Part 1
Produced by M.A.P. Asselbergs, André Engels and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot | | naar het eind van de bijbehorende alinea verplaatst. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~. | | | | In dit boek worden verschillende aanhalingstekens door elkaar | | gebruikt. De lage en hoge aanhalingstekens zijn beide met " | | weergegeven. Daarnaast worden in dit boek de ganzenvoetjes » | | en « door elkaar gebruikt. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op http://www.gutenberg.org | | | +----------------------------------------------------------------+
De Schipbreuk van de "Berlin"
21 FEBRUARI 1907.
* * * * *
VOLLEDIG VERHAAL VAN DE SCHEEPSRAMP AAN DEN HOEK VAN HOLLAND,
DOOR
J. LOUIS PISUISSE,
_den Verslaggever van het Algemeen Handelsblad._
[Decoratieve Illustratie]
AMSTERDAM--VAN HOLKEMA & WARENDORF.
[Illustratie: De _Berlin_.]
INLEIDING.
Journalisten zijn gewend aan-, berusten ìn het feit, dat het wezen van hunnen arbeid met het bestaan van de ééndagsvlieg overeenkomst vertoont. Zij murmureeren niet over de oppervlakkigheid en de wispelturigheid van het lezend publiek, dat heden met gretigheid grijpt naar de courant en er figuurlijk den inhoud van verslindt, morgen ~letterlijk~ hetzelfde doet, nadat het in diezelfde courant--in 't gunstigste geval!--zijn kantoorboterhammen heeft gepakt. En verslaggevers vooral, zij die uit den aard van hunnen werkkring maar te volgen, slechts bij uitzondering te ~leiden~ hebben den stroom der publieke belangstelling, verslaggevers vooral kennen de uiterst-tijdelijke waarde van hun werk, streven dan ook veelal niet hooger dan dat hetgeen zij schreven zulke eigenschappen moge bezitten, dat het éen... twee... drie dagen de belangstelling der lezers ook inderdaad vasthoudt.
Het feit dat in dit boekje verslaggeverswerk in meer blijvenden vorm gegoten is, zij dus niet beschouwd als gevolg van littéraire aspiraties van den schrijver. Dit zou teleurstelling kunnen baren èn voor zijn lezers èn voor hemzelf. Hij heeft alleen willen voldoen aan talrijke verzoeken die hem bereikten, om met gebruikmaking van de door hem in het _Algemeen Handelsblad_ gegeven verslagen een uitvoerig, samenhangend en geïllustreerd verhaal te geven van de schipbreuk der »Berlin», van welke wereldschokkende scheepsramp aan den Hoek van Holland velen in den lande een blijvender herinnering blijken te willen bewaren, dan in krantenknipsels te vinden is.
J. L. P.
De morgen van den ramp.
Het was in den morgen van Donderdag den 23sten Februari 1907, omstreeks half tien, juist toen het dagelijksch bureau-leven--voor zoover men daarvan bij een dagblad spreken kan--een aanvang zou nemen, dat uit Rotterdam een telegram binnenkwam, luidende:
»Volgens hier in den loop van den morgen ontvangen telegraphische berichten is de inkomende Harwichboot _Berlin_ te ongeveer 6 uur op het Noorderhoofd van den Nieuwen Waterweg gestrand.
»Onmiddellijk werden door sleepbooten en reddingbooten pogingen aangewend om passagiers en bemanning te redden, maar door den vliegenden storm en de hemelhooge zee konden deze het schip niet naderen.
»Later zag men dat het schip gebroken moest zijn, althans het achterschip verdween in de diepte en de jongste telegrammen laten geen twijfel over of ook het lot van het voorschip werd bezegeld, zoodat niemand van de opvarenden gered is kunnen worden.
»Uit den aard konden de Agenten der lijn hier ter stede geen opgaaf doen van het aantal passagiers aan boord. Het gemiddelde bedraagt gemeenlijk 60.
»Dit is de eerste maal dat aan een Harwichboot zulk een ramp overkomt.«
En even later telegrafeerde men:
»Het voorschip van de _Berlin_ is weggezakt. Een groot gedeelte van de passagiers en bemanning, welke zich daarop bevonden, zijn verongelukt.
»Het achterschip zit nog op den dam. Eenige overgeblevenen bevinden zich daarop, doch hunne positie is zeer hachelijk.
»De reddingsboot is in de nabijheid. Pogingen om langszijde te komen, bleven vruchteloos. De in de nabijheid zijnde sleepbooten en reddingsbooten visschen de drijvende menschen op, dood of levend.«
Een oogenblik staat men, zelfs op het redactiebureau van een groot dagblad, waar men op zulke gebeurtenissen steeds voorbereid moet zijn, tegenover zulk een bericht verbijsterd. Niet dat men aan de waarheid ervan twijfelt. Daarvoor heeft men zijn ~betrouwbare~ correspondenten. Maar men omvat niet zoo spoedig den omvang van zulk een ramp, denkt aan overdrijving, hòòpt in stilte op overdrijving...
Doch die verbijstering duurt slechts een minuut--nauwelijks. Dan stelt zich ook plotseling het gansche raderwerk der journalistieke machine in beweging. Een kort beraad wordt gehouden; naar »boven«, naar de zetterij, wordt getelefoneerd »gauw, gauw een bulletin te leggen,« per telegraaf en per telefoon krijgen verschillende correspondenten opdracht dadelijk en zoo uitvoerig mogelijk te seinen... en per eerste gelegenheid vertrekt »onze eigen berichtgever.«
* * * * *
O, die trein naar den Hoek leek mij veel te langzaam te gaan. Popelend van ongeduld zat ik aan elk station seconden te tellen en altijd scheen het mij toe, dat de trein veel langer stopte dan noodzakelijk was.
In den Haag de eerste aanwijzing, dat er in de buurt iets gaande was. Heeren met petjes--ongewoon verschijnsel in ons land--en binocles aan riemen. Dames ostentatief in een avonturen-kostuum gestoken. Eindelijk Schiedam! En overstappen voor den Hoek. Reeds staat het perron zwart van menschen en verdringt men zich in de wachtkamers. Over z'n tijd stoomt een trein binnen. Veel te kort natuurlijk. Wagens worden erbij geschoven.
Er is onder de langs den trein dravende, plaats zoekende passagiers een pretstemming, als zouën ze straks naar een kermis rijden. Je hoort ze in volle bagagewagens stampen en zingen. In ons compartiment, gelukkig rustiger, gaat het gepraat over het ongeluk: wat er al van bekend is, hoe 't moet zijn gebeurd, hoeveel lijken er al zijn aangebracht.... Wij, verslaggevers,--'n paar collega's heb ik reeds in Schiedam aangetroffen--zitten daarbij op heete kolen.
Schiedamschendijk... Vlaardingen... Maassluis... Nieuwlandschepolder... Poortershaven treuzelt het treintje over de baan. Maar we komen aan den Hoek. 't Is over tweeën.
Wij volgen niet den menschenstroom die uit den trein breekt en rechtsaf van het station zijn weg zoekt naar het Noorderhoofd. Waar het nieuwsgierig publiek heentrekt vindt een verslaggever juist doorgaans zijn nieuws ~niet~.
Wij gaan ons voorstellen bij Hudig en Pieters, de agenten van de Harwichlijn, op het kantoor, ondervragen een der leden van de directie daar, haasten ons later naar de loods waar de lijken worden neergelegd en waar ons voorloopig den toegang geweigerd wordt, ijlen dan weer terug naar het station waar men in de derde klasse wachtkamer bezig is de signalementen van lijken op te nemen, interviewen er wat dokters en den secretaris van 's Gravezande, zoeken haastig onzen weg naar de haven, maken er kennis met loodsen, fooien er een »uitkijk», leenen zijn kijker, turen naar het wrak, vragen hier, vragen daar... En even vóor drieën bied ik mijn eerste telegram aan, in duizend vrezen voor het òverkomen, want de spoortelegraaf blijkt met dienstdepêches en particuliere telegrammen overstelpt.
Langzaam, telkens in zijn werk onderbroken om aan 't loket kaartjes te gaan afgeven, telt de ambtenaar de woorden van het volgende bericht, dat het eerste resultaat van mijn verslaggeverswerk vormde.
»Met een trein die stampvol was van personen die op het treurige nieuws van de ramp, der Harwichboot _Berlin_ overkomen, naar den Hoek van Holland togen om er bijzonderheden betreffende het ongeval te vernemen, velen ook om te zien of bloedverwanten en vrienden onder de verongelukten waren, kwam ik hedenmiddag te twee uur alhier aan.
»Het weer was bedaard, maar nog stonden hooge, witgekuifde golven in den Waterweg. Op den Noorderdam vlak voor den vuurtoren stak nog omhoog het achtergedeelte van het gezonken schip. Het voorgedeelte was reeds verdwenen. Midden tusschen de pijpen is de stoomboot doormidden gebroken.
»Te vijf uur had men het vaartuig, dat op den gewonen tijd uit Harwich was vertrokken, zien aankomen. Vlak voor den Waterweg zag men het plotseling dwarszee gaan liggen en sloeg het op den dam. Er moet het een of ander gebeurd zijn met de stuurinrichting; de plotselinge afwijking van het schip uit zijn koers is anders, tenzij dan door een zeer onverwachte en heftige windvlaag, niet te verklaren.
»De gezagvoerder Precious was een ervaren zeeman, die reeds jarenlang de maatschappij diende en ontelbare reizen had gemaakt.
»Vuurpijlen rezen direct na het stranden van het schip op, doch schoon dadelijk reddingbooten en sleepbooten ter assistentie vertrokken, er viel geen hulp te bieden.
»Even halfzes zag men het electrische licht aan boord uitgaan. In het duister moet toen een vreeselijk drama zich hebben afgespeeld. De personen die zich in het voorgedeelte bevonden, de eerste klasse passagiers dus, moeten door de golven weggeslagen, stuk voor stuk hun graf in de zee hebben gevonden; wat van die op het thans nog omhoog zittende achtergedeelte geworden is, is zelfs nog niet bekend, daar men hier aan den wal niet weet of reeds een boot het wrak heeft kunnen bereiken.
»Groot is de vrees dat het overgroote meerendeel der passagiers, waarschijnlijk ongeveer negentig in getal en de bemanning uit 53 koppen bestaande, is verdronken. Reeds zijn 26 lijken aangespoeld of opgevischt: 21 van mannen en 4 van vrouwen en een van een jongetje van 5 jaar ongeveer.
»In de wachtkamer derde klasse van het station Hoek worden zij neergelegd en wordt ter identificatie het signalement opgenomen, waarna zij worden overgebracht naar de loods der Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaartmaatschappij.
»De geneesheeren Diamant van den Hoek, Ten Kate en Van Arkel uit 's-Gravenzande en Tiebout uit Maassluis verleenen assistentie, doch schoon bij enkelen nog gepoogd is de levensgeesten op te wekken, bij geen der aangespoelden is dit gelukt.
»Reeds zijn herkend de heer A. Kruger, verbonden aan de rijschool te 's-Gravenhage; L. H. Lamotte, woonplaats onbekend; Woods, een stoker; mrs. Boomes, een stewardess en haar zoon, een matroos; W. J. Moor, de chief steward; Patricks, matroos; en mr. C. W. B. Anderson, een passagier uit Hull.
»Een passagier, zelf een gezagvoerder ter koopvaardij, is zwemmende opgevischt in den Waterweg door de reddingsboot en ondergebracht in het Hotel Amerika. Hij is echter nog te uitgeput om inlichtingen te geven.
»Naar verluidt heet hij Paterson. Men beweert, dat er nog een viertal levende personen op het boven den dam uitstekende scheepsgedeelte zich bevinden. Het wrak ligt echter midden in de branding op den keidam en de golven stuiven er overheen.
»Tot de verdronkenen moet ook behooren een koerier van het Engelsche Hof, op weg naar Berlijn en Kopenhagen.
»Enkele postzakken zijn opgevischt. Honderden menschen verdringen zich aan het strand en op den dam, voor zoover die begaanbaar is. Men verwacht dat nog tal van lijken zullen aanspoelen wanneer straks de vloed opkomt. Reeds spoelen groote stukken wrakhout aan.«
Intusschen hadden mijn collega's, medewerkers aan het _Handelsblad_ niet stil gezeten en een hunner, de vertegenwoordiger van ons blad te Rotterdam, had geseind:
»Toen ik ongeveer één uur Hoek van Holland verliet, hing het achterschip van de _Berlin_ nog altijd op de pier en zag men er van tijd tot tijd de zeeën overheen slaan. De groote vraag is nu maar, of zich op dit stuk nog menschen bevinden, hetgeen vermoedelijk bij laag tij zal zijn uit te maken. Indien het schip het zoo lang houdt.
»Zelfs met de scherpste kijkers was niet na te gaan of wellicht nog personen met den dood voor oogen hoopten op redding. Maar dit lag voor zooverre voor de hand, wijl deze zooveel mogelijk beschutting zullen hebben gezocht en zich niet aan de hooge golven en fellen wind zullen hebben blootgesteld.
»Verder zal ook veel van het uithoudingsvermogen dier eventueele overlevenden afhangen. Immers het was op den vasten wal al bitter koud met die incidenteele sneeuwbuien; hoeveel te meer dan moest dit het geval zijn op open zee.
»De stoomreddingboot _President Van Heel_ kon door de ongelukkige positie van het schip dit tot dusver niet benaderen. Het stuk toch hangt aan den noordkant, dus aan de buitenzijde van de pier, ten gevolge waarvan de boot buitenom moet om het te bereiken en tot nog toe heeft de woeste zee het vaartuig nog steeds teruggeworpen. Daarbij komt dat de uiterste zeemanschap noodig is om het scheepje zelf niet te pletter te laten loopen.
»De wachtkamer derde klasse van het spoorwegstation te Hoek van Holland is ingericht voor het opnemen der aangespoelde lijken. Het station is door militairen van het fort afgezet.
»Onder de verongelukten zijn er verscheidenen met zware kwetsuren. O. a. was er het lijk eener dame, waarvan een arm was afgescheurd.
»Tot nog toe heeft men 25 lijken opgevischt. Zooals gemeld, is er onder de aangespoelden een gebleken, die nog zoo volkomen bij zijn bewustzijn was, dat hij iets van de ramp wist te vertellen. Het is kapitein Parkeson, die als passagier de reis meemaakte. Hij is nog op de brug bij den gezagvoerder geweest toen het schip vastvoer. Later zag hij dezen en den loods van de commandobrug spoelen.
»Hij en ongeveer 100 opvarenden waren toen op het voorschip, dat ongeveer half negen van het achterdeel afbrak en alle opvarenden naar de diepte meenam. Het gelukte kapitein Parkeson een stuk wrakhout te grijpen en zich daarop zoo lang drijvende te houden tot hij nog zelf de stoomreddingboot kon aanroepen.
»De oorzaak van het onheil moet waarschijnlijk in wind en zee worden gezocht. De gezagvoerder van de _Berlin_, kapitein Precious, was een der meest ervaren schippers van de Maatschappij. Men tast omtrent het aantal omgekomenen in het duister, doordien van de passagiers, die met deze schepen worden vervoerd, geen lijsten worden gehouden.
»In elk geval zullen alles en alles wel een honderd passagiers aan boord zijn geweest, wat, gevoegd bij de ongeveer 60 man equipage, ongeveer 160 dooden zou aangeven.«
Eerste indrukken.
Zoo was dan het publiek van de eerste bijzonderheden van den ramp onderricht en kon ik mij rustiger wijden aan het verzamelen mijner indrukken, kon ik ook wat tijd vinden om persoonlijk te trachten de plaats des onheils zoo dicht mogelijk te naderen.
[Illustratie: De Noorderpier.]
Op den open weg, die over den havendijk, langs het pantserfort en het dorp, dat »de oude Hoek« genoemd wordt, voert naar het strand en het Noorderhoofd, blies recht van uit zee de felle Noordwester met zulk een kracht vaak, dat het onmogelijk was er tegenin vooruit te komen. Het hoofd diep gebogen, de pet ver over de ooren gehaald en met de handen in de zakken mijn fladderende regenjas tegen 't lijf klemmend, bokste ik tegen den wind op, tot ik stond aan het strand, te midden der honderden toeschouwers die met ontzag staarden over de zee, waarvan de golven, huizenhoog, op het strand losstormden. En de gebogen lijn van den hoofdbouw volgend met het oog, trachtte men aan het einde van het hoofd het wrak te ontdekken. Dáar, dicht bij den lichtopstand, dien wij, landrotten, al een »vuurtoren« noemen, moest het liggen, het jammerlijk overblijfsel van het ongelukkige schip met zijn twee, vier, acht--hoeveel zou 't wezen?--rampzalige overlevenden aan boord.
[Illustratie: Nieuwsgierigen aan het strand.]
»O, de storm«--zoo schreef ik later neer wat ik daar dacht aan het strand--»o, de storm die over onze lage polderlanden briescht, de popels zwiepen doet, fluitend door de boerenlaantjes blaast, het slootwater rimpelt en opstuwt tegen den wal, hij is een dartele knaap, onschuldig in zijn onstuimigheid. En de storm, die over onze stad buldert, er met schoorsteenen smijt en telephoonpalen omkegelt, hij is een lastige kwajongen, niet meer. Neen zeker niet meer, vergeleken bij den Noordwester Orkaan op onze kusten, dien Titan losgebroken uit zijn cyclopenhol, die het zeewater geeselt, tot het woedend in torengolven omhoog rijst, de dijken berent en de duinen beukt, die wolken de lucht doorjaagt als reuzenhorden, die hagel en regen neerklatert op de aarde als in ontzaglijken hoon over de gansche menschheid. 't Is als een dag van wraak der elementen, zoo'n dag van storm op de kust; wraak der elementen, lang meestentijds gebreideld door de kunst der menschen, maar soms in vreeselijke rebellie opgerezen.
»Ver, ver in zee zijn uitgelegd de lange keidammen, de onwrikbare bermen, die de golven dwingen tot rust, uitgelegd als armen, die de schepelingen lokken tot de veiligheid van het land.
[Illustratie: Een drenkeling aangebracht.]
»Maar de noordwester breekt los, de golven zwellen, zwart is de nacht. Sneeuw en hagel jagen in oogverblindende warreling door de lucht. Daar nadert de groote boot, de nog nieuwe, sterke mailstoomer. Reeds ziet de uitkijk op de brug de lichten op den wal. Daar is de haven. De reis is volbracht. Nu grijpt de noordwester verraderlijk het schip, werpt zich tegen den scheepsromp, klemt zich aan het roer, roept kolken en grondzeeën als bondgenooten op.
»En op dienzelfden dam, op die »zeewerende« berm,--o bittere ironie van het noodlot!--strandt het schip.
»Zoo ging het de _Berlin_, de schoone mailboot van de Harwichlijn, thans een reddeloos wrak, dat honderd passagiers en vijftig man der equipage niet eens meer tot laatste rustplaats dienen kan. Gebroken, versplinterd is het her- en derwaarts langs de kust verspreid als wrakhout en de opvarenden zijn verdronken, behalve een heel enkele.
»De Hollandsche kust heeft een scheepsramp te meer gezien.«
* * * * *
Nu en dan zag men op het strand, verderop naar den kant van Scheveningen, een troepje menschen samenscholen om een donkere figuur die neergestrekt lag op het bleeke zand. Dan holden de nieuwsgierigen bij tien- en twintigtallen daarheen, onbegrijpelijk-belust op een luguber schouwspel: dan was er een lijk aangespoeld.
Ze drongen er zenuwachtig omheen, half-angstig--de vrouwen vooral--om te kijken naar het verwrongen, roodgezwollen gelaat en de spierwitte handen van den doode, totdat een open wagen kwam aangerold over het strand, de veldwachters met gezaghebbend gebaar ruimte kwamen maken en het lijk, met een deken of wat zakken overdekt, werd weggereden naar het station...
Of er kwamen sleepbooten en visschersschuiten den Waterweg binnen. De vlag halfstoks... Dan werden er weer drenkelingen aangebracht.
Drie-en-dertig waren er 's avonds reeds, die in de loods der Noord-Amerikalijn werden neergelegd. Wat er aan geld, waarden en papieren op hen bevonden werd, werd in genummerde sigarenkistjes geborgen en door den Burgemeester van 's-Gravezande, mr. J. Brunt, in bewaring genomen. Dan werden de lijken gewasschen,--vreeselijke arbeid, met bewonderenswaardige toewijding verricht door dr. Van Arkel, zuster Postma, juffrouw Stolze van het station aan den Hoek, Kwikkel, sergeant van den hospitaaldienst aan het fort en den ambtenaar der S.S. Broekhout--vervolgens in witte lakens gewikkeld, zoodat alleen het gelaat ter identificatie vrij bleef, en zoo neergelegd op in der haast getimmerde met wit en zwart laken overtrokken britsen. Die werden in lange rijen neergezet in de loods waarvan de wanden met krip, wit koord en kransen behangen werden. Zoo werd het ruime lokaal ingericht tot een groote doodenhal, waar de toeschouwers met ontblooten hoofde zwijgend omgingen en de plechtige stilte alleen werd gestoord door den somberen loei van een stoomboot in den Waterweg, een wanhoopsgil van een locomotief buiten, en dof geklop uit de aangrenzende loods.... waar men mèèr britsen timmerde èn doodkisten....
[Illustratie: De doodenhal.]
Ze lagen er zoo stil en vredig, de dooden, als rustten zij uit van den vreeselijken strijd om het leven welken de meesten hunner gestreden hadden, als vergaten zij in een weldadigen slaap alle doorgestane ellende. Om meer dan éen in den dood verstarde lip was een lachje bewaard gebleven, of een trek van vrede en berusting. Een knaapje van vijf jaar, dat, in zijn matrozenpakje gekleed, was komen aandrijven, lag er nu op de doodenbank zóo lieftallig in 't wit met de zwarte krulletjes, nog vochtig van het wasschen, om de slapen, dat het leek of hij zoo was ingesluimerd en straks door moeder naar z'n bedje zou worden gedragen.
Men vertelde dat het ventje, Gustav Hirsch heette hij, alleen op weg was van Londen naar Hamburg; en 's morgens was juist een telegram ontvangen, waarin aan den stationchef werd verzocht het ventje goed op den trein te zetten en te zorgen dat hij in Osnabrück zou overstappen. Daar zouden vader en moeder hem wachten....
[Illustratie: De reddingsboot aan het werk.]
Diep ontroerend is de aanblik van de zaal der dooden, waar over het wit en zwart der rouwkleeden en de roerlooze gezichten een rosse schijn van de electrische gloeilampen ligt.
Maar, wonderlijk, minder hevig grijpt ons daar de tragiek van de ramp in haar totalen omvang aan, dan de gedachte aan die twee, drie of vier ongelukkigen, die nu nog op het op den dam vastzittende achterschip zitten, wachtende hun redding of den dood.
* * * * *
Hun redding... De hoop van ons allen daar aan den Hoek is ervoor gevestigd op de kloeke mannen van de stoomreddingsboot der Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij »De President van Heel«, die reeds van 's morgens even na vijven af zich met korte tusschenpoozen bij het wrak ophoudt. Die korte tusschenpoozen, ze zijn niet om de bemanning tijd tot rusten te geven, want zoolang er nog te redden valt willen die moedige trotseerders van weer en wind en zee niet hooren van rust. Maar als de vloed op 't hoogste is kunnen zij nabij het wrak niets uitrichten, gaat zelfs elke ~poging~ tot naderen gepaard met doodsgevaar, zou elk ~trachten~ om de redding te bewerkstelligen reeds een roekeloosheid zijn.
[Illustratie: Kapitein Jansen.]