De schipbreuk van de "Berlin" 21 Februari 1907. Volledig verhaal van de scheepsramp aan den Hoek van Holland

Part 6

Chapter 63,756 wordsPublic domain

Een der waterstaatsbeambten die bij het lijken bergen op Zaterdagmiddag geholpen heeft, verzekert mij, dat hij op de bovengenoemde kist twee lijken vond met de hoofden naar elkaar toe en dicht daarbij lag een mannenlijk, geheel naakt, met gebroken schedel onder een ketting. Een door zijn lotgenooten gedoode krankzinnige, meende mijn zegsman. Door de golven neergesmeten op het dek, den schedel verpletterd en het goed van 't lijf gerukt, meende ik. Wie zal het zeggen welke drama's zich daar aan boord hebben afgespeeld?

* * * * *

Over het ruimen van het wrak lichtte mij een anderen ambtenaar der waterstaat in, die in den loop zijner werkzaamheden bij den dienst bij het ruimen van wrakken, »al tienduizend kilo dynamiet verschoten« heeft. Ook het voorgedeelte van het schip dat thans ter linkerzijde van het hoofd diep onder water ligt, zal met dynamiet worden weggeruimd na de wettelijk voorgeschreven aankondigingen in de _Staatscourant_ en wanneer de betrokken reederij niet zelf de verplichting van het wrakruimen op zich neemt.

Wat het achtergedeelte betreft, is men nog in twijfel omtrent de beste ruimingsmethode. Misschien zal het in zijn geheel gesloopt moeten worden, wijl het niet diep genoeg onder water zit om het te laten springen zonder den lantaarn van den lichttoren te beschadigen, waarvan elk der lenzen f 2000 kost. Een geluk is het daarom dat de _Berlin_ niet iets meer naar binnen is gestrand, anders was hij zeker tegen den toren geworpen, zou deze zijn vernield en had men weer den houten reserveopstand in gebruik moeten nemen die daar nog van een vroegere beschadiging van den vuurtoren staat.

Mogelijk is het echter dat men toch tot het opruimen ook van het achtergedeelte van het wrak met dynamiet overgaat, doch dan zal de lantaarn eerst met ijzeren platen ompantserd moeten worden.

De schade aan het hoofd zelf aangericht, is grooter dan men zoo op het oog als leek zou zeggen. Eenige hoofd- en bijpalen zijn verbrijzeld en weggeslagen. De daartusschen liggende basaltblokken zijn meters ver door de kracht van het water weggeslingerd. De schade wordt zeer globaal op f 20,000 geschat, maar met het oog op het nog slechte jaargetijde dat hooge zeeën met zich brengt, zal het wel ver in den zomer worden voor zij geheel is hersteld.

De positie van den voormast van de _Berlin_, die eenige meters boven water uitsteekt, zal ten behoeve der scheepvaart zoo spoedig mogelijk nauwkeurig worden bepaald en bekend gemaakt.

* * * * *

Teruggaande langs het hoofd kwamen wij een ouden man tegen, lang en schraal, het hoofd in peinzing gebogen.

»Are there any more bodies on the ship?«, vroeg hij.

Wij antwoordden ontkennend.

»Ik zoek mijn zoon«, zei hij.

Het was de vader van den jongen man die als 2e-stuurman voor de _Myrmidon_ gemonsterd was. Ik vroeg nog zijn naam, maar de oude man hoorde mij niet meer. Wij waarschuwden hem tegen het opkomend water, maar hij hoorde ons niet.

Zijn oude oogen zochten het water langs.

Hij wandelde verder het hoofd af. Zoekende....

Uitvaart en begrafenis.

Toen ik mijn ervaringen op het Noorderhoofd aan de goede zorgen der telegraafambtenaren op het kantoor-Hoek van Holland had toevertrouwd en naar het station was teruggekeerd, vond ik daar reeds de toebereidselen gemaakt voor de begrafenis van vier slachtoffers, de dames Hoppe, Bertram en Sternberg en een onbekende vrouw.

De pantserfort-artilleristen in groot uniform zetten het station en het emplacement af, drie sombere rouwkoetsen en een als zoodanig ingerichte open boerenwagen stonden aan de perronsoprit te wachten en zij, die bij de begrafenisplechtigheid tegenwoordig zouden zijn, begaven zich langzamerhand naar de loods waar de lijkdienst gehouden zou worden.

Of het allen personen waren die er werkelijk bijbehoorden, zou ik hier niet gaarne beweren, want langzamerhand had het publiek er wel wat op gevonden om zich van de firma Hudig en Pieters toelatingsbewijzen voor de doodenhal te verschaffen. Maar gelukkig waren de afzettings- en contrôlemaatregelen nog scherp genoeg om te waarborgen dat een stil en stemmig publiek in de loods bijeenkwam.

Alle herkende lijken waren reeds bedekt, anderen waren al gekist, zoodat de bloot-nieuwsgierigen niet veel te kijken kregen. De vier kisten die straks grafwaarts gedragen zouden worden waren onder bloemen bedekt. Vele herkende lijken waren ook reeds vervoerd, zoodat tal van rouwbritsen leeg waren. Maar die ledige plaatsen zouden echter spoedig weer ingenomen worden, want nog steeds spoelden aan het strand benoorden en bezuiden den Waterweg lijken aan.

* * * * *

Een kleine rouwkansel was in het midden van den doodenhal neergezet, waaraan even na éenen de predikant Ruysch van Dugteren van de Hervormde Gemeente plaats nam. Rond hem schaarden zich, met de vertegenwoordigers der Koningin, der Koninginmoeder en van den Prins, de jonkheeren Van der Wijck en van Tets, de burgemeester in ambtskleedij, de secretaris met de wethouders van 's-Gravezande, de predikanten Van Minne en Van Haeringen (Gereformeerde Gemeente), respectievelijk van 's-Gravezande en den Hoek van Holland, de Engelsche consul, vertegenwoordigers van de Great Eastern Railway Company en van de firma Hudig en Pieters, de Engelsche Gezantschapskapelaan uit 's-Gravenhage en de predikanten der Duitsche gemeente te Rotterdam.

De burgemeester, Mr. J. Brunt, heette eerst allen welkom op deze droeve plaats, in het bijzonder de heeren Jhrs. Van der Wijck en Van Tets, en verleende dadelijk daarop het woord aan den predikant Ruysch van Dugteren. Deze ving aan met de voorlezing van den 90sten Psalm: »Heer, gij zijt een toevlucht van geslachte tot geslacht,» enz., en sprak daarna de aandachtig luisterende schare ongeveer als volgt toe:

»Er zijn in ons leven van die oogenblikken, waarin alles rondom ons schijnt neergedrukt, van die gebeurtenissen waarvan de ontroering ons doet denken aan niets anders dan aan dat ééne schrikkelijke, waardoor alles voor ons wordt ter zijde geschoven. Soms worden we dan moe van het denken. We kunnen als het ware niet meer. We waanden ons in een droom, maar keeren terug tot de harde wreede werkelijkheid.

Ons kwelt de smart en we roepen het uit, roepen het uit om verluchting te krijgen van het hart, dat niet meer weet waarheen zich te wenden.

We berusten ten slotte, trachten althans te berusten. Zoo is het gegaan in de dagen welke nu achter ons liggen. De menschen hebben moeten bedenken dat ze eenmaal sterven moeten en een diep, een onbeschrijfelijk gevoel van medelijden en deernis hebben we gehad met de armen, die leden onder dezen schrikkelijken slag. We hebben gebeden dat de treurenden mochten worden vertroost, vertroost in hunne smart, die we niet kunnen zeggen aan anderen, maar voelen, voelen zoo diep in ons harte.

Zoo dicht nabij de kust waren de ongelukkigen, zoo dicht bij de veilige haven, bijna aan land, nog eenige oogenblikken en zij hadden het doel hunner reis bereikt. Het heeft zoo niet mogen zijn. En we vragen ons af: Waarom moest het aldus geschieden? Waarom heeft God den storm niet doen bedaren, de sneeuwjacht niet doen verminderen? Waarom brak het anker en waarom mochten niet allen de haven bereiken!

We zouden op die vragen een antwoord willen hebben, maar krijgen het niet. Moet ik u op deze plaats zeggen waarom dat antwoord niet komt? Omdat we moeten gelooven dat God liefde is, al begrijpen we dingen niet die geschieden, zoo wreed en zoo smartelijk. Moet ik het u zeggen dat ik als antwoord op uw vraag breng het Evangelie der genade, dat ons leert: Hij die gelooft zal het eeuwige leven hebben. Onze Heiland is de opstanding en het leven. Gelooft dan allen, opdat ge het eeuwige leven moogt hebben tot in eeuwigheid.«

De prediker ging daarna voor in gebed en in de stille zaal, waar het electrisch licht nu mat scheen op het witte laken over de dooden, gedekt met de teere witte bloemen, klonk het innig:

»O, God, gij die de tranen der bedroefden wegwischt, schenkt den treurenden uwen troost; wil dat doen en hen sterken, want Gij troost als eene moeder. Troost hen met uwe nabijheid, spreekt tot hen woorden van vrede, richt ze op met uwe kracht, want er is zooveel dat hen neerdrukt, dat ze dreigen te bezwijken als niet uwe hand hen staande houdt. O, grijpen ze dan allen die hand die weer opbeurt en vertroost, het moede hoofd richt naar omhoog, uwe rechterhand, die hen zal beschermen tot in eeuwigheid.

»Wil de treurenden brengen door uwe goedheid op de plaatsen, waar geen dood meer zal zijn, maar het leven alleen. Wil ons allen het besluit nemen tot overgave aan den Heiland. Heb dank voor de sterkte, geschonken aan de mannen die hun leven waagden, voor uwe liefde die hun streven wilde kronen met zoo goeden uitslag. En wil met ons medegaan uit deze doodenzaal op de treurige tocht dien wij nog moeten volbrengen; erbarmt U over de treurenden, om Christus' wille. Amen.«

De lijkdienst was ten einde.

Hooggebeurd op de schouders van stoere werklieden werden de kisten uitgedragen. Achter die van de bekende lijken gingen de weinige, ach, zoo weinige rouwdragers: een snikkende grijze vader, een echtgenoot, geknakt onder het grievende leed, een verloofde, die het gelaat in de handen verborg. En achter het onbekende lijk volgden de vertegenwoordigers der gemeente en der verschillende maatschappijen. Daarachter ging een deputatie uit het loodswezen en dan volgden schipper Jansen met zijn mannen. Zoo vreemd, die kranige zuidwesterkoppen nu onder de hooge ouwerwetsche rouwhoeden te zien.

De weinigen op het station groetten eerbiedig, de soldaten der afzetting salueerden. Toen werd de stoet opgesteld. Een eerewacht van de fortbezetting voorop en soldaten ook ter geleiding van elken lijkwagen waarop de koetsiers zaten met groote vale lamfers aan hun uit den tijd geraakte »huilebalken«.

Dadelijk achter de lijkwagens volgde het rijtuig der beide vorstelijke vertegenwoordigers, waarbij de beide lakeien in lichtgrijs hofliverei een vreemde vlek van kleur vormden in den zwarten lijkstoet.

Achteraan kwamen nog twaalf volgrijtuigen.

De weg van den Hoek naar 's-Gravezande loopt met tal van krommingen eerst voor een groot deel langs de duinheuvels ter linkerzijde en langs bouwakkers met onbegrensde vergezichten ter andere zijde. Enkele boerenhofsteden liggen hier en daar erlangs verspreid. Bij zonnig weder is een tocht naar 's-Gravezande, vijf kwartier loopens door het echt Hollandsche landschap langs den slingerenden weg naar het eenvoudige landwaarts gelegen dorpje, een waar genot.

Nu hing er een triest-stemmende nevel over den duinrug en het land was in treffende overeenstemming met de indrukwekkende begrafenis-plechtigheid.

Voor de hofsteden stonden de bewoners bij het hek geschaard. Eerbiedig groetten zij. In het dorp waren de huizen gesloten, hadden velen de vlag halfstoks uitgehangen. Deelneming, werkelijk gevoelde deelneming, werd overal betoond.

Het kleine kerkhof was door veldwachters en rijkspolitie afgezet om den stroom van menschen die den stoet begeleidden te kunnen keeren, wat een zeer lastige en ondankbare taak bleek. De militairen sloten wel het hek, maar in troepen holden de menschen over het land naar den kerkhofmuur die in een ommezien was beklommen. Het publiek scheen zich niet te bekommeren om begrippen van fatsoen en eerbied. Men drong, men riep en joelde als was er van een teraardebestelling geen sprake.

Toen bij het oprijden van de begraafplaats aan een grooten drom menschen gelegenheid werd gegeven achter den stoet aan te dringen, werd het kerkhof, dat reeds voor het overgrootste deel was gevuld met belangstellenden, overstroomd met zich allesbehalve kalm gedragende kijklustigen. Dat was jammer! Van wijdende stilte kon nu geen sprake zijn en erger werd het toen bij het sluiten van het hek de honderden teleurgestelden rondom den muur draafden en schreeuwden om een plaatsje machtig te worden.

Op den doodenakker was een groote vierkante kuil gedolven, waarin reeds drie kisten waren bijgezet. O.a. rust daar de kleine Gustaaf Hirsch, het ventje dat van Londen alleen op reis was naar zijn ouders in Hanover. Een handvol witte seringen was op zijn kist gespreid.

Een voor een werden de nieuwe kisten in den grafkuil neergelaten. Op elk daarvan lag een krans van de firma Hudig en Pieters; op die der twee Duitsche vrouwen een bloemtak van den Duitschen consul.

De vier kisten werden twee aan twee naast elkander geplaatst. Blijkbaar was het de bedoeling in deze gemeenschappelijke groeve ook de lijken van andere slachtoffers bij te zetten.

Toen het neerlaten van de dooden had plaats gehad en de reusachtige kring zich nauwer rondom het graf had saamgetrokken was het de Duitsche predikant ds. Freimark uit Rotterdam die als eerste spreker naar voren trad, gekleed in toga en baret.

In de Duitsche taal herinnerde ds. Freimark aan het bijbelwoord: »Wir müssen sterben aufdass wir klug werden« (wij moeten sterven om wijs te worden), aan de hand van welken tekst de predikant een korte hartelijke toespraak hield.

Spreker wees er op hoe in deze dagen vooral de menschen samen voelen en tezamen dragen smart en leed, zooals Christus dat uitsprak: menschen moeten tezamen leven. Hoe heerlijk verwarmend is voor de treurenden die hun dierbaren beweenen, de deelneming, waarin de vorstelijke families voorgingen en werden gevolgd door schier de geheele wereld. Dat is de goed doende troost van menschen.

Spreker hoopte dat ook de blik ondanks den fellen slag zou worden geslagen omhoog, waar de hemelsche trooster nabij is.

Aan dit graf van twee jonge Duitsche vrouwen wenschte ds. Freimark op dien troost te wijzen, daartoe gedrongen als landsman niet minder ook als Christen.

Daarbij vond de spreker gelegenheid te schetsen het ontzaglijk tragische in deze ramp, die aan meer dan honderd menschen het leven kostte, hoewel het land voor aller oogen oprees, het land waarvan redding en hulp werd verwacht, het land dat hun hoopvol had tegengelachen en dat bereikt was, nagenoeg bereikt. Weldra zou men de pieren binnenstoomen. Met den blik op het land gericht verloren die honderd het leven.

Hulde bracht spreker aan de koene mannen, die eigen lijf waagden om dat van anderen, die in nood verkeerden, te kunnen behouden.

Ds. Freimark eindigde zijn lijkrede op de naar Duitsche gewoonte gebruikelijke wijze: »Keert terug tot stof, zooals ge uit stof zijt voortgekomen. Gelooft in Christus, Hij is de opstanding en het leven; wie in Hem gelooft leeft tot in eeuwigheid«.

Dit zeggende hield de geestelijke zijn hand zegenend boven de groeve, op iedere kist een weinig aarde strooiend en, even wachtend, bad hij vervolgens met bewogen stem: »Unser Vater, der Du bist im Himmel«.

Alvorens van de groeve afscheid te nemen hief ds. Freimark nogmaals zegenend de hand op, zeggende: »De Heer behoede u dan en zegene u; Hij doe zijn vriendelijk aanschijn over u lichten en schenke u Zijnen vrede. Amen«.

Over het kerkhof daalde een nevel als een lichte rouwsluier. Van de takken rondom drupten zachtkens heldere droppels, als weenden de boomen mede.

De Engelsche predikant uit de Residentie, rev. H. Redford Campbell, in witte toga, met wit bonten kraag, trad, een Engelsch gebedenboek in de hand, als tweede spreker op het graf toe, om een gedeelte voor te lezen uit: »The order for the burial of the dead«.

Als derde spreker voerde mr. J. Brunt het woord: Zeker werd men--zeide hij--aan iedere groeve herinnerd aan het Memento Mori, maar aan dit graf, dat nog zoo vele andere schipbreukelingen zal gaan bevatten, is de herinnering aan die woorden sterker dan ooit en ervaart de mensch dat tusschen hem en den dood slechts een schrede ligt.

Dank bracht deze spreker aan de vertegenwoordigers der Koninklijke familie, wier daadwerkelijke sympathie bij deze schipbreuk en de gevolgen daarvan de harten heeft verwarmd van honderden; dank ook aan de mannen, die met ongekende zelfopoffering streden tegen de elementen om de enkelen te redden, die op het wrak hadden stand gehouden; dank ten slotte aan allen, die hunne medewerking verleenden om de ellende te verzachten, de smart te lenigen, de helpende hand te bieden aan hen die onverzorgd en van alles beroofd achterbleven, alleen met hun droeve herinneringen aan dien stormachtigen nacht, alleen met hun herinneringen aan hun lieve dooden.

Ten slotte was het de heer Pieters (lid der firma Hudig en Pieters), die namens de maatschappij de Great Eastern Railway Company met stokkende stem een laatsten groet bracht aan de gestorvenen, om tevens te huldigen allen, die met woord en daad in deze smartvolle dagen hebben getroost, onze koninklijke familie vooraan, gevolgd door de vorsten van Engeland en Duitschland. Die deelneming was ook der maatschappij tot troost, en gaarne zei ze daarvoor dank, niet het minst het gemeentebestuur dezer gemeente dat niets ongemoeid liet om in den nood te voorzien. Hulde verdienden ook de doktoren en pleegzusters, die met hun liefdevolle toewijding zich ganschelijk gaven aan allen, die zorg van noode hadden.

»Nogmaals hartelijk, hartelijk dank voor al die sympathie in deze moeilijke dagen bewezen«, besloot spreker.

* * * * *

Jhr. Tets, de vertegenwoordiger van H. M. de Koningin en Z. K. H. prins Hendrik, had inmiddels een grooten krans van witte bloemen op het graf gelegd; op de zijden linten prijkten de gekroonde letters W. en H.

Zoo eindigde de begrafenis. Wonderlijk-naïef na al het plechtig spreken kwam het gewoonte-speechje van een der bidders die dankte voor de betoonde deelneming en verzocht in goede orde uiteen te gaan.

Wij lieten de dooden achter. Veilig slapen zij in 't duin.

* * * * *

Het was mijn collega, die den stoet naar 's-Gravezande volgde. Ik bleef achter in het dorp aan den Hoek en oogde, staande op den dijk, de stoet na, die zachtjes den weg langs schommelde, de duinen in.

Een brok schoot mij in de keel.

Vreemd... Waarom juist toen.

Straks, in de doodenzaal, waar de lijkplechtigheid plaats vond, bleef ik koud. Koud bij de troostende toespraak--troost, troost, ach, het wil er niet in bij het aanschouwen van zóoveel ellende--koud bij het ootmoedig gebed van den predikant.

Daar was in die zaal, die wij wel zoo indrukwekkend stil hebben gevonden met de roerlooze lijken die er te slapen lagen, 's avonds heel laat, als er nog maar weinigen zwijgend langs de doodenrijen gingen en uit de voorzaal zachtjes klonk het mompelend gepraat van de wachthebbende veldwachters, er was nu, zeg ik, in die zaal te veel onbewogen begrafenisstemming, te veel koud ceremonieel.

Rouw, waren doodenjammer alleen vond ik in den grijzen Duitschen man, die maar snikkend bij de met bloemen bedekte kist van zijn dochter stond, de oude handen gevouwen in woordeloos gebed. En rouw was er in het gekrijsch der meeuwen buiten, en rouw in den eenzamen gil nu en dan van den verren misthoorn of in den doffen loei van een stoomboot, die zoo zacht kon inzetten met een waarlijk harmonieuzen toon, als van een kerkorgel dat te spelen begint, om dan te eindigen in een rauwen wanhoopsroep.

Maar rouw niet in het preekgeluid, rouw niet op de officieele begrafenisgezichten; rouw niet in uniform- en statierokgeglimmer dat valsch deed in den rossen schijn der gloeilampen en bij de stemmigheid van de chapelle ardente; rouw niet in het optochtachtige samenstellen van den stoet.

Doch toen daar over den dijk naar de duinen wegreed de lange zwarte lijkstatie, wijl er een tranenfloers lag over het landschap en de zee in mist haar gelaat verborg, als schaamde zij zich harer daad, toen greep mij plots het naamloos wee van dat gansche vreeselijke gebeuren aan en met de treurenden treurde ik; rouwde ik, niet om die vier dooden alleen die daarginds met bloemen bedekt en met eere begeleid ter laatste rustplaats werden gevoerd, maar ook om al die anderen die achter mij en voor mij in de lijkenloods, in het wrak nog, misschien in de zee en aan de overzij daarvan of op eenzame stranden lagen; rouwde ik om al de slachtoffers van deze wereldschokkende ramp.

Eén troost voor hen, een troost ook voor ons allen; de tocht waarop zij zijn uitgevaren, kent geen schipbreuk.

* * * * *

Toen ik 's avonds aan het station wachtte op den trein om naar Amsterdam terug te keeren, gingen nog van het stationsgebouw in diepe verslagenheid een oude vrouw en twee jonge meisjes, zoekend naar een zoon en broeder. En ik drukte nog de hand van den heer Holden uit Manchester, die ook al dagenlang zijn broeder zocht.

In het halfduister van den vallenden avond werden er nog lijken naar de loods gebracht, waarop de vlag nog altijd halfstoks uitwoei.

Reeds waren toen herkend: A. Kruger, Fred. Elsworth, L. H. Lamotte, Rosinquist, Pells, Capt. Russel, Bishop, miss J. M. Bakes, Mead, miss Holle, Mozes Raisman, Raisman Jr., Woods, Bonnett, Wennberg, Barton, miss Mable Marton, Oosterling, C. W. Anderson, miss Boomes, W. J. Moor, Bulmer, Gysin, Woodham, Davies, Pattock, Brockett, Aug. Hirsch, A. J. Coope, N. H. van der Meulen, Garnsworthy, Frau Bertram Westerling, A. Grosfils, mevrouw Süsz Artz, Bullock, J. Keen, J. Hilfenstein, Durrand, Mourve, Lamotte, Wilding, G. Easter, Charles Mills, Willian Dunnette, W. Jennings, fräulein Sternberg, Bratton, Gibson, fräulein Wennberg, Gibbons, M. A. Rank, dr. Ernst Schichhold, fräulein M. Lehman, T. Rolassen, Catchpole, Salter, Reeves, Watson, Rouse, miss Brown, Samkin, Kind, Gregory, Baartman, Lauringer, James Bell, te zamen 65.

En nog altijd gaf de zee de lijken van haar slachtoffers terug. Wellicht waren ook in het gezonken wrakgedeelte nog enkele lijken aanwezig.

Mijn collega bleef daarom achter, om van de laatste gebeurtenissen, het wrakonderzoek door duikers, het wrakruimen en het goederen bergen verslag te geven, en de doodenlijst bij te houden.

Doch ~mijn~ droeve taak was ten einde.

NASCHRIFT.

Amsterdam, 26 Februari 1907.

Teruggekeerd in de heerlijke rust van het eigen tehuis en het eigen werkvertrek, met al de intieme eigen dingen weer om me heen, mijn schrijfpapier, m'n inktkoker, m'n boeken, m'n lamp, met van buiten gedempt tot mij doordringend het vertrouwelijk-bekende straatrumoer, lijken mij de laatste dagen, aan den Hoek doorleefd, een bange droom. Ja, zóó bang, dat men dien liefst vergeten zou, zeker niet willens de schrikbeelden ervan weer voor den geest zou roepen, wanneer ook dàt niet deel uitmaakte van den arbeid des verslaggevers. Zoolang er nog eenige wetenschap, zoolang er nog één indruk in mij is van het droeve feit dat den 21en Februari aan den Hoek van Holland voorviel, dien ik nog niet aan het papier toevertrouwde, zoolang is mijn taak niet volbracht, màg in mij de mensch niet over den journalist triomfeeren.

En heb ik ook al alles wat ik aangaande de ramp wist in volgorde van het gebeuren meegedeeld, veel algemeene indrukken moest ik bewaren tot thans, wijl daarvoor eerder in mijn telegrammen geen plaats en--vermoed ik--bij mijn lezers geen belangstelling was.

In mijn telegrammen geen plaats. Want met een feitenopsomming alleen, uitsluitend met het treurige nieuws, vulden wij reeds kolommen in onze bladen, overstelpten wij--mijn collega's en ik--de telegraafkantoren aan den Hoek, Den Haag en Rotterdam met zulk een berg van werk, dat wij er vaak verlegen mee werden als wij voor de zóóveelste maal op een dag of laat in den nacht nog weer met zoo een draadbericht van vier-, vijf-, achthonderd, duizend woorden of meer voor het loket verschenen.