De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood

Part 15

Chapter 154,144 wordsPublic domain

"Gauw naar de Koepoort," beval Cornelis met eene stem zoo bar, als hij die maar maken kon, "en bij de eerste poging, die je waagt mij te ontsnappen, zal ik je eene por met dezen degen geven, dat je het verder gaan heelemaal vergeet! Vooruit, slungel!"

Jurrie was zoo mak als een lam, en ging op bevel van den koenen knaap langs eenen heel anderen weg dan dien, die voorbij zijn Vaders taveerne liep, naar Leiden.

Dicht bij de Koepoort gekomen, beval hij hem den zak neer te zetten, en nauwelijks had Jurrie dat gedaan, of hij snelde den weg op. Eerst toen hij ver genoeg was om niet meer door Cornelis achterhaald te kunnen worden, begon hij hem uit te schelden voor al wat leelijk was.

Cornelis had intusschen den zak opgenomen en klom, hoewel met heel veel moeite, tegen den muur op.

Nog was het geen tien uur toen hij thuis kwam.

"Hier is brood," riep hij.

Vader Van Keulen schudde het hoofd en zeide: "Uwe Moeder eet geen brood meer, Cornelis! Zij is dood!"

Als een krankzinnige liep Cornelis naar den zak, deed dien open en met zijn mes een stuk van een brood snijdende, ging hij er mee bij het bed van vrouw Van Keulen staan en riep: "Moeder, hier is brood! Moeder dan toch! Moeder, Moeder!"

Maar de arme vrouw scheen haar lijden geleden te hebben.

Toch gaf Cornelis den moed niet op. Zoo spoedig hij kon weekte hij een stuk brood in wat warm water, deed er wat zout bij, en hield haar hiervan wat tusschen de geopende lippen.

Nog geen teeken van leven.

Cornelis werd schier wild van smart en bijna schreeuwde hij: "Hier is brood, Moeder! Lieve Moeder, hier is brood!"

"Jongen, zwijg! Uwe Moeder is immers dood," zeide de Vader en begon als een dier te eten van het brood, dat zijn zoon medegebracht had.

Nog eenmaal boog Cornelis zich over de dierbare vrouw heen, toen deze, die slechts in eene hevige flauwte gevallen was, even een teeken gaf, dat nog niet alle leven uit haar geweken was.

"Vader, Moeder leeft nog," riep Cornelis nu, en tranen van blijdschap stroomden langs zijne wangen. "Kijk maar, Vader, ze beproeft het geweekte brood te eten, kijk maar!"

Thans trad Gonda aan de bedstede en met een engelachtig geduld begon ze de bijkomende zieke te laven en te voeden. Tot groote vreugde van het heele gezin, stamelde zij een paar uur later, terwijl ze Cornelis zwak de hand drukte: "Dank je, Cornelis, dank je, lieve jongen!"

Het herstel vorderde evenwel bij gebrek aan versterkende spijs, zeer, zeer langzaam en zelfs toen de heele stad bij het ontzet vol vreugde naar de kerken stroomde om daar God te danken, kon zij niets anders doen, dan op haar bed de handen vouwen, en daar heel alleen Hem danken, die ook haar bij het leven gespaard had.

Dag aan dag werden de arme Leidenaars zwakker en magerder; dag aan dag kwamen er meer zieken; dag aan dag nam de sterfte toe!

De geroofde voorraad brood was in Van Keulens gezin bijna verbruikt, en met angst zag men weer den tijd tegemoet, dat men niets hebben zou, dan het weinige, dat voor de zieke Moeder moest overblijven.

Half onverschillig voor alles, wat hem omringde, liep Cornelis langs de straten.

Daar ontmoette hem Jonker van der Does.

"Waar gaat gij heen, Cornelis?" vroeg hij hem.

"Ik weet niet waar ik zal heengaan, Edele Heer! Ik loop maar wat door de stad!"

"Och, wees dan zoo goed en ga eens naar Burgemeester van der Werff en zeg hem, dat ik vandaag geene gelegenheid heb te komen!"

"Ik zal het doen, Edele Heer," antwoordde Cornelis en ging heen.

Een oogenblik daarna deed de dienstbode van Burgemeester Pieter Adriaensz. hem open.

Bij het ontsluiten der deur echter, kwam een geur van gebraden vleesch hem tegemoet en onwillekeurig zeî hij: "Hé, gebraden vleesch! Hadden we dàt ook eens!"

"Dan zoudt gij het mogelijk nog niet lusten, Cornelis," zeide de meid.

"Niet lusten? Nu, ik heb nog zulk eenen honger niet. Maar de anderen! Laat de Burgemeester het eens even probeeren of ze nog gebraden vleesch lusten! Hij moest er de proef maar eens van nemen, dan zou hij het zien."

"Nu, als ik u dan eens zeide, dat Joffer Anna vandaag jarig is, en dat zij al hare kennissen onthaalt op het gebraden vleesch van haar schoothondje, dat gisteren geslacht is? Maar welke boodschap hebt gij?"

"Heer van der Does laat zeggen, dat hij niet komen kan," zeide Cornelis en ging heen, mompelende: "Het is ver, heel ver gekomen."

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Burgemeester van der Werff.

Het gerucht dat er bij Burgemeester van der Werff vleesch gebraden en gegeten was, liep door heel de stad en het stemde hen, die tot op dit oogenblik nog van geene overgave hadden willen hooren, wel wat ontevreden, want dat men ten huize van den Burgemeester een schoothondje gebraden en gegeten had, werd niet algemeen geloofd.

Van die ontevreden stemming onder de goedgezinden trachtten degenen, die de stad reeds lang geleden hadden willen overgeven, gebruik te maken. Ze wisten toen reeds dat het in troebel water goed visschen is.

Onder hen, die daartoe het ijverigst in de weer waren, bevond zich Mandenmaker.

"Goeden morgen, Bleiswijck," zeide hij den volgenden voormiddag toen hij dezen op straat ontmoette. "Goeden morgen, man! Hoe stelt gij het leven, maat? Ik heb u in langen tijd niet gezien."

"Och, hoe zou het gaan, Mandenmaker? Wie is er tegenwoordig gezond? Ik had nooit gedacht, dat hongerlijden zulk eene vreeselijke ziekte is!"

"Tut-tut, man, gij moet zoo gauw niet klagen! Weet gij, wat ik gisteren gegeten heb?"

"Neen!"

"Wijngaardbladeren met zout en stijfsel! Het smaakt voor een keertje vrij goed. Vanmiddag zal mijne vrouw eens een potje koken van koolstronken; maar omdat ik niet van kool houd, krijg ik gestoofde bladeren van eenen pereboom!"

"Maar, Mandenmaker, is dat wáár?"

"Zeker, Bleiswijck, zeker! Komt gij vanmiddag mee-eten, dan kunt gij zelf oordeelen hoe het smaakt."

"Nu, ik geloof, dat uw pot dan nog altijd beter zal zijn dan de mijne; want mijne vrouw kookt vanmiddag voor de achtste maal vleeschsoep van een pond paardenvleesch, dat ik verleden week nog zoo goed als gestolen heb!"

"Jongen, jongen, wat ge zegt! Maar van vleesch gesproken! Hebt gij het ook gehoord, wat ze van Burgemeester Pieter Adriaensz. vertellen?"

"Dat hij eenen gebraden hond heeft gegeten?"

"Neen, man, ze zeggen, dat hij iederen dag versch rundvleesch op tafel heeft! Het is schande om dat van dien braven, eerlijken en ronden man te vertellen! Maar, al ware het ook zoo, wat is het dan nog? Een Burgemeester mag toch wel wat meer hebben dan een gewoon mensch!"

"Met uw verlof, Mandenmaker, als het op stuk van zaken aankomt, dan is een Burgemeester niets meer dan een gewoon poorter, en, àls het waar is, dat hij iederen middag versch rundvleesch eet, dan...."

"Hei, hei, Bleiswijck, dan doet gij nog niets! Maar wees verzekerd, goede man, dat gij het fijne van de zaak nooit te weten zult komen. Pieter Adriaensz. is Mennoniet, en die Mennonieten, daar behoef ik u niets meer van te zeggen, daar weet gij alles van!"

"Nu, maar Mennoniet of Paapsch, ziet ge, daar maal ik niet om. Ik wil weten of het waar is, wat gij mij daar verteld hebt!"

"Och kom, goede vriend, gij moet wat door de vingers willen zien ook! Bedenk, dat de man zooveel voor onze goede stad gedaan heeft, en dat hij...."

"Hoor, Mandenmaker, ik wilde wel, dat gij nu maar over de geheele zaak zweegt! Ik weet, wat ik doen zal en daarmeê uit! Goê-morgen!"

"Goê-morgen," antwoordde de lasteraar en wreef zich vergenoegd in de handen, dat hij er al vast één het hoofd had warm gemaakt.

Juist wilde Mandenmaker naar huis gaan, toen Cornelis Joppensz. aankwam.

"Jongens," dacht de kwaadspreker, "als ik dien vlegel eens aan mijn snoer kon krijgen, dan had ik veel gewonnen! Met eene bende straatjongens doet men soms meer, dan met een vendel musketiers!"

Zoodra Cornelis onder zijn gehoor was, riep hij al: "Zoo, Cornelis, gij zijt ook al heel wat opgedund sedert den dag, dat gij van de vrijbuiters terugkwaamt! Jongen, toen zaagt gij er zóó goed uit, dat het mij verwonderde, dat men u ongemoeid langs de straat liet gaan."

"Toch altijd nog dikker dan jij, Mandenmaker! Want jij kunt haast met de konijnen door de tralies eten!"

"Wacht maar, manneke, die lust tot spotten zal wel overgegaan zijn, als we een paar dagen verder zijn!"

"Als we dan nog leven, Mandenmaker! Het is tegenwoordig een bange tijd!"

"Ja, dat is het, Cornelis! Dat beleg zullen we onthouden, hoor! Ik wil ten minste eerlijk bekennen, dat ik naar het einde verlang; want waar het heen moet, ik weet het niet!"

"Ik ken er anders wel, die meer dan eene maand geleden al beproefd hebben, of ze de stad niet in handen der vijanden konden brengen," zeide Cornelis en keek Mandenmaker vlak in zijn gezicht.

"Is het waar, mijn jongen? Maar dan hadt gij het den Magistraat moeten zeggen, want zulke dingen mag men niet zwijgen. Dat is oproer maken. Ik zei het zoo even ook nog tegen Bleiswijck, die daar ginder gaat. Die man dacht, dat men van eenen Burgemeester gerust alles kon zeggen, wat waar is!"

"Dat mag men ook!"

"Ei, moogt gij dan zeggen, dat Burgemeester Adriaensz. iederen middag versch rundvleesch eet?"

"Neen; want dat is ook eene leugen!"

"Ze zeggen het dan toch maar! Het is schande! En dat van dien braven man!"

"Weet je, wat je dan doen moet, Mandenmaker, als ze je dat vertellen?"

"Ik niet! Weet jij er wat op?"

"Wel zeker! Den eersten, den besten, die mij zulke leugens op de mouw wil spelden, zal ik een pak ransel geven, dat hem alles groen en geel voor de oogen wordt!"

"Zoo, zoo, zou-je dat? Ei, ei!"

"Ik wel, en doe dat ook maar, hoor! Dag, Mandenmaker!" antwoordde Cornelis en ging verder.

"Die jongen heeft me een beetje te veel snaps! Wij moesten hem die kunsten eens wat afleeren," bromde de huichelaar, en, kwaad op zichzelven, dat hij voor zulk eenen baardeloozen knaap het onderspit had moeten delven, ging hij zijnen nood klagen bij Jaspersz., "Roode Jaap" en dergelijken.

Hier vond hij een gretig luisterend oor en gedienstige geesten, die overal, waar ze slechts konden, de tweedracht bevorderden.

"Weet ge wat we doen moesten, "Roode Jaap?" vroeg Mandenmaker.

"Als ik honger heb, weet ik niet met al. Weet gij wat, vertel op dan!"

"Dat geloof ik wel. Kijk, er sterven er tegenwoordig zooveel van den honger en het is geen wonder, als men langs de straat gaat, dat men er hier of daar een vindt liggen, die dood is. Als we nu vannacht zulk een lijk vinden, dan zullen we dat tegen de deur van dien van der Werff zetten. Gij begrijpt, dat zoo iets in de stad heel wat zal te doen geven!"

"Gij zijt toch rechtaf een slimmerd, Mandenmaker," sprak Jaspersz. "Dat zullen we doen! En dan zal men zien hoe de gemeente op onze hand is!"

Na dit afgesproken te hebben, ging men naar huis en den anderen morgen reeds in de vroegte, liep iedereen naar de Marendorps-Achtergracht, waar voor de deur van Burgemeester Pieter Adriaensz. iets vreeselijks te zien was.

Wat nog gaan kon, ging er heen, en die menigte daar, zich bewegende op de nauwe gracht, leverde een akelig schouwspel op.

Het was bijna eene verzameling van geraamten!

"Brood! brood!" klonk het hier.

"De Burgemeester moet voorkomen!" klonk het daar. "We komen hem brood vragen, ja, droog brood!"

"Loopt de deur open! Plundert zijne kelders en haalt het gebraden vleesch van zijne tafel! Hij leeft in weelde, en wij, onze vrouwen en kinderen, sterven van honger! Loopt open de deur! Brood! Brood!" riep elders eene schorre stem.

Langzaam deed iemand van binnen de deur open. Het werd plotseling stil, doodstil!

Ze hadden den Burgemeester uitgedaagd te voorschijn te komen! Zij hadden hem belasterd,--zij, mogelijk met hunne honderden!

En daar stond hij nu, kalm, rustig en bedaard, met vermagerde en verbleekte wangen.

"Wat beduidt die oploop voor mijne deur, mannen?" vroeg hij met eene houding vol waardigheid en kalmte, doch met eenigszins onvaste, ja, bijna trillende stem.

"Er staat een lijk van eenen hongerlijder voor uwe deur, Burgemeester," zeide Mandenmaker.

"Dan was het uw plicht dat lijk weg te brengen; want dat behoort hier niet te zijn! Het is hier geen kerkhof!"

"Maar die man is van den honger gestorven, Burgemeester," riep Jaspersz.

"Hij is de eenige niet. Iederen dag sterven er zeer velen. Onder alle rangen en standen komt de dood zijne offers eischen," antwoordde van der Werff bedaard geworden op waardigen toon.

"Maar dat is uwe schuld, Burgemeester! Gij wilt de stad niet overgeven! Zie ons aan! Zijn wij mannen? Oude vrouwen zijn we, niets meer! Zie onze vrouwen! Zij sterven voor onze oogen, en onze kinderen vloeken ons, waar we hen van honger doen omkomen!"

"Ja, brood, brood moeten we hebben," klonk hierop een schorre kreet.

"Hebt geduld, goede vrienden! Het ontzet nadert."

"Ja, wij zouden eveneens, als gij geduld hebben, Burgemeester, als wij ook gebraden rundvleesch te eten hadden! Met eene volle maag valt het geduld-hebben niet moeielijk! Geef ons van uwen overvloed, ons en de driehonderd mannen en vrouwen uit wier naam wij spreken! Kom met uwe tafel, die nog van vet druipt, voor den dag!"

"Ja, ja, geef ons van uwen overvloed! Wij sterven van honger! Brood, brood!" gilde de menigte, die steeds grooter werd.

"Hier, moordenaar!" kreesch eene vrouw en drong zich door de mannen heen, tot ze vlak voor van der Werff stond, "hier, moordenaar! Zie, dit kind is heden morgen mij op den arm gestorven, en zijn laatste woord was: "Honger, brood, brood!" Dat is jouw schuld! Jij hebt mijn lieveling den weg naar het kerkhof gewezen!"

"Het leven van ons allen is in de hand des Heeren, vrouw," antwoordde van der Werff weer.

"Houd die zedenpreeken voor je-zelven," riep de vrouw, van Moedersmart radeloos. "Wij vragen geene preeken! Wij vragen brood! Brood, verstaat gij?"

"Ja, brood moeten we hebben! Hoort ge, brood," klonk het weer van alle kanten.

"Ik heb het niet," sprak de Burgemeester kalm.

"Geef de stad dan over," schreeuwde Mandenmaker, "dan hebben wij te eten!"

"Hoort, mannen en vrouwen van Leiden, hoort!" sprak thans van der Werff, en zijne stem rolde weer krachtig, vol en vast over de hoofden der woelende menigte. "Eens heb ik den eed gedaan aan het Vaderland en deze Stad, en dien eed zal ik houden, zoolang ik leef! Ik zeide dit reeds op eenen anderen keer, en ik herhaal het nòg eens, dat gij liet allen hoort, dien eed breek ik nooit, hoort gijlieden het? Nooit, neen, nooit!

"Gij vraagt om brood! Ik heb het niet! Ik en de mijnen lijden zoo goed gebrek, als een uwer! Maar hebt gij honger, hier is mijn lichaam, deelt het onder u allen en eet het op. Voor het Vaderland te sterven is schooner, dan er in schande voor te leven! Hier is mijn degen! Stoot toe! Ik geef mij aan u over; maar zoolang ik leef, geef ik de stad Leiden niet aan den Spanjaard!"

Hierop bood hij Mandenmaker zijnen degen aan, doch deze trad beschaamd terug en met hem het grootste deel der ontevredenen.

De enkele kreten van: "Brood! brood!" werden verdoofd door het geroep van: "Neen, neen, we sterven dan van honger! Wij geven Leiden niet over! Leve de Burgemeester! Leve de wakkere Pieter Adriaensz.!"

Maar toch klonk tusschen al dat gejuich van den wuften hoop, als dierengebrul tusschen mooie muziek, de kreet van het stervende kind en de zieltogende moeder: "Honger! honger!--Brood! brood!"

"Hier, vrouw," zeide Cornelis tot eene arme weduwe, wier man in eenen uitval tegen de Spanjaarden gesneuveld was, "hier vrouw, hier is brood!"

En de knaap schonk het laatste stuk van zijn aandeel in den medegebrachten voorraad, helaas, te spoedig op, weg aan eene, die het naar zijne meening meer noodig had dan hij! Dit geschiedde den twintigsten van Herfstmaand. Nog twee weken werd dat ontzettende lijden, elken dag grooter wordend, geleden! Den hoed af voor zulke helden en heldinnen!

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Noordwest! Noordwest!

Bij de Marepoort stonden op Dinsdagmiddag, den achtentwintigsten van Herfstmaand, twee mannen op wacht.

Zij zagen er beiden zeer vermagerd en verzwakt uit en het kostte hun moeite, het op de beenen te houden.

Daarom hadden ze hunne musketten op den grond gezet en leunden er op, om het afgematte lichaam nog eenigen steun te geven.

Hij, die deze mannen in vroegeren tijd gekend had, zou er thans vast aan twijfelen, of het wel waar was, zoo er een was, die hem zeide:

"Die daar, met zijnen rossen baard en dat fletse oog is Gijsbert Cornelisz. Van Schaeck en de andere, die als een afgeleefd grijsaard, met knikkende knieën en gekromden rug tegenover hem staat, is de eertijds zoo vroolijke en spotzieke rederijker, Pieter Van der Morsch!"

En toch is het zoo.

"Die zon hindert me, Van Schaeck! Het is zoo aardedonker in mijn hart, dat ik geen licht verdragen kan!"

"Kom, kom, Van der Morsch! Bij mij is het nog altijd omgekeerd! Het is of ik des nachts den honger nog meer voel dan overdag. Overdag heb ik wat te doen, maar des nachts niet. Dan slaap ik zelfs niet eens."

"Ik weet niet wat beter is nacht of dag. Ik ben zoo vreemd te moede, alsof er wat met me gebeuren zal."

Van Schaeck trachtte te lachen, en zeide: "Gij eet te veel, man! Gisteren is het laatste paard geslacht en nu hebt gij de maag overladen. Hiervan wordt een mensch altijd zoo raar. Eet minder!"

"Spot niet, Van Schaeck, en praat me niet te veel van eten, want dan zou ik den geeuwhonger krijgen!"

"Stil, oude jongen, daar komt Cornelis aan! Die heeft zeker eene boodschap aan ons."

Het kostte ook nog al eenige moeite om den knaap, die toch nog zooveel niet geleden had, als de andere stadgenooten, te herkennen. Hij had in alle gevallen onder de vrijbuiters nog eenige goede dagen gehad, en de voorraad brood, dien hij Jurrie zoo slim had weten te ontfutselen, was ook nog eene versterkende spijze geweest, die de anderen hadden moeten missen.

"Wel, Cornelis, is er nieuws?" vroeg Van Schaeck toen de jonge man ook op den wal was.

"Och ja, zooveel als anders in een geheel jaar! Vanmorgen hebben ze Krelis Louwensz. met zijne vrouw en twee kinderen dood in het bed gevonden!"

"Jongens, jongens! Vier weken geleden was die Louwensz. nog een man als een boom! En nu van den honger gestorven! Het is wat te zeggen! Waar moet dat toch heen?" klaagde Van der Morsch.

"Neen, ze zijn niet van den honger gestorven! Ze hebben de pestziekte gehad," zeide Cornelis.

"Nu, pest of honger, het is een zusje en een broertje. Maar stil, daar komt een vogel aan! Mochten we nu maar vrij schieten, dan had ik vanmiddag vleesch in den pot," zeide Van Schaeck. "Ziet gij het dier wel, Morsch?"

"Het is eene duif. Kijk maar! Het is eene duif," riep Cornelis.

"Zou het een briefdragerke van Speelman zijn, Morsch?" vroeg Van Schaeck, terwijl hij met alle aandacht naar den vogel keek.

"Dat weet ik niet, Van Schaeck! Maar kijk, hoe ze beurtelings rijst en daalt! Het is alsof ze wat zoekt! Daar gaat ze naar beneden!"

"Ja, ja, in de buurt van de Steenschuur, en daar woont die Speelman. Ik ga kijken, hoor," juichte Cornelis en liep heen, zoo snel hij nog loopen kon.

"Komt ge ons wat vertellen, als er iets is, Cornelis?" riepen de beide achterblijvenden hem na.

"Ja!" klonk het al van achter het hoekhuis.

De tijding, dat er eene duif met eenen brief gekomen was, werd spoedig bekend en, even alsof het onnoozele dier een einde aan de ellende gemaakt had, was op ieders aangezicht vreugde en nieuwsgierigheid te lezen.

De klok werd geluid, en wie nog krachten had zich zoover voort te sleepen, begaf zich naar het stadhuis.

Daar verscheen Van Hout met een geopend briefje in de hand.

"Burgers van Leiden!" begon hij, maar met veel zwakker stem dan vroeger, "hier is een briefke van Admiraal van Boisot! Hij schrijft ons, dat zijne Vorstelijke Genade, de Prins van Oranje zelf in het leger en op de vloot is geweest om in persoon bevel te geven, aangaande het ontzetten onzer goede stad. Hij vraagt ons nog eenen kleinen tijd uitstel en verzoekt den Magistraat, eenen algemeenen bededag uit te schrijven, teneinde God om bijstand te smeeken! Zoodra er wat mede te deelen valt, zal de Admiraal ons dadelijk met een der andere briefdragerkens, bericht zenden!"

Het was weer de oude tijding! Uitstel, uitstel en nog eens uitstel!

Tot hoe lang?

En toch, de ongelukkigen morden thans niet! Zij schikten zich met eene zekere onverschilligheid in hun lot, terwijl anderen vast geloofden, dat er nu toch spoedig uitkomst komen zou.

Was het mogelijk het vreemde van de zaak, dat eene duif eenen brief gebracht had?....

Daar gromden en bromden de klokken!

Iedereen wist, wat dat te beduiden had. Men ging, op verzoek van den Prins, in de kerken God om hulp smeeken!

En Roomsch zoowel als Onroomsch, voldeed er gewillig aan, en vast is het waar, dat in ieders gebed gehoord werd, eene bede om verandering van den wind, eenen hoogeren waterstand en--brood voor den honger.

Toen de kerken uitgingen, keken alle vrome bedevaartgangers naar het windvaantje.

Was de wind onder kerktijd gekeerd?

Hoe wijst het?

"Pal noord-oost!"

"Zou het dan nóg niet geholpen hebben? Nóg niet?"

In het naar huis gaan, herhaalde menigeen nog de bede van den eenig overgebleven Predikant der Hervormden: "Heere, behoed ons! Wij vergaan!"

Maar ook de Roomschen baden hetzelfde, doch in hunne kerktaal: "Domine, salva nos! Perimus!"

De eerste gang van Cornelis was, na de afkondiging van het bericht, naar de wallen geweest, om Van Schaeck en Van der Morsch den inhoud van het briefke mede te deelen, en de tweede naar zijn huis.

"Kom, Gonda, kleed u aan! Wij gaan naar de kerk," had hij gezegd.

Maar het meiske schudde het hoofd en wees op de bedstede waarin de zieke hongerlijders bijkans te sterven lagen.

"Ik kan niet, Cornelis! Ik kan hier niet weg! Ik zou ook niet naar de Sint-Pieter kunnen loopen! Mijne beenen zouden mij zoover niet dragen! Maar, als gij naar de kerk gaat, bid voor mij dan maar mee en--vergeet toch vooral ons lief en trouw Pleegmoedertje niet!"

Teedere, trouwe ziel! Uit medelijden was ze, als eene arme weeze in huis opgenomen, en nu de goede Willempje Jansz., de brave Moeder, de zorgvuldige huisvrouw nog altijd aan het krankbed gekluisterd was, nu beproefde zij met hare zwakke krachten, de zware taak van de zieke op zich te nemen.

Ja, ze was zelve ziek en ook haar kwelde de honger.

Maar, om door daden te bewijzen, hoe dankbaar zij hare weldoeners was, vergat ze, èn ziekte, èn honger.

"Gij zijt eene beste Gonda," zeide Cornelis, "en als we het beleg overleven mogen, en we zijn beiden groot geworden, dan wordt ge mijne vrouw, hoor! Daar kunt ge vast op rekenen!"

"Ga maar naar de kerk, Cornelis, en bezondig u maar niet met zulke gedachten. Wie weet of we morgen nog wel leven," zeide Gonda.

Zoodra de kerk uit was ging Cornelis naar de wallen om daar de wacht te houden.

Hoe ledig was het wachthuis!

Hij kwam er over zijnen tijd en er was nog niemand.

Wanneer hij een paar maanden geleden wat te laat kwam, dan vond hij vast zijne negen makkers al op hem wachten. Dan hoorde hij al van verre hun luidruchtig gesnap, dan hoorde hij de dobbelsteenen rollen en zag hij den kroes, gevuld met bier van haverdoppen, rond gaan! En nu?

Er was nog niemand te zien!

Met hun tienen waren ze altijd bij elkander geweest, doch dat getal was gaandeweg verminderd! Eerst waren er nog negen, toen acht, later nog zes en nu waren ze slechts met hun vieren.

De andere zes waren òf aan den honger en de pest gestorven, òf lagen te huis te vechten tegen eene ziekte, waarvoor geene andere medicijn was dan voedsel.

En voedsel was er niet!

Zie, daar ginds komt eene vrouw aanstrompelen! Zij heeft de huik van haren mantel over het hoofd geslagen; want ze wil niet herkend worden.

Is ze arm of rijk? Is ze de vrouw van een vermogend lakenwever of van een behoeftig poorter?

Dat doet er niet toe! Al was ze de armste vrouw uit de stad, dan is het nog meer dan erg, dat ze daar op de vuilnishoopen kruipt, om koolstronken te zoeken, en om die, als zij ze vindt, rauw op te eten.

Cornelis keerde zich om; dát kon hij niet zien! Dát was te veel voor hem. Zijn gemoed schoot vol.