De schipbreuk van de "Berlin" 21 Februari 1907. Volledig verhaal van de scheepsramp aan den Hoek van Holland

Part 5

Chapter 54,000 wordsPublic domain

Minder gauw ging het herstellen der vrouwen, wier »Ausdauer» uiteraard minder groot is. Maar de algemeene zenuwspanning die in den aanvang bij allen werd geconstateerd, was afgenomen en ook de voeten, die eerst zoo pijnlijk waren dat men er niet aan raken kon of de patiënten schreeuwden het uit, werden beter. Frau Wennberg die met haar dienstmeisje op een kamer lag was inderdaad zeer zwak, maar haar leven was niet in gevaar. Waarschijnlijk zou getracht worden voor haar een passender verblijf te vinden dan in het Hotel Amerika, dat, hoe goed er ook voor de geredden werd gezorgd, natuurlijk geen al te rustige ziekenkamers heeft.

De ongeveer 24-jarige Franschman Jaboulet de Riveicherre werd nog altijd verpleegd op de pastorie. Hij had zware koortsen, maar mits hij rustig gehouden werd, hoopte men ook deze patiënt de gevolgen der doorstaane ellende te doen te boven komen. Niemand mocht tot hem spreken en om ook hem rustig te houden, trad elk zijner verplegers steeds met den vinger op de lippen de ziekenkamer binnen. Alleen zou in den middag zijn moeder, die uit Taine la Drôme in Frankrijk was overgekomen, tot hem toegelaten worden.

Op mijn avondwandeling mocht het mij zonder hinderlijke indiscretie gelukken, van een geredden schipbreukeling, die liefderijke verpleging genoot in het reeds meermalen genoemde Amerika Hotel, bijzonderheden te vernemen omtrent de angstige oogenblikken die de arme stakkers aan boord van de _Berlin_ hebben doorgemaakt na het doormidden breken van het schip, op dien noodlottigen Donderdagmorgen.

Ik laat het verhaal, zooals mij dat gedaan werd, hier volgen in den vorm als was de geredde jonge Engelschman Emil Jung, een Duitscher van afkomst, zelf aan het woord.

»Ik werd»--zoo vertelde hij met een opgewektheid als was door hem niets buitengewoons doorgestaan,--»Donderdagmorgen tegen 4 uur in mijn hut aan boord van de _Berlin_ gewekt met een hoornsignaal, wat op die booten gebruikelijk is. Het was stormweer. Ik stond mij in mijn hut te wasschen toen ik een vreemd gekraak hoorde dicht bij me. Een steward in mijn onmiddellijke nabijheid riep ik toe wat er gebeurde.

Aan iets ernstigs dacht ik niet. De boot schommelde niet erger dan te voren. De steward antwoordde, ook roepende om het geraas rondom ons te overstemmen, dat de deuren van de kajuitstrap door een overboord komende stortzee waren stukgeslagen. Het gekraak daarvan had mijn aandacht getrokken. Nauwelijks waren die woorden gesproken of een tweede kraak volgde, veel heviger dan de eerste, als werd een houten wand met groot geweld ingedrukt. Op hetzelfde oogenblik sloegen de overkomende zeeën de kajuit binnen. Het schuimende water stroomde er letterlijk in.

De steward, over wien ik zoo even sprak werd tegen den grond geslagen, maar toch had hij nog zooveel bewustzijn dat hij mij toeschreeuwde de reddingsgordels aan te doen. Er waren er vier in mijn buurt. Ik nam er zelf een en drie dames die naar ons kwamen toegesneld, deed ik vliegensvlug de andere om. Wat er met de _Berlin_ feitelijk gebeurde, begreep ik op dat moment niet recht. Wel vermoedde ik een ernstig ongeluk. Wie de dames waren die ik de gordels hielp omdoen, ik zou het niet meer kunnen zeggen. Ik heb ze niet meer teruggezien. Een stortzee sloeg ze in een volgend oogenblik een eind van me weg.

Hoewel ik weet dat een razende angst zich van mij meester maakte, had ik nog zooveel besef, dat ik mij met alle kracht die in mij was, vastklampte aan de verschansing op het achterdek. Ik dacht aan niets anders dan aan vasthouden, wat een toer was, want het schip slingerde, beter gezegd werkte zoo zwaar, dat ik nu eens op het dek lag, dan weer overeind kwam. Maar ik omsloot de leuning der verschansing met ijzeren vuistgreep. Loslaten nooit. Ik begreep dan door de woedende golven die ons omspoelden, te zullen worden weggeslingerd in zee.

Rondom mij gegil van menschen, die als lam geslagen over het dek slierden, om als een veer te worden opgenomen door de golven en over de verschansing in de schuimende zee te verdwijnen. Het was ontzettend. Ik kan het u niet zoo beschrijven. Ik vergeet het nooit. Plotseling werd het stikduister. Het licht ging uit en het tooneel werd er te erger door.

Kapitein en loods zag ik achter elkaar naar de diepte gaan. Het gejammer van de menschen bij me, die ik door de zeeën niet zien kon maar wel hooren, o, het was te schrikkelijk om het te kunnen vertellen. Op eenmaal zie ik een touw bij me in de buurt hangen, een touw van den mast. Ik wist het te pakken en klauterde, geslingerd door den harden wind, een eindje naar boven. Ik hoopte een schip te kunnen wenken om hulp en schreeuwde tot ik niet meer kon. Het gaf niets, ik was uitgeput, liet me weer zakken en plofte op het dek, gelukkig weer dicht bij de verschansing die ik opnieuw met alle kracht omklampte.

Ik telde toen 25 menschen dicht bij mij. Ze hielden zich allen ergens aan vast. Lieten ze los dan wierp de zee ze dadelijk naar links en naar rechts. Ik moet er niet meer aan denken. Er waren twee dames, die ik zag neersmakken op het dek, een golf nam ze op, ze gingen de lucht in, maar kletsten weer terug op het dek. Haar hoofden waren gespleten. Nog even lagen zij roerloos. Toen spoelden ze weg.

In den loop van den dag (Donderdag) trachtten wij dichter bij elkander te komen. Dat lukte ons. Om ons te beschutten tegen den wind, grepen we een stuk zeildoek. Dat sloegen we om ons heen. Maar een rukwind sloeg er in en zwalpte het doek van ons af. We riepen allen om hulp, maar dat baatte ons weinig. Hulp kwam niet opdagen. We vergingen om zoo te zeggen van honger en dorst, dorst vooral. Sommigen van ons begonnen aan redding te wanhopen.

Om den moed er in te houden en om afwisseling in onze treurigheid te brengen, zongen we gemeenschappelijk liederen. O, dat klonk zoo weemoedig. Die tijd kroop voorbij, er scheen geen einde aan den dag te zullen komen.

Toen de nacht kwam, bezweken er weer een paar menschen. Ze waren half waanzinnig van pijn en angst. 's Nachts bulderde de zee schrikkelijk en een koude, fijne sneeuw sloeg ons in het gezicht. Het zeewater weekte onze kleeren los. Een paar vrouwen, die we zooveel doenlijk op de been hielden, verloren haar bovenkleeding. De rokken hingen in flarden. Het zeewater spoelde den boel van ons weg. Het was jammerlijk.

De reddingboot hadden we zes maal dichtbij gezien, o zoo dichtbij. We hoorden de lui roepen, maar ze konden ons zeker niet bereiken, en als de boot dan weer wegdreef, was het om gek te worden. Er zijn menschen gestikt. Ze hadden geen kracht meer adem te halen, lieten het stuk verschansing los en vielen op het dek.

Toen de zee bedaarde, werden de lijken niet meer weggespoeld, maar bleven ze voor onze oogen liggen. Een stoker, die naast me aan de verschansing hing, liet zich los. De man kon niet meer. Ik ving hem op in mijn arm, hoopte dat hij zich herstellen zou. De arme kerel stierf, zijn hoofd tegen me aan. Toen moest ik hem wel laten schieten.

Ik voor mij heb wonderlijk genoeg aldoor hoop gehad op uitkomst. Ik kon maar niet gelooven dat de reddingsbooten ons niet zouden vinden. Ik heb goede hoop gehad. Dappere lui die Hollanders hoor! Kranige lui! We zijn hun zoo dankbaar."

De verhaler zou nog wel hebben doorgepraat, maar de dokter stond zijn bezoekers terecht geen seconde boven den door hem bepaalden tijd toe. Het gesprek eindigde.

* * * * *

Iemand, die geregeld het ziekenhotel bezocht en begreep ons verlangen om meer van de geredden, die daar verpleegd werden, te hooren, lichtte ons verder met groote bereidwilligheid omtrent een en ander in. Uit den aard der zaak bepaalde hij zich hoofdzakelijk tot de ongelukkige Frau Wennberg, wier lot wel het afgrijselijkst van allen is geweest.

Zij zat op het dek van het achterschip tegen het overgebleven houten beschot van de rooksalon. De stortzeeën sloegen met wreed geweld over haar en haar lotgenooten neer, omspoelden haar vaak gansch en al, zweepten haar het gezicht dat ze het uitschreeuwde van de pijn. Die snijdende pijn was echter het ergste niet. Ze dacht alleen aan de bescherming van haar kind dat ze gekneld hield in de vast om de kleine gesloten armen. Toen ze haar kind voelde verkleumen, legde ze het op de bank, waar nog andere vrouwen op waren gezeten en om te verhinderen dat de golven haar het schreiende wicht zouden ontrukken, drukte zij het in smartelijken angst met de knieën tegen de bank. Lang kon ze dit echter niet volhouden, de krachten begaven haar.

De andere vrouwen stonden haar dapper bij, steunden met de handen de kleine, als de knieën moede werden. Maar het kindje stikte des nachts, nadat een zware vloedgolf hen minuten lang onder water had gedompeld, waarbij het wrak dreigde te kantelen. Het doode kind hield Frau Wennberg verder in de armen. Eerst toen de redders kwamen, werd ze bewogen het af te staan, mits het mede werd gevoerd naar de veilige kust.

Haar dienstbode, Mina Ripler, stond haar met onbeschrijfelijke trouw en liefde bij, ondersteunde op het wrak haar meesteres als deze wanhopig schreiend haar kind trachtte te warmen, steunend tegen de bank, en met moeite door haar lotgenooten staande gehouden.

De vrouwen hielden zich trouwens over het algemeen op het wrak beter dan de mannen, die door de koude het eerste werden bevangen. Zoo heeft Augusta Theiler, een der geredde dames, met haar adem nu en dan de handen gewarmd van Jaboulet, den Franschman, omdat deze op het punt stond zich los te laten en neer te ploffen op het dek, waar hij reddeloos verloren zou zijn geweest.

Meer verhalen van jammer moest ik hooren.

Ik had nog een onderhoud met den heer Schröter uit Berlijn, die natuurlijk tot zijn geredde vrouw was toegelaten. Hij deelde mij mee wat zijn echtgenoote hem had verteld omtrent den toestand op het wrak na de schipbreuk. Toen stonden de schipbreukelingen samen op een heel klein stukje van het promenadedek, wel beschut voor den wind, maar blootgesteld aan het ijskoude zeewater, dat telkens over het schip heensloeg. Eén plekje slechts tusschen de rooksalon en de daarachter liggende dekhutten was geheel vrij van water en om beurten mochten de vrouwen daarin een kwartiertje rusten. De anderen liepen op en neer in de beschutting van de wanden van het rooksalon die nog waren blijven staan.

De thans geredde passagier Brödessen geraakte spoedig na het scheuren van het schip in een staat van bewusteloosheid maar zijn lotgenooten dwongen hem bij zijn positieven te blijven door hem te knijpen en hem het dek op en neer te laten loopen.

Omtrent haar redding vertelde Frau Schröter--zij was het, die zoolang op het berghout had gezeten--dat zij vallende van de lijn in het water terecht kwam. Later werd haar meegedeeld dat de bemanning der verschillende bij de redding betrokken booten haar toen voor een drijvend lijk had aangezien. De man die de aandacht op haar vestigde, zeggende: »Daar is nog iemand die leeft«, was Prins Hendrik. Het was ook de Prins, die haar aan boord in zijn pelsjas wikkelde; toen hij haar later weer zag in het Hotel Amerika, zei hij lachend tot haar echtgenoot: »ja, sie ist eine tüchtige, sie ist aus Berlin.«

Ook sprak ik nog den heer O. Hintze uit Berlijn, den verloofde van Elisabeth Holle, die bij den ramp het leven liet. Den 17den Februari schreef zij, na uit Zuid-Afrika in Engeland te zijn aangekomen, aan haar verloofde dat hij haar den 21sten met haar broeder in Hannover zou komen afhalen. Helaas, de aanstaande echtgenoot en de broeder wachtten tevergeefs. Tragisch is, dat de verongelukte vrouw in den brief nog schreef: »als er geen ongeluk met het spoor of het schip gebeurt.«

Was het een angstig voorgevoel, thans jammerlijk in vervulling gegaan, dat haar dit voorbehoud maken deed? Wie zal het zeggen...

De drukte op Zondag.

De drukte aan den Hoek van Holland was op dien Zondag overweldigend. Reeds in de vroege morgenuren brachten de treinen uit Schiedam, den Haag en Rotterdam de nieuwsgierigen bij honderden en duizenden aan, honderden en duizenden die het dorp en de havenkaden vulden met een zeldzame bedrijvigheid, waarvoor de verbaasde Hoekbevolking met stomheid geslagen stond.

In drommen trok men naar de pier, fietsen schoten door de menigte, auto's toeterden ruim baan, in rijtuigen lieten zich gansche gezelschappen naar het strand rijden, waar men heel in de verte het wrak kon zien liggen, nu eens duidelijk zich afteekenend tegen de helderblauwe winterlucht, dan weer omwaasd door een nevel als er een nieuwe sneeuwbui in aantocht was, soms geheel verdwenen als de vlokken in verblindende dwarreling neerkwamen.

Aan het strand werden verrekijkers verhuurd. Daar stonden de dagjesmenschen met deskundig-geknepen oogen door te turen, zagen natuurlijk meestentijds niets, wisten de kijker niet te stellen en beweerden dan ten slotte maar met een hoogwijs gezicht dat ze 't duidelijk gezien hadden...

Met den vloed werden de wit gekuifde golven door den tamelijk sterken wind over de pier gejaagd, schuimde het zeewater bruischend en bulderend aangerold tegen de klipsteenen, zakte het deinend terug over het strand, golfde dan weer aan en joeg de nieuwsgierigen, bang voor natte broekspijpen en bedorven rokstrooken, het hoofd af.

Dan wandelden ze langs het strand, keken er naar aanspoelend wrakhout, trommels, doozen en bussen, griezelden er tegen 't idee dat ze ook wel eens een lijk konden vinden, en trokken dan in de knusse stemming van »dat hebben we alweer gezien« naar het dorp en het station terug, waar ze de herbergen en de wachtkamers vulden met een waren kermisroezemoes.

Per Hollandsche Spoor uit de richting Schiedam werden met gewone en extra treinen alleen reeds aangevoerd ten naastenbij twintig duizend passagiers. De Westlandsche Stoomtram liet in extra diensten lange treinen rijden, die telkens stampvol zaten, zoodat de menschen als het ware hingen aan de balkons. Maar dit was nog niet voldoende. Er reden zelfs trams uit enkel goederenwagens bestaande en daarin nog stonden de menschen als haringen in een ton gepakt, schouder aan schouder.

[Illustratie: Gezicht op het wrak van het Noorderhoofd.]

De stoomboot »_Thor_» voer van den Berghavensteiger naar het wrak op en neer voor een gulden per persoon, maar hiervan werd wegens het buiige weder en het woelige water in de haven geen overgroot gebruik gemaakt.

Vooral tegen den avond werd het weêr opnieuw onstuimig. Omstreeks vijf uur deed er zich een flinke sneeuwjacht voor, dadelijk gevolgd door hevige regenbuien, gepaard met windvlagen die het zeewater met kracht over de havendammen stuwden en de golven voortzweepten over de geheele lengte der pieren, zoodat de laatste kijkers zich terugtrokken naar het dorp, weinig goeds als zij terecht zagen in de samenpakkende zware aschgrauwe wolkbanken die nog in geen uur tijds het helder luchtblauw van den Februaridag verduisterden, en de late middagzon die nu en dan de wit besneeuwde duintoppen belichtte met een rozigen gloed, voorgoed omhulden. De avond viel snel, de wind nam hand over hand in kracht toe en weldra lag het landschap aan den Hoek van Holland in 't duister.

De drukte was toen spoedig afgezakt. Lange treinen gingen met volgepropte wagens naar Schiedam en Rotterdam terug.

De menschen zaten erin te zingen....

Buiten loeide de wind en hooge witgekopte golven kwamen op het strand aangerend.

Om de loods, waarop de vlag halfstoks droefgeestig klapperde, waar den ganschen dag de dooden hadden gelegen, veilig bewaakt, zoodat geen profane kijkers er de plechtige stilte kwamen verstoren, om de loods krijschten meeuwen...

* * * * *

In de leeggeloopen restauratiezaal van het station, aan de in een hoekje gereserveerde perstafel, schreven wij onze laatste telegrammen. Toen leenden wij van de vriendelijke echtgenoote van den restaurateur, Hamann, dekens en daarin gehuld als Indianenhoofden volgden wij een wagenopzichter naar een waggon van den D-trein voor Osnabrück-Hamburg en Berlijn, die in de remise voor het vertrek van den volgenden morgen klaar stond. Ten zeerste waardeeren wij de welwillendheid van de directie der H. IJ. S. M., die ons dit nachtverblijf in den tijdelijk zoo overbevolkten Hoek verstrekte, een welwillendheid die trouwens, het zij hier dankbaar gezegd, door die van alle autoriteiten daar ter plaatse in het algemeen werd geëvenaard.

Maandagmorgen.

Onze rust was goed, maar kort, want te halfvijf werd ons hotel op wielen gerangeerd en moesten wij onze »kamers« verlaten, om plaats te maken voor de reizigers die met de boot van vijven, de »Chelmsford«, na een kalme reis in een triestigen natten mist hier aankwamen.

Dezen waren, zooals gewoonlijk op Maandagmorgen, weinig in aantal, doch in den trein, waarin wij geslapen hadden, de Duitsche Nordexpress van 5.55, werd ook vervoerd een der geredden, de heer H. Brödessen, die wel genoeg was om onder geleide van zijn eigen dokter naar zijne woonplaats Altona te vertrekken.

Een rijtuig bracht hem van het Hotel Amerika naar het station en toen hij daaruit werd geholpen zagen wij, dat hij nog een tamelijk jonge, forschgebouwde man was, die weliswaar thans voetje voor voetje, maar toch nog flink rechtop liep. In het voor hem gereserveerde compartiment legde hij zich op een der banken neer en even mochten wij hem spreken, de hand drukken en gelukwenschen met zijn redding.

Die redding zeide hij naast God en de wakkere Hollandsche zeelieden, die voor hem hun leven waagden, te danken te hebben aan het feit, dat hij, na door een hevigen schok half uit zijn kooi te zijn gevallen, verschrikt, slechts gedeeltelijk gekleed, aan dek geijld en naar het achterschip is geloopen. Anders was hij ook met al de passagiers die zich op het voordek bevonden, in de diepte verdwenen.

Het verhaal van den heer Brödessen, voor zoover hij dit met zwakke stem in korte woorden kon, kwam op hetzelfde neer als dat van den jongen Engelschman Emil Yung, van wiens ervaringen men hierboven het relaas heeft kunnen lezen.

»Meermalen was ik aan boord half bewusteloos«, vertelde de heer Brödessen, »en telkens wanneer ik uit mijn bezwijming weer bijkwam, leek mij het aantal mijner nog levende lotgenooten verminderd. Zij stierven of gleden bewusteloos geworden met het afloopende water der stortzeeën van het dek. Ten laatste bevonden wij ons nog met ons twintigen op het wandeldek op een bank tegen de rooksalon, waar wij, om hooger boven het water te zijn, zaten op het lichaam van een der dooden.

Vijf van ons troepje stierven enkele uren vóór onze redding.«

De Duitsche dokter, die even was gaan telegrafeeren, keerde nu in den trein terug en verjoeg ons, zoodat wij met een handdruk en herhaalden gelukwensch afscheid namen van den geredde met zijn sympathiek, echt Duitsch gezicht, dat zoo bleek was en om de zachtblauwe oogen met diepe lijnen doorgroefd.

Glückliche Reise wenschten wij hem en blijde aankomst in zijn veilig thuis, bij zijn jonge gade.

Een bezoek aan het wrak.

Terwijl ik met enkele collega's zat te ontbijten kwam het denkbeeld in mij op, dat nu misschien bij laag water het wrak wel te bereiken zou zijn. De wind was gaan liggen, de zee was veel rustiger. Wellicht zou men thans met een boot of te voet het nog op de pier liggende gedeelte van de _Berlin_ kunnen naderen.

Hoe vriendschappelijk ook de samenwerking met binnen- en buitenlandsche collega's is, zulk een denkbeeld bewaart men voor zich als een diep geheim en een mooien kans op een primeur.

Quasi om een rijtuig te gaan bestellen voor de begrafenis van vier slachtoffers, die 's middags plaats zou vinden, verliet ik het station en wandelde door den »Ouden Hoek« naar het strand.

Mijn berekening was goed geweest. Het water was laag en het wrak was, wandelend langs het Noorderhoofd, te bereiken. Na mij eerst overtuigd te hebben, dat het getij mij gunstig was,--»'t water is wassende, meneer, maar als u gauw loopt zal u nog net heen en weer kunnen« werd mij gezegd--begaf ik mij op weg.

Een triestige wandeling. De mist hangt laag op de zee en het land. Het eind van den dam lijkt verdwenen in het grauw van water en lucht. De misthoorn op den Hoek scheurt telkens door de stilte zijn bang geloei. Enkel 'n paar duikelende blanke meeuwen brengen wat vroolijkheid aan.

[Illustratie: Het seintoestel bij het Noorderhoofd.]

De golven, nog witgekuifd, rollen dreigend aan, maar breken op de buitenste steenen, gooien mij hoogstens wat nijdige, zoute spetters om het hoofd. Nu eens mijn weg zoekend over de hobbelige bazaltkeien dan weer over de rondgesleten balken van het hoofd, soms op een drafje loopend op nieuwe piergedeelten, nader ik het eind van den dam.

Het wrak ligt zeer schuin over de rechterzijde, zoodat het bakboordsberghout zich een meter of vier boven het hoofd bevindt. Het achtergedeelte ligt diep in het water, dieper dan de roode waterlijn. Het voorste deel van het wrak daarentegen, wat dus vroeger het middendeel van het schip was, ligt te rijden op de steenen van het hoofd. Platen aan flarden gescheurd, hangen er bij. Een brok van het berghout, waar een der vrouwelijke schipbreukelingen wel een half uur op gezeten heeft, steekt naar buiten met een kromgebogen stuk ijzer. In de ruwe, dwarse doorsnee van het schip door de breuk ontstaan, ziet men den ketel, menierood, met verbogen en verroeste wielen, krukken en kranen.

Schuin daarboven de helft van een hut met twee ijzeren kapstokken nog aan den wand. Langs bakboordzij hangen stukken van de verschansing af, brokken ijzerwerk, een groot houten dekrooster. Een ladingluik staat wijd open. Het water dat achter in het schip slaat, stroomt daaruit. Een buitenwand van de rooksalon staat nog overeind. Einden touw hangen van het schip af; ook de lijn waarlangs de schipbreukelingen zijn gered.

Alleen sta ik bij het wrak. Alles is verlaten en doodstil. Even doet mij een kermend geluid dat aan boord klinkt het hart naar de keel schieten. Maar beter luisterend herken ik het gepiep van een losse deur.

Ik klim langs de ijzeren ladder van den lichtopstand omhoog en kijk over het dek, zonder er iets bijzonders te zien. Weer op de steenen van den dam afgedaald vind ik daar wat menschen, een paar waterstaatsambtenaren, een stuk of wat schippers en den onvermijdelijken photograaf.

Een ambtenaar en een schipper klauteren langs de reddingslijn omhoog, de fladderende dekplaten en het berghout als treden gebruikend. Ik hen achterna. Het dek staat erg schuin en het slingeren van het wrak maakt het gaan moeilijk. Alles ziet er aan boord vreeselijk ontredderd uit. Van een rooksalon is geen sprake meer. Dat de schipbreukelingen daarin konden schuilen moet dus op een vergissing berusten. Alleen is er tusschen de beide stellen van sloepdavids in een beschutte plaats tegen den linkerwand van de rooksalon aan.

Daar staat een bank en een kist daarnaast, waar de schipbreukelingen hebben zitten wachten op redding. Zij hebben er droog kunnen zitten. Thans, nu het weer stil is, kan men ook de trap bereiken naar het tusschendek. Daar vindt men de hutdeuren openstaan en nog droge kooien, maar daar konden de schipbreukelingen niet komen. Immers terwijl zij op het wrak waren, sloeg het water over de trap en door de gangen heen.

Hier ligt in een hut nog een lederen doos met boorden op tafel, ginds is een valies tegen den wand geschoven, daar staat een halfvol Eau de Cologne-fleschje.

[Illustratie: Het wrak.

(De ladder die men op de foto ziet, werd eerst Dinsdag tegen het schip geplaatst.)]

Maar lang tijd om te kijken hebben we niet. Het water is wassende, we moeten terug naar den wal. Naar boven dus weer en opnieuw langs de plek van jammer, de bank en de kist op het promenadedek. Er ligt rommel van oliegoed, lappen, misschien wel stukken van dekens, maar kletsnat, een shawl van een dame.

Doch ginds slaat het water reeds over het hoofd. We moeten weg, laten ons weer glijden langs de lijn. Ieder heeft een kleinigheid als herinnering meegenomen. De een 'n glas, de ander een schroef, ik een paar gordijnringen. En van de lijn, de reddingslijn, snijd ik een stuk geplozen touw.

[Illustratie: Bank en kist.]