De schipbreuk van de "Berlin" 21 Februari 1907. Volledig verhaal van de scheepsramp aan den Hoek van Holland

Part 4

Chapter 43,742 wordsPublic domain

O, hoe breidde zich daar in die reusachtige treurkamer de rij van doodsbedden uit, hoe talrijk werden zij, de dooden, de stillen, de moe-gestredenen, de lijdensverlosten, hoe viel de rosse schijn der electrische gloeilampen op steeds meer wasbleeke of onnatuurlijk roode, in den dood verstarde gezichten.

Het lijk van het arme kleine jongentje was weg. De vader kwam over om bij de begrafenis, die Zaterdag op 's-Gravesande plaats vond, tegenwoordig te zijn.

Geknield bij de eenvoudige katafalk, waar het lijk van het kind was neergelegd, heeft de rampzalige man liggen snikken, liggen bidden om vergiffenis en weer liggen snikken, dat het zelfs ons verslaggevers,--och, ja wij ompantseren ons anders in ons vak tegen sentimentsweekheden,--te vreeselijk werd om aan te hooren.

Nu lag in de loods een ander kinderlijkje naast dat van de volwassenen; het was dat van het meisje Wennberg, gestorven op moeders schoot. Moeder wou het lijkje wel meenemen, toen ze vannacht werd gered. Maar het kon niet. »Geen levens met levens koopen» is de wet der redders en »de levenden eerst; de dooden, hoe dierbaar ook, later.»

Een aantal lijken, waarvan wij steeds de signalementen in onze bladen hadden gepubliceerd, waren Zaterdagmiddag reeds herkend, ter laatste rustplaats voorbereid en neergelegd in eenvoudige eikenhouten kisten. Daarop deed de firma Hudig en Pieters groote kransen neerleggen van levende bloemen. Op de linten las men: »With feelings of great regret and sorrow.«

Wanneer men eens een enkele maal familieleden van omgekomenen sprak--liefst vermijdde men het--o, ons reporterswerk was niet benijdenswaard in die dagen!--dan hoorde men steeds vol waardeering spreken over de piëteit, welke door de Harwich-Line en H. IJ. S. M. bij deze vreeselijke ramp tegenover de getroffenen is aan den dag gelegd. Die waardeering is ten volle verdiend.

Maandag zouden de meeste lijken voor zoover zij herkend waren en niet naar elders vervoerd moesten worden, te s-Gravezande worden begraven. De lijken der leden van de bemanning zouden den volgenden morgen--Zondagochtend--naar Engeland worden overgebracht. De nog niet herkende lijken werden gephotographeerd, en zouden eveneens, met het oog op de eischen der hygiëne, Maandag of Dinsdag begraven worden.

Het goede en het kwade in den mensch.

Van alle kanten werd in de geredde schipbreukelingen zoowel als in hun redders groote belangstelling getoond. De Engelsche en Duitsche regeeringen zonden hare vertegenwoordigers om patiënten te bezoeken en met hun redding geluk te wenschen. Vanwege het Hof in den Haag werd dagelijks naar den toestand der geredden geïnformeerd, bloemen en vruchten werden in massa's door belangstellenden naar het Hotel Amerika gebracht.

En voor de redders, later--toen men hoorde van den nood die geleden werd of te wachten stond--ook voor de geredden en voor de nagelaten betrekkingen der slachtoffers, kwamen bij het Gemeentebestuur van 's-Gravezande en bij de verschillende dagbladen groote geldsommen in.

Een der eerste telegrammen, na de redding door den Gemeentesecretaris van 's-Gravezande uit Amsterdam ontvangen, luidde:

»Een door ons op de Beurs gehouden inzameling ten behoeve van allen, die hebben meegewerkt in de pogingen tot redding van de schipbreukelingen der »Berlin», heeft opgebracht ongeveer f 11,000. Daar op verzoek de lijsten ook nog Maandag open zullen blijven, kan dit bedrag hooger worden. Wij zenden u reeds terstond een duizend gulden, met verzoek deze gelden zoo spoedig mogelijk de bestemming te geven, daaraan door de gevers toegedacht, terwijl wij met eenige andere heeren ons ter beschikking stellen met u in overleg te treden over de wijze van besteding der overige gelden. Kerkhoven en Co."

En van die heuglijke mededeelingen kwamen er meer. In tijden van rampspoed voor medemenschen vinden goede eigenschappen van anderen,--liefdadigheid, medelijden, bewondering, erkenning van verdiensten,--zooveel lichter uiting dan anders. En het is zoo heerlijk die goede qualiteiten in den mensch lichtend aan den dag te zien treden.

Helaas, ook het tegenovergestelde valt op te merken. Reeds sprak ik van de gevoelloosheid der massa en van haar sensatielust. Die laatste doet zich ook individueel voor; de bewijzen daarvan zijn voorhanden.

Hoe anders toch is te verklaren een klacht, dezer dagen in de »Nieuwe Rotterdammer Courant» verschenen en onderteekend door zekeren R., aan wiens stuk het volgende is ontleend:

»Toen ik langs het strand wandelde, gebeurden daar dingen, welke mij met afgrijzen vervulden. Niet zoodra was er nl. een lijk aangespoeld, of eenige kerels, strandjutters genaamd, wierpen zich als gieren op hun prooi, rukten de ringen van de vingers, wat dikwijls zeer moeilijk ging, daar deze in het water gezwollen waren, ontnamen het geld en horloge en trokken met hun buit af.

»Ooggetuigen verzekeren mij, dat zich dit reeds eenige malen had herhaald. Iemand onder de menigte toonde een gouden ring en vertelde, dat hij dien van een der aangespoelde lijken had genomen, en toen hem op het ongepaste daarvan gewezen werd zeide hij: »Ja, maar het mocht, want er was politie bij.» Het leek mij een oogenblik, of ik op de kust van Nieuw-Guinea was in plaats van Holland. De enkele veldwachters waren niet in staat, met het oog op het uitgestrekte terrein, daar orde te houden. Aan het station waren militairen aanwezig, doch m. i. was dit meer noodig geweest aan het strand, waar genoemde schanddaden plaats vonden.»

Dienzelfden avond schreef ik naar mijn blad:

»Mij moet nog iets van het hart betreffende de ook in ons blad overgenomen opmerking van R. in »N. R. Ct.« in zake plundering van lijken. Ik weet, dat een officieele tegenspraak van deze opmerking reeds is ontworpen, maar ook zonder dat, zou ik meenen dat een algemeene bewering dat lijkberooving heeft plaats gehad, als onjuist moet worden gewraakt. Er zijn rijksveldwachters, bezoldigd en onbezoldigd, werkzaam geweest bij de visitatie der aangespoelde lijken--in burgerkleeding. Dat heeft misschien tot misverstand aanleiding gegeven. Maar 49 van de thans aangebrachte lijken zijn dadelijk van overheidswege in beslag genomen. De zes andere spoelden aan tusschen het Noorderhoofd en paal 118, doch drie daarvan werden overdag in tegenwoordigheid van velen gevonden, slechts drie bij nacht; op vier lijken, uit Scheveningen aangebracht, werd nog alles van waarde bevonden en bloedverwanten van geïdentificeerde drenkelingen verklaren, dat zij allen eigendom der overledenen aan baar geld en waarden in orde hebben terug ontvangen.

Een andere vraag is, of het niet wenschelijk zou zijn bij rampen als deze de onmiddellijk aangrenzende strandgedeelten gedurende eenige dagen door militairen te doen bewaken.«

En uit den Haag kwam de officieele mededeeling:

»Op last van den Minister van Justitie is een onderzoek ingesteld naar de beweerde berooving van lijken, aangespoeld aan het strand bij den Hoek van Holland.

»Uit dit onderzoek, waarmee verband hield het bezoek, gisteren door den procureur-generaal bij het Gerechtshof, mr. Bijleveld, aan den Hoek van Holland, zou, naar wij vernemen, gebleken zijn, dat de beschuldiging omtrent de berooving geheel onwaar is.«

En later moest R. zelf aan een vertegenwoordiger van de N. R. Ct. verklaren, dat zijn gansche verhaal en de daarin vervatte zware beschuldiging tegen de bewoners onzer kustplaatsen, gelogen waren.

Een verzoek van de Redactie om zijn naam te noemen en ruiterlijk schuld te bekennen werd niet nagekomen...

En dan die reclamezucht die wij bij ons verslaggeverswerk aan den Hoek van Holland ontmoetten! Die velen die hun naam zoo graag eens in de courant wilden zien en kleinigheden kwamen opvijzelen tot groote dingen die zij dan gedaan of bedacht zouden hebben...

Een was er,--en zijn naam zij tot waarschuwing van anderen hier neergeschreven--zekere L. van der Weijden, die alles wat Martijn Sperling had gedaan bij de redding der drie laatste vrouwen, op zijn eigen rekening schreef. Ik zie het manneke nog staan bluffen op het perron met een ganschen kring van bewonderaars om zich heen. Dit had hij gedacht en dàt had hij toen geroepen, en z'n jas had ie uitgetrokken en in de boot was ie gesprongen....

We vroegen er Sperling naar, die juist kalm in de wachtkamer een kopje koffie zat te drinken. »Breng u meneer maar 'ns hier«--was het rustige antwoord--»en laat het hem dan nog eens vertellen....«

De Zondag na de ramp.

In den vroegen morgen van Zondag, den 24sten Februari,--na een nacht doorgebracht in een wagen van een D-trein, die door de directie der H. IJ. S. M. als nachtlogies vriendelijk ter beschikking van de pers was gesteld en in de wagenloods door een ervoor geplaatste locomotief, met stoom werd verwarmd--waren wij tegenwoordig bij het inschepen der herkende lijken van de bemanning der _Berlin_ op de cargoboot der Harwichlijn, de _Clacton_, die de overledenen naar hun woonplaats, Harwich, zou overbrengen.

In goederenwagens waren de kisten van de loods der Holland-Amerika-lijn naar den steiger gereden. Daaruit werden zij afgeladen op een lorrie. Dan werden er lussen omgelegd, zachtjes klonk een »halen«, alle omstanders ontblootten het hoofd in zwijgende begroeting en langzaam werden de kisten een voor een opgetild en in de _Clacton_ afgevierd. Het was in den kouden, grauwen morgen een droeve plechtigheid waarvan allen die erbij tegenwoordig waren een diep treurigen indruk meenamen. Een aantal autoriteiten, vertegenwoordigers van de Gemeente, de Great Eastern Railway, de H. IJ. S. M., de Holland-Amerika lijn en het Britsche Consulaat waren erbij tegenwoordig.

Interviews.

Wij, verslaggevers, hadden verder dien Zondag een moeilijken dag. We ~moesten~ nu langzamerhand bijzonderheden van den schipbreuk en de redding uit den mond der geredden zelf vernemen. Het publiek wachtte op onze interviews.

Maar in het Hôtel Amerika vonden wij onder het bulletin, dat er dagelijks omtrent den toestand der patiënten werd uitgegeven, nadrukkelijk vermeld dat niemand tot de geredden werd toegelaten. En daaraan werd stipt de hand gehouden.

Buiten de stampvolle gelagkamer, aan den voet van den trap die naar de ziekenkamers voert, stond een pantserfort-artillerist op post met het geweer aan den schouder. Een brigadier der rijksveldwacht stond hoogerop, maar betere bescherming voor de patiënten dan die schildwacht en de ongenaakbaar uitziende man der wet leek mij de beminnelijke welbespraakte echtgenoote van Dr. Diamant, die onvermoeibaar was in het op en af loopen, het overbrengen van boodschappen en het geven van inlichtingen, maar die tevens een onvergelijkelijk talent aan den dag legde om met vriendelijke beslistheid allen af te weren die niet onomstootelijk hunne betrekking tot de geredden konden bewijzen.

Mevrouw Diamant was op dat oogenblik de »natuurlijke vijandin« van elken interview-begeerigen journalist. Maar het was een vijandin, die wij in stilte eerst, later ook openlijk onze hulde hebben gebracht.

[Illustratie: Mevrouw Diamant en de reporters.]

Inderdaad, het was noodig de geredden te vrijwaren voor vermoeiend bezoek. Dit bleek het best toen enkele journalisten er in geslaagd waren, onder voorgeven dat zij opera-agenten waren, tot Frau Wennberg door te dringen. De arme vrouw die jong is en knap van uiterlijk, maar natuurlijk de duidelijke bewijzen van doorgestane ellende en ontbering droeg, wist niets anders te zeggen dan dat zij zich zwaar ziek voelde en vooral pijn had in de longen. Daarna begon zij te jammeren om haar kindje en zonden de dokters natuurlijk dadelijk de bezoekers weg. Men hield toen nog voor Frau Wennberg, wier toestand van alle patiënten de ergste was, stil, dat het lijk van haar man gevonden was, wijl dat te weten haar wellicht te veel zou aangrijpen. Maar het gerucht dat zij stervende zou zijn, bleek overdreven.

Frau Wennberg lag met haar dienstmeisje in één kamer, de vier andere geredde vrouwen, de dames Theile, Schröter, Gäbler en Buttel lagen ook samen. Verder lagen de mannen Brödessen, Yung en Carter in éen vertrek, en Reycraft, Farthing, Fisher en Pond.

Van den president der Reddingmaatschappij, den heer Moens, die even met enkele geredden had mogen spreken, vernam ik dat de schipbreukelingen aan boord van het wrak herhaaldelijk hebben getracht voedsel te vinden, hetwelk zij vermoedden dat aan boord was. Op handen en voeten kropen zij soms naar de plaats waar zij dachten eten te vinden. Zelfs tastten zij onder water naar den ingang der provisiekasten, doch alles was weggeborgen, en wat niet geborgen was, weggespoeld.

Een der dokters vertelde dat de patiënten, inzonderheid de vrouwen, vooral door de koude en de vochtigheid hebben geleden aan de spijsverteringsorganen, zoodat hun nog maar alleen vloeibaar voedsel mocht worden toegediend; en allen leden hevige pijnen aan de voeten en beenen.

[Illustratie: Dr. Diamant en zijne echtgenoote.]

Zoo moesten wij onze interviews meestentijds uit de tweede hand hebben, wat ons het werken niet makkelijker maakte. Gelukkig was mijn collega, de heer A. C. Rochat, mij komen helpen en konden wij het werk verdeelen.

De ramp, door deskundigen beoordeeld.

Terwijl ik bij het Hotel Amerika op wacht bleef, ging hij naar de haven om er deskundige ooggetuigen over den mogelijken oorzaak van de ramp te spreken. Hij was daarbij zoo gelukkig zoo iemand te vinden in den heer Boot, opzichter der verlichtingstoestellen aan de haven. Deze deelde mijn collega mede, dat hij in den vroegen morgen van Donderdag, het zal omstreeks zes uur geweest zijn, per telephoon gewaarschuwd werd, dat de _Berlin_ op den dam was geloopen. Even later was hij ter plaatse en liet zich door den beambte van den seinpost op de hoogte brengen van de manoeuvres der Harwichboot voordat de stranding plaats had.

Toen de _Berlin_ in het zicht kwam--zoo vertelde de heer Boot--koerste hij recht uit zee op de haven aan, een richting die bij het stormweer van dien nacht bepaald prachtig was te noemen. De boot liep als loodrecht op den havenmond aan. Maar een oogenblik later was die strakke lijn verbroken en was een sterke schommeling van de boot waar te nemen. De stoomer deed zonderling, veranderde telkenmale van koers, slingerde zwaar als werd zij bij iedere zee uit haar richting gestuwd. Blijkbaar luisterde het schip niet naar het roer in die momenten. Plotseling zat de _Berlin_ op de rechter pier (gezien van den seinpost) met den kop naar het zuidwesten, het achterschip naar het noordoosten gewend.

Het schip moet, om in dezen stand op den dam gesmakt te zijn, een heelen ommezwaai hebben gemaakt, een draai eerst links en toen weer rechts. Het was klaarblijkelijk onbestuurbaar en als gevolg daarvan reddeloos overgegeven aan de willekeur der torenhooge golven. Zeer vermoedelijk heeft een grondzee de boot uit haar roer geworpen of--maar dit is minder waarschijnlijk--is de roerganger in het stuurhuis door een golfschok van zijn roer geslagen. Alleszins is het mogelijk dat dit te gelijker tijd gebeurde toen de grondzee die het achterschip in de hoogte tilde.

Maar zeker is het dat die grondzee de _Berlin_ heeft verrast op een afstand van honderd meter van het Noorderhoofd. Want ware de grondzee gekomen bijv. op twee honderd meter afstand van den Hoekpunt, dan had er zee genoeg gestaan om weder slaags te komen, vooral voor een dubbelschroefstoomschip. Onklaar worden van de machines is moeilijk aan te nemen.

De »_Berlin_» had, dit was bekend, uitnemende machines die voor een storm niet hadden te duchten, zelfs niet voor een storm als deze. Met een kijker kon ik waarnemen dat de vastgeloopen boot ontzaglijk werkte. Hemelhooge zeeën sloegen er tegen en er overheen, zoo hevig dat de lichtopstand bij wijlen niet te zien was en we er naar moesten zoeken.

[Illustratie: De _Berlin_.]

Even na het vastloopen begon de scheuring van de boot, die van bewonderenswaardige sterkte is geweest. Menig schip heb ik uit elkaar zien werken. De schoorsteenen wijken dan langzaam aan van elkander en het dek neemt den vorm aan van een kattenrug, steeds meer krommende. Hier helden de schoorsteenen naar elkaar over en vielen ten slotte nagenoeg te gelijker tijd ineen, bewijzende dat de boot van onderen afbrak, wat alleen gebeuren kan met ijzersterke schepen. Dit breken heeft een half uur geduurd.

Naarmate de breuk zich voltooide schoof het schip zoetjes aan over den dam in de richting van den Waterweg, de kop dook reeds eerder geheel onder water. Een uur na den aanvang van het breken was het losgescheurde voorschip geheel gezonken. Slechts een mastpunt bleef zichtbaar en is dit tot heden gebleven. Naar met den kijker was te zien, bevonden zich veel personen op het voorschip, die woest op en neer draafden, blijkbaar in radeloozen angst. De laatste zware storm op de kust was in 1901, toen de »_Holland_» schipbreuk leed.

Ondoenlijk de haven binnen te loopen was het in de bewuste nacht niet, zoodat van roekeloosheid niet mag worden gesproken. Even na de noodlottige stranding liep een vrachtboot van de Harwichlijn zonder stoornis de pieren binnen, terwijl een Duitsche boot van kleine afmeting (met slechts één schroef) vijf kwartier later binnenkwam. De storm was toen nog geenszins bedaard. Men heeft gezegd, dat het beter ware geweest indien de »_Berlin_» buitengaats was gebleven, maar andere gezagvoerders hebben met hun binnenvallen bewezen evenmin bezwaren te hebben gehad tegen het binnenloopen van de haven.

De heer Boot verzekerde ons nog met klem dat hulp bieden door voorbijvarende schepen beslist onmogelijk was.

* * * * *

Dit laatste was ons ook verzekerd door den heer T. Ouwehand, gezagvoerder van de maatschappij »Nederland«, wiens stoomschip _Flores_ in den stormachtigen nacht van Woensdag op Donderdag voor de pieren van IJmuiden kwam en ten gevolge van de hooge zeeën buitengaats moest blijven, in afwachting van voor het binnenloopen gunstiger weder.

De heer Ouwehand, bekend kapitein in dienst van bovengenoemde maatschappij, met eene ervaring van ruim drie-en-dertig jaren, was zoo welwillend ons eenige bijzonderheden mede te deelen, die in verband met het gebeurde in dien nacht aan den Hoek van Holland ook thans nog van belang zijn.

Het stoomschip _Flores_ kwam in den nacht van Woensdag op Donderdag tijdens een zwaren storm uit het Noord-Westen, die later doorliep Noord Noord-West, voor de IJmuider pieren. »Ik oordeelde het«, aldus kapitein Ouwehand, »niet raadzaam de haven binnen te loopen, uit vrees door de zee, die huizen hoog stond, op het strand te worden geworpen. Enkele bladen hebben beweerd, dat ik voor IJmuiden ten anker ging, maar iemand die een weinig thuis is op de Noordzee weet aanstonds, dat dit met vliegend stormweer langs onze geheele kust tot de onmogelijkheden behoort; de boot zou weldra uit elkander worden geslagen of van haar ankerketting losgeraken. Ik zette koers in Noord-Westelijke richting, naar volle zee en bleef met den kop van het schip op de golven liggen, dwars van de kust af. Zoodoende had ik niets te vreezen, alle machines waren in den besten staat, alles werkte patent en rustig kon ik betere tijden wachten. De storm nam langzamerhand in kracht toe en was wel het hevigst tusschen drie uur 's nachts en acht uur 's morgens. De _Berlin_, die tegen vijf uur den Hoek van Holland is genaderd, kwam wel in de moeilijkste oogenblikken in de nabijheid van de kust. Al stem ik dadelijk toe, dat het buitengewoon zwaar weder was, toch kan ik niet ontkennen wel eens méér in mijn drie-en-dertig jarige ondervinding zóó'n storm te hebben medegemaakt. Intusschen bleef ik op behoorlijken afstand van de kust tot drie uur Donderdagmiddag; toen was het weder wat wij noemen »handzamer« geworden en zag ik er geen bezwaar meer in, naar binnen te loopen. Tegen zes uur waren wij in de haven. Dit was de tweede maal, voor zoover ik mij kan herinneren, dat ik voor IJmuiden buiten moest blijven.

Ik voor mij acht de haven te IJmuiden voor het binnenloopen gevaarlijker dan die van den Hoek van Holland en wel om deze reden, dat men eerstbedoelde met groote vaart moet binnenstoomen, om door den stroom te komen, die dwars voor de pieren loopt, en onmiddellijk daarna moet stoppen, ten einde niet in botsing te komen met de sluizen.

Aan den Hoek kan men de groote vaart die daar eveneens vereischt is met het oog op den dwarsstroom van vloed of ebbe, die evenwijdig met de kust loopt, geleidelijk verminderen, omdat men in die haven geen rekening behoeft te houden met den korten afstand van het breekwater tot aan de sluizen. Deze omstandigheid vergt te IJmuiden groote zeemanschap; maar ondanks dat, vielen voor deze haven minder ongelukken voor dan aan andere havenmonden. Heeft men bovendien te kampen met een storm uit het Noord-Westen, den gevaarlijksten storm die men aan onze kusten kent, dan is voorzichtigheid dubbel geboden. Een groot gevaar voor onze schepen bij stormweer schuilt in de grondzeeën voor de pieren, zeeën die een geweldige kracht kunnen ontwikkelen. Een grondzee is in staat het achterschip van een stoomer omhoog te slingeren en hem aldus uit het roer te doen loopen. Geschiedt dit, dan is de boot natuurlijk een speelbal van de golven; zeer licht wordt het stoomschip dan op de pieren geworpen, waar het niets meer rest dan uit elkaar te worden geslagen. Eenmaal opgenomen door een grondzee, herkrijgt het roer niet meer den druk op het water, noodig voor de besturing van de boot. Mogelijk dat zulk een grondzee de _Berlin_ noodlottig is geweest. Bij de nadering van de kust, Donderdagochtend tegen 5 uur, moet de _Berlin_ een heelen toer hebben gehad den dwarsstroom voor de pieren door te gaan; de storm had tegen dat tijdstip wel zijn hoogtepunt bereikt. Ware het schip, evenals de _Flores_ een goederenboot geweest, wellicht had de gezagvoerder, evenals ik deed, eenige uren gewacht met het binnenloopen; een passagiersboot vaart echter op tijd en dan gelden wel eens overwegingen, die in een ander geval niet zouden gegolden hebben.»

Toen het gesprek kwam op de mogelijkheid van assisteeren door booten die later op den morgen den Hoek van Holland binnenliepen, wees de heer Ouwehand er met nadruk op, dat hulp verleenen in zulke gevallen beslist ondoenlijk is, wil men zelf niet de kans loopen mede naar den kelder te gaan. Bij stormweer staat op de pieren zulk een branding, worden de golven zóó hemelhoog tegen de kust opgestuwd dat het zaak is uit de nabijheid te blijven. Waagde men zich er aan hulp te bieden, de boot zou in een minimum van tijd een zelfde lot hebben gedeeld. Trouwens, het niet slagen van de eerste pogingen der reddingbooten bewijst reeds voldoende dat de elementen ditmaal niet waren te overwinnen. »De havens aan de Hollandsche kusten hebben allen dit nadeel dat zij aan open zee liggen en dus met groote omzichtigheid moeten worden binnengevaren; de dwarsstroom van de Noordzee vereischt heel wat zeemanschap, zooals ik u reeds zei. Andere havens hebben dikwerf eenige beschutting, ik noem u slechts Hamburg, waarvan de haven bereikt wordt na eerst een vrij lange rivier te zijn opgevaren. Dat geeft beschutting, wat vooral de havens van den Hoek en IJmuiden missen.«

De geredden en hun ervaringen.

Terwijl mijn collega aan de haven zijn nieuws opdeed sprak ik in het Hotel Amerika iemand, die met de geredden voortdurend in nauwe aanraking is geweest. Ik vernam toen opnieuw dat de algemeene toestand der geredden zeer bevredigend was, vooral onder de mannen, van wie er een al zoo ver hersteld was, dat hij den volgende dag naar Harwich zou kunnen terugkeeren.