De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood
Part 14
De vijf mannen plaatsten zich hierop aan de riemen en roeiden stevig door.
Weldra was nu Cornelis bij van Boisot aanboord.
"Vanwaar komt gij, knaap?" vroeg de Admiraal.
"Ik kom uit Leiden, Heer Admiraal," antwoordde Cornelis en haalde uit den dubbelen bodem der kevie een paar brieven, die aan van Boisot's adres gericht waren.
"Nu," zeide van Boisot nadat hij de brieven gelezen had, "het ziet er daar binnen Leiden niet al te best uit, manneke! Hebt gij ook al leeren honger lijden?"
"Ja, Heer Admiraal, ja! Maar het zal nog wel erger worden! Vader zei, dat er voor ons vreeselijke dagen op handen zijn, vooral als de wind niet gauw in het noordwesten komt!"
"En is het volk onder al dat honger lijden over het algemeen nog al goedsmoeds?"
"De meesten wel, Heer Admiraal! Maar er zijn toch ontevredenen ook." Hierop vertelde Cornelis van de bijeenkomst van enkele ontevreden bij de Koepoort.
"Dat is minder fraai," zeide van Boisot toen Cornelis hem alles gezegd had. "En wanneer gaat ge naar Leiden terug?"
"Ja, Heer Admiraal, ik zou graag eerst dán terug gaan, als ik er het heugelijk nieuws kon brengen dat de Landscheiding doorgestoken is."
"Gij spreekt daar van het doorsteken der Landscheiding, knaap! Hoe is het u bekend dat dit ons voornemen is?"
"De mannen die mij hierheen brachten, hebben het mij gezegd, Heer Admiraal! Ook meende Oom Jan, die te Rijnsburg woont, dat het nu gebeuren moest," antwoordde Cornelis en begon toen meteen te zeggen, op welk eene plaats, zooals Oom Jan zei, die verscheidene jaren hier gewoond had, men dien dijk moest doorsteken om het spoedigst Leiden te kunnen bereiken.
Van Boisot hoorde hem bedaard aan, en toen Cornelis alles gezegd en zoo goed hij kon uitgelegd had, zeide de wakkere Admiraal: "Dienzelfden raad hebben Jeroen Cornelisz. van Zoetermeer, Cornelis Willemsz. van Benthuizen en Leendert Pietersz. van Zevenhuizen mij ook gegeven. We zullen het dan maar beproeven."
Hierop wendde hij zich tot eenen der Kapiteins en vroeg dezen: "Dunkt het u ook niet goed?"
"Ik zou in deze geenen raad durven geven, Heer Admiraal! Ik ben in deze streken niet bekend. Maar zooals het nu is, zie ik wel, dat er niets van komt! U zou de andere Heeren kunnen raadplegen. Misschien zijn er bij, die den omtrek hebben leeren kennen," was het antwoord.
"Dat is ook mijn plan," sprak de Admiraal. Hierop keerde hij zich tot een paar matrozen en zeide: "Hei daar, mannen! In de booten! Gaat Kapitein De Moor zeggen, dat we over een uur scheepsraad zullen houden. Hij ligt te Nootdorp en kan vandaar onze vlag niet zien. En gij, Vendrig, hijsch de Admiraalsvlag!"
Nauwelijks waren de mannen met het bootje op weg om De Moor te gaan roepen, en wapperde de Admiraals-vlag lustig van den achtersteven, toen van alle kanten sloepen werden uitgezet.
De eene Kapitein na den anderen kwam bij van Boisot aanboord, en toen de raad voltallig was, werd Cornelis in de hut des Bevelhebbers geroepen en verzocht aan de Heeren te zeggen, wat ook die boer van Rijnsburg aangaande het doorsteken van de Landscheiding had aangeraden.
"Hoe denken de Heeren over een en ander?" vroeg van Boisot toen Cornelis uitgesproken en zich verwijderd had.
"Ik meen, dat het een gevaarlijk spel is, dat we spelen zullen," zeide Kapitein Adriaen Willemsz.
"En ik geloof," merkte Kapitein Cret aan, "dat de Heeren Ingelanden beter op de hoogte zullen zijn dan die Rijnsburgsche groentenboer en die andere drie mannen. De Ingelanden hebben me verzekerd, dat de Landscheiding eigenlijk niet ééne geschikte plaats oplevert om doorgestoken te worden; want overal zullen we op de zwarigheid stuiten, dat Rijnland hooger ligt dan Delfland!"
"Hoor eens, Cret," sprak De Moor, "ik wil gelooven, dat de Ingelanden gelijk hebben, en dat we overal zwarigheden ontmoeten zullen; maar men zal mij moeten toegeven, dat er toch iets gebeuren moet! Wat helpt het den Leidenaars of het water al tot de Landscheiding staat, maar er niet door kan komen. Wordt die dijk niet doorgestoken, dan had men, bij mijne trouwe, de gekheid niet behoeven uit te halen om de Maas- en IJseldijken door te steken. Het is niet Delft, dat belegerd wordt, het is Leiden!"
"Dat weet ik ook wel," antwoordde Cret eenigszins gebelgd, "maar wat nu toch maar niet kan, dat kan ook niet! Wij vrijbuiters zijn geene halve goden!"
"Eilacie, neen, eer halve duivels dan halve goden," zeide Willemsz. "Maar ik ben het volkomen met vriend De Moor eens, dat er geene sprake mag zijn van: "dit kan niet en dat kan niet! We moeten alles beproeven!"
"Recht zoo, vriend Willemsz.," hernam De Moor, "recht zoo! Ik ben er voor, dat we den gegeven raad volgen en de Landscheiding doorsteken op de plaats, die de beste genoemd wordt. Het zal er warm toegaan, dat is zeker; maar, als het zijn moet, dan heb ik goed en bloed voor het Vaderland veil en mijne vrijbuiters ook. We zijn hier nu eenmaal niet op eene bruiloft!"
"Waar het op vechten aankomt, Kapitein De Moor," viel Cret weer in, "daar zult ge zien, dat ik ook handen aan het lijf heb! Het is geene vrees, die mij zoo doet spreken!"
"We zijn hiervan overtuigd, Heer Kapitein," zeide van Boisot, "en ik wed dat vriend De Moor de laatste zijn zal, die aan uwen moed en uwe trouw twijfelt; maar hij is een weinig driftig uitgevallen!"
"Ho, ho," zeide De Moor lachend. "Hier, mijn waarde, hier is de hand. Een Vlissingsche zeerob is wat heet gebakerd! Dacht ge, dat ik aan uwen moed twijfelde?"
De gulhartig aangeboden hand van den ronden zeeman werd door Cret hartelijk gedrukt, en de vrede onder de Kapiteins was bewaard gebleven.
Nadat nog verscheidene Bevelhebbers het voor en tegen der zaak besproken hadden, ging men eindelijk tot stemming over en er werd besloten, dat de Landscheiding op de genoemde plaats, den elfden van Herfstmaand, zou doorgestoken worden.
Nauwelijks hadden de Spanjaarden zulks gemerkt, of ze trachtten het te beletten; maar ze kwamen te laat;--het werk was reeds verricht.
Thans zat er voor hen niets anders op dan zorg te dragen, dat de vrijbuiters ook den Groenenweg niet doorstaken. De Spanjaarden hielden daar dapper stand.
"Frisch op, Leidsche hongerlijder, en sta niet te gapen, als Jut voor het landhek! Help liever een handje mee!"
Die uitroep gold onzen Cornelis, die reeds dapper aan den slag getrokken was, en thans een klein gebrek aan zijn musket trachtte te verhelpen.
"Er is een gebrek aan mijn musket, kompeer," antwoordde hij.
"Een gebrek, zijt gij razend? Pak het ding bij den loop en sla er met den kolf op in! Komaan, wakker aangevat! Toon dat gij een hart hebt!"
Cornelis bemerkte alras, dat de Spanjaarden ook geene katten waren om zonder handschoenen aan te vatten, doch nadat ze twee aanvallen afgeslagen hadden, gingen ze toch op de vlucht en gaven aldus den vrijbuiters gelegenheid, om ook den Groenenweg door te graven.
Weldra was dit gebeurd, doch nu zag men, dat de Ingelanden de zwarigheden niet te hoog hadden opgevijzeld; want de vaarten en plassen liepen niet door, met uitzondering van ééne breede sloot, en deze liep nog door de Zoetermeersche brug, die door de Spanjaarden met eene sterke macht bezet was.
"Valt aan, mannen, valt aan! De Spanjaard moet daar verdreven worden, of ons werk is hier vergeefsch geweest! Vooruit, valt aan, valt aan," beval van Boisot.
De vrijbuiters rukten op en deden eenen geweldigen aanval, doch de Spanjaarden waren er op voorbereid en sloegen hen terug.
"Nog eenmaal mannen, nog eenmaal! Op, op, voor Leiden en den Prins van Oranje!" klonk andermaal de forsche stem des Admiraals.
Met onbesuisd geweld hernieuwden de vrijbuiters den aanval; maar even standvastig als de eerste maal, hielden de Spanjaarden stand. Ze wisten van geen wijken en waar de musketschoten hunne gelederen dunden, daar vulden zij deze dadelijk weder aan.
"Terug, mannen," riep van Boisot, "dat is hier het Prinsenvolk op de slachtbank brengen! We zullen zien of ons nog geen andere weg openstaat!"
De vrijbuiters niet gewoon krimp te geven, voldeden morrend aan het bevel en trokken terug om nog verscheidene dagen achtereen op meer water te liggen wachten en andere middelen te beramen, teneinde den Spanjaard bij de Zoetermeersche brug mis te loopen.
Den achttienden van Herfstmaand was de wind gelukkig uit den noordoosten hoek gekropen en woei er, voor een oogenblik, eene stevige koelte uit het noordwesten.
"Thans hopen wij, dat de ellende spoedig zal geleden zijn, De Moor!" zeide van Boisot.
"Het is te hopen, Heer Admiraal," antwoordde deze, "doch hoe zullen we verder komen? De raad van dien Rijnsburgschen groentenboer en de anderen heeft ons niet veel voordeel aangebracht!"
"Toch houd ik het nog voor den besten raad, die ons gegeven is; want iedereen had zwarigheden en niemand zei: doe het hier of doe het daar! Doch weet ge, wat we vannacht wel konden doen, nu het water een weinig gestegen is?"
"Neen, dat zie ik nog niet in, Heer Admiraal!"
"Luister dan! Ik heb bemerkt, dat de Spanjaard tusschen Zoetermeer en Bonthuizen eene slappe wacht houdt. Dien weg zullen we vannacht trachten te bezetten en Zoetermeer innemen!"
"Dat zal strijd en bloed kosten, zou ik meenen!"
"Dat zal het, De Moor, maar het moet, al schoot er de helft van onze manschap het leven bij in! Nog eens, ik zeg u, het moet, anders is Leiden verloren en zijn alle kosten te vergeefs gemaakt!"
En dien nacht werd het waagstuk ondernomen.
De Spanjaard op geene overrompeling bedacht, werd verdreven en de weg tusschen Zoetermeer en Bonthuizen door de vrijbuiters bezet.
Maar heeter was de strijd te Zoetermeer.
Waar het gevaar het dreigendst was, daar was van Boisot, en zijne machtige stem klonk donderend tusschen het schieten der gotelingen en het kletteren der wapenen in:
"Houdt stand, mannen! Op, op, voor Leiden en Oranje!"
"Voor Valdez en den Koning!" klonk het van den anderen kant.
"Wacht, ik zal je 'reis even "koningen" mooie Don!" riep Cornelis, en zijn musket aanleggende, schoot hij het af en een Spaansch Bevelhebber tuimelde op den grond.
"Die kameraad zal onze jutteperen niet meer op-eten, Leidsche hongerlijder," zeide Eenoog.
"Gij hebt eene vaste hand, vaster dan ik! Hier, hier is mijn musket, schiet dat af, dan zal ik dat ding van jou onderwijl laden! Toe dan, knul, kijk, bij dat brandende huisje staat er een, blaas diens lichtje ook eens zoo knapjes uit!"
Cornelis keek naar de aangewezen plaats en herkende den bedoelden persoon. Het was Jean Lebon!
"Neen, Eenoog, dien man schiet ik niet dood. Dien man heb ik eens ontmoet, en toen heeft hij mij vertrouwd, niettegenstaande ik hem bedroog!"
"Loop naar den Satan, met je gekwezel! Geef hier, dan zal ik mijne kunsten eens toonen," schreeuwde Eenoog en rukte Cornelis het musket uit de handen.
"Jean Lebon, berg-je!" schreeuwde de knaap in eene vlaag van edelmoedigheid, en Jean, die zulks gehoord had, was in een oogwenk verdwenen.
"Hier, Lijs Putwater, daar heb-je een presentje van me," riep de verbitterde vrijbuiter, en wilde Cornelis met de kolf van zijn musket op het hoofd slaan; maar, eer dit geschied was, viel er een schot, en Eenoog lag zoo goed als dood op den grond uitgestrekt.
In een oogenblik was Cornelis door een achttal Spanjaarden omringd en reeds wilden dezen hem afmaken, toen Jean Lebon riep: "Houdt op, mannen, het is er een van de onzen!"
"Een der onzen? Zijt gij behekst? Hoe zou die tusschen dat geuzenvolk komen?" vroeg een ander.
"Ja, en hoe komt hij aan die muts met dat halve maantje?" klonk het van eenen anderen kant.
"Slaat dood, slaat dood!" riepen weer anderen. "Jean Lebon is blind!"
Reeds drongen van alle kanten de Spanjaarden op hem aan, toen eensklaps in hunne nabijheid de verschrikkelijke stem van den Aanvoerder der vrijbuiters klonk:
"Vooruit, vooruit! Zoetermeer is ons! Op, op, voor Oranje en Leiden!"
"Voort, voort," schreeuwden de Spanjaarden en gingen op de vlucht. Jean Lebon werd echter achterhaald, en een der Fransche soldaten, die onder den Prins dienden, gaf hem met zijn breed zwaard zulk eenen geweldigen slag op het hoofd, dat Jean's helmkap middendoor geslagen werd en hij zieltogend op den grond viel.
In een oogenblik was Cornelis den ongelukkige nabij en hem opnemende, droeg hij hem uit het gedrang.
"Het is te laat, kameraad," zeide Jean.
"Ho, ho! een boom valt niet met éénen slag," antwoordde Cornelis.
"Gij hebt me bedrogen! Gij waart geen knecht van Valdez: maar ge hebt toch woord gehouden!"
"Mijn woord had ik gegeven, Jean, en dat wilde ik niet breken!"
"Ik zal Sanne niet meer zien," sprak de soldaat, en zwakker en zwakker klonk het: "Vrij-buiter, houd-ook-nu-woord-en-en-groet-San-San- .. Sa..."
Nog eenen enkelen blik sloeg hij op Cornelis, als wilde hij met de oogen vragen, wat de mond niet meer doen kon.
"Ik zal "Bruine Sanne" uw groeten overbrengen, arme vriend," sprak Cornelis.
Jean richtte zich nog half op, stamelde: "Ik-k-om, Moeder!" drukte den knaap de hand, en Valdez had een dapper soldaat, een goed man minder in zijn leger.
"Wel te rusten, Jean," fluisterde Cornelis en ging met tranen in de oogen heen.
Het gevecht was ten nadeele der Spanjaarden beslist en Zoetermeer genomen.
Thans liet van Boisot al zijne vaartuigen komen en vervolgde, steeds voortroeiende, den vluchtenden Spanjaard tot op het Noord-Aasche meer.
Nu ook stond de weg naar Leiden voor hem open, als er maar wat meer water kwam. Maar, weer was de wind in het noordoosten. Om den belegerden tijding te geven, dat hij naderde, liet hij zijn geschut lossen en die uit Leiden dit hoorende, gaven hem op dezelfde wijze antwoord.
"Ga nu naar Leiden terug, knaap! Geef dezen brief aan den Burgemeester, en dien aan mijnen vriend van der Does, en, zoo uwe Ouders, of wie dan ook, vragen: "Wanneer komt nu het ontzet?" zeg dan: "Als God maar wil; de vrijbuiter is iederen dag gereed," zeide de Admiraal.
Het kostte Cornelis veel moeite eer hij weer in Leiden was, doch zijne ervarenheid in het zwemmen, gunde hem eene richting te volgen, waarin de Spanjaard hem niet opzoeken zou.
Na eene afwezigheid van een dag of tien kwam hij thans in de stad terug.
"We dachten, dat gij omgekomen waart, Cornelis," zeide de man, die de wacht op den wal hield.
"Gelukkig niet," was het antwoord.
"Ik weet niet wat u beter zou geweest zijn, kameraad," hervatte de andere, "ginds hangt men u op; hier sterft men den hongerdood!"
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Om brood bij den vijand.
Nauwelijks was Cornelis binnen de stad gekomen, of uit alle huizen kwamen de nieuwsgierigen te voorschijn.
Bleeke mannen met waggelenden gang; gebaarde vrijbuiters met diep liggende oogen en knikkende knieën; rijke ingezetenen in het fluweelen kleed, dat hun veel te wijd om de leden zat; weenende vrouwen met schreiende kinderen op de ontvleeschde armen; trage knapen en droomerige meisjes, die allen kwamen den jongen bode met vragen van allerlei aard bestormen.
Cornelis kon niet voor- of achteruit; de menigte pakte zich steeds dichter opeen.
Het werd den knaap hier te eng om het hart; want het scheen wel, of de uitgehongerden, als dreigende spookgestalten om hem heen kwamen staan, om hem te dooden en zich aan hem te verzadigen! Hij zag er immers zoo gezond en welgedaan uit!
Kon hij maar wegloopen!
"Wanneer komt nu het ontzet?" schreeuwde er een.
"Waar liggen de vrijbuiters?" vroeg de ander.
"Kijk eens, Cornelis, wat ziet mijn kleine Jan er gezond uit! Hi-hi! Kijk eens, wat zijn die wangetjes bol en zijne armpjes dik! Vindt gij het ook niet, Cornelis, zeg? Hi-hi!" riep eene vrouw, die van honger waanzinnig was, en een kind op de armen hield, dat daar met den hongerdood lag te worstelen.
"Laat die vrouw maar loopen, Cornelis, de honger heeft haar zoo raar gemaakt," hervatte een ander.
"Op zij," gilde opeens de arme vrouw. "Daar komt de broodkist aan! Op zij! Ruimte!"
Cornelis ging op zijde en liet, wat er aankwam voorbij trekken. Maar het was heel iets anders dan eene broodkist. Er werd iemand begraven, en achter die nog een, nog een en nog een!
"Laat me door, luiden, laat me door!" riep Cornelis, die het hier niet langer uithouden kon. "Sterven dan nu alle menschen van den honger?"
"En van de pest ook, Cornelis," viel eene bekende stem hem in de rede.
De knaap keek om en zag in het gelaat van Van der Morsch.
"Zijt gij ook ziek geweest, Van der Morsch?"
"Neen, Keesje, ik heb maar tegen Meneer Hongerman gevochten; maar ik heb het verloren, en nu speelt hij den baas over mij. Nu eet hij het vleesch van mijne kaken, steelt het licht uit mijne oogen en plundert mijn geheele hoofd ledig! In den tijd, dat ge afwezig zijt geweest, heb ik niet één mopsje kunnen rijmen!"
"Van der Morsch, man, hebt gij niet een hapje brood voor me? Om Godswil, maar één stukske, al was het niet grooter dan het vlakke van mijne hand," riep eensklaps een man.
"Goede vriend, zoo ik het had, ik zou het met u deelen, maar ik heb geen brood," antwoordde de rederijker.
"Mijne kinderen, mijne vrouw, ze sterven van den honger! Brood! brood, brood," klonk het op eene andere plaats.
Thans vlood Cornelis heen zoo spoedig hij kon, en nog een heel eind ver hoorde hij het gegil van den wanhopigen man: "Brood! brood, brood!"
Eindelijk was hij vrij, en kon hij weer de oogen in het rond slaan zonder door eene huivering bevangen te worden.
De brieven had hij spoedig bezorgd en thans sloeg hij den weg in naar huis.
Ouder gewoonte deed hij de deur open, en wilde ze achter zich in het slot laten vallen, toen er een bleek, mager meisje in het voorhuis kwam om te zien, wie er aan de deur was.
"Cornelis, gij hier? Sst, gooi de deur niet te hard toe, anders worden ze wakker," zeide ze.
"Zijt gij dat, Gonda? Zijt gij nu ook al ziek geweest? Slapen Vader en Moeder dan midden op den dag? Wat is er toch in die tien dagen gebeurd?"
"Te veel om ineens te zeggen, Cornelis! Ga maar stil met mij mede."
Cornelis volgde haar, doch eer ze binnen gingen, vatte hij haar bij de hand en zeide: "Hoor eens, ik kan niet langer wachten te vragen, wat scheelt er aan, Gonda?"
"Niets!" was het antwoord en ze sloeg de oogen neer.
"Het is wel waar, Gonda, er scheelt wel iets aan; want toen ik heenging, zaagt gij er wel bleek, maar niet zoo zwak uit. Zijt gij ziek?"
"Neen, Cornelis," klonk het weder, doch de tranen, die in hare oogen kwamen, en die ze tersluiks wilde afdrogen, werden door Cornelis gezien.
Daar werd het den knaap eensklaps duidelijk.
"Hebt gij dan zulk een honger, Gonda?"
Hierop gaf ze geen antwoord, doch zich op eenen stoel latende neêrvallen, verborg ze het gelaat in hare handen en begon zenuwachtig te snikken.
Thans ging de kamerdeur open en kwam Vader Van Keulen kijken, wie er toch in huis gekomen was.
"Vader, Vader!" riep Cornelis.
"Zoo, jongen, zijt gij terug, dat is goed! Gij hebt zeker wel te eten gehad in dien tijd, hè?"
"Ja, Vader, maar...."
"Nu, dat zal ik straks wel hooren. Ik moet nu naar de wallen! Pas maar op, dat gij uwe Moeder niet doet verschrikken." Na dit gezegd te hebben ging hij heen.
Verwonderd keek Cornelis zijnen Pleegvader na? Was dát Schipper Van Keulen, dát? Klonk zijn stap vroeger niet door het heele huis heen, en nu?....
"Vader, gij zult vallen," riep hij, toen hij zag, dat de onlangs nog zoo krachtige man bij de voordeur begon te wankelen, en zich aan den muur moest vasthouden.
"Stil, jongen, het is al over; ik struikelde maar," klonk het antwoord.
Voorzichtig werd de deur gesloten en Cornelis was weer alleen met Gonda, die nog altijd snikkend op den stoel zat.
"Ik ga naar binnen," zeide hij. "Ik moet weten, wat hier gebeurd is!"
Hij deed de deur open. Niemand was te zien! Daar hoorde hij uit eene der bedsteden eenig gekreun en de gordijnen openschuivende, zag hij vrouw Van Keulen te bed liggen.
"Dag, Moeder! Dag, lieve Moeder," fluisterde hij om haar niet te verschrikken.
"Dag, Cornelis! Dag, lieve, beste jongen," zeide de arme vrouw en de magere armen hem om den hals slaande, kermde ze: "o, God, jongen! Komt gij hier ook sterven?"
Dat was te veel voor Cornelis. Iedereen keek hem wangunstig aan, omdat hij er zoo gezond uitzag; ieder vroeg hem om brood en zijne lieve Pleegmoeder lag langzaam den hongerdood te sterven.
Hij viel weenend op eenen stoel en de hand der goede vrouw grijpende, drukte hij er brandende kussen op en bevochtigde ze met zijne tranen.
"Wie is daar? Zijt gij daar, Cornelis?" klonk het nu uit de andere bedstede.
"Ja, Jan, ik ben hier! Zijt gij ook al ziek?"
"Neen, Kees; maar hebt gij niet wat te eten voor me?"
"Honger, honger! Keesje," riep de jongste en begon zoo droevig te huilen, dat het ruwste hart er door bewogen zou geworden zijn.
"Ik heb geen brood," antwoordde Cornelis, "maar ik zal het gaan halen!"
Hierop nam hij een wapen van den wand en wilde de deur uitgaan.
"Waar gaat gij heen, Cornelis?" vroeg Gonda.
"Ik ga brood halen!" was het antwoord.
"Brood halen bij den Spanjaard? Cornelis, dat kunt ge immers niet? Ze zullen u ophangen, evenals ze Leeuwke gedaan hebben!"
"Laten ze me ophangen! Ik ben liever dood, dan dat ik ze hier allen van honger zie sterven!"
"Neen, Cornelis, doe het niet, och toe, doe het niet! Wat zal Vader zeggen, als hij van den wal komt en hij ziet, dat gij alweer de stad uit zijt?"
"Hij zal me niet missen!"
"Zeker, dat zal hij wel! Neen, Cornelis, doe het niet! Ik durf hier niet meer alleen bij de zieken blijven!"
"Nu, Gonda, ik zal dan wachten, tot vanavond Vader thuis is; maar dan ga ik vast en zeker!"
Wat Gonda ook beproefde, hem van zijn voornemen af te brengen, het hielp niet. Toen de avond gevallen en Vader Van Keulen thuis was, ging hij de deur uit.
Op de welbekende plek aan de Koepoort liet hij zich afglijden en zoodra hij buiten was, scheen hij besluiteloos en stond even stil.
"Wacht," mompelde hij, "naar Oom Jan te Rijnsburg; hij zal me brood geven."
Zoo voortstappende hoorde hij niet ver van Valkenburg een woest gezang.
"Die daar, zingen vast niet van den honger," fluisterde hij, "Ik ga er eens op af. Het is zeker in de taveerne van "Zwarte Jaap!"
Langs een paadje, dat door eene weide liep en den wandelaar aan de achterdeur van het huis bracht, kwam Cornelis eindelijk op het erf van de taveerne.
De luiken aan de achterramen waren maar even gesloten, zoodat hij alles zien en hooren kon, wat daar binnen voorviel.
Een achttal musketiers uit het vendel van Carion, zat om eene kleine tafel te dobbelen.
Één echter stond een weinig afgezonderd en scheen niet zeer op zijn gemak.
"Komt, jongens, staat nu op en gaat mede," zeide hij.
"Gij zijt een vervelend mensch, Juan! Laten we nog wat spelen!"
"Ja, als ze op de schans niet op het brood wachtt'en, dan zou ik ook niet zulk eene haast hebben," antwoordde de ander.
"Wacht, daar weet ik raad op," riep er een en schreeuwde: "Zwarte Jaap! Zwarte Jaap!"
"Wat believen de Heeren?" vroeg de waard.
"Hebt gij niet eenen sterken slungel van eenen zoon?"
"Jawel, Heeren!"
"Best, laat hem dan dien zak met brood eens naar de schans brengen!"
"Tot uwen dienst, Heeren! Hij zal het doen!"
Cornelis had alles gehoord.
Als hij dien Jurrie, dien hij wel kende, eens onverwachts van achter aanviel en hem eenen doek in den mond stopte dan....
Daar ging de voordeur open!....
"Wat weegt die zak zwaar, Vader!" zei Jurrie.
"Des te meer brengen we er voor in rekening! Kom, pak-je maar weg," was het antwoord.
Cornelis sloop hem achterna en daar Jurrie vast bang was, in den avond alleen te loopen, begon hij op eene vreeselijke manier een liedje te zingen.
"Zooveel te beter," dacht Cornelis, "zing maar zoo hard en leelijk gij kunt, oude jongen!"
Toen hij hem dicht genoeg op de hielen was, viel hij als een tijger den bangen knaap van achter aan, en deze, hierop niet bedacht, sloeg met zak en al achterover.
In een oogenblik had Cornelis, hem eenen doek in den mond gestopt.
"Sta op," beval Cornelis en Jurrie gehoorzaamde.