De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood

Part 10

Chapter 103,971 wordsPublic domain

Leeuwke barstte nu in tranen los, en op de knieën vallende bad hij om genade.

"En waarom zijt gij zoo bang voor de galg?" vroeg Diala.

"Ik heb nog eene Moeder, Edele Heer, en ik-ik-ben nog zoo-zoo-jong!"

"Als het anders niet is, dan zal het wel schikken, manneke!" was het antwoord en zich omkeerende ging hij heen.

"Wat moet er met den knaap gedaan worden, Senor?" vroeg een der soldaten, die Leeuwke gevangen hadden genomen.

"Wat er met hem gedaan moet worden?"

"Ja, Senor!"

"Kerel, spreek ik dan hondentaal, dat gij mij niet verstaat? Ziet gij daar dien boom op dat weiland?"

"Ja, Senor!"

"Dat is mijne galg! Gij weet nu, wat ik wil!"

"Genade! Genade, Edele Heer! Ik ben nog zoo jong!" kermde Leeuwke. Maar Diala verwaardigde zich zelfs niet eens hem aan te zien en ging door.

"Genade, genade!" gilde Leeuwke nu weer, en vatte eenen soldaat om de knieën, doch deze was even wreed, als zijn Bevelhebber en kon hem ook geene genade geven, omdat hij dan ongehoorzaam zou zijn aan de bevelen van zijnen meerdere, en hij volbrengen moest wat deze beval.

De soldaten grepen hem aan en niet tevreden met hem naar den boom te sleuren, mishandelden zij hem op eene beestachtige wijze. Tot op het laatste oogenblik smeekte hij om genade, doch de hardvochtige soldaten waren even onmenschelijk ten opzichte van hem, als de woedende Leidenaars waren toen ze "Pier Quaet-Gelaet" in hunne macht hadden. Gelukkig maakte nu de dood spoedig een einde aan zijn martelend lijden.

Gerrit zou dus niet terugkomen en Cornelis kon den dood zijns makkers wreken; maar had hij geweten welk eenen dood men hem had doen sterven, hij zou geroepen hebben: "Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!"

Thans wachtte hij de komst van zijnen vriend af, en toen deze niet kwam en er in de brieven van den Prins volstrekt niet van eene boodschap, die Leeuwke mede gekregen had, gesproken werd, begreep de knaap, dat hij zou gehouden zijn aan dat, wat hij Leeuwke beloofd had: "Twintig Spanjolen voor één Leeuwke!"

Twee dagen later liet Valdez de stad door eenen trompetter opeischen, doch kreeg ten antwoord, dat de Leidenaars nog liever den linkerarm van honger zouden opeten om met den rechterarm te kunnen vechten, dan de stad over geven.

Zoo verliepen weder eenige dagen onder toenemend gebrek en meerderen nood. De stad werd langzamerhand steeds nauwer ingesloten, ja, den achttienden van Hooimaand wierpen de Spanjaarden in de nabijheid van de Rijnsburgsche-poort een schansje op om den Leidenaars geheel te beletten, zoo nu en dan nog eenige groenten uit de nabij gelegen tuinen te halen. Het was de laatste der tweeëntwintig,--niet tweeënzestig, zooals men vaak leest,--schansen door de Spanjaarden gelegd om de stad zóó in te sluiten, dat men niet dan met levensgevaar er uit of in kon komen.

"Hei, Cornelis, gaat ge mede?" riep Barend Van Keulen. "Er is gelegenheid om den dood van uwen vriend te wreken! Heer Dirk van Bronkhorst en de Regeering hebben prijzen uitgeloofd aan hen, die het eerst de Spaansche schans buiten de Rijnsburgsche-poort beklimmen. De eerste krijgt zes, de tweede vijf en de derde en vierde vier gulden! Hallo, knaap, denk aan Leeuwke!"

De aanval was verwoed en de dertig Spanjaarden kregen het weldra te kwaad.

"Ik ben de eerste!" schreeuwde Pauwels Vliechuyt.

"En ik de tweede!" galmde Cornelis en de kolf van zijn musket viel dreunend op het hoofd van eenen Spanjaard.

"Dat is er al één!" bromde hij en zette zijne vervolging voort.

In de stad gekomen, stelde van Bronkhorst den moedigen knaap zijne belooning ter hand.

"Geef dit geld liever aan Leeuwkes Moeder, Kapitein," zeide Cornelis. "Ik heb den dood van mijnen vriend te wreken! Twintig Spanjolen voor één Leeuwke! En ik heb er nog maar twee!"

Er was een tijgeraard in den knaap gekomen. Anders altijd goedlachs, sprak er nu uit zijne oogen een zucht naar wraak, dien men allerminst bij eenen jongen man zou zoeken, die slechts kort geleden de kinderschoenen uitgetrokken had. Het was zoo iets van dat, wat Hooft zeggen deed: "De soldburgers van Leyden leerden vast soldaten te zijn."

De edele van Bronkhorst zag met medelijden dat dierlijke in Cornelis, doch de omstandigheden hadden ook zijn gemoed verhard, en half aanmoedigend zeide hij nu, terwijl hij Cornelis op den breeden schouder klopte: "Wacht maar, mijn jongen, de Spanjaard ligt nog lang genoeg om de stad, en er zal nog meer dan genoeg te doen vallen."

Die woorden zouden niet lang op vervulling wachten. Elf dagen later werd er weer aangekondigd, dat een gelijke belooning, als die van Zondag den achttienden Juli werd uitgeloofd aan hen, die de eersten zouden zijn bij het bestormen van de schans te Boshuyzen.

Cornelis stelde zich onder het bevel van Hopman Gerrit van der Laan, den wakkeren zoon van Burgemeester van der Laan uit Haarlem, die zich in eene goed met geschut voorziene galei inscheepte. Deze galei droeg den naam van "het schietvrije schip," omdat het "seer dick ende sterck gemaeckt was, also, dat het genoech voor een musquetscheut vrij was." Die galei was opzettelijk gemaakt om bij uitvallen gebruikt te worden en beantwoordde ook geheel aan dit doel. Onze knaap was met een musket gewapend, terwijl Van Keulen zich aansloot bij de bende, die onder bevel stond van Jonker Jan van Duivenvoorde. Zijn wapen was thans een knoestige, dikke knuppel van esschenhout, dien hij van onder uitgehold en met lood gevuld had.

Des morgens te drie uren stelde men zich in beweging, en zonder eenig gedruisch te maken ging het bedaard vooruit.

De Spanjaarden waren evenwel op hunne hoede en een hunner zijn musket afschietende, trof eenen der burgers.

"Dood aan al, wat Spanjaard heet! Vooruit!" schreeuwden thans de Leidenaars en stormden onder een vervaarlijk geschreeuw voorwaarts.

Het gevecht was hevig; want de bezetting, die uit ongeveer zestig man bestond, verdedigde zich dapper.

"Voor Leiden!" klonk het hier.

"Voor Valdez!" klonk het daar.

"Dat is er drie!" bromde Cornelis en laadde zoo spoedig mogelijk weder het musket, waarmede hij zoo even eenen Spanjaard had dood geschoten.

Terwijl het gevecht op het hevigst was, kwamen er enkele burgers uit de stad. Ze droegen flesschen,--kruitflesschen namelijk,--met buskruit en zwavel gevuld, bij zich, en, na er eene brandende lont aan vastgemaakt te hebben, wierpen zij de flesschen in de schans.

"Victoria!" schreeuwde Filip Dirksz. en sprong op den wal der schans.

"Goê-morgen, kameraad," viel Van Keulen, die hem nagesprongen was, daarop in, en zijn vreeselijk wapen beschreef suizend eenen kring door de lucht en viel met zijne ontzettende zwaarte op de Spanjaarden neer.

Daar staat Cornelis en nauwelijks heeft Van Keulen zijnen pleegzoon in het oog of hij roept: "Heidaar, jongen! Hoeveel?"

"Nog maar vijf, Vader!" is het antwoord.

"Goed, jongen! Op, op, voor Leiden! Hier, lange slungel van eenen vogel-verschrikker, pak aan je lot!"

Een Spanjaard valt met eenen gil op den grond en een schaterlach, akelig om te hooren, is het antwoord, dat Van Keulen daarop geeft.

De strijd is voor de Spanjaarden niet langer vol te houden. Zij werpen hunne wapens weg, vallen voor de Leidenaars op de knieën en schreeuwen:

"Misericorde! Misericorde!"

"Ik heet niet Misericorde!" roept Van Keulen met denzelfden wreeden lach. "Ik heet Barend Cornelissen Van Keulen!" en andermaal wordt de knuppel opgeheven.

"Misericorde! Misericorde!" klinkt het ginds uit den mond van eenen Onder-hopman.

"Dat is er zes van de twintig!" bromt Cornelis en schiet den man, die om genade smeekt, dood.

De Leidenaars gaan vreeselijk te werk! Geene genade wordt gegeven! Ze smijten de Spanjaarden in het vuur en laten hen verbranden, of steken ze in koelen bloede dood, als ze het "Misericorde!" nog op de lippen hebben.

Het voorname doel, het slechten van de schans werd evenwel niet bereikt, want de pioniers aan wie het werk was opgedragen, kwamen te laat, daar ze door de Spanjaarden bij de Poelbrug waren opgehouden. Zij, die de schans hadden ingenomen, waren te veel tijger geweest om aan het doel hunner onderneming te denken, en toen hunne woede bekoeld was, werden zij door de Spanjaarden, die van alle kanten kwamen opdagen, aangevallen en tot den terugtocht genoodzaakt.

Wel werd een tamelijk goede buit aan eetwaren en wapenen medegevoerd; maar er was weinig gedaan voor zooveel vergoten bloed. Daarenboven ontstond er twist onder de lieden, die behoord hadden tot hen, die het eerst de schans beklommen hadden. Er waren er niet minder dan negentien, die beweerden de eerste, tweede of vierde te zijn geweest. De Magistraat beval, toen men hun het uitgeloofde geld geven zou, het eenvoudig onder elkander te verdeelen. Ook kregen een zekere Amersfoort en Robert Engelschman twee pond en acht schellingen, omdat ze twee hoofden van de vijanden, door hen in het gevecht afgeslagen, binnen de stad gebracht hadden. Wie had ooit verwacht dat een eerzame, deftige Magistraat zulk een loon voor zulke daden uitkeeren zou?

Met oogen, die van genoegen straalden, was Cornelis thuis gekomen. Hij had thans zeven Spanjaarden gedood en wie er hem naar vroeg, kon er altijd nog bij vernemen: "En de dertien andere krijg ik ook nog, dat zult gij zien!"

Bijna iederen dag zag men hem in de weiden, die om de stad lagen en waarin het vee, door sterk gewapende en talrijke wachters bewaakt, nog graasde, omdwalen en iedere Spanjaard, die onder het bereik van zijn musket kwam, moest het meestal met den dood bekoopen.

Toch vorderde zijne wraak hem te langzaam naar den zin, en daarom besloot hij op zekeren dag met Vliechuyt en Dirksz. den vijand van naderbij te bestoken. De drie waaghalzen werden echter onverwachts aangevallen. Wel schoot Cornelis eenen Spanjaard neer en hoorde men hem juichen: "Dat is er tien, Leeuwke!" doch eer hij tijd had zijn musket opnieuw te laden, sloeg een Spanjaard hem met de kolf van zijn roer op het hoofd. Cornelis tuimelde op den grond en zeker zou hij den vijand in handen gevallen zijn, zoo zijne makkers hem niet opgenomen en vluchtende hem naar de stad hadden gebracht.

Een paar dagen daarna werd bij klokslag aan de ingezetenen bekend gemaakt, dat dergelijke schermutselingen voortaan door de Vroedschap verboden werden. Ook had men nog noodzakelijk bevonden eene andere bepaling in het leven te roepen. Het was toch gebleken, dat de lieden, die bij de poorten de wacht hadden, sommige boden, die, vanwege Valdez met eenig bericht kwamen, eenvoudig weggestuurd hadden, zonder er den Magistraat kennis van te geven. Ja, het was ook voorgekomen, dat men hen had gescholden en slecht behandeld. Hieraan moest een einde komen, en daarom werd bepaald, dat iedereen, die vanwege Valdez met eenig bericht kwam, buiten de poort moest blijven wachten tot de Regeering antwoord had gegeven op het voorstel, dat Valdez gedaan had, en zij, die deze lieden onverhoord durfden wegzenden, of kwalijk bejegenen, zouden gestraft worden.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Godt behoede Leyden!

Het begon er in Leiden bitter treurig uit te zien.

Reeds in het begin van Juli had de pest haren intocht binnen de belegerde stad gedaan en welke maatregelen de Regeering ook nam, telkens eischte zij nieuwe slachtoffers. Scheen het nu eens, dat ze wijken zou, dan weder trad ze met vernieuwde hevigheid te voorschijn.

Toch was de pest het ergste niet.

De levensvoorraad begon met den dag te minderen en de strengste bepalingen werden gemaakt omtrent het voedsel, dat ieder in zijn eigen huis in voorraad had en van hetgeen nog in enkele pakhuizen bewaard werd. Groot en klein, rijk en arm werd op rantsoen gesteld, en dat rantsoen was zoo klein, dat een werkman, die nog niet eens groot van eten was, in éénen keer kon opeten, wat hem voor eenen heelen dag moest dienen. Het hongerspook waarvan Van Keulen zoo akelig geprofeteerd had, vertoonde zich naast zijne zuster de Pest.

Toch was ook nog het Hongerspook het ergste niet.

Neen, in den boezem van de Regeering bestond verdeeldheid. Van der Werff, die voorzittend Burgemeester was, stond alleen tegenover de drie andere Burgemeesters: Cornelis Van Noorde, Cornelis Brouwer en Jan Jansz. Boersdorp, bijgenaamd "Half-Leyden." Die bijnaam beduidde veel, want een groot deel van het volk was op zijne hand. En dat waren nu juist niet allen Spaanschgezinden. We zouden hen liever "kleinmoedigen" noemen, die niet tegen den honger konden strijden. Zelfs enkele woeste vrijbuiters, mannen, die tot zinspreuk hadden: "Liever Turksch dan Paapsch," wilden wel vechten, vechten met alle soorten van wapenen tegen den vijand, maar honger en gebrek lijden, dat wilden ze niet. Ze sloegen tot oproer over en toen ze hunnen zin niet kregen, verlieten ze de stad, waar een wreede dood wel spoedig een einde aan hunnen honger zal gemaakt hebben. De Spaanschgezinden, die nog in vrij groot aantal in de stad waren, doch die aanvankelijk uit vrees zich stilgehouden hadden, staken nu het hoofd op en porden de ontevredenen aan tot tegenstand, die bij den Magistraat steun vond. Waarlijk, al de geestkracht, al de moed, al de toewijding, al het verstand was noodig om Burgemeester van der Werff met Jonker van der Does, Jan Van Hout, van Bronkhorst, Jonker Jacob van der Does en enkele andere aanzienlijken, den storm, die dreigde, te laten bezweren.

De Prins van Oranje beloofde ontzet, maar zelfs van der Werff geloofde er niet aan; hij wist al te goed in welke groote geldelijke verlegenheid de Prins verkeerde. En toch wilden die moedigen volharden, hoe dan ook. Twee mannen waagden herhaalde malen hun leven om brieven en boodschappen naar den Prins te brengen. Het waren een zekere Bakker en Roos. Maar als ze terugkeerden brachten ze voor al de gevaren, die ze doorstaan hadden, oude beloften mede, zoodat het volk er niet meer nieuwsgierig naar was.

Toch was er blijkbaar op Maandag den vijfden Augustus iets buitengewoons gebeurd; er was weer meer leven in het volk, dat den vorigen dag nog traag en lusteloos door de stille straten toog, of zich in huis zat te vervelen aan eenen ledigen disch.

In het eenvoudige huisje van schipper Van Keulen zat het heele gezin in eene sombere stemming bijeen, zich bezighoudende met het voeren van allerlei gesprekken over het beleg, de verdeeldheid, den honger, de ziekte en allerlei akeligheden meer, toen opeens de deur openging en Van Schaeck, Van der Morsch en Bakker met veel beweging binnen traden, terwijl op hun gelaat stond te lezen, dat ze de brengers van eene goede boodschap waren.

"Wat is er aan de hand, mannen, dat ge zoo opgewekt mij overvalt?" vroeg Van Keulen.

"Wij komen met eene goede tijding, man! De Prins van Oranje heeft bondgenootschap gesloten met eene Mogendheid, die reuzenmacht heeft, en deze zal den Spanjaard verstrooien, als kaf voor den wind, en Leiden ontzetten," zeide Bakker.

"Wat!?" riep het geheele gezin van Van Keulen, bijna tegelijk en vol verbazing uit.

"Het is zoo," verklaarden Van Schaeck en Van der Morsch. "Er komt ontzet!"

"Maar wie is dan toch die machtige bondgenoot?" vroeg Van Keulen opgewonden.

"Het water, schipper, het water is die bondgenoot, en wat het water kan, dat hebben de Spanjaarden voor Brielle ondervonden," zeide Bakker.

Van Keulen keek hem verwonderd aan en vroeg: "Het water?"

"Luister," hernam Bakker, die met zijne vrienden gezeten was. "Gij weet Roos en ik zijn weer met brieven naar den Prins geweest."

"Dat weet ik," zeide Van Keulen, "en gij zijt zóó lang weggebleven, dat we al vermoedden, dat gij beiden in het lot van Leeuwken gedeeld hadt."

"Gelukkig niet, goede vriend! Toen de Prins onze brieven gelezen had, vroegen wij wanneer wij antwoord konden krijgen. De Prins bleef eenen geruimen tijd in gedachten zitten, doch eindelijk stond hij op en zeide: "Hoort eens, mannen, de Magistraat van Leiden is zelf de schuld van den ellendigen toestand der stad. Trots al mijne raadgevingen heeft hij de schansen niet geslecht, en niet gezorgd, dat er koren en andere levensvoorraad binnen de stad kwam. Zorgeloos vierde men zelfs feest bijna met den vijand voor de wallen. De handelingen van den Magistraat zijn onverantwoordelijk geweest. Maar nu maakt het volk met een klein deel der Regeering alles goed. Ik heb niets over dan bewondering voor mannen, als Pieter Adriaensz., Jonker van der Does, Jan Van Hout en zoovele anderen, die met eene zelfopoffering, nooit door anderen te evenaren, trouw aan de goede zaak blijven. Maar vele honden zijn der hazen dood, zóó kunnen ze het niet volhouden; er moet wat gedaan worden, dat die trouwen eenen steun brengt. Gij blijft hier tot ik in overleg met de Staten gehandeld heb." Zoo sprak de Prins en--wij werden er warm van onder onzen kolder. Eenige dagen later moesten wij voor de Staten verschijnen en toen wij daar kwamen, zeide de Prins: "Mannen, deelt den Heeren, volgens plicht en geweten, den toestand mede waarin het benarde Leiden verkeert."

Wij deden dit naar de zuivere waarheid en toen wij uitgesproken hadden, vroeg de Prins: "Wat dunkt u, Heeren, moeten de Leidenaars niet geholpen worden? Kan ons één offer te groot zijn?"

"Wat stelt Uwe Doorluchtigheid dan voor?" vroeg de Advocaat van Holland, Meester Paulus Buys.

"Gij kent mijn voorstel, Heeren," zeide de Prins. "De Maas- en IJseldijken moeten doorgestoken en het land onder water gezet worden. Het water moet onze bondgenoot worden; wij hebben geenen anderen."

"Ik heb berekend," sprak nu een Lid, "dat dit aan ons gewest eene som van niet minder dan zevenmaal honderd duizend gulden zal kosten. Dat gaat boven onze krachten, Uwe Doorluchtigheid!"

"Alle onkosten zullen ponds-pondsgewijze door heel Holland betaald worden."

"Maar al het land wordt door het water bedorven, Uwe Doorluchtigheid," sprak weer een ander.

"Beter bedorven dan verloren land, Heeren," antwoordde de Prins.

"Toegegeven," zoo sprak nu een derde, "maar Rijnland ligt hooger dan Schieland en Delfland. De Landscheiding bij Zoetermeer houdt het water tegen."

"Dat kan niet tegengesproken worden, Heeren, maar ook de Landscheiding moet doorgestoken worden."

"Alsof Valdez geduldig zal toekijken, als dat gebeurt. Wij hebben geen leger om den vijand te wederstaan," bromde een vierde.

"Wij hebben in Zeeland Watergeuzen, en als deze aangevoerd worden door eenen man als Louis van Boisot, dan gelden ze voor meer dan een leger."

Een der Heeren, die nog niet gesproken had, lachte en zeide: "Zijn de Watergeuzen dan vogels geworden? Hoe zouden ze met hunne schepen, die zelfs te veel diepgang hebben voor onze weteringen, die toch vrij diep zijn, bij de Landscheiding komen? Voor al wat Uwe Doorluchtigheid voorstelt willen mijne vrienden en ik onze toestemming geven, doch het bezwaar, dat ik aangevoerd heb, valt niet te wederleggen en met dat bezwaar valt het heele plan."

De slimmerd meende stellig den Prins nu overwonnen te hebben, doch deze wederlegde dat bezwaar.

"Kom," riep nu Van Keulen, "hoe kon hij dat? Ik zou er geene kans toe zien."

"De Prins wel," vervolgde Bakker. "Er kwam een gelukkig lachje over zijn ernstig gelaat en hij zeide: "Dan is het voorstel, dat ik deed, aangenomen. Heeren! Admiraal van Boisot, dien ik daarover geraadpleegd heb, zal met zijne onverschrokken Watergeuzen op platboomde schuiten, goed gewapend en van leeftocht voorzien, het werk aan de Landscheiding verrichten, en--het zal, het moet gelukken."

Thans was er geene tegenspraak meer mogelijk en er werd besloten, dat de dijken van Maas en IJsel zouden doorgestoken worden.

"Besluiten is nog geen doen," sprak Van Keulen, die nog geen enkel blijk gegeven had, dat hij nu ook hoop op ontzet had.

"Wel, ongeloovige Thomas, hoe komt gij toch zoo zwaarmoedig?" vroeg Bakker.

"Omdat ik al van zooveel genomen besluiten gehoord heb zonder er wat van te zien. Kallinghe is mallinghe, doen is een ding, zegt het spreekwoord."

"Bah, wat zou een spreekwoord zeggen?"

"Veel, Bakker, heel veel!"

"Niets, Van Keulen, want het besluit is volbracht. Eergisteren, dus Zaterdag, is de Prins met Meester Paulus Buys en eenige Leden van de Staten naar Kapelle aan den IJsel gegaan, en daar is, onze eigen oogen hebben het gezien, want wij waren er bij, onder toezicht van de Jonkers van Palensteyn en van Wijngaarden, de dijk doorgestoken. Van Kapelle tot over IJselmonde zijn nu zestien gaten in den dijk, en de Maasdijk is doorgestoken tusschen Rotterdam en Delfshaven. De sluizen te Rotterdam en te Schiedam staan niet alleen open, maar de vijf sluizen bij Vlaardingen ook. Het water stroomt nu over het land en--Holland wordt eene binnenzee. Wat zegt gij nu?"

Ontroerd stond Van Keulen op en Bakkers hand drukkend, zeide hij: "Leiden doet veel, maar Holland doet niet onder. Ik zal niet meer morren, maar het hoofd omhoog houden, dat beloof ik, dat zweer ik bij al wat heilig is!"

Moeielijk zou het zijn den indruk weer te geven, welken dat blijde bericht maakte op de heele bevolking. Het liet zelfs de heftigste ontevredenen zwijgen en legde een slot op hunnen mond, of, om eene uitdrukking van die dagen te gebruiken, het liet "de tong in den lomberd brengen."

De toegang tot de wallen was wel verboden aan ieder, die niet met de wapenen de stad diende, doch men zag het nu door de vingers, dat elk oogenblik nieuwsgierigen kwamen om het wassen van het water te zien, want hiervan hing het ontzet geheel af. Die toeloop verminderde evenwel met elken dag, want, was het water wel iets hooger dan het gewone zomerpeil, toch was er geene sprake van dat de weilanden onder stonden. Helaas, het doorsteken der dijken had niet gebaat, omdat bij de noordoosten-, oosten- en zuidoostenwinden het zeewater niet hoog genoeg kwam om het peil in Maas en IJsel op te voeren.

En onverdroten zwaaide het Hongerspook den schepter. De pest nam ook weer toe. De wakkere Bronckhorst, die met zulk eene vaste hand, in naam van den Prins, de Stadsvoogdij uitgeoefend had, stierf en werd opgevolgd door Jonker Johan van der Does, dien men wel als Bevelhebber der verdedigers had leeren kennen, doch wiens daden, als Stadsvoogd, men nog afwachten moest.

"De tongen werden weer uit den lomberd gehaald" en de tegenstand begon opnieuw. Sterker dan ooit traden de Spaanschgezinden op en schreeuwden op straat de anderen toe: "Gaat nu op den toren, gij Geuskens, en ziet het Maaswater te gemoet!"

Valdez, wetende dat het in troebel water goed visschen is, zond bode op bode om de Regeering tot overgave der stad te bewegen, en de Glippers hielden ook niet op de mooiste brieven te schrijven.

De strijd van Burgemeester Pieter Adriaensz. met de zijnen werd van dag tot dag heftiger, en dat gevoelden niet alleen de aanzienlijken, die hem steunden, dat gevoelden ook eenvoudigen, zooals Van Schaeck en Van Keulen.

Deze had zijn laatste geldstuk in de handen en bekeek het nauwkeurig. Het was een achtentwintiger, eene noodmunt, zooals die het laatst geslagen was. Met aandacht las hij het omschrift: "Godt behoede Leyden."

"Als dit geld op is," zeide hij met eenen diepen zucht, "en het zal gauw genoeg op zijn, want alles is even duur, wat dan? Dan moet ik mij bij onzen Bonmeester aanmelden voor de bedeeling. Voor de bedeeling, ik, die zulk een trotsch vrijbuitershart heb en die nog altijd, hoe de nood ook aan den man mocht komen, geenen penning van een ander vroeg!"

Diep zuchtend stak hij den achtentwintiger in den buidel en ging de deur uit om, zooals hij zijne vrouw zeide, eens naar het water te zien. Hij kwam nog tijdig genoeg om eenen troep vrijwilligers, die eenen aanval op de Poelschans gewaagd hadden, doch afgeslagen waren, te zien terugkeeren. Het eenige, wat ze er bij gewonnen hadden was een paar maaltjes erwten en boonen.

Zoo liep de maand Augustus ten einde en nog altijd bleef het water even laag. De ellende binnen de stad steeg en de ontevredenheid en tegenstand namen hand over hand toe. En wat het ergste was, de Prins van Oranje lag gevaarlijk ziek te Delft.

Moedeloos liepen Van Keulen en Van Schaeck langs de Breedstraat, toen ze Bakker en Roos tegenkwamen, die vertelden, dat ze weer naar den Prins moesten, want dat het zoo niet langer kon gaan. Er moest verandering komen.