De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood

Part 5

Chapter 54,067 wordsPublic domain

Zoo bleven ze nog eenigen tijd met elkander praten en het was al laat in den middag toen Van Keulen heenging.

Gedurende dit gesprek was Gerrit niet aanboord geweest. Hij had geholpen om eene vrij kleine tentsnebbe door de brug te wringen en was daartoe met zooveel jongens aanboord gegaan, dat de kleine schuit bijna zonk. Hun werk was vergeefsch geweest en de schipper lag weer voor de brug.

Na het gewone avondeten wilden Van Schaeck en Gerrit reeds naar de kooi gaan toen Schipper Van Keulen nog eens kwam om te vragen of Cornelis hier ook was.

"Neen," zei Van Schaeck. "De jongen is voor den middag reeds hier geweest en toen uitgegaan om Gerrit te zoeken, maar Gerrit is al lang thuis en heeft Cornelis niet gezien."

"Dan zoekt hij me zeker nog, schipper! Er zit nu niets anders op dan dat ik op mijne beurt hem ga opzoeken. Hij kon wel eens een ongeluk gekregen hebben."

"Dat is goed, jongen, maar als gij hem om twaalf uren nog niet gevonden hebt, dan moet gij naarboord terugkeeren, zult gij? Anders gaat Cornelis u weer zoeken, en dan komt er nooit een einde aan."

"Goed, Schipper," sprak Gerrit en was weldra in het duister verdwenen. Eerst meende hij in de richting van het eilandje te gaan, waar hij het gesprek had aangehoord; doch hij bedacht zich en geloofde dat hij hem wel ergens anders vinden zou. Hij sloeg derhalve den weg in naar de schans waarin eenige Engelschen lagen om den Spanjaarden te beletten uit Utrecht hunnen weg langs den Rijn te nemen en zoo Holland binnen te dringen. Eene dergelijke sterkte had men ook aan de Gouwesluis.

Donker staken de wallen der kleine schans, die te midden van laaggelegen, vlakke weilanden was opgericht, tegen den kalen omtrek af. Men had hier niet, zooals om Leiden, voor het eerste beleg, alle gebouwen doen afbreken en alle boomen doen uitroeien om den vijand geene schuilplaats te verschaffen. Het was vanzelf vlak en onbebouwd geweest.

Leeuwke was er nog een goed eind van verwijderd toen hij onverwachts uit eenen slootkant hoorde roepen: "Sst, buk u, ga in het gras liggen!"

"Zijt gij dat dan, Cornelis?" vroeg Gerrit op zachten toon en wel wat verschrikt door het onverwachte geluid.

"Ja, dat ben ik; maar doe nu wat ik zeg!"

Leeuwke bukte zich en kwam bij zijnen vriend aan den slootkant; maar vroeg natuurlijk waartoe die grappen toch moesten dienen.

"Het zijn geene grappen," antwoordde Cornelis, "daar ginds in of bij de schans gebeurt iets, dat niet goed is. Ik heb binnen Utrecht eenen zekeren Spanjaard, Don Martin D'Ayala, leeren kennen, en dien heb ik vanmiddag, toen ik u ging zoeken, hier als een gewoon poorter, die in linnen handelt, zien ronddwalen. Ik ben hem overal nageslopen, doch dat ging zoo gemakkelijk niet, want hij gaf zijnen oogen goed den kost. Toch heeft hij mij niet gezien en toen het goed en wel donker was, heeft hij den heerweg verlaten en is naar de schans gegaan. Hij is daar nu binnen. Kom bij me, dan kruipen we voorzichtig langs den kant zoover we kunnen komen. Ik weet, dat deze sloot uitkomt in de gracht, die om de schans ligt. Wie weet, wat we hooren, en waarmede we den lande van dienst kunnen zijn!"

De twee jongens kropen nu achter elkander en bereikten, zonder door den schildwacht gezien te worden, de gracht.

Reeds meer dan een half uur hadden ze daar gelegen en reeds wilde Leeuwke, die van dat luisteren des middags al genoeg genoten had, en bovendien lang zoo veel geduld niet bezat als zijn vriend, zich verwijderen, doch Cornelis wist hem te beduiden, dat de Spanjaard nog niet weg was en dat hij hier dicht voorbij moest komen. Leeuwke beloofde nog vierhonderd tellens te wachten; maar dan ging hij heen, vast en zeker heen.

Eer hij echter tot tweehonderd gekomen was, hoorden de beide knapen voetstappen naderkomen en een fluisterend gesprek voeren. Ongelukkig konden de knapen niet verstaan wat er gezegd werd; want die twee spraken te zacht om zoo ver gehoord te worden. Alleen bij het scheiden hoorden ze elkander bij den naam noemen, en duidelijk verstonden beiden de woorden: "Don D'Ayala" en "Swift."

"Ziet ge wel, dat ik gelijk had, Gerrit? Ik wist wel dat die Spanjaard hier was, en ofschoon wij niet verstaan konden, wat ze met elkander spraken, toch is het meer dan genoeg, dat we weten, dat die Swift in het geheim een vriend van den Spanjaard is!"

Het brandde Leeuwke op de tong zijnen makker ook te vertellen, welk avontuur hij den verloopen middag had gehad, en dat hij dienzelfden Spanjaard reeds in vrij goed verstaanbaar Nederlandsch, een gesprek had hooren voeren met dien gluiperigen Jurrie Thijsz. Maar hij dacht aan de vermaning van Van Schaeck om er met niemand een woord over te spreken en daarom zweeg hij.

Het was al over elven toen beide knapen, erg opgewonden, aanboord terugkeerden.

Reeds stond Van Keulen gereed den zwendelaar, zooals hij hem noemde, een paar oorvijgen toe te dienen, toen Leeuwke uitriep: "Sla hem niet, schipper! Sla Cornelis niet! Wij zijn beiden zoo laat aanboord, omdat we in den dienst van den lande uit geweest zijn!"

"Wel, hoor me zulk een haan-kuiken eens kraaien," riep Van Keulen. "En mag ik van de helden weten, hoeveel Spanjolen ze in het stof hebben doen bijten?"

"Wij hebben niet gevochten, Vader," zeide Cornelis; "maar wij hebben een gesprek, dat we niet verstaan konden, afgeluisterd!"

"Komaan, dat vordert, zei Bestje van Katwijk en ze spande eene padde voor eene priksleê! En noemt gij dat nu in dienst van den lande werkzaam zijn?" vroeg Van Schaeck.

"Ja, zeker," hernam Cornelis op vrijmoedigen toon. "De een was Don D'Ayala uit Utrecht, en de andere Swift, een van de Engelsche bezetting uit de schans!"

"Mogelijk zijn ze van vroeger met elkander bekend en was het slechts eene vriendschappelijke bijeenkomst," merkte Van Keulen aan.

"Het kan zijn," riep Leeuwke, die nu opeens vergat, dat hij van het voorgevallene van den verloopen middag zwijgen moest, "het kan zijn, maar die Spanjaard is dezelfde, dien ik even na den noen in gesprek gehoord heb met Jurrie Thijsz.!"

"Hebt gij hem dan beide keeren zoo goed gezien?" vroeg Van Keulen.

"Neen, gezien niet, maar ik kon hem goed hooren," was het antwoord.

Terwijl Leeuwke dit zeide, stond Cornelis te kijken, alsof hij eenen klap van den molen had gehad, en onvoorziens trok hij zijne vriend opzijde en snauwde hem toe: "En waarom hebt gij me dat daar straks alles niet verteld?"

"Omdat ik het niet vertellen mocht," zeide Gerrit.

"Goed dat ik het weet, dat gij geheimen voor me hebt," bromde Cornelis en ging heen.

Van Keulen en Van Schaeck spraken nog met elkander af, om van een en ander, zoodra ze in Leiden gekomen waren, den Magistraat in kennis te stellen en na elkaâr een "wel te rusten" toegewenscht te hebben, gingen ze ter kooi.

Middernacht was al voorbij toen, al vreesde ze gehoord of ontdekt te worden, eene zwarte gedaante langs de huizen der Bruggestraat liep en voorzichtig aanboord eener snebbe stapte.

Het was Jurrie Thijsz., die zijne vrienden in Alfen had opgezocht, om met hen een groot deel van zijn verradersloon in bier of brangdemoris door de keel te jagen.

ZESDE HOOFDSTUK.

Twee, die vroeg op pad zijn.

Men zou zich zeer vergissen, zoo men het Leiden van 1574 wilde gelijk stellen met het Leiden van onze dagen. Voorzeker is er na dien tijd menige straat verbreed, menig huis afgebroken en weer opgebouwd en menige gracht gedempt of gegraven. Maar behalve al deze veranderingen was het Leiden van toen nog heel wat kleiner in omvang dan heden.

Gedurende de belegering was de Oude-Vest de gracht, die om de wallen der stad lag, en wanneer men van de Zijlpoort af voorbij het oude Ziekenhuis ging en dus de Oude-Vest aan de rechterhand liet liggen, dan kon men loopen tot aan het einde der Paardestraat zonder aan de overzijde der gracht iets anders te zien, dan het lage weiland in den omtrek en de torens van Rijnsburg, Warmond en Sassenheim in de verte. Neemt men nu nog in aanmerking, dat men in dien tijd eene bijzondere vergunning noodig had om aan den buitenkant der stad steenen woningen te bouwen, zoodat er dan ook maar zelden gebruik van gemaakt werd, dan kunnen mijne lezers, voor zoover ze in Leiden wonen of daar goed bekend zijn, als ze die buiten-gebouwen, die er in den laatsten tijd gebouwd zijn, afrekenen, zich een tamelijk denkbeeld vormen van Leiden tijdens de belegering.

We verzoeken hun nu, eenen dag na de monstering en den omgang der schutterij, een huis binnen te gaan, dat op het Rapenburg staat. Het is gebouwd in den smaak dier tijden en de hooge voorgevel eindigt trapsgewijze in een punt, waarop een verroeste windwijzer zijn knarsend geluid laat hooren. Hier woont Andries Allertsz., de "opperste" Hoofdman der Burger-vendels, en het is van binnen te zien, dat hij ook een der meest welgestelde burgers is.

Het is Maandag, de vierentwintigste Mei.

De verschillende geruchten, die er geloopen hebben aangaande een nieuw beleg der Spanjaarden, beangstigen de burgers niet meer, niettegenstaande mannen als Pieter Adriaensz., Van Hout, Bronkhorst, Speelman, Van Aecken, Van Keulen, Jonkheer van der Does, de Schout Hendrick Van Broeckhoven en vele anderen, hunne medeburgers en den Magistraat gedurig aanmanen, toch niet zorgeloos in te dommelen, maar een waakzaam oog te laten gaan op hetgeen er buiten Leiden zoo al voorvalt. Daarentegen doen mannen, als Pier Quaet-Gelaet, Jurrie Thijsz., ja, zelfs vele Leden van den Magistraat, die voor een deel Spaanschgezind is, hun uiterste best om iedereen gerust te stellen. En ze kunnen dat goed ook; want ze voeren redenen aan, die voor de lichtgeloovigen klinken als eene klok.

Had gisteren nog bij het verlaten der kerk Pier Quaet-Gelaet niet met nadruk gewezen op de muiterij der Spaansche soldaten, die om hunne soldij schreeuwden? En wat was er met oproerige manschappen te beginnen, tegen eene stad, als Leiden, die gedurende vierentwintig weken en drie dagen getoond had, dat ze voor de goede zaak pal stond? Valdez was een te ervaren Veldheer en te zeer op zijne eer, als Veldoverste, gesteld, om nogmaals onverrichter zake te moeten aftrekken. Het was immers meer dan dom, nu nog te gaan gelooven en te vreezen, dat de vijand zou terugkomen, en nog dommer was het, levensmiddelen op te koopen, de pakhuizen er tot het dak mede te vullen en de burgers, die duur te laten betalen om ze naderhand, ten deele bedorven, voor eenen appel en een ei van de hand te doen.

"Neen, maar hoor eens," riep een dikke bierbrouwer, "onze Pieter Van Wezel spreekt als een boek, en ze kallen als de oude wijfkens uit het Sint-Elisabeths-gasthuis, die van een nieuw beleg spreken!"

"Er zijn toch altijd nog verstandige koppen, die verder kijken dan hun neus lang is," dus klonk nu de stem van Jurrie Thijsz., die natuurlijk hier ook te vinden was. "Ik zeg: het is meer dan schande!"

"Wat is er meer dan schande, schipper?" vroeg Neeltgen Dirksdochter, de warmoesvrouw, die overal te vinden was waar men aan het vechten, razen of schelden was.

"Dat men eerlijke lieden, die met de penningen der arme burgerij, die gedurende dezen winter zooveel geleden heeft, zuinig wil zijn, verdenkt van heulen met den Spanjaard. Zoo wordt de arme Pieter Van Wezel, die nu als zoetelaar een armzalig stuk broods verdient, door die opmakers van het geld, als een schelm, nagewezen en van allerlei booze dingen beticht."

Pieter Van Wezel, die gemaakt had, dat hij ook bij dit oploopje was, zette een onnoozel gezicht en zeide zuchtend: "Het is zooals Jurrie Thysz. zegt, menschen! Ze vertellen dat ik met den Spanjaard heul en disschen allerlei grove leugens van mij op. En ik vraag allen of er iemand meer redenen heeft om den Spanjool te haten en te verwenschen dan ik. Ik had een spaarduitje voor den ouden dag en nu moet ik zoetelen voor mijn brood en mijn geld is op. Dat is de schuld van den Spanjool en daarom roep ik, misschien nog welgemeender dan die wederdooper van eenen Pieter Adriaensz., die hemel en aarde beweegt om de duiten te mogen opmaken: "Weg met den Spanjool! Leve de vrijheid!"

"Weg met den Spanjool! Leve de vrijheid," brulde de menigte hem na.

"Nu hoort gijlieden het van den man-zelven," riep Jurrie Thijsz., "van welk geloof hij is. En zooals hij is, ben ik ook. Maar gij moet weten, waarom ik hier zoo stout spreek. De Spanjaard kan geen beleg voor onze stad slaan, omdat al de vendels aan het muiten zijn. Sommigen hebben zich reeds eenen Electo gekozen...."

"Wat is dat voor een man?" vroeg een uit den hoop.

"Dat is een Keur-overste, dien de soldaten zelven kiezen uit hun midden, als ze oproermaken om de achterstallige soldij."

"Zulk eenen Electo hebben ze te Utrecht wel gekozen, nu een paar jaar geleden, doch in den laatsten tijd heb ik er niets van gehoord," zeide Cornelis Otten, die boterkruier van beroep was.

"Och, man, waarvan zoudt gij hooren?" vroeg Jurrie Thijsz. "Gij komt immers nooit verder dan de Boterwaag? Wat ik zeg is waar, want...."

"Is niet waar," herhaalde Otten, wien het verveelde, dat Jurrie Thijsz. daar onwaarheden stond op te disschen.

De omstanders stoorden zich echter niet aan die tegenspraak en riepen: "Ga verder, Jurrie! Stoor u niet aan iemand, die door Van Hout betaald wordt om ons nog armer te maken dan wij al zijn."

"En behalve dat," vervolgde Jurrie, "is er twist tusschen Valdez en Graaf de la Roche, zoodat iedereen, die maar een aasje gezond verstand heeft, begrijpen kan, dat de Landvoogd dien twist tusschen twee Legerhoofden eerst bijleggen moet eer hij aan eene belegering denken kan."

"Glipper! Glipper! Heeft Don D'Ayala je al die leugens te Alfen verteld?" klonk opeens eene jongensstem. "Gij zijt een verrader, Jurrie!"

"Wie durft me daar voor verrader schelden?" galmde Jurrie Thijsz. "Ik roep allen tot getuigen of ik mijn Vaderland en Leiden niet lief heb. Hij, die dat roept, is zelf een verrader!"

"Ja, ja, een verrader," joelde het volk en toen allen reeds zwegen, klonk de machtige stem van den dikken bierbrouwer nog boven al het gegons der menigte uit: "ja, ja, een verrader!"

Ge zult zeker wel al begrepen hebben, dat het Gerrit Verlaen was, die den huichelenden poorter zulk eene brutale vraag deed. Doch toen hij zag, dat de volksgeest ten voordeele van den woordvoerder was, haastte hij zich een goed heenkomen te zoeken; want bleef hij, dan liep hij groot gevaar met eene goede dracht slagen bedeeld te worden.

Dit nu was gisteren bij gelegenheid van den optocht en de blijde feesten, die er mede vergezeld gingen, voorgevallen, en daarom vinden we Van Schaeck en Van Keulen in de voorkamer van den Burger-Kapitein om met dezen middelen te beramen, teneinde die Spaanschgezinde woordvoerders in hun doen en laten wat na te gaan en in toom te houden.

"Het is, eilaci, maar al te waar, dat vele leden der Regeering slapen of heulen met de Spanjaarden," klaagde Allertsz. met eenen diepen zucht. "Waar is het, dat de nieuwe Landvoogd veel doet om het volk te behagen. Maar waarom doet hij dat? Omdat hij een zoo nobel en vroom karakter heeft? Neen! Omdat hij een wit voetje aan het Hof van Koning Filips wil krijgen? Neen! Maar weet ge waarom? Weet ge waarom hij bemiddeling zoekt tusschen den Koning en de Nederlandsche burgers? Waarom hij het standbeeld van Duc d'Alv heeft laten omver halen? Omdat hij geen geld heeft om zijne soldaten te betalen, en de Koning vooreerst geen plan schijnt te hebben aan de billijke eischen van Requesens te voldoen. Maar let wel, zoodra hij zijnen muitenden troepen de handen kan vullen, en hij daardoor vrijer spel heeft, dan zult gij zien, dat hij de slapers op eene geduchte wijze wekken zal!"

"Maar is er dan toch niets aan te doen, Heer Kapitein, om den Magistraat tot andere gedachten te brengen? Zou Burgemeester Pieter Adriaensz....."

"Wat zal ik u zeggen? Deze wil wel, maar hij kan niets, Van Schaeck! Heeft hij er in de afgeloopen week nog niet andermaal op aangedrongen, dat men stadswerkers zou uitzenden om de schansen te slechten, opdat de Spanjool, mocht hij wederkomen, de gebraden visschen voor zijn avondmaal niet gereed zoude vinden? Maar, het was om niet; de Vroedschap laat zich om den tuin leiden door de zuinige ingezetenen, die op hunne beurt weer door enkele verraders zich laten bepraten. O, het is om dol te worden!"

"Maar de Prins, zou die niet te bewegen zijn iets in deze te doen?" vroeg Van Keulen.

"Ja, de Prins wil ook wel; maar gij weet toch, dat hij nog altijd met de afdeeling krijgsvolk, waarmede hij zijne broeders wilde bijstaan, in de Bommelerwaard vertoeft? Maar toch wil ik me morgen derwaarts op reis begeven, dan zal ik hem beter van een en ander op de hoogte kunnen brengen, dan dat ik zulks schrijf. Daarenboven is zulk een bericht aan geenen brief toevertrouwd. Wees daarom zoo goed, Van Keulen, en zeg uwen Cornelis, dat hij mij morgen ochtend vóór drie uren wekt, dan ga ik met de Rotterdamsche tentschuit mede!"

Nadat Van Keulen beloofd had, dat hij er voor zorgen zou dat Cornelis hem kwam wekken, gingen de beide mannen heen.

Zij namen hunnen weg langs de Breede-straat en wilden juist de Maarsman-steeg ingaan, toen ze voor het stadhuis eenige burgers zagen staan.

"Daar heb je Barend Cornelissen," riep er een uit den hoop, "die zal ons zeggen, wat hij raadzaam en oorbaar acht. Zullen we de schansen slechten en levensvoorraad innemen, òf wel de schansen in wezen en de pakhuizen meer dan half ledig laten?"

"Dat behoeft men mij niet te vragen," antwoordde de aangesprokene. "Gijlieden weet, dat ik met hart en ziel voor het eerste ben, omdat ik vrees, dat de Spanjaard zal terugkomen op een oogenblik, dat we hem het minst verwachten!"

"Ei, hoor me daar zulk eenen geleerden bol eens aan! Een schippersknecht op eene tentsnebbe, die aan brandhout geen papieren gulden waard is, verbeeldt zich den Magistraat en der Overheid wetten te mogen stellen," liet sarrend een zich hooren.

"Ik stel geene wetten," riep Van Keulen. "Gijlieden vraagt mijn gevoelen, en dat zeg ik u, open, rond en onbewimpeld. Maar onthoud, wat ik u zeg! Eens zal de dag komen, de Heer gave, dat ik onwaarheid mochte spreken, dat ge zeggen zult: "De schippersknecht van eene ellendige tentsnebbe heeft op zijne reizen van Leiden tot Utrecht en terug, ooren en oogen den kost heeft gegeven. Maar als gij een dwaas antwoord hebt verwacht, waarom vraagt gij mij dan wat?"

"Schippers zien altijd spoken en vreemde gezichten," riep de bierbrouwer luid lachend. "Wij wilden maar eens weten welk spook gij nu alweer gezien hebt."

Het gelaat van Van Keulen nam eenen vreeselijken ernst aan en onheilspellend klonk zijne stem door de menigte: "Gij hebt gelijk! Ik zag een spook. Het zweefde over Leiden en droeg een zwart vaandel en daarop stond in witte letters: pestilentie, honger en dood. Het was het hongerspook."

Hoe spotachtig men gezind was, de bijgeloovige menigte ontroerde bij die woorden, en het kostte den Spaanschgezinden heel wat moeite om door grappen en kwinkslagen de ontroering te verdrijven, en nog waren ze hiermede druk bezig toen die beide mannen ernstig en nadenkend hunnen weg vervolgden. Het volk bleef intusschen wachten op het besluit van de Vroedschap en dat was: "Het slechten der schansen is voorloopig uitgesteld tot eene volgende bijeenkomst."

Tot eene volgende bijeenkomst! Hoe weinig vermoedden die Vroede mannen, dat eene volgende bijeenkomst zou gehouden worden in eene rondom ingeslotene veste!

Ondertusschen verliep de Maandag en onze Cornelis Van Keulen was vroeg ter kooi gekropen om op de gestelde uren in den nacht de burgers te gaan wekken, die hem zulks bevolen hadden.

Een donkere, bewolkte nacht was het toen hij zich op straat begaf. Geheel Leiden lag nog in zoete rust en nergens was eenig leven te ontdekken dan hier en daar honden of katten, die men vergeten had in te laten.

"Nu zal ik eerst Kapitein Allertsz. gaan wekken," fluisterde hij in zichzelven, "en dan ga ik den naasten weg langs de Achtergracht, door de Nonnensteeg voorbij het Convent van de Witte Nonnekens, dan ben ik er gauw!"

Eensklaps hoorde hij in de verte achter zich den driftigen tred van eenen man, die haast scheen te hebben.

"Ik wil weten wie er zoo vroeg uit de veeren gekropen is," mompelde de jongen en ging achter eene steenen bank liggen. Weldra was de voetganger hem voorbij geloopen, doch hij liep zóó snel op zijne teenen voort, en het was zóó donker, dat Cornelis niet onderscheiden kon wie het was.

Langzamerhand kreeg de liefhebber van eenen mondvol frissche morgenlucht minder haast en liep in bedaarden tred verder.

Cornelis besloot hem zoo dicht mogelijk op de hielen te blijven. Eindelijk bleef de man voor het vervallen Convent der Witte Nonnekens staan, en liet zoo zacht mogelijk den klopper op de hoofddeur vallen.

"Ge komt vroeg, kompeer," zei de man, die eindelijk opendeed.

"Toch niet te vroeg om Don Martin D'Ayala te verzoeken zoo spoedig mogelijk met mij mede te gaan om hem buiten de poort te brengen; want enkele luiden staan hier vroeg op," was het antwoord van den klopper, die door Cornelis dadelijk herkend werd, als Pier Quaet-Gelaet.

Een paar minuten later begaven twee mannen zich op weg in de richting van de Steenschuur op den voet gevolgd door den wakkeren schippersjongen. Bij het Convent Schagen, achter Maredorp niet ver van de Marepoort, scheidden ze van elkander.

"En kan ik mijne vrienden dus gerust stellen, Senor?"

"Ik heb u immers gezegd, dat we morgenochtend om dezen tijd voor de stad zullen liggen! Een Spaansch Edelman liegt niet en is geen verrader, ellendige poorter," was het antwoord van den trotschen Don, die den verrader gebruikte om zijn doel te bereiken, maar hem inwendig haatte.

Pier Quaet-Gelaet ging heen en floot van nijdigheid een geuzenliedje, en een zacht geplas aan de overzijde van den wal bewees, dat de Spanjaard buiten de stad en in veiligheid was.

Thans wist Cornelis genoeg en ziende, dat Pier naar zijn huis ging, besloot hij, door een paar straatjes om te loopen, hem onverwachts tegen te komen. Dit gebeurde dan ook.

"Goe-morgen, Van Wezel! Al zoo vroeg op pad?" vroeg Cornelis hem op sarrenden toon.

"Dat zie je; maar wie ben je?"

"Ik? Wel, ik ben Cornelis Joppensz. en ik ga de luiden, die vroeg op moeten zijn, wekken!"

"Kan ik je dan zoo even niet hebben hooren kloppen in de Jan-Vossen-steeg?" vroeg Pier, om zoodoende te weten te komen, of de jongen hem en den Spanjaard misschien ook gezien had.

"Neen, dat niet, ik kom zoo uit de Donkersteeg waar ik Van Schaeck gewekt heb," antwoordde de jongen. "Maar wat hadt ge zoo vroeg op de Mare te scharrelen?"

"Ik? Wel nu nog mooier? Zou ik je ook moeten zeggen, jonge borst, waar ik vannacht geweest ben?"

"Ik wil het niet weten, Van Wezel! Het is zoo maar eene onnoozele vraag, meer niet!"

"Nu, maar je moogt het wel weten ook. Ik kom van mijnen broeder, die te Warmond woont en erg ziek is!"

"Zoo! En wie heeft de poort dan opengedaan? Of zijt gij altemet door de vest gezwommen?"

"Er is toch een portier, dunkt me! Maar weet gij wat, ga de luiden wekken, anders komt gij overal veel te laat en gij geraakt uwe prachtige broodwinning kwijt!" Dit gezegd hebbende ging Pier door en toen hij ver genoeg was om den jongen niet meer te kunnen inhalen, zoo hij er lust toe gevoelde, riep Cornelis:

"Van Wezel! Van Wezel!"

"Hei, wat is het?" klonk het uit de verte.

"Als gij soms iemand noodig hebt om de luiden in het Convent der Witte Nonnekens te wekken, denk dan eens om me, zult gij?"

"Ho, kat-aas!" schreeuwde Pier, "dat zal je berouwen," en meteen zette hij den sarrenden knaap na; doch deze had gezorgd ver genoeg uit de voeten te zijn om niet ingehaald te kunnen worden, zoodat Pier het dan ook eindelijk opgaf, en den knaap verwenschende, naar huis ging.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Aan doovemans-deur geklopt.

Het was meer dan tijd, dat Cornelis naar het Rapenburg ging om Meester Albertsz. te gaan wekken, want het was dichter bij halfvier dan bij drie uren.