Part 2
Maar telkens als het getij en het weder dienstig geacht worden gaat de reddingboot weer uit; de mannen in hun oliegoed zwijgend op hun posten; aan het roer kapitein Jansen, die 336 menschenlevens redde in veertien jaar en wiens gelaat door dien langen strijd met orkanen en stormgolven in droeve trekken van hardnekkigheid, van ietwat-sombere vastberadenheid is gezet.
Ik sprak hem, toen hij te zes uur in den avond van dien noodlottigen Donderdag weer even met zijn boot aan de ligplaats in de Berghaven terugkeerde, vermoeid natuurlijk, maar kalm en welberaden als immer, na zich den geheelen dag bij het wrak te hebben opgehouden.
»Zoo als wij 's morgens van de stranding hoorden»--vertelde hij--»zijn wij er met de boot op uitgegaan. Het weer, meneer, was zoo slecht als ik het ooit heb bijgewoond. Slechter mag ik niet zeggen, want ik heb al heel barre stormen meegemaakt, maar wat in dit geval ons werk--negen man had ik op de stoomreddingboot meegenomen--zoo moeilijk maakte, was de positie van het schip. Buiten de berm erbij komen was onmogelijk, de branding was te hevig, en binnen de berm hadden we geen ruimte. Al dadelijk waren we dus op ons schietapparaat aangewezen en daarom had ik dan ook een extra-man meegenomen. Maar de lijnen vlogen over het schip heen en werden niet gegrepen. Eens hadden ze er een vast, maar toen werden we net weer achteruit gesmeten en brak onze ankertros. Zonder tros en zonder anker moesten we terugkeeren en toen we terugkwamen, halfzeven ongeveer, was het schip gebroken. Je kon anders wel zien dat het een sterk schip was, want waar andere vaartuigen van bovenaf door midden breken, deukte deze boot slechts langzamerhand van onder en brak daar het eerst,--natuurlijk op die harde steenen van den dam--en pas daarna ook van boven. Voor dat dit gebeurde waren, meen ik, de kapitein Precious en de vaste Hollandsche loods Bronders reeds van de brug geslagen. Misschien bevonden zij zich ook te midden van de talrijke passagiers, die zich op het voorschip bevonden en met dat gedeelte onmiddellijk na het breken van het schip afgleden van den dam en verdwenen in de diepte.
»Waren we door dat ongeluk met onze tros niet genoodzaakt geworden om terug te keeren, dan hadden we misschien toen het schip brak nog enkele schipbreukelingen kunnen oppikken; maar toch, de meesten zullen, zóo als zij in 't water vielen, wel versteven zijn geweest van de koû of verpletterd zijn geworden tegen de keien van het Noorderhoofd. We vonden er maar éen levend ronddrijven op een stuk hout. Die haalden we op aan een boothaak, maar anders zagen we rondom het wrak niets dan lijken... Niets dan lijken»--herhaalde hij peinzend. »Maar op het wrak zijn nu nog levenden. Hoeveel, dat weet ik niet, 't kunnen er twee, maar ook wel vier of vijf zijn. Duidelijk is het niet te zien. Heel den dag zijn we in de buurt van 't wrak geweest, soms wel naderend tot 10 M., maar dan moesten we weer met volle kracht achteruit stoomen om vrij te blijven en zelf niet verpletterd te worden. Langszij komen of een lijn uitbrengen bleef onmogelijk.
»Een van de menschen aan boord schijnt wel uniform te dragen, misschien de stuurman of een steward, en ook lijkt er nog wel een vrouw bij te wezen. En dan is er een bij, die z'n schreeuwen hoor je boven den storm uit. God, meneer, dat krankzinnige gegil gaat je door merg en been, en maakt je gek bij de gedachte dat je er toch maar machteloos tegenover staat Je mag nou eenmaal geen levens met levens koopen.... Maar vanavond om elf uur gaan we weer naar buiten.«
De eerste geredde.
Eén enkele man van de ongeveer 150 personen, die aan boord van de _Berlin_ waren, was op den dag van de schipbreuk gered. Men hoopte en bad dat meerderen het leven er bij af zouden brengen, maar de nacht ging in en nog altijd was het maar die éene.
Wij, de verslaggevers--ons aantal groeide bij 't uur--volgden elkander op den voet, verloren elkaar niet uit 't oog, bang als we waren dat de een eer dan de ander den geredde,--kapitein Parkinson heette hij--spreken zou en de primeur van diens interessante ervaringen zou hebben.
Dadelijk bij onze aankomst des avonds in het Hotel Amerika, waar de geredde was ondergebracht, vernamen wij reeds het consigne: »Niemand wordt bij den geredde toegelaten,« doch een _Handelsblad_-collega wenkte mij terzijde en fluisterde geheimzinnig: »Ik heb 'm al.«
Hij, de bekende Haagsche »hoefijzer«-correspondent van ons blad, was uit niet veel meer dan persoonlijke belangstelling naar den Hoek gekomen, behoefde dus niet zooveel tijd te besteden aan het verzamelen van bijzonderheden en was kalm in het Hotel Amerika gaan zitten wachten tot Parkinson wakker zou worden.
Trouwens het geluk diende ook mij, want, tijdens een haastig middagmaal mij even op het bovenportaal van het Hotel bevindend, zag ik hoe juist iemand door mej. Tuin, de dochter van den hotelhouder, die den geredde verpleegde, tot hem werd toegelaten. En ik zou geen goed journalist zijn geweest als ik toen niet was meegegaan.
Ik combineer thans de interviews welke mijn collega en ik met den heer G. W. Parkinson hadden.
Wij vonden hem natuurlijk nog te bed. Het bleek een forschgebouwde vijftiger, met regelmatige gelaatstrekken, peper-en-zoutkleurig kort geknipt haar en ernstige blauwe oogen. Blijkbaar was hij nog uitgeput door het vreeselijke avontuur, dat hij had meegemaakt, en ik moest mij zelf geweld aandoen om meer reporter dan mensch te zijn door hem te komen lastig vallen om het verhaal van zijn wedervaren.
Vermoeid sloeg mr. Parkinson de oogen op toen ik de kamer binnentrad en er klonk meer ernst dan scherts in zijn woorden, toen hij mij toevoegde: »You reporters are terrible fellows.« Toch deelde hij mij welwillend mede, wat hij vertellen kon, maar, zooals hij zelf zeide, van de oorzaak der stranding wist hij niets. Hij bevond zich toch in zijn kooi toen het ongeluk gebeurde, maar sliep niet, want juist was, zooals op de Harwichbooten gebruikelijk is, de reveille geblazen.
»Zoodra ik door een hevigen schok voelde dat er iets niet in den haak was, trok ik vlug enkele kleedingstukken aan en vervolgens vernemende wat er gaande was, kleedde ik mij verder nagenoeg geheel aan, deed een zwemgordel om, daar overheen mijn overjas en spoedde mij naar het dek.
»Op weg van Londen naar Harwich had ik nog iemand gezien dien ik kende, een zekeren Holden, die voor zaken naar Moskou ging en vóór zijn vertrek, evenals anderen, een verzekering van 500 pond sterling had gesloten. Toen hij mij dat verteld had, zei ik hem dat hij de polis niet bij zich had moeten houden, waarop hij antwoordde, dat ik gelijk had en dat hij het document van Harwich uit terug zou zenden. Of hij dat nog gedaan heeft, weet ik niet. Ik zag hem het laatst terwijl hij half uit zijn kooi was gekomen en ik riep hem toe: »Good bye, Holden, perhaps we'll never meet again.»«
Boven gekomen zag kapitein Parkinson dat het schip zich dwars over een dam bevond, liggende in een vreeselijke branding, die er meters boven uitsloeg, en vlak bij een vuurtoren. Zelf gezagvoerder ter koopvaardij--hij was op weg naar Amsterdam om er het bevel op zich te nemen over het stoomschip _Myrmidon_ van de Maatschappij »Ocean»--zag Mr. Parkinson dadelijk de hachelijke positie van het schip in en deelde hij zijn opinie daaromtrent dan ook onmiddellijk mede aan zijn collega Precious dien hij op de brug aantrof met den loods en den stuurman.
»This is going to be a bad job,» zeide hij tot laatstgenoemden, en deze antwoordde lakoniek: »It is.»
De hoofdmachinist kwam op dat oogenblik op de brug melden, dat de machines fullspeed achteruitsloegen. De kapitein hoopte dan ook het schip nog vlot te krijgen, doch spoedig bleek die hoop ijdel. Met ontzaglijke stooten werd de »Berlin» telkens weer op den dam geslagen en Mr. Parkinson begreep dat van behoud van het vaartuig geen sprake kon zijn.
Intusschen zag hij de reddingsboot naderen en hij zoowel als zijn mede-passagiers geloofden, dat deze buiten het hoofd om het wrak zou kunnen bereiken. Dit was waarschijnlijk oorzaak, dat van een eigenlijke paniek aan boord geen sprake was. Het einde kwam nog onverwacht: de boot brak plotseling. Parkinson, die nog juist met zijn tweede stuurman had staan praten, welke ook naar Amsterdam moest, werd, een oogenblik vóór het schip in tweeën viel, overboord geslagen door een stortzee. Zijn zwemgordel bracht hem echter weer boven water en dadelijk sloeg hij de armen uit en begon te zwemmen. »Eerst trachtte ik»--zoo vertelde de heer Parkinson--»een groot stuk wrakhout te bereiken, maar dat gelukte mij niet. Zee na zee sloeg mij over het hoofd. Een tweede maal zag ik weer iets in mijn nabijheid. Ik slaagde er in het te bereiken en te grijpen. Het was een lijk, drijvend met het hoofd en de ledematen onder water. Toen ik dat had losgelaten, zocht ik weer iets anders en slaagde er eindelijk in een stuk hout te grijpen. Ik zag een boot die uitging, het was een Engelsche boot en ik stak mijn stuk hout op om hun aandacht te trekken. Ze zagen mij en schreeuwden mij iets toe, doch zij konden niet bij mij komen. Telkens sloegen de zeeën over mij heen, ik kreeg veel water binnen en werd koud en zeer slaperig. Ik voelde mij alsof ik zacht en aangenaam in slaap begon te gaan.
»Toen kwam daar opeens de reddingsboot. Zij staken mij een bootshaak toe, die ik greep en daarna trokken zij mij aan beide handen aan boord. Nog juist bijtijds.
[Illustratie: Kapitein Parkinson verlaat hersteld den Hoek.]
»Maar even ben ik aanboord der reddingsboot bewusteloos geweest, doch spoedig kwam ik weer bij kennis, trok wat jassen over mij heen en vroeg om cognac. Anders gebruik ik dit wel nooit maar nu dacht ik dat het mij goed zou doen. Ik kon echter geen druppel binnen krijgen.
»Ja, inderdaad, ik ben zeer gelukkig en dankbaar dat ik gered ben, maar »oh, I am so sorry to hear, that I am the only one.««
Vol lof sprak de geredde schipbreukeling over de liefderijke verpleging welke hij in het Hotel Amerika ontving, en van anderen hoorden wij hoe hij uit dankbaarheid een gouden Chineeschen ring van zijn vinger had genomen en die geschonken had aan mej. Tuin, zijn vriendelijke verzorgster.
Reddingsplannen en -pogingen.
De nacht van Donderdag 21 op Vrijdag 22 Februari vlood heen met sneeuw- en hageljachten, en 't gebulder van den Noordwester op de kust klonk als de hoonlach van een reus over de wanhopige pogingen van zijn slachtoffer om aan zijn geweld te ontsnappen.
De reddingsboot voer te elf uur in den avond uit en keerde te éen uur in den nacht terug; weer voer zij uit te twee uur en viel om vier uur de Berghaven weer binnen; en opnieuw werd de tocht naar het wrak te acht uur in den morgen ondernomen, weer werd een uur lang rond het wrak gekruist en nogmaals bleek nadering onmogelijk.
[Illustratie: De stoomreddingboot _President van Heel_ in de berghaven, gereed tot vertrek.]
Een woord van hulde dient hier gebracht aan die 9 of 10 helden van de zee, die sedert een etmaal en langer telkens maar weer »er uit« zijn gegaan, nauwelijks even rustend tusschen twee vaarten, etend en drinkend in der haast, slapend in 't geheel niet, en telkens maar weer wind en weder trotseerend en het leven wagend, om dat van medemenschen te redden.
Die helden verdienen zeer eervolle vermelding; hier volgen hun namen: G. Jansen, kapitein; F. Seekles, stuurman; P. de Zeeuw, P. Hoogenraad (die de eerste tocht meemaakte, doch later ziek werd) en A. Boon, matrozen; S. Blokland, reservematroos en stoker en H. van Mastrigt, los matroos; verder J. van Mastrigt, C. v. d. Haven, machinisten, en eindelijk J. Boel, de stoker, die bij elke tocht in zijn stookplaats wordt opgesloten, opdat de boot, mocht zij kantelen, niet vol zal loopen. Ging de reddingboot te gronde, Jan Boel zou in zijn onderzeesche gevangenis stikken maar niet verdrinken.
Terugkomende van hun laatstvermelde tocht in den morgen van Vrijdag 22 Februari rapporteerde de bemanning der reddingsboot, dat zij eerst niets zag aan boord, maar op herhaald fluiten kwamen er nog twee man te voorschijn, die waarschijnlijk voor de sneeuw beschutting hadden gezocht in wat er nog van het huisje der stuurmachine was overgebleven. Een der twee is een forsch gebouwd man, waarschijnlijk de tweede stuurman van de »Berlin». Den ander meende men aan zijn gewone grijze reispet als een reiziger te herkennen. Deze laatste wenkte nog flauwtjes naar de reddingboot om te naderen, maar »veel leven zat er blijkbaar niet meer in», zeiden de mannen.
De mogelijkheid bestond echter nog altijd, dat zich een of twee menschen meer op het wrak bevonden, die reeds te zeer uitgeput waren om zich nog te vertoonen. De bemanning van het stoomloodsvaartuig »Hellevoetsluis», dat te even acht uur het wrak was voorbij gevaren, had nog drie personen aan dek ontwaard, die schuiling zochten achter de nog opstaande luchtkokers. Eén hing echter meer dan hij stond, zoodat het wel mogelijk werd geacht, dat deze reeds bewusteloos was of dood.
[Illustratie: Koos Schoonbeek, matroos van de Hoek-Kotter.]
De loodsleerlingen hadden ook nog er over gedacht met de jol te trachten het wrak te bereiken, maar het was van hun schip af reeds te zien, dat het, in den morgen althans, ondoenlijk was.
[Illustratie: P. Jansen, zijn maat.]
Later, ja later zouden ze verder zien. Want het was nu in de harten dier kloeke varensgezellen als een wilde drang geworden, de arme schipbreukelingen, wier gejammer zij door den storm heen op zich toe hadden hooren klinken, te redden. Het koste wat het dan kosten moest.
»Daar is niks heldhaftigs in, meneer,» zei mij een van de wakkere knapen, toen ik mijn bewondering over hun voornemen uitsprak, »'t is zuiver menschelijk. Als jezelf dat geschreeuw van die menschen had gehoord, dan rustte je ook niet voor je tenminste had geprobeerd ze d'r af te krijgen; al had je je leven lang geen riem in je handen en geen oliejas om je lijf gehad.«
O, er zijn daar in de bedompte kajuiten van de afhaalkotter aan den Hoek en van de _Hellevoetsluis_ in dien morgen van Vrijdag den 22sten wat stoute plannen gemaakt en wat stoere geloften gedaan!
De Prins op de plaats des onheils.
Den vorigen avond was reeds aangekondigd dat Z. K. H. Prins Hendrik der Nederlanden een bezoek aan den Hoek van Holland zou brengen en de plaats des onheils in oogenschouw zou nemen.
Zonder eenige ostentatie verscheen de Prins dan ook na een automobieltocht door het Westland even voor tienen aan den Hoek, gekleed in klein generaalsuniform, begeleid door zijn adjudant baron Van Heemstra en in de gemeente 's-Gravezande, waartoe de Hoek behoort, door den Burgemeester verwelkomd.
[Illustratie: Het wrak van uit zee gezien.]
Met deze beiden en de Commissaris van het Loodswezen aan den Hoek, den heer J. J. van Heuvlen, scheepte de Prins zich spoedig na zijn aankomst in op het inspectie-vaartuig van het Loodswezen, de »Jan Spanjaard« en maakte hij daarmede een tocht naar het wrak dat nog altijd in dezelfde positie op den dam lag en door de hooge zee--zoo vertelde mij kapitein Jansen na zijn laatste tocht met de reddingsboot--daarop telkens werd neergesmakt als ware het een oude mand.
Van iemand die de tocht met de »Spanjaard« meemaakte vernam ik dat dit vaartuig tot op 150 M. van het wrak genaderd werd. Groote gaten bleken al in den scheepsromp te zijn geslagen, zoodat men van buitenaf er in kon zien. Waarschijnlijk was het de ketel waar men zoo tegen aankeek. Verder zag men het rooksalon en het stuurhuis boven elkaar en een wandeldek.
In een hoek, tegen het salon aangedrukt, zag men de schipbreukelingen: drie, vier of meer. Ook dacht men soms nog een hoofd te zien in het stuurhuis, doch de telkens overslaande golven maakten het duidelijk waarnemen onmogelijk.
Vreeselijk vooral was het om te zien hoe klein de afstand is tusschen de schipbreukelingen en den vuurtoren. Men zou zeggen, dat zij slechts over de steenen van den dam, er heen hadden te loopen, doch niets kan op den dam als daarop telkens de geweldige branding losbreekt, staande blijven.
Trouwens, al kwamen de schipbreukelingen tot aan den ijzeren toren, zij zouden er niet beter bereikbaar door zijn, zoo meende men.
Te half twaalf ongeveer keerde Prins Hendrik van zijn tocht naar het wrak met de »Spanjaard» terug. Het vaartuig meerde aan den aanlegsteiger der Holland-Amerikalijn, waar Z. K. H. werd begroet door de heeren Moens, Wiersma en Bick, respectievelijk president, vice-president en secretaris der Zuidhollandsche Reddingmaatschappij.
Prins Hendrik begaf zich in de tot chapelle ardente ingerichte loods, waar de lijken lagen der drenkelingen, wier aantal toen tot 37 was aangegroeid, terwijl bericht ontvangen was, dat er nog 7 aan de andere zijde van den Waterweg waren aangedreven. Nog lagen gelijk den dag te voren de gezichten, waar thans de onnatuurlijke zwelling uit verdwenen was, rustig in het starre wit der lijkkleeden, die bij sommigen gruwelijke verminkingen bedekten.
Het aantal der herkende lijken steeg met het totaal aantal aangespoelde drenkelingen, maar toch moest nog op meer dan éen der lichamen het aandoenlijke opschrift »onbekend» gehandhaafd blijven.
[Illustratie: De Prins op weg naar den doodenhal.]
Ook werden voortdurend meer namen bekend van personen die zich aan boord der »_Berlin_» moesten hebben bevonden. Angstige familieleden en vrienden kwamen op het bureau van Hudig en Pieters informeeren naar namen op de passagierslijst die er, helaas, niet was, of gingen met verslagen gezichten de doodenrijen langs, half hoopvol, half angstig de dierbaren te zullen herkennen waarnaar zij zochten. Of wel zij zaten in de rumoerige stationswachtkamer, waar den heelen dag een herrie was als in een Monnikendammer herberg bij vriesweer, in de rustigste hoeken maar lijdzaam te wachten, te wachten. Jonge meisjes, grijze mannen, angstige vaders, zielsbedroefde moeders, bezorgde vrienden, zij wachtten maar, zij wachtten...
Men vernam aan den wal onder andere dat de King's Messenger, de Engelsche hofkoerier, Arthur Herbert, die op weg was naar Berlijn en Kopenhagen, verdronken was. Zijn lastbrief werd opgevischt en kwam later in handen van den Engelschen gezant te 's Gravenhage. Ook spoelden er later twee postzakken op het strand die het Engelsche koninklijke zegel dragen. Zij bleken echter gescheurd en de inhoud ervan was verloren gegaan.
Prins Hendrik begaf zich van de loods der Holland-Amerika-lijn, waar de lijken lagen, naar de Berghaven, waar hij de bemanning der reddingboot aan zich deed voorstellen en zich door kapitein Jansen liet voorlichten omtrent de inrichting van de boot en de moeilijkheid van de redding. De Prins gaf het verlangen te kennen, wanneer in den middag weer de boot zou uitgaan, haar te volgen op het inspectie-vaartuig van het loodswezen.
[Illustratie: De Prins begeeft zich aan boord van de _Hellevoetsluis_.]
Z. K. H. bracht voorts een bezoek aan den geredden kapitein Parkinson, die nu in zijn kamer in het Hotel Amerika weer op de been was. De Prins wenschte hem hartelijk geluk met zijn redding en informeerde naar zijn toestand, die toen gunstig bleek te zijn, al stond de dokter den geredde ook nog niet toe te vertrekken.
Enkele bijzonderheden betreffende zijn redding werden door mr. Parkinson den Prins meegedeeld, welke laatste daarna met een handdruk en een »God bless you!" afscheid nam.
Hoe er elf gered werden.
Het leek wel even of door het vorstelijk bezoek aan den Hoek van Holland de belangstelling voor de eigenlijke aanleiding tot dat bezoek verminderde, de aandacht van de ramp werd afgeleid. Maar dadelijk nadat de Prins, na een eenvoudigen lunch in het stationsgebouw, zich had ingescheept op het stoomloodsvaartuig de _Hellevoetsluis_, concentreerde zich de aandacht van al de duizenden die zich op dat oogenblik aan den Hoek bevonden weer geheel op het wrak, op de enkele schipbreukelingen die daar nog levend op vermoed werden en op de reddingspogingen die nu opnieuw een aanvang zouden nemen.
[Illustratie: De _Hellevoetsluis_.]
Men voelde het als bij gemeenschappelijke ingeving: thans, onder het oog van den Prins, zou het er om gaan.... nu of nooit!
O, hoe volgden wij van den wal, door kijkers of met het bloote oog de manoeuvres van de booten, die op redding uittogen. Hoe gaarne waren wij, verslaggevers, meegegaan op die tocht, maar wij mochten ons niet blootstellen aan de kans, op het gewichtigste oogenblik van alle communicatie met den wal en dus ook met onze redacties te zijn afgesneden. Wij stonden toch al duizend angsten uit voor het overkomen van onze telegrammen, die naar we wisten met de depêches van onze Engelsche, Duitsche en Fransche collega's op stapels lagen aan het telegraafkantoor, dat over zijn eene lijn seinde zoo hard als het kon, maar al het nieuws niet vermocht te verwerken.
[Illustratie: De Reddingsboot _President van Heel_ uitvarende naar het wrak.]
We moesten dus voor het tijdig overkomen van onze berichten maar op ons goed gesternte vertrouwen en verder doen wat voor het oogenblik te doen viel: het reddingswerk van den wal af volgen zoo goed als het ging.
Ik bevond mij in den »uitkijk» van het Loodswezen aan de Berghaven en volgde door een kijker de bewegingen van het reddings-eskader. Want dat was het nu geworden. De reddingsboot _President van Heel_ was te éen uur uitgevaren en de stoomloodsboot _Hellevoetsluis_, aan boord waarvan zich Prins Hendrik bevond, volgde haar. Tevens voeren naar het wrak uit de _Katwijk_, een sleepboot, van den internationalen sleepdienst, en de _Hoek van Holland II_, een vaartuig van den onderhoudsdienst der havenwerken.
Nabij het wrak gekomen, aan de binnenzijde van het Noorderhoofd gingen de grootste dezer vier vaartuigen ten anker, zoo, dat zij evenwijdig aan den keidam lagen, waardoor tusschen haar en het steenen hoofd een gedeelte van tamelijk kalm water ontstond waarin de reddingboot en zelfs sloepen beter konden manoeuvreeren. De bemanning van de reddingsboot was van plan te trachten den vuurtoren te bereiken en van de ijzeren trap daarvan een lijn te schieten naar het wrak. Inderdaad gelukte het een der mannen, ~H. van Mastrigt~, den dam te bereiken, ongeveer 100 meter van het wrak verwijderd naar den vasten wal toe.
Maar verder scheen men langen tijd niet te komen, althans men zag van den wal af de jol van de reddingboot heen en weer varen tusschen de boot en het hoofd, zonder dat echter meer mannen met Van Mastrigt op de pier kwamen, welke laatste ten slotte ook weer aan boord terugkeerde.
Dit talmen maakte, zoo hoorde ik later, allen die aan boord van de »Hellevoetsluis» waren zeer ongeduldig en de matrozen van het Loodswezen brandden van verlangen om met hun jol te trachten het hoofd te bereiken.
Vier hunner, van de afhaalkotter van den Hoek, die naar buiten waren gesleept in hun eigen jol achter de reddingsboot aan, gingen het eerst probeeren aan wal, dat wil zeggen, op den dam te komen. Het waren ~Klaas Ree~, ~T. Van Duyn~, ~P. Jansen~ en ~Jac. B. Schoonbeek~. Laatstgenoemde zat voorin met een tros om den nek, gereed om op de pier te springen. Maar zoo als de jol zelfs in het stille water nog heen en weer gesmeten werd, bleek het ten slotte veiliger de achtersteven het eerst op de keien te zetten. De tros ging over in handen van Klaas Ree, die achterin zat en op een gegeven oogenblik, schoon er nog een heel stuk water tusschen de jol en den dam lag, floep, op de basaltkeien sprong. En de andere dappere drie hem achterna. Daar stonden ze op den kop van de pier, tot aan den hals in 't water, terwijl de branding om hen heen raasde en hun woedende brekers over 't hoofd joeg. Met hun vieren zouden ze 't niet klaar spelen; dat was zoo wel te zien. Er moest assistentie komen. Nu, daar op de loodsboot hadden er al wel een stuk of tien staan popelen om een handje mee te helpen en toen schipper Berkhout vrijwilligers opriep, was meteen zijn heele jol bemand door de loodsleerlingen ~H. Vermeulen~, ~C. de Gorter~, ~J. Braam~, ~P. Ruyg~, ~M. J. Regoort~ en ~J. Steehouwer~.
[Illustratie: Schoonbeek, Jansen, Van Duijn en Ree de loodsleerlingen.]