hij geene boodschap achtergelaten?" vroeg Gerrit, die eigenlijk wel wat in den knoei zat.
"Ja, hij heeft gezegd, dat ge na afloop van de wacht eens bij hem aan huis moest komen," was het antwoord.
Met brandend ongeduld wachtte de knaap het uur af, dat hij vertrekken kon, en toen dat geslagen was, haastte hij zich om te vernemen, wat zijn Overste hem te zeggen kon hebben, waarbij, naar het scheen, zulk eene haast was.
"Zoo, Gerrit, zijt gij daar? Dat is goed, jongen! Ik heb iets heel gewichtigs te vragen. Zijt gij gauw bang?"
"Voor alles, wat vleesch en beenderen heeft, niet, Overste; maar voor geesten...."
"Met geesten zult ge niets te maken hebben! Ge weet dat door het onverwachte beleg verscheidene burgers, die op reis waren, buiten de stad gesloten zijn, niet waar?"
"Dat weet ik, Overste! Daar heeft men onder anderen Thijsz. den goudsmid, Liefkens den wever uit de Baaihal, Geert Soet den timmerman...."
"Juist, om Geert Soet is het te doen. We hebben van Geert bericht gekregen, dat hij van plan is om te Ter Gouw eenige schepen uit te rusten, ten einde ons hiermede van leeftocht te voorzien. Nu heeft hij gevraagd of wij hier uit de stad hem wilden doen weten, wanneer wij gereed zouden zijn, hem te helpen. Hij zou de Spanjaarden bij de schans te Zwieten aanvallen, terwijl wij met de schepen onzer vrijbuiters den Rijn zouden opvaren om hem bij te staan. Zoudt ge nu naar Ter Gouw durven gaan en hem de boodschap brengen, dat wij op Zondag, dus overmorgen, met den noen zullen vertrekken?"