De schipbreuk van de "Berlin" 21 Februari 1907. Volledig verhaal van de scheepsramp aan den Hoek van Holland

Part 7

Chapter 72,411 wordsPublic domain

Vooral gaat onze dank en bewondering uit naar het telegraafkantoor aan den Hoek, dat, schoon veel minder--ja, misschien wel wat al te weinig--op de bij een gebeurtenis als deze onvermijdelijke drukte berekend dan de beide andere genoemde kantoren, ons vooral na den tweeden dag zoo goed heeft bediend als wij slechts wenschen konden. De ambtenaren, wier aantal met telegrafisten uit Rotterdam was versterkt, hebben onder hun directeur, den heer P. Hacquébard Jzn., met Morse- en Hughes-toestel, ja zelfs tusschen den Hoek en Scheveningen met de Radiograaf zóó hard gewerkt, dat wij ze met onze kopijaanbiedingen niet bij konden houden. En dat zegt wat!

Trouwens, hierover nu eenmaal het eerst aan 't schrijven geraakt, wil ik tevens met dankbaarheid getuigen dat alle autoriteiten zoowel de gemeentelijke met den burgemeester en den secretaris van 's-Gravezande, de heeren Mr. J. Brunt en P. van Nierop aan het hoofd, als de militaire, vertegenwoordigd door den 1e-luitenant fortcommandant, de heer Van Beek, zoowel de gezaghebbers der H. IJ. S. M. als die der Great Eastern Railway (Hudig en Pieters) en die der Holland-Amerikalijn, aan de vertegenwoordigers der binnen- en buitenlandsche pers het werken aan den Hoek van Holland zoo gemakkelijk mogelijk hebben gemaakt. Natuurlijk toonde bij het vervullen zijner beroepsplichten de een wel eens wat minder takt dan de ander,--engelengeduld is dan ook wel noodig om bij overstelpende, enerveerende drukte tegenover de overal doordringende, steeds vragende verslaggevers altijd even welwillend en voorkomend te zijn--maar allen bleken te erkennen dat "de pers" daar aan den Hoek niet uit bloote nieuwsgierigheid en zeker niet voor haar pleizier werkte. Die erkenning vinden wij, helaas, niet overal en ten allen tijde!

Niet voor ons pleizier! Neen, waarlijk niet. Reeds eenmaal ontgleed mij de verzuchting bij 't schrijven van een mijner telegrammen, en ik herhaal haar thans: benijdbaar is het niet, bij een ramp als deze op verslaggeven uitgezonden te worden.

Oh, hoe vaak hadden wij gaarne zwijgend ons afgewend van tafereelen vol aangrijpende tragiek en diepe treurnis, waren wij gaarne na een kort woord vol medelijden of na een handdruk ter erkenning van bewonderenswaardigen moed bescheidenlijk onzes weegs gegaan... in plaats van te dringen en te kijken, en te vragen en nieuws te visschen en druk te doen met schrijven en telegrafeeren. Maar het mocht niet zijn. De zeer begrijpelijke, zeer te rechtvaardigen, ja zelfs verheffende belangstelling van het publiek eischte het van ons ànders.

Men zie in wat ik hier schreef geen klacht. Liever een onwillekeurige "oratio pro domo", een verontschuldiging voor wat in ons verslaggeverswerk bij deze ramp ons zelf--meer dan anderen wellicht--onbescheidenheid en verhardheid leek. Wel geeft het voldoening, te bemerken hoe wat wij schreven belangstelling wekte, hoe het ons gelukte anderen te doen meeleven, meelijden en meebewonderen datgene wat wij bijwoonden en in onze verslagen weergaven. Meeleven het tragische gebeuren. Meelijden de vreeselijke ervaringen van de slachtoffers, meebewonderen vooral den heerlijken moed der redders.

Laat ons nogmaals spreken van deze laatsten. Het is zoo verheffend; het stemt, bij al den jammer van het ongeluk zelf, zoo dankbaar.

* * * * *

Er is daar onder de dappere mannen aan den Hoek van Holland een ware wedijver, een edele wedijver geweest in moedsbetoon. En zooals ik reeds meldde, in dien wedstrijd zijn het--zooals meer gebeurt--de "outsiders" geweest die gewonnen hebben.

Op Jansen en zijn makkers, op de bemanning der stoomreddingsboot van de Zuid-Hollandsche Reddings-Maatschappij, was aller hoop gevestigd toen het gold de laatstoverlevenden van het wrak der "Berlin" te redden. "Als zij het niet kunnen, kan niemand het," werd algemeen verklaard. Toch waren het anderen, die ten slotte de redding volbrachten: de matrozen van het loodswezen, en dat eenvoudige viertal, de schipper van een blazerschuit en zijn drie knechts.

Aan een verklaring van dit feit doet men wèl, zich niet te wagen. Honderd-uit is er geredeneerd, in 't wilde is er gepraat door "stuurlui-aan-den-wal" over wat er gedaan had moeten worden en over wat "men" zou hebben gedaan. Maar wat er inderdaad gedaan worden moest is niet te zeggen, omdat ten slotte, gegeven de weersgesteldheid en de wijze waarop de "Berlin" op het Noorderhoofd gestrand was, voor het welslagen der reddingspogingen alles afhing van het profiteeren van een op het onverwachtst zich aanbiedend gunstig oogenblik; met andere woorden van het geluk.

Dit geluk heeft de bemanning van de reddingsboot van het eerste oogenblik der stranding af ontweken. Alle vroeger wel met succes aangewende reddingsmiddelen faalden, het breken van het schip geschiedde onverwacht, juist toen de reddingboot een ander anker en een nieuwe tros was gaan halen, hooge zee en felle branding maakten nadering van het schip onmogelijk. Wat is meer verklaarbaar en meer te verontschuldigen dan dat Vrijdagmiddag, na bijna 36 uren kampens met weer en wind en golven, de energie van Jansen en zijn mannen niet meer zoo groot was als die der loodsleerlingen, die versch op de plaats des onheils aankwamen, zoodat het deze laatsten waren die van het gunstige oogenblik gebruik maakten om het hoofd en daarna het wrak te bereiken? En ligt het ook niet alleszins voor de hand, dat de mannen van het loodswezen, gewend als die zijn om met hun kleine bootjes verplettering tegen grootere vaartuigen te trotseeren, een stouter reddingsplan dorsten te ontwerpen en uit te voeren dan de bemanning der reddingsboot die, van den aanvang af met grooter verantwoordelijkheid èn met den last eener hoog te houden reputatie bezwaard, minder "durf" mochten toonen?

Neen, ik heb me wel geneigd gevoeld instemming te betuigen, toen ik over de houding der mannen van de reddingsboot harde woorden hoorde spreken, maar in de rust van deze nabetrachting de feiten en omstandigheden nog eens goed overwegend, kom ik tot deze overtuiging: Klaas Ree en zijn makkers van het loodswezen waren helden, die hun roem ten volle verdienen; schipper Sperling, zijn neef Sparling en Moerkerk van den blazer "Van der Tak", die zoo handig hun voordeel deden met de ervaring van de eerstgenoemden en de voldoening mochten smaken de drie laatst-overlevenden van het wrak te bevrijden, waren helden evenzeer. Maar niet minder dapper waren de mannen der reddingsboot; helden waren ook zij, schoon de eer der overwinning hun niet was weggelegd.

Eervol mogen in dit herinneringsboek daarom nogmaals vermeld zijn de namen van allen, die in de redding een daadwerkelijk aandeel namen.

Het waren:

Van de blazer "Van der Tak": schipper Martijn Sperling, Cornelis Sparling, L. Sparling[1] en G. Moerkerk.

[1] De oorzaak van dit wonderlijk naamsverschil deel ik mede kort en krachtig zooals ik die van Kees Sparling vernam: »Toen mijn grootvader m'n vader kwam aangeven, was de burgemeester ~in den olie~. Die schreef 'n _a_ in plaats van 'n _e_".

Van de afhaalkotter aan den Hoek van Holland: K. Ree, T. van Duyn, P. Jansen en Jac. B. Schoonbeek.

Van het stoomloodsvaartuig "Hellevoetsluis": H. Vermeulen, C. de Gorter, J. Braam, P. Ruijg, M. J. Regoort en J. Steehouwer.

Van de reddingsboot: G. Jansen, F. Seekles, P. de Zeeuw, P. Hoogeraad, A. Boon, F. Blokland, H. v. Mastrigt, J. van Mastrigt, C. van der Haven en J. Boel.

* * * * *

En welk een redding was het, die deze mannen volbrachten! Mij zelf uitgelachen heb ik, toen ik Maandag op mijn tocht over het Noorderhoofd naar 't wrak soms hard liep om aan zeetjes te ontkomen, waarvan de golven nauwelijks mijn schoenen nat maakten. Haha, wat 'n helden zijn wij, wij ridders van de pen!

Drie, vier voet hoog stond het water op den dam, gierend joeg de storm en bulderend sloeg de zee erover heen, toen mannen als Klaas Ree, en Schoonbeek en Sperling het hoofd betraden. Elk paaltje, glad van zeewier, moest hoûvast wezen, tegen elke glibberige basaltkei moesten ze zich schrap zetten; in hun oliegoed, zwaar van water moesten ze als gymnasten balanceeren en hard loopen om op de been te blijven. En ze deden het, wat zeg ik, ze deden het met een vrouw op hun rug, met een zwakken, in doodsangst zich aan hen vastklemmenden schipbreukeling onder den arm, ze deden het terwijl om hen heen de zee in branding brulde als in woede over 't ontsnappen van den prooi. De brave, forsche, handige kerels! De helden der zee in vredestijd!

Laat ons hen huldigen. 't Is goed dat wij geld voor hen verzamelen, ik hoop dat ze allen een fiksche som krijgen in klinkende munt hun persoonlijk uitbetaald--want 'n fonds met al zijn administratieven omslag lijkt mij nu juist niet het beste middel ter erkenning van hun verdiensten.--Maar laat ons vooral van hen spreken, onzen kinderen van die mannen vertellen in huis en op school.

Liever heb ik dat later mijn jongen van een Jacobus Berend Schoonbeek en een Martijn Sperling afweet, dan van Dirk den Eerste die een tol stichtte, of Karel den Kale die weer wat anders deed, dat ik voor mij allang vergeten ben.

* * * * *

Twee onderwerpen in verband met de ramp leenen zich thans nog ter nabeschouwing.

Niet van de geredden wil ik spreken, blij als ik ben dat ik niet langer met een collega-zwerm het tot hospitaal ingerichte »Hotel America« behoef te belegeren, niet langer Mevrouw Diamant behoef te dwingen op de trap te staan, als weleer Horatius Cocles op de brug over den Tiber, om de patiënten van haar echtgenoot te verdedigen tegen de op hen aandringende journalisten. De rust, die de geredden naar lichaam en naar geest zoo onvoorwaardelijk behoeven, zij althans door niets meer gestoord, tot zij allen geheel hersteld naar hun verwanten en vrienden terug mogen keeren.

Ook van de dooden voegt het thans niet te spreken. Hun is de eer gebracht en zij de eer gelaten, die aan dooden toekomt. Gelukkig is de doodenhal zoo goed als geheel vrijgehouden geworden van kijklustig publiek. De enkelen, die er kwamen anders dan om er familieleden of bekenden onder de lijken te vinden, namen nu van die zaal der treurnis een weemoedige herinnering mede, die zij vol piëteit hun leven lang bewaren zullen.

Maar over de oorzaak van den ramp en de mogelijkheid der voorkoming daarvan in de toekomst valt nog iets te zeggen.

Misschien maakt het inwendig vrijwel intact blijven van het achterschip het mogelijk door expertise te laten uitmaken of inderdaad, zooals door sommigen wordt verondersteld, de stoomstuurmachines in het ongereede zijn geraakt. Doch scheepvaartdeskundigen beweren met steeds meer stelligheid, nu de koers van de boot vóór en de positie van het wrak nà de stranding beter bekend worden, dat het de samenwerking van een krachtige grondzee met den fellen stroom van het Zuiden naar het Noorden, die voor de hoofden loopt en den hevigen Noordwesterstorm moet zijn geweest, die de »_Berlin_« op het Noorderhoofd heeft gezet.

Mag hieruit de slotsom volgen, dat de ramp veroorzaakt werd door wat de Engelschman zelfs in zijn officieele akten noemt »an act of God« en wat wij minder verheven van uitdrukking samenvatten als »overmacht«, dan blijft de vraag over, of de »_Berlin_« zulk een overmacht had mogen trotseeren, m. a. w. of zij had mogen trachten den Waterweg binnen te loopen, zelfs of zij wel de veilige haven van Harwich had mogen verlaten.

Het antwoord op beide deelen dezer vraag kan, dunkt mij, bevestigend luiden. Roekeloosheid valt ten laste van den gezagvoerder der "_Berlin_" noch van de directie der Harwichlijn te bewijzen. Andere stoombooten zijn even na de "_Berlin_" den Waterweg binnengevallen, andere zijn gelijk met haar uitgegaan,--trouwens in Harwich ~kan~ de Noordwesterstorm niet zoo gewoed hebben als hier op de kust;--tal van gezagvoerders handelden onder overeenkomstige omstandigheden geheel gelijk kapitein Precious.

Dus treft niemand een verwijt van schuld voor de ramp. Dat geen herhaling er van zich zal voordoen, men mag het hopen en bidden, doch in menschen macht ligt het niet dat te voorkomen.

Of dan geen middelen uit te denken zijn, vraagt men, die in den vervolge een redding vergemakkelijken en bespoedigen kunnen? En bij 't zoeken van een antwoord op die vraag doet men reddingssystemen aan de hand, die--hoe goed ook bedoeld--lachwekkend zijn voor ieder die met den toestand ter plaatse bekend is. Zoo wilde iemand in allen ernst een "ballon captif" als reddingsboot laten gebruiken. Alsof zulk een luchtschip beter op zijn plaats zou blijven dan een reddingsboot te water!

Een ander dacht een zweefbaan over de pier uit. De ondoelmatigheid van dat middel springt dadelijk in het oog voor allen, die weten dat bij deze redding de moeilijkheid niet was, de schipbreukelingen van het eind der pier naar den wal te krijgen, maar wel om hen van het wrak op het hoofd te brengen. Had er een zweefbaan bestaan, hun marteling zoude nog heviger geweest zijn. Dan toch hadden zij hun verbinding met den wal voortdurend kunnen zien, zonder er gebruik van te kunnen maken.

En ik zwijg nog maar over de schatten gelds, die het onderhoud van zulk een voortdurend aan zeewater en stormwind blootgestelde zweefbaan eischen zou. Een seinkabel, waardoor vroeger automatisch de waterstand aan het eind van het hoofd aan wal werd aangegeven, kan reeds niet meer gebruikt worden, omdat hij al te vaak herstelling behoefde; en toch lag deze vlak òp het hoofd, beschut achter de rails, die over de dammen naar buiten loopen....

Neen, indien ooit, dan is in deze noodig berusting in het onvermijdelijke bij gestadig bidden om afwending van gevaar.

Goddank, op onze Hollandsche kusten, zoo gevaarlijk met haar zandbanken, met haar breede stranden, die weer den bouw van basaltdammen als kunstmatige rotsen noodig maakten, Goddank op die kusten zijn ook gekweekt die kloeke, welberaden, moedige mannen, de Redders. Op hen blijft ons vertrouwen!

J. L. P.

+-------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: latenloopen.« | | C: laten loopen. | | B: Nieuwsgierigen aan het strand | | C: Nieuwsgierigen aan het strand. | | B: Kapitetn Jansen. | | C: Kapitein Jansen. | | B: we'll never meet again.» | | C: we'll never meet again.»« | | B: that I am the only one.« | | C: that I am the only one.«« | | B: gegaann. | | C: gegaan. | | B: onder het sloepen dek; een elf | | C: onder het sloependek; een elf | | B: De aan wal brengen der lijken. | | C: Het aan wal brengen der lijken. | | B: Terwijl ik hij het Hotel | | C: Terwijl ik bij het Hotel | | B: het nek neemt den vorm aan van | | C: het dek neemt den vorm aan van | | B: ons kwamen toegesteld, deed ik | | C: ons kwamen toegesneld, deed ik | | B: dicht bij mij, Ze hielden zich | | C: dicht bij mij. Ze hielden zich | | B: thans jammerIijk in vervulling | | C: thans jammerlijk in vervulling | | B: uren vóór onze redding. | | C: uren vóór onze redding.« | | B: bodies on the ship«, vroeg hij. | | C: bodies on the ship?«, vroeg hij. | | | +-------------------------------------------+