De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81
Part 9
De Engelschgezinden hoopten nog, dat het een loos alarm mocht zijn, maar dien zoeten waan was gauw verdwenen, toen zij elf gewapende Boeren in vollen galop door de straat zagen rennen. Het was de voorhoede van een kommando van 400 Boeren, dat onder bevel van den dapperen Piet Cronjé in snellen draf op Potchefstroom aanrukte. De proklamatie der regeering zou volgens het besluit van den Volksraad in deze stad worden gedrukt, en Cronjé was met de uitvoering van dit besluit belast.
Hij volvoerde zijn taak met moed en beleid.
Met de ligging van het Engelsche kamp volkomen op de hoogte, naderde hij met zijn kommando de stad van een kant, waar het dicht gebladerte der boomen zijn komst voor het oog van den vijand verborg, en in geregelde orde en in snellen draf werd de groote planken brug gepasseerd, die toegang gaf tot de stad.
Van vrees, angst of weifeling was geen sprake; trouwens kapitein Raaff was er niet met zijn blekken schotel. Maar eenige Engelsche winkeliers, die op de stoepen voor hun winkelramen stonden, haalden hun schouders op, zooals de Engelschen dat kunnen doen en zeiden: "Die arme menschen! Nog van daag wordt hun het levenslicht uitgeblazen!" Zóó zorgelijk zagen zij den toestand voor de Boeren in. Maar den ruiters hinderde dat niet, en zij trokken recht door tot vóór de woning van den gewezen staatspresident H. W. Pretorius, waar Cronjé halt liet houden.
De Boeren sprongen nu uit het zaâl, en er ontwikkelde zich een groote drukte en bedrijvigheid. De één verfrischte zich aan de open waterleiding; de ander haalde uit den knapzak een korst brood en een stuk biltong; een derde zocht naar een emmer, om zijn dorstig paard te drenken.
Hier riep er één om vuur om zijn pijp aan te steken; dáár onderzocht een ander met opmerkzamen blik zijn klepper, die bij den langen rit een wondje had opgedaan aan zijn rechtervoorpoot. Sommigen bleven bij hun paarden staan, het geladen geweer in de hand, om op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn, en anderen strekten zich, den paardeteugel vasthoudend, uit in het koele gras. Ernstige stemmen werden gehoord, nu en dan afgewisseld door een vlug en grappig, schertsend woord.
Terwijl begaf Cronjé met een kleine ruiterschaar zich verder de stad in, en hield stil voor Borrius' drukkerij.
Borrius, die een vriend der Boeren was verklaarde zich bereid, de proklamatie te drukken, doch van uit het Gouvernementskantoor ontving hij de volgende dreigende Missive:
"Potchefstroom, 15 December 1880. Ik waarschuw u, dat gij verantwoordelijk zult gehouden worden voor eenig oproerig of onwettig dokument, door u gedrukt, of dat uit uwe pers verschijnt, en dat, indien gij deze waarschuwing verzuimt of weigert te gehoorzamen, gij met de uiterste gestrengheid der wet zult gestraft worden. M. Clarke. speciale Commissaris".
Borrius las den brief van den Engelschen majoor en las hem nog eens, en keek den kommandant der Boeren vragend aan.
Maar deze zeide: "Als mijnheer Clarke wat wil, dan moet hij met _mij_ praten; druk _jij_ maar gerust de proklamaties. Ge staat onder _mijn_ bescherming."
Toen was Borrius tevreden.
Het was intusschen avond geworden, en terwijl de Boeren hun kwartieren opzochten bij bevriende burgers, nam Cronjé zijn maatregelen, om niet overrompeld te worden.
Zóó werd het nacht en allengs verstomde het rumoer.
De sterren tintelden aan den diepblauwen hemel, en niets werd meer gehoord dan het ruischen van den nachtwind in het loover der treurwilgen, het fluisteren der Boerenschildwachten en de regelmatige voetstap hunner patrouilles.
Zoo ging de nacht langzaam voorbij, maar morgen -- wat zal de dag van morgen baren?
Het was den volgenden morgen half tien. Cronjé zat heel bedaard op de stoep voor de drukkerij, in de schaduw van het geboomte, uit zijn houten pijp te rooken, en in de drukkerij waren de letterzetters druk in de weer, om dat gevaarlijke ding, de proklamatie, klaar te krijgen, toen een jonge ruiter in den sneldsten draf de straat kwam afstormen, en reeds uit de verte riep: "Oom Piet, de Roodbaatjes hebben op ons geschoten!"
"Zoo" zeide Oom Piet, terwijl hij bedaard de asch uit de pijp klopte, "en hoe is dat gebeurd?" Met één kwam echter reeds een tweede Boer aanrennen, in de ééne hand den hoed, in de andere het geweer, en riep in de grootste opwinding: "Oom Piet, de Roodbaatjes hebben onzen kommandant Robberts den arm afgeschoten."
"Zoo!" zeide Cronjé nog eens. Toen stak hij de pijp in den zak, stond op en riep met zijn heldere, luidklinkende stem: "Op mannen! Wij zullen de Engelschen te woord staan!"
Wat was er gebeurd?
Robberts was met een vijftal Boeren door de straten gereden, en had den weg ingeslagen naar het Engelsche kamp. Misschien was hij bij dien tocht naar de meening van Winsloe, den Engelschen bevelhebber, te dicht het kamp genaderd. Ten minste Winsloe zond het zestal Boeren bij hun terugtocht een salvo kogels achterna, waarbij de arm van kommandant Robberts verbrijzeld, een andere Boer gewond en een derde gedood werd.
Cronjé riep nu zijn manschappen bijéén, en liet onmiddelijk opzadelen. Hij splitste zijn legertje in vier afdeelingen, die in verschillende richtingen en met de noodige behoedzaamheid de stad zouden doorkruisen.
Aan deze order werd stipt gehoorzaamd, en in bedaarden stap reed eene afdeeling van honderd man de groote straat af naar het kerkplein.
Doch nauwelijks was men hier aangekomen, of uit het Gouvernementskantoor, dat aan het kerkplein grensde, en de Gevangenis werd een overstelpend vuur gericht op het open plein, terwijl de bommen uit de Engelsche negenponders met ontzettende kracht uitéénsloegen.
Het was een ernstig oogenblik, en het verschrikt gesteiger der wild geworden paarden, de luide kommando's der aanvoerders, het geknetter van het geweervuur, het geschrei en gegil van weerlooze vrouwen en kinderen, en daartusschen de donderslag van een neerploffenden bom -- de geluiden vereenigden zich tot een éénig, vreeselijk, onbeschrijfelijk concert.
Het groote kerkplein werd snel ontruimd. Toen lachten de Engelsche helden.
"Kijk," zeiden zij, uitstekend gedekt achter stevige muren en door zandzakken verschanste ramen, "kijk, hoe hard de Boeren toch kunnen loopen! Bij het _eerste_ kanonschot gaan zij op de vlucht -- 't is uitgekomen, zooals we 't hebben voorspeld! Maar wie is ook tegen den Engelschman bestand?" En zij grinnikten van plezier, terwijl zij daar veilig stonden achter hun schietgaten.
Doch de Engelschen vergisten zich, wanneer zij meenden, dat de Boeren nu hals over kop weer naar de wildernis waren gevlucht.
Zij waren nog in de stad; ja dicht in de nabijheid. Van achter een deur, een wagen, een boom, een kerkmuur, van het platte dak van een winkelhuis, werd plotseling een breedgerande hoed zichtbaar, om even snel te verdwijnen.
Reeds drong er hier en daar een kogel in een zandzak, maar de kogels begonnen dichter te komen, en het schot werd juister.
Een kogel vloog door één der schietgaten en trof den kleinen infanterist, die er juist achter stond. Er werd een klein nietig wondje zichtbaar aan zijn voorhoofd en hij zakte stervend in elkaar.
"'t Is een verdwaalde kogel geweest," zeide de officier, die er bij stond, en om zijn meening kracht bij te zetten, ging hij recht voor het schietgat staan.
Maar hij stond er niet lang; de volgende kogel legde hem tegen den grond.
Neen, die éérste kogel was geen verdwaalde kogel geweest; dat begrepen de Engelschen nu ook. En zij drukten zich tegen den muur, om uit de doodelijke richting der schietgaten te blijven, en de kogels floten er doorheen, dat kalk en steengruis spatten.
De Engelschen lachten niet meer; zij rilden. Zóó'n uitwerking kan een klein stukje blauw lood hebben in den geweerloop van een Boeren-Scherpschutter.
Intusschen was generaal Cronjé met een andere afdeeling Boeren door slooten en tuinen opgerukt in de richting van het kerkhof, om het kamp in bedwang te houden. Twee paarden werden den generaal door Engelsche granaten gedood, maar de wakkere Boeren gaven het niet op, en dekking zoekend achter een boom, een heg, een tuinmuur, een houten schutting, tornde men op tegen den vijand.
Onophoudelijk knalde het geweervuur, en eerst de avond maakte aan den strijd een voorloopig einde. Maar de Boeren legden zich ter ruste met het geweer in den arm, terwijl sterke wachten op de meeste bedreigde punten post vatten.
Reeds vroeg in den volgenden morgen werd het vuur van beide zijden weer opgenomen, en overal ontdekte men de teekenen der verwoesting. De daken werden door de granaten der Engelschen ingeslagen en de muren omgeworpen. Met angstig kloppende harten zaten de inwoners in hunne woningen, ieder oogenblik bevreesd, dat een bom hun woning uit elkander zou slaan. En buiten op de straat lagen de gedoode paarden der Boeren, en hoog in de lucht zwierven, door den reuk aangetrokken, talrijke aasvogels.
Voor het garnizoen van het Gouvernementskantoor begon het er intusschen bedenkelijk uit te zien. De Boeren wonnen voet voor voet terrein, en in den vroegen morgen van den 18den December begonnen hun kogels de tot nog toe veilige achterzijde van het kantoor te bestrijken. Een twintigtal dappere kerels hadden zich namelijk genesteld in de erven achter het kantoor, en Cronjé haastte zich, om hen nog 25 man versterking te zenden, die kruipende door tuinen en boomgaarden heen, onder een hagelslag van vijandelijke kogels het gevechtsterrein gelukkig bereikten.
Hei! Wat de kogels floten! Ze scheurden de spaanders van deuren en ramen, vlogen door de schietgaten heen en kletterden tegen de binnenmuren.
Maar de jonge Jan de Koek zeide: "Dat gaat me nog niet vlug genoeg; _zonder_ kogels zal ik de Roodbaatjes uit hun nest jagen."
Hij nam eenige lange spaansche rieten, maakte ze aan de punt scherp, en wikkelde er wollen lappen om, die met terpentijn waren gedrenkt.
"Kijk," zeide hij triomfantelijk, terwijl hij de lappen aanstak, "dat zijn nu de ware brandassegaaien," en terwijl de Boeren hem met hun geweervuur dekten, sjorde hij in onbegrijpelijke koelbloedigheid, met zijn brandfakkels in de hand, een half vermolmde ladder op.
Reeds had hij de eerste in het rieten dak van het Gouvernementskantoor geworpen, en wilde de tweede nemen, toen een luid en driftig geroep van het kerkplein weerklonk. _De Engelschen hadden de witte vlag geheschen._
In groote spanning wachtten de Boeren het verder verloop, toen bij een der ramen de zandzakken werden verwijderd, en in de gemaakte opening het bekende gelaat van den dapperen Raaff zichtbaar werd.
"Wat," riepen de Boeren, "ben jij daar, Raaffje? En waar is je blekken schotel, man?" en zij schaterlachten.
Maar _hij_ lachte niet, want hij had een slecht geweten, en zijn gelaat stond strak en benauwd. 1)
Majoor Clarke, Raaff en 40 mindere Engelsche militairen werden als gevangenen weggevoerd, en een aantal geweren, benevens een groote voorraad ammunitie en mondvoorraad viel de Boeren, die aan alles gebrek begonnen te krijgen, in handen.
Dat was een goede vangst, en ofschoon de Engelsche kanonnen een vreeselijk geweld maakten, de Boeren hadden schik, en zij schoten victorie.
1) De man trok in 1896 met Cecil Rhodes tegen de Matabelen op, en de assegaai van een kaffer maakte aan zijn roemloos leven een einde.
HOOFDSTUK XV. ------
Er hingen vage geruchten in de lucht, dat er een gevecht had plaats gehad tusschen de Engelsche troepen en een kommando der Boeren.
Deze geruchten namen een bepaalder vorm aan, en er werd gesproken van een grooten slag, waarin de Boeren met bebloede koppen naar huis waren gejaagd.
Ook op het erf van Dirk Kloppers deed dit gerucht zijn intrede. Een kleurling bracht het nieuws mede, en de Kaffers, bij Kloppers in dienst, staken de hoofden bij elkander, en fluisterden elkander het heuchelijke nieuws toe bij het scheren der schapen.
Natuurlijk, het was voor hen een heuchelijk nieuws. Want als de Boeren er onder gingen, dan behoefden zij niet meer te werken, en zouden zij zelf de heeren en de meesters worden.
Het gerucht, want meer was het niet, stichtte weinig goeds. De Kaffers werden nog trager dan gewoonlijk, en uit hun donkere oogen begon duidelijk een geest van onwil en verzet te flikkeren.
Vrouw Kloppers zag het onweer wel broeien, maar zij deed alsof zij niets merkte, en ging kalm haar gang. En tot Arie, die in zijn jeugdigen ijver de zweep had gegrepen met den langen slag van buffelleer, om er de Kaffers mee af te ranselen, had zij gezegd: "Dat heeft nog tijd." En zij had dat op dien eigenaardigen toon gezegd, dien zij bezigde, als zij geen tegenspraak duldde. Arie kende dien toon wel, en zwijgend had hij de zweep weer in den hoek van de keuken gezet. Doch binnen twee dagen kwam reeds de crisis, en vroeg in den morgen kwam de oude Columbus, van wiens trouw vrouw Kloppers zich verzekerd kon houden, in opgewonden toestand naar binnen en zeide: "De knechten willen het vee niet uit de kralen drijven!"
"Zóó," zeide vrouw Kloppers op bedaarden toon; "waar zijn de knechten?"
"Achter 't huis," antwoordde de Zoeloe, maar Arie kon toch niet nalaten te zeggen: "Dat komt er nu van toegeven!"
De oude vrouw stond nu op, en begaf zich, vergezeld van Columbus en Arie, naar het muitende volk.
Er stonden er zeker wel twintig.
Zonder een woord te zeggen, met de handen in de zijde gestut, ging zij vlak voor de Kaffers staan.
"Jaagt het vee uit de kralen," zeide zij eindelijk.
Geen man verroerde zich.
"Jaagt het vee er uit," zeide zij nog eens.
Het bevel had hetzelfde resultaat, en hier en daar hoorde men een grinnikend gelach.
Vrouw Kloppers had het ook gehoord. Langzaam gleden haar grijze oogen van den een op den ander.
Toen verstomde het lachen, maar de jonge, sterke "Amerika," die midden tusschen de anderen stond, keek haar aan met zijn brutale oogen en zeide: "wij jagen jou vee er niet uit -- doe 't zelf!"
Hij was de belhamel, de aanvoerder der muiters; dat was duidelijk. En Arie, die de zaak niet meer vertrouwde, verwijderde zich haastig, om zijn geweer te halen.
"Jij Kaffer zult het ook niet meer doen," zeide ze langzaam, op den haar eigen, beslisten toon. "Van mijn erf! En er nooit meer op!" liet zij er op volgen, haar rechterhand gebiedend uitstrekkend.
Zij begon warm te worden; het Afrikaansche vuur begon te gloeien in die grijze oogen. Neen, zij was niet bang, zelfs voor twintig Kaffers niet. Zij greep den muiter in de borst, rukte hem uit den kring der Kaffers en drukte hem tegen den achtermuur van het huis aan.
Juist kwam Arie aanloopen met het geweer.
"Geef op," zeide zij, en het nemend, legde zij op den Kaffer aan.
"Voor den laatsten keer -- van mijn erf!" riep zij, en onheilspellend flikkerden haar oogen.
Doch de weerbarstigheid van den Kaffer was nu gebroken. Hij was tegen deze oude vrouw niet opgewassen; hij voelde hare meerderheid. Hij viel voor haar op de knieën, strekte zijn zwarte armen smeekend omhoog en riep: "Vergeef het mij; Amerika zal nooit meer weerspannig zijn; nooit meer. Hij zal werken dag en nacht, zomer en winter, als hij maar op Vredenoord mag blijven."
"Ik zal zien, wat ik doen zal," zeide zij langzaam, maar op milder toon.
Toen sprong de jonge Kaffer met een vreugdekreet omhoog, en hij en de andere Kaffers snelden naar de kralen, en joegen het vee naar buiten, en er was geen sprake meer van weerbarstigheid.
Intusschen keek vrouw Kloppers reikhalzend uit naar een brief van haar man, want al schonk zij aan de opduikende geruchten weinig waarde, op haar gemak was zij toch niet. Het was voor haar echter een troost, dat Arie nog niet was vertrokken. De jongen had wel het vaste voornemen gehad, om reeds acht dagen geleden te gaan, maar de onzekerheid, waar hij zijn grootvader moest zoeken, had hem nog aan huis gebannen. Hij moest nu wel, al was het tegen zijn zin, geduld oefenen, tot er tijding kwam.
Op zekeren namiddag, twee dagen vóór nieuwjaar, kwam echter de zoo vurig verbeide tijding in een lijvigen, zwaren brief, die door een gewonden, naar huis keerenden Boer was medegebracht.
De man had er al vast bij gezegd, dat de Engelschen een geducht pak slaag hadden gehad, en dat oom Dirk en Neef Jan het uitstekend maakten.
Vrouw Kloppers plaatste zich aan het open raam, in den leuningstoel, die haar man placht in te nemen, zette de hoornen bril vóór haar oogen en opende het couvert.
En daar had zij nu den langen, grooten brief vóór zich liggen op tafel! Ja, dat waren _zijn_ letters; zoo haalde hij ze. Een vreemdeling zou zeggen, dat die letters geleken op de boomen van een woud, door een plotselingen storm door en over elkander geworpen, maar _zij_ had die letters lief, omdat hij ze had geschreven en door dat labyrint van haken en halen wist zij den weg te vinden zonder te verdwalen.
Zij las den brief eens en nóg eens en nóg eens.
Lena zat naast haar en leunde tegen haar schoot, en Arie had den mond wijd open, opdat hem geen woord zou ontgaan. Maar voorloopig hoorde hij nog niets, en zag hij slechts, hoe Grootmoeder, wanneer haar gerimpelde vinger op zekere plaats van den brief was aangekomen, een paar tranen wegpinkte.
Maar eindelijk kon de jongen zijn ongeduld niet langer bedwingen en hij zeide: "Grootmoeder, ik weet nu, dat Grootvader en Oom Jan nog leven; vertel mij nu als 't u belieft, of Herman Hoogerhuis en de Moorkop ook nog leven; dan weet ik genoeg." Doch de oude vrouw zeide vriendelijk: "Ik zal jou en Lena den geheelen brief voorlezen. Luistert maar!"
En zij begon:
"21 December 1880. Hartelijk geliefde Vrouw!
Ik haast mij, u mede te deelen, dat ik en Jan en Teunis en Herman nog frisch en gezond zijn. Wij zijn gisteren voor den eersten keer in het vuur geweest, en wij hebben ruime stof, om den Heere te danken, want Hij heeft ons wonderbaarlijk geholpen. Wij waren met 300 man onder aanvoering van generaal F. Joubert, en de Engelsche troepen telden ruim 250 man. Zij waren op weg van Lijdenberg, om het Engelsche garnizoen in Pretoria te versterken, maar wij wilden dat niet hebben.
Op ordelijke wijze verwittigde onze generaal aan kolonel Anstruther, die de Engelschen aanvoerde, dat hij terug moest gaan met zijn volk, want anders zouden wij genoodzaakt zijn, op zijn volk te schieten. Maar de kolonel antwoordde, dat zijn instructies luidden, om naar Pretoria te gaan, en dat hij 't doen zou ook. Toen zeide onze generaal tot ons: "Menschen, nu zullen we vechten," en wij vonden dat heel goed. En terwijl de Engelsche muziek hun trotsche volksliederen speelde, stormden wij, onze paarden achterlatende, tot op honderd pas afstand. Wij moesten over de open vlakte heen, terwijl de kogels van den vijand ons als vliegen om de ooren bromden. Jan was aan mijn rechterhand, en Teunis de leeuwenjager aan mijn linkerhand. Teunis zeide: "Neef Dirk, dien hooge dáár op dat zwarte paard, dien zal ik er afhalen. 't Is jammer, dat het paard zoo steigert; ik zal er twee kogels aan moeten wagen." Toen schoot hij de beide loopen van zijn geweer op dien hooge af; het was de kolonel. Toen de kruitdamp door den wind even wegwaaide, zagen wij, dat hij van het paard was gevallen. Ik zocht en vond ook een hooge, maar die was te voet en stond met uitgetrokken sabel vóór de troep. Ik zeide: "Neef Teunis, dat is de mijne."
"Dat is een mooi mikpunt," antwoordde de leeuwenjager, "want de man staat heel bedaard; meer dan één kogel heeft hij niet noodig." Dat is ook uitgekomen. Wij hadden nog geen tien minuten gevochten, of daar zagen wij witte zakdoeken zwaaien en helmen omhoog houden, want de vijand kon het niet uithouden. Toen werd mijn hart vervuld met een groote overwinningsvreugde, Anneke; ik denk een zelfde gevoel als dat de Israeliten bezielde, toen zij de slagorden verbrijzelden der Filistijnen. Wij liepen met gejuich en zoo snel als blesbokken op de Engelschen aan, en hielden onze geweren in de hand, maar toen wij bij de Engelsche troepen aankwamen, toen werd mijn hart zeer geroerd, want wij stonden midden tusschen dooden, gewonden en stervenden. Het was een ontzettend gezicht, lieve vrouw, en ik haastte mij, om hier en daar een zwaargewonde met een teug water te verkwikken. Zóó deden de Boeren allemaal; alle haat en wrok was verdwenen. Onze dappere generaal ging zelf naar den Engelschen kolonel, en vraagde hem, wat hij voor hem doen kon. Die arme menschen! En voor zoo'n slechte zaak hun kostbaar bloed te storten! Ik kwam zelf bij een jong en vriendelijk gezicht voorbij, dat mij zoo klagend aankeek, dat het mij door de ziel sneed. Hij had het benauwd, en ik knoopte hem de roode uniform open, en maakte zijn lippen vochtig met een paar druppels Kaapschen wijn uit mijn veldflesch. Maar ik begreep wel, dat de kogel zijn longen had geraakt, en dat de geleerdste professor hier aan het einde was van zijn kunst. Een papieren couvert lag in de nabijheid, en de gewonde hield een portret in de hand. Ik zag, dat het een vrouw van middelbaren leeftijd voorstelde, en uit de gelaatstrekken bespeurde ik, dat het Zijne moeder moest zijn. Ik had groot medelijden met den armen jongen, en ik dacht: Uw Moeder is ver weg; nu zal ik hare plaats zien in te nemen, en ik stutte zijn stervend hoofd, en in mijn armen gaf hij den geest. En dat heet nu een christennatie, Anneke, die zóó hare kinderen in den dood jaagt. Het was een heel ding, lieve vrouw, om zoo maar tegen de Engelsche bajonetten en kogels in te stormen, maar ik had mij gesterkt in mijn God. Het is zoo als de psalmdichter zegt: "Met U loop ik door eene bende, en met mijnen God spring ik over eenen muur." En Hij heeft ons wonderlijk, wonderlijk geholpen. Wij hadden slechts twee dooden, en onze harten zijn vol lof en dank. De Heere vervulde onze harten met moed en dapperheid, en er was niets tegen ons bestand. Jou jongen, jou Benjamin, Anneke, heeft ook dapper gevochten. Hij gedroeg zich als iemand, die grijs is geworden in het oorlogsgewoel. Hij mikte even bedaard als ik en de leeuwenjager. Herman heeft zich ook flink gehouden, maar hij schoot te gauw. Ik zeg: Neef, den haan overtrekken, dat kan een klein kind wel, maar raken, raken, daar komt het op aan. Maar hij houdt stijf en plechtig vol, dat hij ook een roodbaatje heeft doodgeschoten. In elk geval, er zit hart in den jongen; hij is van het echte ras. Na het gevecht zeide Jan tegen mij: "Kijk, vader, die roodbaatjes hebben mij geteekend," en hij liet mij zijn oor zien. Er was waarlijk een stuk van zijn oor afgeschoten. Dus de dood is rakelings langs ons kind heengegaan, lieve vrouw, en gij kunt denken, dat mijn dank tot den Heere groot en innig is. Misschien hebben de gebeden van de moeder de kogel uit de doodelijke richting gestooten. Wij trekken nu voorloopig naar het lager te Heidelberg, en vervolgens waarschijnlijk naar de passen van het Drakengebergte, want daar zal de beslissing moeten vallen. Moge de Heere ons verder genadiglijk bijstaan; dan zullen wij zeker overwinnen. Groet de kleinkinderen en verder alle vrienden en kennissen en schrijf ook eens gauw. Er zal wel gelegenheid zijn met deze of gene, die naar het oorlogsveld gaat, een brief mede te geven. Ik hoop, dat Gij, lieve vrouw, dezen brief in goeden welstand mogt ontvangen, en dat wij elkander eerlang weer mogen ontmoeten. Dan zal ik u veel, veel te vertellen hebben. Deze brief heeft langer geduurd dan het gevecht bij Bronkhorstspruit; ik heb nog nooit zoo'n langen brief geschreven.
_Uw liefhebbende Man_ DIRK KLOPPERS.
P.S. Jan zal er ook nog een paar woorden bijvoegen."
Onder de wonderlijk door elkander heen gehaalde pennestreken van den ouden Kloppers volgde nu in kloek, flink schrift het volgende:
"Geliefde Moeder!