Part 3
Ook zij verdienen openlijke vermelding, want het was voor niet minder dan een heldenonderneming dat deze mannen zich vrijwillig aanmeldden.
Zij moesten toch met de andere vier langs den dam, die telkens onder water stond en door stortzeeën werd overspoeld, trachten het wrak te bereiken. En inderdaad het gelukte hun. Nu eens hard loopende door een »los zeetje« heen, dan weer op den buik kruipende om niet weggeslagen te worden door de brekers, wisten zij onder bij het schip te komen en een daarvan afhangende lijn vast te maken aan een stang van den lichtopstand waar Jacob Schoonbeek ingeklommen was. Zoo werd de verbinding met het wrak tot stand gebracht.
Maar welk een verbinding was het! Een zwiepend lijntje over een hoogte van zes of zeven meter gespannen, geen kabel waarlangs een veilige »reddingsbroek« kon glijden. Een wrak eind touw alleen, waaronder de branding kookte en raasde en waarlangs de schipbreukelingen zich moesten laten glijden, terwijl zij met handen en voeten zich vasthielden, een gymnastische toer, die krachtige mannen met ijzersterke zenuwen allerminst licht zou lijken. En nu moest die verricht door mannen en vrouwen, die 34 uren achtereen aan koude, honger en overslaand water waren bloot gesteld geweest met de ontzenuwende gedachte, dat elk oogenblik hun laatste uur kon zijn geslagen.
Maar och, hoe hangt de mensch aan het veege leven! Elf menschen, drie vrouwen en acht mannen, volbrachten het waagstuk, gleden langs de lijn op den dam neer en werden daar door de redders opgevangen en in de wachtende jol van de reddingsboot geholpen. Terwijl stuk voor stuk de menschen zich vastklemden aan de lijn en zich zakken lieten--en het was voor allen ter redding aanwezigen een blijde verrassing, dat er nog zooveel levend aan boord bleken te zijn--werden nog eens de jol en de reddingsboot weggeslagen.
Juist hing toen een vrouw, die op het uitstekende berghout van het wrak was blijven zitten, aan de lijn en dorst zich, neerziende in de kokende golven onder haar, niet te laten glijden, hoe ook de redders op de pier en de toeschouwers op de booten haar moed toeschreeuwden.
[Illustratie: De vrijwilligers van het loodswezen bij het reddingswerk.]
»'t Arme schepsel, meneer«--vertelde mij later Koos Schoonbeek--»zat maar als 'n lijk op dat berghout. Soms blies ze op d'r verkleumde handen en dee dan zoo machteloos dat ik maar tegen d'r zat te gillen: Hoû je vast! Hoû je vast! Nou ze hield zich vast, maar daar kwammen we niet verder mee. De zee begon dan toch wel weer zoo barbaarsch te doen, dat ik op 'n gegeven oogenblik dacht: Jonge, Koos, zoo kon je wel eens alleen op dien lichtopstand blijven zitten. Je moest maar liever probeeren bij de maats op het eerste baken te kommen. Maar, och God, zooals dat mensch jammerde toen ze mijn naar benejen zag gaan en over de pier terugloopen. Ik riep wel van we komme terug! maar dat scheen ze niet te hooren en werachtig, meneer, daar laat ze in eene van dat touw los en slaat naar beneje. Ik dacht dat ze verloren was, maar we konden ze nog net te pakken krijgen in 'n golf en zwemmende bij de anderen brengen in de jol. En zoo kwam zij ook eerst aanboord van de reddingboot en later, toen de Prins dat zoo gecommandeerd had, aanboord van de _Hellevoetsluis_.«
Het oponthoud, hierboven beschreven werd noodlottig voor de laatste drie overlevenden die zich op het wrak bevonden, twee vrouwen en een meisje. Het water was hooger en woeliger geworden, haar zenuwen waren uitgeput en zij durfden den tocht langs de lijn niet wagen.
Een psychologisch raadsel blijft het, hoe een mensch een groote kans op den dood kan verkiezen boven een even groote kans op het leven. Wij zullen het niet trachten op te lossen; de tragische waarheid is daar: de vrouwen durfden niet.
En de verbinding ~moest~ verbroken. Men mag geen levens met levens koopen. Hoe ook de arme schepsels jammerden en smeekten, de booten moesten weg...
Oh! Er zij niemand, rustig aan zijn tafel gezeten, die nu aan het critiseeren van de redders ga en vrage waarom zij niet bleven. Wie later, zooals ik, de mannen sprak die hun triomf over het redden van elf menschenlevens vergaten in treurnis over de drie andere, die zij in doodsgevaar laten moesten, weet dat slechts door uitersten nood gedwongen de reddingspoging werd afgebroken.
De drie vrouwen, die achterbleven op het wrak, waren: Fräulein Theile uit Dresden en Frau Wennberg uit Berlijn, beiden behoorende tot een uit Londen terugkeerend Duitsch operagezelschap, en het zestienjarige dienstmeisje van laatstgenoemde, Minna Ripler geheeten. Goddank behoefde niet alle hoop op het behoud dezer drie opgegeven te worden. Dezelfde nacht te 1 uur zou opnieuw de reddingsboot uitgaan, alsmede de »_Hellevoetsluis_» en de zeesleepboot »_Wodan_.» Dan zou men trachten met ladders het wrak te beklimmen en de drie vrouwen naar beneden te brengen.
* * * * *
Maar nu de geredden! Uren aaneen stonden wij bij honderden op de kaden te wachten in snijdende koude en verblindenden sneeuwstorm om ze te zien aankomen. Want dat zij komen zouden was gemeld, en passeerende booten seinden reeds »vijf gered,» »tien gered.»
De »_Hellevoetsluis_» bracht ze aan. Wel waren ze eerst aan boord van de reddingsboot geweest, maar aan boord van de groote loodsboot was beter gelegenheid tot verpleging en het was--zooals reeds hierboven werd gemeld--op uitdrukkelijk bevel van Prins Hendrik, die van 1 uur tot half zes het reddingswerk bijwoonde, dat de geredden naar de »_Hellevoetsluis_» waren overgebracht.
De reddingsboot werd in de haven met hoera's begroet en men drukte Jansen, den schipper, bij het aan wal stappen hartelijk de hand.
Gejuich ging ook op toen van de »_Hellevoetsluis_» op baren de geredden aan wal gedragen werden.
Heel voorzichtig werden ze uit de kajuit naar boven en aan wal gebracht. Wat zagen ze er zwak en hulpeloos uit en hoe verwezen staarden ze uit de holle oogen naar de menschendrukte om zich heen!
De namen der geredden waren toen nog niet bekend, doch later vernam ik ze. Het waren de dames Gäbler uit Dresden, Buttel en Schröter uit Berlijn, allen behoorende tot het reeds genoemde operagezelschap, Jaboulet de Riveichere van Tain, La Drôme in Frankrijk, Herr Harold Brödessen, Lessingstrasse, Altona en Emil Jung uit Brunswijk afkomstig, doch sedert jaren in Engeland wonende. En van de bemanning Carter, steward, Fisher, matroos, Pond en Reycraft, stokers, en Farthing, dekjongen.
Deze laatste, een boy van 'n jaar of vijftien, was nog zoo flink, dat hij met 'n sigaar in het hoofd de loopplank overkuierde en naar het Hotel Amerika gewandeld zou zijn, wanneer er geen dokters aanwezig waren geweest om zulk een gevaarlijk vertoon van »Ausdauer» te verbieden. Nu werd hij evenals de andere geredden, in welwillend daartoe geleende automobielen naar het hotel gereden.
Ook prins Hendrik was inmiddels aan wal gegaan, en nimmer te voren zagen wij den vorst met zulk een hartelijk gejuich begroet. Het »hoera» en »leve de Prins«! klonk voort tot Z. K. H. zijn automobiel weer bestegen had en, na afscheid van den burgemeester genomen te hebben, was weggereden naar Den Haag.
Ik geloof niet dat het te boud gesproken is, wanneer ik zeg, dat deze dag, waarop de Prins zich zoo één heeft getoond met de besten van ons volk, met de zeehelden ~onzer~ eeuw, hem meer populair heeft gemaakt dan alle andere dagen, welke hij in ons land doorbracht.
De eerste mededeelingen der geredden.
De geredden, bij Tuin in het inderhaast als hospitaal ingerichte Hotel Amerika veilig ondergebracht, waren te vermoeid, dan dat journalisten tot hen toegelaten konden worden. Toch kwam ik uit de tweede hand, maar van volkomen betrouwbare zijde, het volgende omtrent hun wedervaren te weten: Na het scheuren van de boot waren er betrekkelijk nog veel menschen op het wrak overgebleven, doch de beperkte ruimte en het gebrek aan houvast was oorzaak, dat de talrijke stortzeeën telkens nieuwe slachtoffers maakten; nu een en nog weer eens een, soms twee en drie tegelijk werden weggesleurd en verdronken voor de oogen der anderen, of werden te pletter geslagen op den keidam. Even voor dat de redding opdaagde, werd nog een vrouw over boord geslagen.
De overgebleven veertien schuilden samen tegen de overblijfselen van het rooksalon, waar zij tenminste droog zaten, maar zoo nauw drongen zij er in doodangst op elkaar, dat zij elkander de kleeren van het lijf rukten en de ledematen kneusden. Enkelen hadden dan ook op het laatst niet meer dan het ondergoed aan het lijf en van Fräulein Gäbler waren de beenen zwaar gekneusd.
Allen waren uit over de liefderijke hulp welke zij aan boord ontvingen en vooral over de beminnelijkheid van den Prins, die zelf hielp de drenkelingen van droge kleeren en dekens te voorzien en zijn pelsuniformjas uittrok om Fräulein Schröter daarin te wikkelen.
Uit den mond van kapitein Parkinson zelf, die zooals ik reeds meldde Vrijdagavond weer op was en zich weer flink en tamelijk sterk voelde, hoorde ik nog een tragische bijzonderheid van wat na het breken van het schip op het wrak voorviel. Even voor hij van boord geslagen werd, zag hij in een hut Frau Wennberg zitten met op de schoot haar kindje, dat er uitzag alsof het reeds van schrik en koude gestorven was. De echtgenoot van Frau Wennberg, welke laatste op het wrak was achtergebleven, lag reeds in het treurhuis. Hij was een der eerst aangespoelde lijken.
De laatsten gered.
Nauw was ik Zaterdagmorgen, den 23sten Februari, uit den alweer stampvollen trein gestapt--elken avond moest ik namelijk, in den beginne althans, zoolang de seincapaciteit van het telegraafkantoor aan den Hoek te wenschen overliet, naar Rotterdam om daar mijn groote telegrammen aan te bieden. Menig telegram gaf ik ook overdag mee aan passagiers in naar Rotterdam vertrekkende treinen, passagiers, die er fatsoenlijk genoeg uitzagen om hun een telegram toe te vertrouwen en toch ook weer niet zóo deftig, dat ik ze voor hun bereidwilligheid geen belooning in geld kon aanbieden.--Nauwelijks, zeg ik, was ik Zaterdagochtend uit den trein gestapt of reeds drong de vreugdetijding tot mij door: Ook de drie laatst overlevenden zijn gered en liggen goed verzorgd »bij Tuin.«
In éen ren, kruipende onder spoorwegafsluitingen door, springende over hekjes, dravende over stationsemplacementen, haastte ik mij naar de Berghaven om er van mijn vaste, betrouwbare berichtgevers bevestiging van het goede nieuws te verkrijgen. En daar hoorde ik allereerst dat voor de redding der drie vrouwen op het wrak den vorigen avond verschillende plannen waren gemaakt. De reddingsboot zou weer uitgaan met een jol achter zich aan, waarin de vier matrozen van den Hoekkotter, wier namen ik ook reeds meldde. Verder zou men trachten met een wagen met ladders het wrak over den dam te bereiken.
Maar het werd een edele wedstrijd onder de redders, een wedstrijd, ten slotte gewonnen door een ~outsider~.
Die »outsider« was ~Martijn Sperling~, schipper op de blazer _Van der Tak_, een bekend duiker en menschenredder, afkomstig van Ouddorp en wonende te Dordrecht in de Wijnstraat.
Waar Sperling te vinden! Aan boord van zijn blazerschuit was hij niet. Waarschijnlijk zat hij bij den barbier. Ik naar dien barbier, onder geleide van een neef van den schipper, L. Sparling genaamd, die zich onderweg wel ontvallen liet dat hij ook bij de redding tegenwoordig was geweest maar verder niets los wou laten. »De schipper moet het u maar vertellen« was zijn antwoord op al mijn vragen.
De schipper zat werkelijk bij den barbier te wachten om onder het mes te komen, maar gelukkig kostte het mij niet veel moeite hem mee te krijgen en spoedig zaten wij achter de koffie in een klein, stil kroegje. De beide neven Sparling zaten erbij.
Sperling is een kort, vierkant mannetje, met een rustig gezicht, dat door zware rimpels boven de oogen en een dikke bruine snor iets norsch heeft. Maar boos of kortaf is Sperling heelemaal niet. Ook wel niet buitengewoon spraakzaam, maar het ligt blijkbaar geheel aan zijn overgroote bescheidenheid, dat men hem de antwoorden wat uit den mond moet halen, hem wat aan 't spreken moet brengen. Nu is dat gelukkig voor een reporter geen kunst....
[Illustratie: De vier redders van de blazerschuit L. Sparling, G. Moerkerk, C. Sparling, M. Sperling.]
En zoo kreeg ik zijn verhaal:
»Ja, 's middags was ik mee naar buiten geweest. Ik had de arme schepsels hooren schreeuwen en ik dacht zoo bij m'n eigen: die hebben er nou lang genoeg op gezeten, die moeten er af. Met kapitein J. van Rees van de zeesleepboot _Wodan_ maakte ik een plannetje en vannacht om een uur liet ik me met hier Kees en Leen en Georg Moerkerk met de _Valk_ aan boord van de _Wodan_ brengen.
»Wij vonden weer een woeste zee. Nog altijd sloegen de brekers over het schip en drie of vier voet water stonden geregeld op den dam.
»We gebruikten de _Wodan_ als golfbreker, legden haar langszij den steenberm en in het stille water daartusschen gingen wij er met de vlet op uit.
»Ik waadde eerst naar den dam en zette er tusschen de steenen een lijn vast. Daarlangs kwam ook Kees op het hoofd en arm in arm waadden wij naar den lichtopstand onder het wrak langs. We grepen onderweg de lijn die van gisteren nog van het wrak afhing en zetten die vast op den lichtopstand, een meter of 2-1/2 hoog, zoodat de lijn niet zoo steil stond en we ook mochten hopen, dat de menschen bij het afglijden niet in het water zouden terecht komen.
[Illustratie: Moerkerk.]
»Toen ben ik langs de lijn op het dek geklommen.
»Ik vond aan boord de drie vrouwen, zittende op een bank op het wandeldek onder het sloependek; een elf of twaalf lijken lagen nog in het rond van menschen die zeker door kou en ontbering waren omgekomen.
»De drie nog levende vrouwen waren door en door nat en haar beenen waren vreeselijk gezwollen. Alle drie vielen ze mij, toen ik bij haar kwam, om den hals en wilden maar niet loslaten. Guter Mann! en Dank! Dank! zeiden ze voortdurend.
»Maar ik moest daar op dat oogenblik niets van hebben. We moesten voort, zoo gauw we konden, want het wrak slingerde als de weerlicht en het dek werkte zoo, dat er scheuren in gaapten, open en dicht, alsof het monden waren.
»Ik zei dus tegen de vrouwen: zitten blijven en mond houden hoor, anders ga ik weer terug. Ik spreek wel niet veel Duitsch en zij niet veel Engelsch, maar och in zoo'n toestand versta je mekander wel.
»Ik moest nog een lijn hebben,« zoo verhaalde Sperling verder. »Want alleen, dat kon je zoo wel zien, kwamen die vrouwen niet van het schip. Ik moest ze langs de uitstaande lijn afvieren. Daarom klom ik in een sloependavid en schoor een takel uit.
»Met een flinke lijn kwam ik toen weer beneden. Dat dienstmeisje dat er bij is, was nog wel zoo flink en bij haar positieven dat ze zeide: »Neem haar maar eerst. Ik zal nog wel blijven.«
»Nou, zelfs in al de herrie vond ik dat zoo ferm dat ik tegen haar zeide: »Je bent een moedige meid«. Maar toen moest ik weg. Dus nam ik de eene dame, fräulein Theile was het, om het middel en droeg haar of liever sleepte haar half over het dek naar de verschansing waar de lijn uitstond.
»Dat was een afstand van een meter of zeven en onderweg raakte haar eene voet beklemd in zoo'n dekscheur. Ik merkte het eerst toen ze gillend uitriep »mein Fusz.« Toen moest ik haar voet met geweld losrukken. Gelukkig was die niet gebroken.
»Eindelijk had ik haar bij de verschansing en schoon ze half bewusteloos was en me niet verstond toen ik zei dat ze het touw moest vasthouden, wist ik haar toch zoo neer te zetten dat ze tenminste een arm losliet en ik haar mijn vrije lijn tweemaal om het lijf kon draaien en zoo aansjorren dat ze er niet in vastklemde.
[Illustratie: Sperling, de Sparling's en Moerkerk, redders van de drie laatste schipbreukelingen in hun vlet.]
»Toen tilde ik haar over boord en riep: »Kees halen.« Zachtjes gleed ze naar beneden en kwam veilig bij den toren aan, waar Kees haar op mijn bevel vastbond aan het ijzer van den opstand anders was ze er ook sekuur afgeslagen, zoo slap was ze.
»Op dezelfde wijze ging ik te werk met mevrouw Wennberg, die me dadelijk begon te praten over haar man en haar kindje die dood waren, het kindje dat in haar arm was gestorven.
»Ja maar, antwoordde ik, daar moet je straks maar over denken. Want nu moet u eerst van boord. Zie je, meneer, dat wrak dat slingerde zoo onder je voeten, dat ik elk oogenblik dacht dat het dek onder mij zou bezwijken.
»Gelukkig dat het dienstmeisje nog zelf loopen kon, want dat ging heel wat gauwer. Toen wij de drie vrouwen veilig aan den voet van den toren hadden, moesten we van daar naar onze vlet, die bij de eerste lantaarn lag. Fräulein Theile kon niet loopen, daarom nam Kees haar op zijn rug.
»Telkens als er een breker aankwam waarschuwde ik hem, dan moest ie zijn eigen schrap zetten tegen de paaltjes van de berm, en als er dan weer een zee over was geweest, dan ging het maar weer hard loopend op de jol aan, waar hij haar eindelijk veilig in kreeg.
»De twee andere vrouwen namen we toen tusschen ons in. Ze konden nog wel zoowat loopen en gauw hadden wij haar in de vlet waarmee wij haar naar de _Wodan_ roeiden. Daar gingen ze ferm onder de dekens, na warm gewreven te zijn, want de stumpers waren totaal verkleumd, en kregen ze gloeiende kruiken aan haar voeten, die wel heelemaal bevroren leken, zoo dik en stijf en wit waren die.
»Zoo brachten we ze aan wal aan den Harwichsteiger, van waar ze naar het Hotel Amerika werden vervoerd.
»Hoelang de redding wel duurde, meneer? Het eigenlijke redden een half uur. Misschien, maar waarachtig op zoo'n oogenblik let je op geen tijd. Om vier uur hadden we ze aan wal, net toen het weer kalmer werd. Was het altijd geweest als nou, dan hadden we ze er allemaal den eersten dag al afgekregen. Maar met dit schip heeft alles tegen gezeten: weer en wind en tij.«
[Illustratie: Kees Sparling draagt Fräulein Theile door de branding.]
Dit gansche relaas van wat niet meer of minder was dan een heldenfeit heeft schipper Sperling mij zitten doen, zoo rustig, zoo zonder eenigen ophef, als was het de doodeenvoudigste zaak ter wereld, die ieder ander ook zoo behandeld zou hebben als _hij_ nu niet toevallig het eerst daar geweest was. En zijn neven, de beide Sparlings,--ook de dappere Kees die fräulein Theile op zijn rug genomen had--zaten er kalmpjes bij, zeiden geen woord en knikten alleen maar eens nu en dan van »ja, zoo was het.«
En toen ik niets meer te vragen wist en zij niets meer te vertellen hadden, gingen zij zich weer bedaard laten scheren.
Helden in uw schipperstrui, onze bewondering gaat naar u uit!
Zorg voor levenden en dooden.
Het was dien 23sten Februari in den Hoek van Holland plotseling of men er vrijer ademde, of de zon helderder scheen, of men er weer vroolijker lachen durfde: Het reddingswerk was volbracht.
Wat levend bleef na de ramp op den Noorderdam bij den Hoek van Holland, na het ondergaan van de trotsche mailboot, was veilig aan wal gebracht. Wel uitgeput, wel half versuft van de doorgestane ellende, maar toch ook zoo, dat de dokters aan het in het leven blijven van geen der geredden wanhoopten.
Den verslaggever aan den Hoek bleef nu voorloopig niets anders te doen dan, gelijk dat ook de bij de ramp betrokken autoriteiten deden, zijn aandacht te wijden aan de dooden.
Want tot de geredden werd niemand die niet onweerlegbaar bewijzen kon, dat particulier belang hem noodzaakte met een der patiënten te spreken, toegelaten. Inzonderheid aan journalisten was, naar men zegt op uitdrukkelijken last van den Prins die Zaterdag weer naar den toestand der geredden kwam informeeren, den toegang tot de geredden verboden. En zeer terecht. Immers de zeven mannen en zes vrouwen, die in vier groote kamers op de eerste verdieping van het Hotel Amerika waren ondergebracht,--de geredde Franschman was, wijl zijn toestand dit wenschelijk maakte, naar de naburige pastorie vervoerd--waren natuurlijk nog zoo overspannen en afgetobd, dat het onmenschelijk ware geweest, hen toen reeds door een interview, in den geest weder al de ellende te doen doormaken welke zij toen zeker wel het liefst voorloopig geheel vergaten.
De arme menschen werden toch al dien eersten tijd van hun veiligheid door de herinnering aan de dagen, op het wrak doorgebracht, vervolgd als door spoken. Telkens,--zoo vertelden de dokters en de zusters uit Rotterdam en de hospitaalsoldaten uit het pantserfort, die de geredden liefderijk verpleegden,--vlogen de mannen en vrouwen in hun slaap luid gillend overeind of braken zij los in hartbrekend gekerm. Dan zagen zij weer in hun verwarde droomen de grimmige brekers op hen aanstormen, hoorden zij weer de orkaan gieren om zich heen, meenden zij weer lotgenooten weggeslagen of verpletterd te zien door de meedoogenlooze golven...
Volgaarne voldeden de verslaggevers dus aan den last, zich van de patiënten verwijderd te houden. Wij vermeden het Hotel Amerika, waar het al druk genoeg was; vonden trouwens aan de haven en bij het Noorderhoofd genoeg te doen.
Want nu de levenden van het wrak waren gered, wilde men ook de lijken, door schipper Sperling daar gevonden, naar den wal overbrengen.
Dit bergen van de lijken was noodig, allereerst wijl de reederij daartoe verplicht is, tweedens wijl het voor de identificatie noodig was, ook met het oog op eventueele civielrechtelijke procedures, eindelijk wijl het ronddrijven van lijken natuurlijk nadeelig moest worden geacht voor de volksgezondheid.
In verband met deze laatste omstandigheid had zich dan ook de inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht, dr. Den Houter, ingescheept aan boord van de sleepboot _Gouwzee_ die in den namiddag uitvoer om, nu het weer gunstiger en de zee kalmer was geworden, te trachten het wrak te naderen en de lijken mee naar den wal te nemen. Aan boord van dit vaartuig bevonden zich verder de Commissaris der Koningin in Zuid-Holland, de procureur-generaal aan het Gerechtshof te 's-Gravenhage en burgemeester Brunt van 's-Gravezande. Verder was aan boord de directie der Great Eastern Railway, anders gezegd der Harwich-Line, vertegenwoordigd en voeren mee een dokter en drie pleegzusters. Men had gezorgd voor verband- en ontsmettingsmiddelen en--lugubere lading--vele doodkisten.
Dokter Den Houter en drie andere heeren werden nabij het wrak met veel moeite op het steenen hoofd gezet, waarna men bevond dat met de berging der lijken reeds een aanvang was gemaakt.
[Illustratie: Het aan wal brengen der lijken.]
Men had namelijk van den wal uit reeds een lorrie van den Rijkswaterstaat over de rails, die op den dam liggen, voortgereden tot onder het wrak, enkele mannen van de Great-Eastern waren langs een ladder naar boven geklauterd en nu werden de lijken met touwen afgevierd en op de lorrie geladen. Geladen, ja, dat is het rechte woord. Hoe verhard raakt men in de ellende: Ze werden niet eens meer geteld die lijken, alleen maar gepast, nu eens het hoofd vooruit dan weer de beenen, om te zien hoe ze het best op den wagen gingen.
Een rijksveldwachter vertegenwoordigde bij het ontladen de overheid. Ook kapitein Jansen van de Redding-Maatschappij en eenigen zijner mannen hielpen bij den treurigen arbeid.
Vijftien lijken werden van het wrak gebracht. Men vermoedde dat er zich in den scheepsromp--onder water--nog wel meer bevonden, doch deze kon men nog niet bereiken.
Op de lorrie werd de droeve last naar den wal gereden, waarbij op de pier soldaten moesten worden gerequireerd om het publiek terug te drijven. Hoe is 't toch mogelijk, dat de menschen van zulke een droevig geval een opstootje, om niet te zeggen een pretje, kunnen maken!
De vijftien lijken werden op wagens overgebracht naar de lijkenloods, waar ze werden gewasschen, ontdaan van brieven en waarden en vervolgens ingespeld in witte lakens, gelijk de anderen.