De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood

Part 12

Chapter 124,198 wordsPublic domain

Op de Voorstraat komende, vond hij voor de brouwerij "De Flapcan" het werkvolk in druk gesprek met eenen man, die er al heel akelig uitzag. Geene gedroogde schol was ooit zoo gekorven, als deze man het in zijn gelaat was. Hij had maar één oog en het stompje vleesch en been, dat zich tusschen de twee oogen bevond, geleek al bitter weinig op eenen neus. Aan de linkerhand ontbraken twee vingers, en ooren waren bij hem niet te vinden. Voor het overige was hij een man als een boom. Daardoor stak hij boven alle andere mannen uit en viel ieder in het oog. Op het hoofd droeg hij eene wollen muts met een zilveren halve maantje.

Hij was een Watergeus, die onder het algemeene gelach der omstanders vertelde, dat hij, als eene rat, in eene Spaansche klem had gezeten, doch dat hij gedaan had, als de vossen, die liever gehavend vrij komen dan ongeschonden doodgeslagen worden.

Op de vraag hoe het met de vloot ging, vertelde hij dat men bitter weinig vorderde uit gebrek aan water. De meeste vaartuigen hadden drie en eenen halven voet diepgang en op de weilanden stond nog maar één voet water. De plaatsen waardoor men in de vaarten zou kunnen komen, waren sterk bezet en de Spanjaarden waren "lompe" menschen, want niet één was er onder, die zei: "Ga door, goêman!" Integendeel, ze schoten, sloegen en hakten er op in, dat een fatsoenlijke Watergeus er nog een lesje in had kunnen nemen. Zoo was de toestand, zie, zóó, en niet anders.

"Maar zou de vloot dan wel ooit tot Leiden kunnen komen?" vroeg een uit den hoop, en hij voegde er bij: "Ik heb altijd gezegd, dat die doorstekerij niet veel meer dan gekkenwerk is geweest."

De Watergeus lachte luid en zeide: "Pas op, die springt nog uit mekaêr van geleerdheid. Ik zeg ja, maar, de Leidenaars moeten nog wat geduld hebben. Wij zijn hier nu eenmaal in Holland en we gaan er niet uit vóór we de stad van de "Leidsche kaas" van binnen gezien hebben.

"En als het water nu niet hooger komt?" vroeg dezelfde. "Wat dan?"

"Als het water niet hooger komt, dan neemt onze admiraal van Boisot een mes tusschen de tanden, een musket in de eene en eene schop in de andere hand. Dat doen we hem allen, allen na. Niet één van de achthonderd Watergeuzen, die thuis blijft om op zusje te passen. Elk musket zal eenen vijand treffen; elk mes eenen Spanjaard vinden. Dan hebben we ruim baan en we graven eene wetering, eene vaart, eene rivier of eene zee, zeg maar, wat je hebben wilt en--wij komen er met vlag en wimpel, desnoods met van Boisots Admiraalsschip. Maar Leiden moet Holland blijven. En nu, brouwt bier en gaat aan het werk! Ik wil je groeten!"

De Watergeus ging heen, doch niet één uit den hoop, die staan bleef, of hij dacht: "Ze zullen er komen! Wat een volk!"

Ook dat dacht Cornelis, die, zelf vrijbuiter zijnde, zich bij dezen Watergeus al bitter klein gevoelde. Maar als hij weer in Leiden mocht komen, dan zou hij daar met gloed en vuur de woorden van den echten Watergeus herhalen, en dat zou helpen om zelfs den vreesachtigste moed en de wanhopendste hoop te geven.

Te elf uren ging Cornelis naar de woning van den Prins terug en na de twee brieven alweer, op dezelfde manier als Gerrit gedaan had, in eenen dikken stok gestoken te hebben, begaf hij zich op weg naar 's-Gravenhage, waar hij omstreeks één ure aankwam.

Daar het nog veel te vroeg was om "Bruine Sanne" op te zoeken, trad hij de eerste taveerne de beste binnen om daar onder eene kan bier zijnen tijd af te wachten.

Alsof de waard van "De witte Valk" hem al jaren lang gekend had, ontving hij Cornelis met eenen gullen uitroep van: "Welkom, kameraad! Dorstig weer, hè?"

"Ja, wel wat! Geef mij eene kan bier!"

"Graag, maat, graag! We zullen klinken op het gezicht van zeven dagen slecht weer van je weet wel wien!"

"Neen, dat weet ik niet. Wien bedoel je?" vroeg Cornelis.

"Klaar als de dag. Ik bedoel dien ijzegrim Valdez!"

Cornelis wantrouwde den dikken, luidruchtigen waard terstond en zeide: "Gij bedoelt zeker Don Valdez, onzen Veldheer, nietwaar? Dat hij een ijzegrim moet wezen, wist ik nog niet. Ik vind hem een nobel en flink man, en daarom zal ik hem nooit uitschelden, maar hem altijd noemen Don Valdez."

"Nu, laat dat Don er maar af! Zeg maar Valdez! Hebt gij hem gezien?"

"Neen, ik kom zoo over Delft uit Rotterdam. Eene heele wandeling!"

"Uit Delft? Jongen, eene pint van mijn beste bier geef ik, als gij me zegt, of het waar is, dat het gevaar van Zijne Doorluchtigheid geweken is!"

"Ja, als ge den Prins van Oranje met dat "Zijne Doorluchtigheid" bedoelt, dan kan ik u zeggen, dat het waar is," zeide Cornelis, die op raad van Hans Van Bruggen hier in Den Haag, waar de Spanjaard nog geheel meester was, bijzonder voorzichtig was in hetgene hij zeide en daarom den Spaanschgezinde uithing.

"Papperlepap, keek daarom die Valdez zoo leelijk op zijnen neus, als eene dolle kat op eene doode muis! Ha! ha! Nu begrijp ik het! Daar kan eene pint oud bier op staan! Drinkt gij mee, manneke?"

"Ja, ik wil uw bier wel drinken; maar om dat te doen op de gezondheid van...."

"Van den Prins, wilt gij zeggen, hé? Durft gij dat niet? Ha, ha, ik wel! Al waren er duizend Spanjolen bij! Maar daarom moet gij dat nog niet doen! Ieder mensch is hier zoo vrij als een vischje in het water! Gij hebt dus Valdez niet gezien, zegt ge?"

"Ik heb immers al gezegd dat ik hem niet gezien heb, dat wil zeggen, vandaag niet. In het kamp zie ik hem dikwijls genoeg, als ik hem de visch breng, die ik dikwijls voor hem moet gaan vangen. Hij houdt wat veel van waterbaars en, hij betaalt goed!"

"Zoo! Dan merk ik het al dat je een Spanjolen-vriend bent," zeide de waard.

"Ik wed dat hij zelfs geen bier lust dat binnen Delft gebrouwen is," merkte een der twee gasten aan, en toen Cornelis dezen aankeek zag hij zeer goed, dat ze heel wat anders waren, dan hunne kleeding moest aanwijzen.

Cornelis dronk het bestelde bier uit en fluisterde den waard in het oor: "Wees maar voorzichtig, man, met zoo over onzen Veldheer te praten, dat raad ik aan. Ik zal maar niets vertellen van wat gij zooal gezegd hebt, anders komt op den eenen of anderen dag baas Van Stroppenburg je halen om je door een hennepen-vensterken te laten kijken. En verdiend zoudt gij het hebben, want ik zeg dat ieder, die den Prins van Oranje aanhangt, een groote deugniet moet zijn."

De waard lachte even en zei: "Dank je! Ik wensch je den vrede, Spanjool! Loop je mooien meester maar na. Een half uurtje geleden is hij voorbijgekomen om weer naar het kamp terug te keeren. Zeg hem gerust, wat "Gladde Peer" uit "De witte Valk" verteld heeft. Ik geef er net zooveel om!" Hij streek hierbij met de eene vlakke hand over de andere.

Zoodra Cornelis weer buiten de deur was, mompelde hij: "Als dat geen Spanjolen-vriend is, dan ben ik Cornelis Joppensz. niet."

"Mis, Gladde Peer," zeide een der gasten toen Cornelis weg was. "Als alle Hollanders waren als die visschersjongen, dan waren wij hier niet noodig."

"Eer het avond is, heb ik hem, Senor!" zeide de waard. "En dan mijn loon, Don Louis Gaëtan! Mijn loon, hi-hi, en nog wat! Als de knaap aan de galg hangt te slingeren, als een oud uithangbord aan een verroest ijzer, dan komen de luiden bij hoopen om er naar te kijken, en dan .... een pintje bier aan ieder! Jongens, dat zal gaan, zei Krelis-oom en hij plantte een goudstuk!"

Zoo redeneerde de kastelein, doch bedroog zich niet weinig. Om eenen jongen vrijbuiter onder zijn net te krijgen, was hij toch niet slim genoeg geweest.

Het was nog wel veel te vroeg om naar "Bruine Sanne" te gaan, doch daar Valdez toch weg was, meende hij niet verkeerd te doen met een uurtje vroeger te komen dan de afspraak was. Hij zocht dus het kostershuis op en liet den klopper op de deur vallen.

"Gij komt vroeg," zei "Bruine Sanne," die open deed en op de stoep bij hem kwam.

"In "De witte Valk" hoorde ik dat Don Valdez terug gereden was en dus niet meer hier kon zijn," sprak Cornelis. "En wat is uwe boodschap aan Jean?"

"Geene andere dan dat hij maken moet Vaandrig te zijn, als hij weer in Den Haag bij mij komt."

"Dat zal hij wis worden, als de bestorming maar doorgaat," zeide Cornelis.

"De bestorming, vriendschap? Nu, maar dan kan hij lang wachten! Van die bestorming komt niemendal. Valdez zelf heeft het aan onzen Pastoor gezegd, waar de koster bij was. En waarom hij dat doet? Weet ik het? Ik geloof dat hij bang is voor de woede van hongerlijders, die vechten zullen als wolven, die in geene dagen gegeten hebben. En als hij moest afdeinzen, dan zou hij zich dat tot ééne schande rekenen. Hij moet nu plan hebben, de menschen in Leiden eenvoudig door den honger te dwingen, zich over te geven. De Pastoor heeft wel gezegd, dat hij dan lang wachten kan, want dat een Hollander zoo gauw den moed niet opgeeft, maar daarop luidde het antwoord van Valdez: "Heer Pastoor, ik heb den tijd, en Leiden zàl zich overgeven, zich overgeven, door het scherpe zwaard van den honger gedwongen." Zoo sprak Heer Pastoor, en wat denkt gij er van, vriendje? Gij zijt toch ook een Hollander, nietwaar?"

"Zou uw Vader het doen, Sanne?"

"Vader? Vader?! Wel neen hij! Dat zei hij gisteren nog: "eer ik mij door den honger aan eenen vijand overgaf, zou er meer moeten gebeuren!"

"Nu, Sanne, ik ben ook een Hollander; ik zou het ook niet doen. En daarom vrees ik, dat we komende jaar op dezen tijd nog voor Leiden liggen, als...."

"Wat, als?"

"Als het water ons ten minste niet verjaagt. Ze hebben dan toch de dijken maar op verschillende plaatsen doorgestoken, weet ge! Het moet maar wat uit het noordwesten gaan waaien, een springtij zijn, en...."

"Wat, water? Dat komt nooit zoo hoog, dat gij in het legerkamp er last van hebt! Doch één ding is maar jammer!"

"En dat is?"

"Wel, we dachten allemaal dat de groote Ketterbaas er het leven bij inschieten zou, en kijk, vanmorgen liep het gerucht, dat hij beterde! Een jongen uit Leiden moet hem genezen hebben!"

"Nu maar, als er in Leiden zulke knappe jongens zijn, dan mogen ze die wel in eere en binnen de wallen houden," spotte Cornelis, "want iemand, die zóó knap is, zal ook wel een middeltje tegen honger weten!"

"En dan hebben ze zeker wèl gedaan zoo ze hem niet uit Delft lieten gaan; want Don Louis Gaëtan heeft overal schildwachten uitgezet om hem te snappen, en "Gladde Peer" uit "De witte Valk" heeft ook bevel gekregen, hem op te sporen, en die vindt hem zeker; want die is me wat mans!"

"Ei! Maar hebt gij nu niemendal voor uwen bruidegom?" vroeg Cornelis.

"Mijn bruidegom?" zeide Sanne. "Als hij Vaandrig is, dan mag hij het zijn, zeg hem dat!"

"Ik zal het doen!" antwoordde de knaap en het meisken groetende ging hij heen.

Het eischte voorzichtigheid om de schildwachten van Don Gaëtan mis te loopen, en daarom besloot hij naar Scheveningen te gaan en dan het strand te houden tot op de hoogte van Wassenaar. Kon hij maar tot zoover komen, dan was hij althans hier weer buiten gevaar.

"Die leelijke "Gladde Peer," bromde hij. "Ik dacht het wel, dat hij de rechte broer niet was! Hij liet zich veel te onvoorzichtig uit voor iemand, die te midden van Spanjolen en Spaanschgezinden leeft! Maar ik zal toch blij zijn, als ik weer in Leiden ben, en in mijn eigen bed wat uitrusten kan!"

Onder dergelijke gedachten kwam hij ongehinderd te Scheveningen en aan het Wassenaarsche Slag. Zoo snel hij nu maar loopen kan, liep hij door de duinen naar Rijnsburg en het was nog helder dag toen hij er aankwam.

Oom Jan had hem al heel den dag verwacht en onthaalde hem weer op spek en brood. Tegen den avond trok Cornelis het pak van den Spaanschen musketier weer aan en wilde onder duizend dankbetuigingen heen gaan.

"Wacht jongen," zeide Oom Jan, "berg dit stuk brood in uwe zakken en steek er die homp spek ook bij. Gij hebt nu eenen goeden maaltijd gedaan, laat Zuster met hare kinderen het ook eens doen! Maar behalve dat, geef ik u nog wat anders, en dat is het wachtwoord. Ik ben er toevallig achter gekomen toen ik een der schildwachten, die afgelost werd, voorbijging. Het is tot van avond tien uren: Honger! Na dien tijd krijgen ze een ander! Maak nu maar dat ge voort komt, anders zijt ge er te laat bij!"

Nadat ze van elkander hadden afscheid genomen, ging Cornelis stoutmoedig op weg. Zoo brutaal mogelijk ging hij voorbij elke schans, want nu hij het wachtwoord wist, kon niemand hem den doortocht beletten en was hij langs ongebaande wegen gegaan, dan zou men hem mogelijk nog wel nader ondervraagd hebben. Zonder eenige ontmoeting van aanbelang, kwam hij nog lang vóór tien uren voor de Witte poort aan. Hij werd aanstonds binnen gelaten, en nadat hij zijne brieven bezorgd en een en ander verteld had, ging hij naar huis, waar hij met blijdschap ontvangen werd.

"En raad nu eens wie we in huis hebben genomen, Keesje?" vroeg zijne Pleegmoeder.

"Ja, dat weet ik niet," antwoordde hij.

"Nu, ik zal het u maar zeggen: Gerrits Moeder. Drie van hare kinderen zijn van den honger gestorven. De overigen kinderen hebben wij, buren, onder elkander gedeeld, en nu is Gonda bij ons in huis. Wij hopen dat de goede God op dat werk der barmhartigheid Zijnen zegen zal geven! Dat is zeker, het meisken kon het nergens beter hebben!"

"Ge zijt toch eene goede Moeder," vleide Cornelis en gaf haar eenen kus.

Onder het vertellen van alles, wat hem overkomen was, vlogen de uren om en was het reeds over middernacht, eer men er aan begon te denken, dat het bed al lang gewacht had.

"Oost, west, thuis best," dacht Cornelis en sliep weldra in.

Den volgenden morgen aten allen van Gonda's brood en spek mede, behalve Cornelis, die er niets van wilde hebben, omdat hij den vorigen dag zich verzadigd had.

De tijdingen, die Cornelis medebracht, waren evenwel niet zeer bemoedigend.

Niet dat men in Leiden zich onverschillig aanstelde bij het bericht, dat de Prins van Oranje thans zoo het scheen buiten gevaar was. Integendeel, menigeen dankte er voor; want op den Prins was hunne hoop gevestigd, en als hij viel, dat wist iedereen, viel alles,--ook Leiden!--Maar dat het water zoo weinig rees en maar al door voor de Landscheiding bleef staan, en dat er toch geen andere weg tot uitkomst openstond dan juist dat water, zie, dat bracht naast den blijden trek van blijdschap op het gelaat bij het bericht: "Zijne Doorluchtigheid wordt beter!" toch dadelijk den droeven trek, die iedereen deed lezen: "Wat zal van Leiden worden?"

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Samenzweerders beluisterd.

Het was een donkere, drukkend heete nacht in het begin van September.

In het huis van Barend Cornelissen Van Keulen lag alles in diepe rust, behalve Cornelis, die de wacht op de wallen had.

Ééne echter kon niet slapen, en die eene was de vijftienjarige Gonda.

Het meisken woelde zich op haar strooleger om en om, doch kon den slaap niet vatten.

Wat was er dan gebeurd, dat ze zoo onrustig was?

Ze had in den afgeloopen avond een gesprek aangehoord tusschen Barend Cornelissen en zijne vrouw. Ze had gehoord, dat de leeftocht in Leiden was opgeteerd en dat er alleen nog eenige magere koeien te slachten waren overgebleven. En als die ook eens op waren, wat dan?

En dan het gesprek van den afgeloopen avond!

Had niet Barend Cornelissen zelf gezegd, dat er nog veel zwaarder, nog veel droever, ja, vreeselijke dagen voor de arme Leidenaars stonden aan te breken! Had niet zijne vrouw met tranen in de oogen op hare kinderen gezien en gezegd: "God, Barend, als dát gebeuren moest, wat zal er dan van deze arme schepseltjes worden?"

En diezelfde kinderen, hadden die heel den dag al niet van honger geweend, en dat nú nog, terwijl er nog een paar koeien konden geslacht worden en er dus nog vleesch was!

Was niet Cornelis, stellig onder voorwendsel, dat hij hoofdpijn en geenen eetlust had, zonder iets te gebruiken naar de wallen gegaan?

O, ze had het wel gezien, dat hij onwaarheid sprak, dat hij geene hoofdpijn en wèl eetlust had, en toen ze dat zag, bleef haar het vleesch, taai als zoolleder, als eene prop in de keel steken en had ze ook genoeg!

Ja, dat had ze gezien en ze had gedacht aan haren Vader en hare Moeder, die heen waren gegaan, en aan den goedhartigen Leeuwke, die het lekkerste en beste altijd voor zijne Gonda bespaarde, en toen was ze naar bed gegaan, niet om te slapen, maar om het hoofd in een kussen te verbergen en eens uit te weenen!

Omtrent middernacht stond zij op en een raam openende, stak ze haar verhit hoofd naar buiten.

Het was stil, doodstil. Geen zuchtje werd gevoeld. Geen enkel blaadje bewoog zich. Niets was er te hooren. Het scheen, dat de heele stad uitgestorven en zij alleen overgebleven was.

Onderwijl ze daar echter zoo door het venster zag, hoorde ze iemand voorzichtig langs de straat sluipen en een oogenblik later tegen het raam van eenen der overburen tikken.

Er werd oogenblikkelijk geopend, en de man, die getikt had, vroeg:

"Zijt gij gereed, Martensz.?"

"Jawel," antwoordde deze, "maar hebt ge "Roode Jaap" en Jaspersz. ook al gewekt?"

"Ja," zeide de ander weer, "ze zijn door de Molensteeg naar het rondeel van de Koepoort gegaan!"

"Naar de Koepoort?" werd er verwonderd gevraagd. "Ik dacht dat we in het wachthuis bij de Rijnsburgerpoort bij elkander zouden komen."

"Ja, dat zou ook gebeurd zijn; maar Cornelis Joppensz., die albedril, staat daar op wacht, en die nare jongen is mans genoeg om heel de zaak aan den dag te brengen."

"Dat geloof ik ook," werd er weer geantwoord. "Wacht maar even, ik ga zoo aanstonds mee."

"Ik zou zulks gaarne willen doen," zeide de ander weer; "maar ik moet den besten van allen nog wekken."

"Meester Jakobsz., het Lid van de Vroedschap?"

"Ssst, de muren hebben soms ooren, Martensz.! Ja, hij is er ook bij. Komt gij dan?"

"Ik zal er zijn," was het antwoord. Het venster werd gesloten; de man verwijderde zich en het bovenraam van Barend Cornelissen werd ook voorzichtig toegedaan.

Een oogenblik later ging Martensz. op weg, doch werd op een twintig schreden afstands gevolgd door Gonda, die zich in eene zwarte falie gewikkeld had.

Onder duizend angsten sloop zij voort, doch bereikte, een weinig na Martensz., gelukkig en zonder door iemand gezien te zijn, den rand van het bedoelde rondeel.

Hier zette zij zich op de hurken in den donkersten hoek neer, en beluisterde het gesprek der mannen, die hier veilig meenden te zijn en dus geene voorzorgen genomen hadden, en ook geene moeite deden zachter dan anders te spreken.

"Hoor eens, Jaspersz.," begon er een, die een gesprek scheen voort te zetten, dat hij onderweg reeds aangevangen had, "ik zeg, als er geene verandering komt, dat we allen van den honger zullen sterven. Vertel ons eens, als gij kunt, wat is er gedaan om ons te ontzetten?"

"De Maas- en IJseldijken zijn doorgestoken."

"Dat zijn ze; maar daarmede is men al begonnen op het einde van Hooimaand! Nu hebben we den vierden van Herfstmaand, en waar is het water?"

"Ja, nog altijd staat het voor de Landscheiding."

"En waar zijn de schepen der Zeeuwsche vrijbuiters en de platboomde vaartuigen der andere plaatsen, die ons brood zouden brengen en den vijand uit zijne schansen jagen?"

"Ze wachten op het wassen van het water."

"En waar is "de Arke van Delft", dat reuzenschip, waarover ze een geschreeuw gemaakt hebben, alsof de Spanjaarden voor dat enkele hebbeding aan den haal zouden gaan?"

"Ja, dat schip ligt nog altijd in Delft. Er is geen water genoeg voor eene ledige pont, dus nog minder voor zulk een gevaarte."

"Gansbloed, ik moet zeggen, dat vordert hard! En wat heeft de Prins van Oranje nog meer laten doen?"

"Hij heeft door de vrijbuiters van Tergouw den Hildam op zeven plaatsen laten doorsteken."

"En?"

"En den anderen dag zijn die zeven gaten door de Spanjaarden met hooi en takkenbossen weer gestopt."

"En wie eten er brood met boter en kaas?"

"De Leden van den Magistraat en de voorname Bevelhebbers!"

"Neen, mannen, dat is niet waar," zeide hierop een ander. "Ik zelf ben Lid van den Magistraat en ik eet evenmin brood met boter en kaas als gij. Ik weet ook, dat geen der andere leden het doet, doch wat de Bevelhebbers betreft, daar sta ik niet voor in!"

"Als gij dat niet weet, dan kan ik daar wat van zeggen," bromde eene zware mannenstem.

"Stil jongens, "Roode Jaap" zal ons hierover een boeksken open doen. Hij zal ons zeggen hoe die Heeren de kaas snijden, terwijl wij honger lijden," riep de eerste spreker.

"Welnu," zeide "Roode Jaap," "ik kan u zeggen, dat ik onzen Bevelhebber van der Does met smaak op eenen oudbakken moutkoek heb zien kauwen, en, vanmiddag gaf hij zijn aandeel vleesch voor een groot deel aan Teunisz., wiens vrouw en kinderen ziek liggen."

"Nu goed, de Magistraat eet geen brood met boter en kaas, en de Bevelhebbers hebben het niet beter," zeide de woordvoerder weer. "Maar als die Heeren besloten hebben, den hongerdood te sterven, moeten wij dan maar zeggen: "Goê-man, dat doe ik ook?"

"Neen, dat behoeft niet," hervatte het Magistraatslid, "dat behoeft niet, vriendschap! Maar de Vroedschap, van der Does en Van Hout zullen toch niet altijd doof blijven, hoop ik. Eindelijk zullen hunne oogen wel eens opengaan!"

"Opengaan, ja, wanneer? Als het te laat is, soms?" vroeg Martensz., zoo nijdig en spijtig, als hij maar kon.

"God beware ons daarvoor," zeide Meester Jacobsz. "En daarom heb ik besloten om morgen in onze vergadering, wanneer de drie brieven, die gij vanavond ontvangen hebt, Jaspersz., zullen voorgelezen zijn, er ernstig op aan te dringen, dat de stad worde overgegeven."

"En als al uwe woorden eens niet helpen, Meester Jacobsz.? Wat dan? Wij hebben toch maar al te zeer ondervonden, dat die van der Werff een stijfkop is."

"Dan ontmoeten we elkander hier morgen nacht om elf uur weer om te overleggen welken weg wij zullen inslaan om een einde aan onze ellende te maken."

"En, zoo waar als ik hier sta, dat moet en dat zal gebeuren! Ik wil mij niet langzaam laten doodhongeren," zeide dezelfde man, die Martensz. had gewaarschuwd en die ook het meest ontevreden was.

De mannen gingen hierop behoedzaam en langs verschillende wegen naar huis, en nauwelijks waren ze henengegaan, of Gonda richtte zich uit haren schuilhoek op, en sloop naar huis.

Zij wierp zich te bed, en of het nu door overmatige inspanning was, dan wel of de natuur eindelijk hare rechten liet gelden, nauwelijks had ze zich neergevlijd, of ze viel in eenen diepen en gerusten slaap.

"Gonda, Gonda!" riep vrouw Van Keulen den volgenden morgen, zoo luid zij kon.

"Wat belieft u, Moeder!" gaf Gonda ten antwoord, want sedert zij bij Van Keulen in huis was, noemde zij de Pleegouders van Cornelis, evenals hij, Vader en Moeder.

"Kind, blijft ge vandaag heel den dag slapen? Kom, het is meer dan tijd om op te staan! Het is bijkans negen uren!"

"Ik kom," antwoordde Gonda en stond weldra in de woonkamer, waar ze, zonder iets van haar nachtelijk avontuur te laten blijken, hare Pleegmoeder aan de huiselijke bezigheden medehielp.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Wat zal het nog worden?

Sinds eenigen tijd werd het weinige vee, dat nog in de stad was, onder toezicht der Regeering geslacht en in het Koor der Sint-Pieterskerk uitgedeeld of verkocht. Zij, die rijk waren, konden evenwel niet méér koopen, dan de minvermogende burgers of de armen kregen; er werd eerlijk gedeeld. Ook Barend Cornelissen was er heen geweest om zijne portie te halen. Zwijgend zette hij het taaie vleesch neder en begaf zich naar den wal om daar op zijne beurt de wacht waar te nemen. Wie hem had zien heensloffen, want gaan kon het niet heeten, zou in die trage gestalte met gebogen hoofd, den wakkeren schipper van eene maand of drie geleden niet meer herkend hebben.

Cornelis, die te zes uren thuis gekomen was, lag gerust te slapen. Jongens op dien leeftijd kunnen veel verdragen.

Tegen den middag stond hij op en daar er nog niets te eten viel, begaf hij zich op straat, waar veel leven en beweging heerschten.

"Er zijn weer brieven gekomen, Cornelis! Weet gij het al?" zeide Van der Morsch.

"Van den Prins?" vroeg Cornelis.

"Neen van Valdez, van Jonker van Mathenesse en van Don Ferdinand de Lanoy!"

"Zeker weer alle drie heel lief en aardig?"