De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood
Part 16
Eindelijk kwamen er nog drie wachten aan, doch het musket, dat ze bij zich hadden, werd meer gesleept dan gedragen.
Nu het rot toch niet voltallig was, werd er geloot wie er het eerst naar de wallen zou gaan, en Cornelis kwam hierdoor het eerst aan de beurt.
In het begin liep hij langzaam heen en weer, doch daar dit hem weldra te zwaar werd, ging hij er bij zitten.
Het had den heelen dag stevig uit het noord-oosten gewaaid, doch tegen den avond was de wind wat gaan liggen.
"Het is of er verandering op til is," dacht hij. "Wind is er haast niet!"
Weer zat hij eene poos, bijna gedachteloos met de punten van zijnen mantel te spelen.
Eindelijk het zitten moede, stond hij op en wandelde op den wal wat heen en weer.
Ginds in de verte zag hij hier en daar kleine lichtjes, zich van de eene plaats naar de andere bewegen, en dan telkens weer terug keeren.
Het waren de brandende lonten van de Spaansche soldaten, die op de schansen en daar tusschen in, de wacht hielden.
Nog veel verder, bijna geheel beneden aan de kimmen, zag hij een tal kleine lichtpunten, die zich niet bewogen.
Dat waren de wachtvuren der vrijbuiters op den Voorweg tusschen Zoetermeer en Wilsveen.
"Die heb ik daar al dagen lang gezien," bromde hij, "dat is voorwaar geen nieuws! Kwamen ze iederen dag maar een stap of wat vooruit!"
Weer stond hij stil.
"Het is toch of er meer wind komt," fluisterde hij verder.
"Kon ik nu den windwijzer van de poort maar zien, dan wist ik het. Maar wacht, de kerk staat oost en west; de poort ligt dus van hier af ook oost! Zoo, die heb ik nu aan mijne rechterhand! Het noorden ligt nu voor me en hier aan mijne linkerhand is het westen! Ik zal mijnen vinger eens nat maken en in de hoogte steken!"
De vinger ging in den mond en daarna in de hoogte.
"Ik geloof waarlijk, dat de wind in het noord-west gekomen is; want aan dien kant wordt mijn vinger koud, en het is juist, of hij daar droger is dan ergens anders!"
Andermaal liep hij eene poos heen en weer.
Daar stond hij weer in dezelfde houding bij de poort, als zoo even. Juist streek er een windzuchtje voorbij en lichtte aan de rechterzijde den mantel in de hoogte en drukte hem aan den anderen kant tegen het lijf.
"Nu weet ik het! Nu weet ik het! Goddank, de wind is omgeloopen naar het noord-westen," riep hij hardop. "Dat moeten ze daar binnen weten!"
Zonder er aan te denken, dat hij niet van zijnen post mocht, liep hij den wal af en het wachthuis binnen, waar hij zijne makkers door zwakte in slaap gevallen vond.
"Hei, mannen! hei, wordt wakker! Goed nieuws!" schreeuwde hij zeer opgewonden.
De drie musketiers richtten zich op en vroegen bijna te gelijkertijd: "Wat is er, Cornelis? Is er onraad?"
"Neen, geen onraad, mannen, geen onraad! De wind is noord-west!"
"Och, kom, gij raast! Wij gelooven het niet."
"Komt maar mee en voelt zelven het maar!"
Cornelis liep weer naar den wal en de anderen volgden hem zoo spoedig ze konden.
Daar stonden ze alle vier op een zuchtje te wachten.
"Gij hebt het u zeker verbeeld, Cornelis! Er is geen wind," zeiden ze.
"Neen, neen, niet verbeeld! Ik weet het zeker! Zoo even was er wèl wind!"
"Loop jongen, gij hebt door den honger uwe zinnen verloren en u blij gemaakt met eene doode musch!"
"Neen, stellig, stellig niet. De wind is noord-west, zoo waar ik hier sta," was het antwoord.
"Nu hoor, wij gaan heen!"
"Neen, blijft nu nog even, wie weet...."
Weer streek een luchtig koeltje langs de vier mannen.
"Voelt gij het nu, zeg, voelt gij het nu?" juichte Cornelis.
"Ja, Goddank, de wind is noord-west! Goddank! De biddag heeft geholpen! God heeft ons verhoord! Nu zal het ontzet spoedig komen. Noord-west! Dank, Vader in den Hemel! Dank, o, dank!"
De drie mannen liepen thans met rasscher schreden, dan ze gekomen waren, de wallen af! De blijdschap gaf hun, als het ware, krachten.
En om heel de stad, bij alle poorten, had men elkander met tranen in de oogen de handen gedrukt. Overal had men het aanwakkerende koeltje gevoeld, en uit aller hart rees het als een dankgebed: "De wind is noord-west! Goede God, heb dank, heb dank! De ellende zal nu haast geleden zijn!"
Dien nacht was in Leiden een Engel gekomen, die eene goede boodschap bracht.
Meer en meer stak de wind op.
Huilend floot hij door de kreunende takken, en ruw blies hij de schildwachten in het aangezicht! Maar wat men anders liever niet hooren of voelen wilde, dat zocht men nu op.
Zoo vroeg zulks mogelijk was, spoedde men zich van de wallen in de stad om er de blijde tijding te brengen.
Wie opstond en buiten de deur kwam, hoorde zich door zijne overburen toeroepen: "Noord-west, hé?"
"Ja, ja, gelukkig!"
"Zeker, wèl gelukkig! Noord-west! Goddank!"
Twee duiven kwamen er tegelijk in de stad.
"De wind is om de noord naar het noord-westen geloopen; het water begint een weinig te wassen! Houdt moed!" stond er in het eene briefke.
"Er waait op zee een storm uit het noordwest! De zee staat verschrikkelijk hol! Het water is reeds meer dan eene handpalm gerezen! Houdt u gereed! Wij komen! Zoodra ik weet waar wij de stad het gemakkelijkst kunnen binnen komen, zal ik het u weer laten weten. Van Boisot!" las men in het andere briefke.
"Hei, Vader, Moeder, broers, zusters, Gonda! De wind is noord-west! Het stormt op zee! Er zijn al twee brieven van den Admiraal van Boisot gekomen!"
Met dezen luid aangeheven juichtoon viel Cornelis letterlijk met de deur in het huis zijner Pleegouders.
"Wat zegt ge, jongen?" vroeg Van Keulen, die nog op bed lag.
"Ja, Vader, pal noord-west, zoo pal als een muur! Hoor maar, hoe hij door de boomen fluit!"
"Komt er nu brood, Cornelis?" klonk het op zwakken toon uit eene bedstede.
"Ja, jongens, dat komt overmorgen misschien al!"
Vader Van Keulen was opgestaan en zijn eerste werk was door het venster naar buiten te kijken.
"Gij hebt gelijk, Cornelis! De wind is noord-west! Goddank," zeide hij.
"Ik wil ook kijken," riepen de twee oudste jongens en beproefden op te staan, doch werden hierin door Vader verhinderd.
"Geduld, jongens," zei hij, "geduld! De wind is nu wel goed; maar de schepen met brood en ander voedsel liggen nog niet voor de kade!"
Ieder ging nu, zoo zijne krachten hem zulks toelieten, naar de wallen om in de verte de vaartuigen hunner verlossers te zien naderkomen.
"We zullen de Leidenaars eens laten hooren, dat wij komen," had van Boisot gezegd en beval, dat men de kanonnen zou lossen.
"Hoort gij het, mannen, hoort gij dat?" riepen de belegerden. "Van Boisot roept ons toe, dat ze komen! Gauw, geeft hem antwoord!"
Een oogenblik daarna trilden al de vensterruiten binnen Leiden! De hongerige gezonden sprongen van schrik op en de hongerige zieken ontwaakten uit hunnen onrustigen slaap en vroegen wat er gaande was.
"Wel, buurman, ziet gij het wel," riep men elkander toe, "hij blijft trouw in zijnen hoek, hé?"
"Ja, ja, hij staat daar stevig, man!"
"En hebt gij het schieten gehoord, zeg!"
"Alsjeblief! De glazen dreunden ervan!"
Den ganschen dag en ook den volgenden verkeerde men in eene hevige spanning. Zeven duiven waren er al gekomen. Het water werd gedurig hooger en hooger opgevoerd! De schansen der Spanjaarden lagen, als kleine eilanden, midden in het water! De wind bleef noordwest; maar,--brood was er nog niet, en voor en na stierf de een na den ander den hongerdood. Toch kwamen de verlossers al nader en nader; maar, .... de Spanjaard bleef nog steeds op zijne eilandjes.
"Dat zal nog een harde dobber zijn, Van Keulen," zeide Van Schaeck, en hij wees op den vijand, maar hoofdzakelijk op de schans Lammen.
"Ja, langs dezen kant zullen ze toch moeten komen; daar zit niets anders op," was het antwoord.
"En wie weet hoe lang het nog aanloopt! We zijn veel te vroeg verblijd geweest! Als de wind nog eens keerde, dan...."
"Eene duif, eene duif!" riep men van verscheidene kanten.
"Bracht dat beest ons maar te eten, dan riep ik ook mee: eene duif!" zeide Van Schaeck op ontevreden toon.
"Wel, Schaeck, Schaeck, wat zijt ge bar, man! Ik geef den moed niet verloren," sprak Van Keulen bemoedigend, en begaf zich op weg om te vernemen, welke tijdingen de briefdrager weer gebracht had. Wij zullen later vernemen welke berichten dat waren. Eerst maken we nog eens een uitstapje buiten de stad om te zien, wat daar voorvalt.
EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Watergeuzen en Spanjaarden.
Na het innemen van Zoetermeer en het bezetten en doorsteken van den heerweg naar Benthuizen, was van Boisot nog altijd werkeloos op Noord-Aasche meertje blijven liggen en, wat hij ook beproeven mocht, niets baatte; want de ondiepte van het onder water gezette land, belette hem verder te trekken.
Wat echter in den nacht van den achtentwintigsten van Herfstmaand den belegerden vreugd veroorzaakt had, werd ook op de vloot waargenomen, en terstond was van Boisot er op bedacht, de noodige maatregelen te nemen.
Hij liet andermaal de Kapiteins bij zich aanboord komen en toen ze allen verschenen waren, zei hij: "Eindelijk heeft het Gode behaagd, dat de wind keeren zou. Thans willen we het woord houden, dat we dien Leidschen jongen meegaven: "Als God wil: de vrijbuiter is iederen dag gereed!"
Wij hebben beproefd, wat we konden, en vriend De Moor had, omdat alle vaarten voorbij de stad liepen, zelfs al het plan gevormd om een kanaal te laten graven, teneinde zoo in Leiden te komen. Dat zal echter nu niet noodig zijn, tenminste, als mijn vermoeden bewaarheid wordt, dat de storm, die thans opgestoken is, vanavond of morgenochtend naar het zuid-westen loopt; want dan zullen we volop water krijgen.
Nu is mijn plan aldus:
"Ik zal met vijfentwintig galeien trachten Zoeterwoude, waar de hoofdmacht der Spanjaarden ligt, te bereiken. De overige galeien moeten onder bevel van den Vice-Admiraal zich naar het huis Zwieten wenden. Gij, Heer van Assaliers, blijft hier, als Commissaris-Generaal der artillerie, met het geschut en den levensvoorraad achter, en blijft daar tot wij meester zijn van den Kerkweg. Zoodra dit het geval is, dan volgt gij ons, en jaagt met uw geschut den Spanjaard uit de schansen te Zoeterwoude. Zoo een van de Heeren iets beters weet, dat hij dan spreke!"
Niemand had echter iets tegen het plan van den Admiraal in te brengen, en weldra bevond ieder zich aanboord zijner galei, om de ontvangen orders ten uitvoer te brengen.
Gelukkig werd ook het algemeene vermoeden der Watergeuzen bewaarheid, en liep de wind, die nog altijd hevig was, naar het zuid-westen.
De Spanjaarden hadden echter wel bemerkt, op welke plaats de aanval der vrijbuiters het ernstigste zou gemeend zijn, en hadden daarom in de nabijheid van den Kerkweg zich sterk verschanst.
Tusschen Vrijdag en Zaterdag van den eersten en tweeden October stelde de vloot zich in beweging. Vooraan bevond zich het troepje, dat Cornelis wakker gemaakt had, toen hij, moede en afgemat onder den knotwilg lag te slapen.
Het vorderde wel langzaam, maar toch ging het vooruit.
"Wie daar?" klonk het van den Kerkweg.
Geen antwoord.
"Wie daar?" riep nog eenmaal een der wachthebbende Spanjaarden.
Zij, die naderden, bleven, op gegeven bevel, in hun stilzwijgen volharden.
"Wie daar?" schreeuwde de Spanjaard ten derden male.
"Vuur!" kommandeerde de Hopman der vrijbuiters, en thans kregen de Spanjaarden zulk een gevoelig antwoord, dat zij, na eenen korten tijd weerstand geboden te hebben, met achterlating van eenige hunner schuiten, ijlings op de vlucht gingen.
"Eenoog, kijk ze eens loopen! Kijk ze eens beenen maken," riep de man zonder ooren.
"Denkt gij dan, dat ik het niet zie? Ha, ik zal ze die pil van Zoetermeer betaald zetten? Ha-ha! Wat dachten ze wel, dat ze mij zoo maar met éénen musketkogel eens voor altijd genoeg konden geven?"
"Ja maar, die kogel heeft je toch overdwars in je maag gezeten," zeide weer een ander.
"Bah, wat zou dat! In mijn been, ja! Maar nu die Zoetermeersche kattenvilder van eenen dorpsbarbier, dat ding er zoo netjes uitgehaald heeft, nu ben ik het ventje weer! En ze zullen het weten ook!"
"Vooruit, mannen, vooruit! Bestormt de Spaansche wachten! Het is nu geen tijd om over koetjes en kalfjes te babbelen," riep de Hopman.
"Die man is zeker terstond na zijne geboorte met zijnen neus in eenen hoop brandnetels gevallen, dat hij zoo warm gebakerd is," zeide Eenoog tot zijne makkers.
"Kom, kom, geene praatjes, kerel! Vooruit!" beval de Hopman nog eenmaal.
"Nu ja, verslik-je niet, man, verslik-je niet! Vooruit, mannen, dat zei de jongen ook, en hij reed met twee oude bakkers aan een touwtje over den havendijk," spotte Eenoog weer.
Andermaal hielden de Spanjaarden wakker stand, doch het schrootvuur der Zeeuwen dunde hunne gelederen zoodanig, dat ze eindelijk den Kerkweg prijs gaven.
Aanstonds begonnen de vrijbuiters op den veroverden weg twee schansen op te werpen, en toen dit gedaan was, stak men drie gaten in den weg en hielp de galeien er door. Van Assaliers met de artillerie en den leeftocht volgde.
Thans roeide van Boisot naar de Meerbrug, doch hij vond zich hier zeer teleurgesteld, daar het water op verre na niet diep genoeg was, om er over heen te komen.
"Wat? Nog geen water genoeg?" riep Eenoog. "Toe jongens, laten wij den Admiraal onze kunsten eens toonen! De boot uit!"
"En het water in?" vroeg de man met het houten been.
"Neen, de modder in, kameraad," riep Eenoog, hartelijk lachend.
"En dan?"
"Dan zult gij zien, wat er komt, zei Jansje van Cadsand en ze zette de kousen op haar hoofd en deed eene keuvel aan hare voeten!"
"Och, loop, met die malle praat! Zeg wat gij van plan zijt, of we blijven er allemaal in," sprak Zonderooren.
"Begrijpt gij mij dan geen van allen, kerels? Wij zullen de boot op onze schouders leggen, en in de Meerbrugschen polder dragen!"
De anderen volgden dit voorbeeld en met het aanbreken van den morgen, lagen de schuiten, galeien en booten op de genoemde plaats.
Zoodra de Spanjaarden dit zagen, begonnen ze bevreesd te worden, en ziende, dat de vrijbuiters hunnen koers niet naar de stad richtten, maar wel naar de Vrouwenbrug en het Papenmeer, vermoedden ze niets anders, dan dat hun plan was, Zoeterwoude te bezetten en in te sluiten.
Valdez liet de diepte van het water peilen en daar er bevonden werd, dat het in den afgeloopen nacht meer dan eenen voet gerezen was, ging hij, den vrijbuiters eenen rijken buit achterlatende, op de vlucht naar Voorschoten.
Het was wel wat laat toen van Boisot hiervan kennis kreeg, doch de Zeeuwen meenden, dat er nog wel wat klappen te deelen zouden vallen, vooral, nu Valdez door Hopman Don Alonzo Lopez Gallio met zeven vendels musketiers gevolgd werd.
"Vooruit, mannen, vooruit!" schreeuwde Eenoog op zijne beurt. "Toe maar! Trekt de riemen aan stukken! Zie-je de luî daar met dien mooien man voorop naar de Vrouwenbrug loopen? Dat hoopje is voor onze rekening! Halloh, frisch op! Vooruit! Vooruit! Ze zullen er van lusten!"
De kleine afdeeling Spanjaarden was spoedig ingehaald.
"Staat dan, mannen!" riep de dappere Hopman Don Petrus Ciaccone zijnen moedeloozen en dralenden soldaten toe, zoodra dezen op de vlucht begonnen te slaan. "Wat draaft ge, als bezetenen, voor zulk een hoopje rabauwen en zeeschuimers?
De Spanjaarden stonden stil en de vrijbuiters legden de riemen binnenboord.
"Let wel, dien snuiter van eenen bonten vogelverschrikker neem ik voor mijne rekening," schreeuwde Eenoog op den Hopman wijzende, en eer deze er nog op verdacht was, had Eenoog hem met eenen haak in de kleederen geslagen en trok hem omver.
Eenoog dacht, dat hij dien "snuiter" zoo maar in eens zijne bekomst gegeven had, en viel met zijne makkers op de anderen aan, die in het water een goed heenkomen zochten. In een oogwenk waren de vrijbuiters de boot uit en joegen den vijand na.
Daar stond Don Ciaccone op, en eene bijl, die bij zijne voeten lag, opnemende, viel hij met het geroep van: "Dood aan de rebellen!" de vrijbuiters in den rug.
Eenoog lag in een oogenblik met eene diepe wonde in het hoofd op den modderigen bodem te zieltogen.
"Dood aan de rebellen!" riep Ciaccone andermaal, en thans gold zijnen slag den man zonder ooren, die dood op den grond tuimelde.
Weer hief hij het geduchte wapen op; het daalde neer, en met eenen akeligen gil stortte de vrijbuiter, met de brandvlekken op het aangezicht, ter neder.
De anderen werden door zijne manschappen, die hem trouw gebleven waren, afgemaakt en Don Ciaccone hier geenen vijand meer te bestrijden hebbende, sprong met de mannen van zijn vendel in de volgeladen boot der gesneuvelde vrijbuiters en bracht haar triomfantelijk bij zijnen laffen Bevelhebber, Don Alonzo Lopez Gallio.
Op andere punten waren de Spanjaarden overal geslagen en, hunne wapenen wegwerpende, waren ze door Stompwijk gevlucht naar den Leidschendam en Voorburg.
Door deze nederlaag werden zij, die in de schansen Leiderdorp en Lammen achtergebleven waren, zeer in het nauw gebracht. Doch hunne Bevelhebbers waren nog mannen uit het Leger van den Hertog van Alva, en besloten tot eene hardnekkige verdediging.
Van Boisot zag ook in, dat men wel dicht bij Leiden, maar nog niet in Leiden was, en dat er misschien nog heel wat tijd verloopen moest, eer zulks gebeurde.
Wat zou hij doen?
De schans stormenderhand innemen?
Maar, dat zou veel volks kosten, en hij had het niet te missen; want het geheele Staatsche leger bestond uit niet veel meer dan vijfentwintighonderd man.
Weer werd er scheepsraad belegd en iedereen trachtte in dit geval eenen goeden raad te geven.
Eindelijk stond Cret op en zeide: "Mijne Heeren! Van mijne galei af kan ik de hongerige burgers van Leiden op de wallen zien staan. Hunkerend en watertandend staren ze ons aan! Zullen we die arme luiden nog langer doen wachten, omdat ieder onzer zijn leven lief heeft? Dat mag immers niet, en zulk eene gedachte is den vrijbuiter ook onwaardig! Neen, mannen, er is maar één aangewezen weg! En die weg is: de bestorming van Lammen! Ik geef met vreugde mijn leven voor het uitgehongerde Leiden! Heer Admiraal, hier ben ik, wat beveelt ge mij?"
"Neen, Cret, gij zult niet alleen gaan! Wij volgen u en blijven niet, als lafaards, achter! Lammen zal bestormd worden," zeide De Moor. "Wij allen gaan met u, niet één blijft achter!"
"Mijne Heeren," antwoordde hierop van Boisot, "ge voorkomt mijnen wensch; want ook ik geloof, dat geen andere weg ons aangewezen is, dan de schans te bestormen! Ik zal echter trachten, zooveel mogelijk, onze macht te versterken. Wij hebben nog ééne duif aanboord, en die zal ik naar de belegerden sturen met het bericht, dat we morgen ochtend de schans zullen bestormen. Waar de hongerige om spijze vecht, daar is zijn strijd een verschrikkelijke. De Spanjaard zelf vreesde dien strijd voor Haarlem, en daarom zal ik den Leidenaars verzoeken, dat zij, als wij de bestorming aanvangen, eenen hevigen uitval moeten doen, dan heeft de Spanjaard den vijand van alle kanten. Ik twijfel niet, of gij zult dit goed vinden! Ikzelf zal morgen ochtend het sein tot den aanval geven! Ieder uwer ga thans naar zijne galei! Hoede U God in den strijd van morgen! Onze veldkreet zal zijn: "Leiden!" Gaat nu, mijne Heeren, en, weest Gode aanbevolen!"
De een na den ander drukte den moedigen van Boisot de hand en ging heen.
Toen allen vertrokken waren, zette de Admiraal zich aan het schrijven. De duif werd binnengebracht en een oogenblik later steeg de vogel, met het kostelijke bericht beladen, in de hoogte.
"Houdt goede wacht, mannen," zeide van Boisot tot zijne schepelingen, "en bij het minste onraad, dat ge vermoedt, wekt ge mij! Ik ga wat slapen! Het was een vermoeiende dag vandaag!"
De Admiraal ging hierop in zijne kleine hut en weldra was alles op de vloot in rust. Slechts het kabbelende water tegen het scheepsboord verbrak de stilte van den helderen nacht.
Het uur van middernacht was reeds geslagen en in het Spaansche legerkamp te Leiderdorp was ook alles in rust.
Slechts de eentonige voetstap van den schildwacht voor de herberg waarin thans Valdez vertoefde, klonk vervelend door de stilte heen.
In eene binnenkamer van die herberg brandde echter nog licht, en zat een man, in sierlijk huisgewaad gekleed, voor eene eenvoudige tafel, waarop een plan van het bezettingsleger om Leiden lag uitgespreid.
"Zou ik waarlijk het beleg moeten opheffen? Maar dat zou toch schande zijn! Hadde ik de stad maar bestormd toen het mijn voornemen was, dan zou Leiden reeds lang in mijn bezit zijn geweest! En nu! Wat zal Requesens zeggen? Wat zal de geschiedschrijver van mij boeken? Maar het is te laat, ik kan...."
Daar werd op de deur getikt.
"Binnen!" riep Valdez.
De deur ging open en Don Marion trad binnen met eene duif in de eene en een briefke in de andere hand.
"Wat is er, Marion?" vroeg Valdez.
"Senor, deze duif is te Lammen door eenen schildwacht in den vleugel geschoten en toen ze nederkwam, vond men dit briefke in hare pooten."
"Geef hier!" beval de Bevelhebber barsch, en Marion reikte het over.
Het was het gewichtige briefje van den Zeeuwschen Admiraal, waarin hij den Leidenaars kennis gaf van hetgene hij den volgenden dag doen zou.
Het was mogelijk wel een half uur geleden, sinds Valdez het kleine stukske perkament gelezen en nedergelegd had, en nog altijd stond Don Marion in eene eerbiedige houding voor de tafel, terwijl Valdez, met de handen onder het hoofd, zich over het plan der belegering gebogen had.
Het was hem blijkbaar aan te zien, dat er strijd in zijn binnenste heerschte.
Eindelijk hief hij het hoofd op en den Onder-bevelhebber ziende staan, zeide hij: "Zijt gij daar nog, Marion?"
"Jawel, Senor!"
"Wacht dan nog even, dan zal ik u een bevel medegeven aan Kolonel Borgia, die zooals ge weet, op Lammen bevel voert!"
Het briefje was gauw geschreven en bevatte slechts deze woorden:
"De vrijbuiters zullen morgen Lammen bestormen! Spaar de soldaten en zoek met hen onmiddellijk een goed heenkomen.
Valdez."
Marion nam het bevelschrift aan en verwijderde zich.
Weer was Valdez alleen en, in zwaarmoedige gedachten verzonken, schreef hij met de pen, die hij nog altijd in de hand hield, onder het plan der belegering in gebrekkig Latijn:
"Vale Civitas, valete Castelli parvi, qui relicti estis propter aquam, et non per vim inimicorum," dat zeggen wil: "Vaarwel stad! Vaartwel, kleine schansen, die verlaten zijt om het water en niet door de macht der vijanden."
"Marsch, ellendig blad," zei hij eensklaps en frommelde de kaart tot eenen bal, dien hij in eenen hoek van het vertrek smeet, en opstaande liep hij naar de deur en riep: "Alonzo!"
Zijn dienaar verscheen aan de deur.
"Zadel mijn paard," gebood Valdez.
Alonzo verwijderde zich en een half uur later hoorde men den hoefslag van een paard op den eenzamen weg.
De ruiter, die het bereed, was Valdez, die Kolonel Don Borgia het bevel achterliet hem met al het volk naar Utrecht te volgen.
Dat lieten de Spanjaarden zich geen tweemaal zeggen, en weldra waren ze op weg, om oproer te maken en Valdez te knevelen. De muitelingen beschuldigden hem, dat hij door de Leidenaars met geld was omgekocht, en daar de nieuwe Landvoogd Requesens, door geldgebrek genoodzaakt was, hunne soldij onbetaald te laten, zoo meenden ze bij Valdez te vinden en te rooven, wat ze van den Koning met recht konden eischen.
Toen later echter de onschuld van Valdez bewezen was, lieten zij hem vrij. Maar werd hij vrij gesproken van de beschuldiging met de Leidenaars geheuld te hebben, zijn naam als krijgskundige had hij bij vriend en vijand verloren. Door zijne vreemde handelwijze was Leiden voor goed voor Koning Filips verloren.
Meer dan dat. Het langdurige beleg, dat de Leidenaars zoo roemrijk doorstaan hadden, was, althans voor het oogenblik, het behoud van Holland.
Leven we nu nog binnen Leiden de laatste uren van het beleg mede.
TWEEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Overwonnen!
"Vader, Moeder, hoort eens! Zoeterwoude is door de Watergeuzen in brand gestoken en, als ik het wel gehoord heb, dan zijn de Spanjaarden daar op de vlucht gegaan. Nu zal er spoedig een einde aan onze ellende komen!"