De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81
Part 8
Een woesten zegekreet slakend, kwam de Zoeloe nu aanhollen, maar Arie stapte, met het geweer in de hand, kalm en bedaard op het geschoten beest af.
Doch zijn oogen tintelden van voldoening.
"Ouwe Columbus," zeide hij, "gij krijgt een knappen baas; hij schiet zoo maar een hert, dat de haren er afstuiven."
"Ja," zeide Columbus, "gij wordt een knappe baas," maar naar de verte turend, waar een groep boomen stond, riep hij, niet weinig ontsteld: "En daar komt nog een knappe baas aanstappen, baassie!"
Arie volgde de richting van Columbus' uitgestrekten arm en verbleekte. Hij vluchtte achter een boom, en de Zoeloe volgde zijn voorbeeld.
Die knappe baas was een leeuw.
Bedaard stapte de koning der dieren voort, tot hij het geschoten hert had bereikt. Hij besnuffelde het en sloeg er zijn tanden in. En hij scheurde er lappen vleesch af, want hij had honger.
Arie zag, hoe hij zijn muil aflikte; dat versche vleesch beviel hem uitstekend.
Bij den jongen was nu de eerste schrik voorbij, en hij dacht: "Zie, hij doet net, of _hij_ het hert heeft geschoten," en hij wenkte den Zoeloe.
"Kijk, ouwe Columbus," fluisterde hij, "dat ondier vreet mijn hert op, dat _ik_ geschoten heb, en dat is voor een fatsoenlijk mensch onverdragelijk. Besluip jij nou den leeuw van voren, en ik zal hem van achteren besluipen. Zal je niet wegloopen, ouwe Columbus, als de ouwe begint te brullen?"
"Neen," zeide de Zoeloe, "ik zal niet wegloopen, en ik zal den leeuw voor baassie schieten."
"En als gij misschiet, ouwe Columbus?"
"Ik zal eerder mijn baassie aanzien voor een eendvogel, dan dat ik misschiet."
Nu gingen beiden aan het werk, om hun vijand, die zijn middagmaal bedaard naar binnen sloeg, van twee kanten te naderen.
Columbus nam zijn geweer en schoot, zonder te raken.
"Ik dacht het wel," mompelde Arie; "de Kaffers schieten altijd te hoog."
Dreigend schudde de leeuw zijn vorstelijke manen, en rende op zijn aanvaller af. Deze greep in zijn angst een zwaren klipsteen, om er den kop van zijn geluchten tegenstander mee te verbrijzelen, maar hij struikelde over een klip en viel.
De leeuw was nu vlak bij, en besnuffelde hem van de voeten tot het hoofd. En hij begon het achterhoofd van den Kaffer te likken, zooals de kat de muis likt.
Maar Columbus, die gedurende het besnuffelen onbewegelijk als een doode plat tegen den grond had gelegen, kon dit likken niet uitstaan.
"Zeg, leelijk ding," riep hij in zijn verbouwereerdheid, "blijf met jouw viezen bek van mijn kop," en hij greep een hoop mul zand en wierp het den leeuw in de oogen.
Hij had den leeuw letterlijk blind gegooid, en het monster trachtte de oogen met de pooten schoon te wrijven. Ware de toestand niet zoo hachelijk geweest, dan had men er om moeten lachen, doch nu was het waarlijk geen tijd, om te lachen.
Arie stond achter den boom en zag alles. Hij nam het geweer, mikte en schoot. Maar slechts het kruit ontplofte met een zwakken knal; Arie, die het hert had geschoten, had vergeten, op nieuw te laden.
De leeuw, die thans weer uit zijn oogen kon zien, verdacht den Kaffer van den knal, en naderde hem op nieuw. Hij zweepte met zijn staart het droge zand, zoodat het opdwarrelde als een stofwolk, en zijn gebrul rolde als een donderslag over het veld.
Arie beefde er van, en Columbus trok den versleten demi-saison, dien hij eens van een zendeling had gekregen, zoo goed als het ging over zijn ooren, om het geluid niet te hooren.
De leeuw sperde intusschen zijn vreeselijken muil op, om er het hoofd van den Zoeloe-Kaffer mee te omvatten.
Met ingehouden adem, terwijl hij snel laadde, zag Arie het aan.
Elk oogenblik verwachtte hij, dat de leeuw den ongelukkige het hoofd van den romp zou scheuren.
Maar 't gebeurde nog niet.
"O ouwe Columbus," zeide Arie in zich zelve, "misschien, dat jouw groote kop, die zoo hard is als een klipsteen, jouw behoud is."
Werkelijk scheen het zoo; de leeuw ging een paar passen terug. De Kaffer gaf geen geluid, en de leeuw liet een gebrul hooren, dat hem het bloed in de aderen stolde.
Maar Arie legde aan en drukte af. Toen verstomde het gebrul, en met den doodelijken kogel tusschen de bladen, stortte de leeuw dood neer.
De Kaffer was gered.
"O ouwe Columbus," riep de jongen met van vreugde-stralend gelaat, "daar had de leeuw je bijna opgepeuzeld."
"Ja, baassie," zeide Columbus, "dat zou wel gebeurd zijn, als baassie niet zoo'n knappe scherpschutter was. En nu zullen we het beest de huid afstroopen, baassie."
Het was laat in den avond, toen Arie met Columbus thuis kwam.
Zijn grootmoeder stond met een strak gelaat over de onderdeur te kijken, en Lena leunde droevig tegen den muur.
"De Engelsche soldaten zijn van daag gekomen," zeide zij klagend, "en hebben twaalf paarden en zestig koeien en ossen meegenomen."
"Die dieven!" riep Arie verschrikt en vertoornd, en Columbus sloeg van verbazing zijn lange armen in de hoogte.
"Kees Botter was hun gids," vervolgde het blinde meisje; "en ze hebben Geertje, onze beste melkkoe, ook mede genomen."
Maar de oude vrouw klemde de lippen op elkaar, en sloot zwijgend de bovendeur.
1) Jonge, kleine baas. 2) Zie "Helden van Zuid-Afrika," pag. 130.
HOOFDSTUK XIII. ------
Reeds vroeg in den volgenden morgen was Arie opgestaan. Hij had slecht en onrustig geslapen. En in zijn woeste droomen had hij geworsteld met de Engelsche roovers, die de paarden en de koeien stalen van zijn grootvader. En Columbus had hem trouw bijgestaan. Maar de overmacht was te groot, en zij hakten Columbus het groote hoofd af. En toen hadden zij hem, Arie, gegrepen, en ofschoon hij als een wanhopige had geschopt en getrapt, had hij er toch aan moeten gelooven, en zij hadden hem achter het huis gesleept, en in den mestput gegooid.
Maar toen was hij wakker geworden en had bemerkt, dat hij uit de houten bedstee was gerold.
Hij kleedde zich aan. Van de grijspillowsche broek waren de pijpen, van het wambuis de mouwen veel te kort. Dat kwam, doordat hij overal uitgroeide. Nu ging hij naar het ruime achterhuis, nam een emmer water en wiesch zich met de onstuimigheid van een waterval.
Het was nu dag, en door de scheuren en de spleten van den muur viel de dageraad in volle lichtbundels naar binnen.
In het woonvertrek was vrouw Kloppers bezig, koffie te zetten. Arie ging naast haar zitten en zeide: "Grootmoeder, ge moet je dat maar niet aantrekken van de paarden en koeien; dat komt terecht."
"Dat is ook waarlijk het ergste niet," zeide vrouw Kloppers, die aan haar man dacht en aan haar zoon.
"Dat komt terecht," zeide de jongen nog eens, terwijl hij zich een kop koffie inschonk, en het harde, bruine brood, dat zijn grootmoeder vóór hem had neergezet, tusschen zijn jonge, sterke tanden nam.
Na het ontbijt ging Arie naar den boomgaard en zette zich neder in de schaduw van een abrikozenboom.
"Zoo," zeide Columbus, die voorbij kwam, met eenige droge huiden op den rug, "zit je daar naar de lucht te kijken, baassie?"
"Neen, ik zit naar den grond te kijken, ouwe Columbus."
"Zoo," zeide de Kaffer, zijn weg vervolgend.
"Hoor eens, Kaffer!" riep Arie.
Columbus keerde onmiddellijk terug, nieuwsgierig, wat zijn jonge baas te zeggen had.
"Zeg, houd je veel van de Engelschen?"
"Dat weet ik niet," zeide de Kaffer.
"Ouwe Columbus, je moet me helpen, hoor!"
"Waarmee, baassie?"
"Ik moet een Engelsch paard en een Engelsch geweer zien machtig te worden -- hoe leg ik dat aan?"
"Dat weet ik niet," zeide de Kaffer, met de zwarte handen nadenkend door zijn kroeshaar strijkend, "dat weet ik waarlijk niet."
"Dus je denkt, dat ik geen Engelschman aan durf?" zeide Arie ietwat geprikkeld, terwijl hij opstond en zich uitrekte.
"Baassie," antwoordde de Zoeloe, "hij, die binnen een uur tijds een hert en een leeuw doodschiet, behoeft voor geen Engelschman op zij te gaan."
"Dat meen ik ook," zeide de jongen, niet weinig gestreeld.
"Hoor eens hier, Columbus," ging hij voort op vertrouwelijken toon, "zóó kan 't niet langer. De Engelschen stelen als raven. Daar moet een eind aan komen. Ik ga vechten, wis en zeker. Maar als ik geen Engelsch paard en geen Engelsch geweer machtig word, dan wil Grootvader mij niet zien. Nu vraag ik jou nog eens: Hoe kom ik er aan? Als jij mij raad geeft, dan sta je in mijn gunst zoo vast als een boom."
Arie ging nu weer zitten, en Columbus zette zich naast hem. De zaak kreeg voor hem zelf een ernstige beteekenis. Hij stutte het hoofd met zijn groote handen, net als zijn baassie, en tuurde strak naar den grond.
"Maar jij behoeft me niet na te apen," zeide Arie driftig; "dat helpt niemendal."
"Neen, baassie," zeide Columbus, en zich op zijn breeden rug werpend, keek hij in de lucht.
"Baassie," zeide hij eindelijk, "kan je schrijven?"
"Niet al te best," antwoordde Arie met een zucht.
"Dat is jammer," zeide Columbus ernstig.
"Waarom jammer?"
"Wel, dan kon baassie aan den Engelschen generaal per brief vragen, hoeveel hij voor een paard en een geweer vraagt, en ik zou den brief wel bezorgen. -- Maar 't zal wel niet uithalen," liet hij er mismoedig op volgen, toen hij al weer een nieuwe donderbui op het gelaat van zijn jongen meester zag opkomen.
"Neen, dat zal zeker niet uithalen, domkop," zeide Arie toornig.
Nu volgde er een nieuwe pauze, maar plotseling snelde de Kaffer omhoog. Hij zwaaide met armen en beenen, en begon druk, onder levendige gebaren, met zijn meester te praten.
Wat hij zeide, scheen blijkbaar in goede aarde te vallen, want Arie knikte herhaaldelijk zeer vergenoegd, en wreef zich de handen van plezier.
"Wat moet er gebeuren?" vraagde vrouw Kloppers, toen haar kleinzoon kwam binnenstormen.
"Ik zeg niets," antwoordde hij geheimzinnig, maar hij was opgeruimd.
"Ik begrijp je niet," zeide zijn grootmoeder.
"Later zul je 't vernemen," zeide hij.
"Je bent een vreemd kind," zeide zij.
"Ik _ben_ geen kind," zeide hij; "je zult van me hooren."
Ga op dezen, met struikgewas begroeiden heuvel staan. Ge hebt nu een ruimen blik over de onmetelijke golvende wildernis. Het breede, gele, zanderige spoor, dat er zich als een reuzenslang doorheen kronkelt, is het transportpad. 1)
Het pad loopt tot vlak tegen den heuvel aan, en splitst zich hier in twee wegen, die rechts en links gaan.
Op dezen driesprong houdt Columbus, die zijn jongen baas tot gids dient, den teugel in van zijn paard en stijgt uit het zaâl.
"Hier moeten ze voorbij komen," zegt de Kaffer met gewichtige houding; "hier heb ik ze heen zien komen. En ginds in dat bosch rechts gaan ze pleisteren."
"Goed," zegt Arie, die ook uit het zaâl is gesprongen. "Ga jij nou met de paarden achter de doornstruiken ginds, opdat men jou van het transportpad af niet kan zien. Laat jou geweer ook hier, want ik heb het misschien wel noodig. En ik zal hier de wacht houden!"
"Als je hulp noodig hebt, dan fluit je maar, baassie!" zegt de trouwe Zoeloe; "voor mijn jongen baas waag ik mijn kop."
Arie knikt, en terwijl Columbus zich verwijdert met de van zweet druipende paarden, verbergt de jongen zich in het struikgewas op den heuvel, geduldig wachtend op het paard en het geweer, dat hij moet bezitten, om mee te mogen in den oorlog.
Hij kan van hier uit het transportpad met zijn scherpe oogen tot aan den horizon bestrijken.
Het is nu middag, en loodrecht, brandend en gloeiend vallen de zonnestralen op het versmachtend aardrijk. Twee grijze wolkjes hangen als schaduwen aan den diepblauwen Afrikaanschen hemel, en onbewegelijk, door geen windje bewogen, staan de spichtige, harde grashalmen.
In de nabijheid van het transportpad, bij den driesprong, ligt een doode os. Hij is, bij het trekken van den zwaren wagen, vermoedelijk van honger en dorst bezweken en toen achtergebleven.
Een troep gieren, de doodgravers der Afrikaansche wildernissen, hebben zich op zijn romp gezet, en scheuren het beest met klauw en snavel het vleesch van de harde knoken. Zij betwisten elkander de stukken, en hun schor en brutaal gekrijsch klinkt akelig door de stilte.
Doch overigens ligt het transportpad daar doodsch, eenzaam en verlaten.
Reeds een uur heeft Arie op de loer gelegen en nog niets ontdekt.
Hij verkwikt zich met een teug Kaapschen wijn uit de veldflesch, neemt een stuk biltong en veegt zich het zweet van het gelaat.
"O ouwe Columbus," denkt hij, "als je 't weer eens mis hadt!"
Hij staart naar het transportpad -- en dáár -- daar ziet hij een stofwolk oprijzen.
"'t Was niks!" zegt hij even later teleurgesteld tot zich zelven.
De plotselinge stofwolk, die omhoog wervelt alsof ze door een windhoos is opgepakt, wordt veroorzaakt door een dicht ineengedrongen kudde slanke blesbokken, die als een groote schaduw dwars over het transportpad door het onmetelijk grasveld rent.
Met bewonderenswaardig geduld houdt Arie keep. Het is nog stiller dan daar straks, want het gekrijsch der gieren is verstomd.
Toen het maal was afgeloopen, hebben zij hun zware vleugels uitgeslagen en zijn weggevlogen, om de schaduw der boomen op te zoeken.
Er verloopt weer een half uur -- nog een half uur -- "O ouwe Columbus," mompelt Arie, "wee je gebeente, als niet uitkomt, wat je gezegd hebt."
Maar zie daar -- ver aan den horizon word een stofwolk zichtbaar. Er is geen twijfel aan -- het is een stofwolk.
Als een zucht van verlichting komt het uit Arie's borst, al begint zijn hart sneller te kloppen.
Met strak gelaat en uitgerekten hals staart hij naar de verte, wel een kwartier lang, maar dan schudt hij mismoedig het hoofd en zegt ontstemd: "'t Is een ossenwagen wat heb ik aan een ossenwagen?"
Hotsend, stootend, rammelend nadert de volgeladen wagen, en het geknal der lange zweep, de kommando's van den blanken voerman en het geschreeuw der bijloopende Kaffers verbreekt de stilte der wildernis.
Reeds kan Arie de acht juk bruine ossen onderscheiden, die den sterken wagen langzaam voorttrekken, en met hun stampende pooten dichte stofwolken omhoog werpen.
Nog een kwartier houdt de jongen stand op zijn observatiepost, maar dan is het ook gedaan met zijn geduld. Hij staat op, steekt twee vingers in den mond en fluit lang en driftig.
Met de snelheid van een hert komt de Zoeloe aanrennen; in de verte grazen de gekluisterde paarden.
"Nou," zegt Arie op luiden, toornigen toon, "waar blijven jouw Engelschen nou? Ik lig me daar van ongeduld de lever op te eten in de doornstruiken, uren achtereen, en wat heb ik gezien? Het kreng van een beest, een hoop blesbokken en een hotsenden ossenwagen!"
"Baassie," zegt Columbus gedwee, "ik zal eens kijken!"
"Ja, doe dat eens," zegt Arie spottend.
Columbus gaat boven op den top van den heuvel staan en tuurt naar den horizon.
"Nou, zie je niets?" vraagt de jongen, maar de Zoeloe hoort die vraag niet eens. Hij verroert zich niet. Al zijn aandacht is op de verte gericht.
Er volgt een pauze van zeker tien minuten, tot de Zoeloe plotseling roept: "Ik zie een stofwolkje, baassie, een heel klein stofwolkje."
Arie is onmiddellijk aan zijn zijde.
"Wat denk je van dat stofwolkje, ouwe Columbus?" vraagt de jongen in spanning.
"Wat ik daarvan denk, baassie?" zegt de Kaffer. "Wacht nog een oogenblik, en wij weten 't."
Het kleine stofwolkje wordt intusschen allengs grooter en nadert tamelijk snel.
In klimmende opwinding staart Arie, de hand boven de oogen, vooruit. Nu en dan blinkt en fonkelt het door die naderende stofwolk heen.
"Achter deze doornstruiken!" roept Arie; "gauw!"
Nu zijn zij door het struikgewas gedekt.
"Ziet baassie nu ook," zegt de Zoeloe, "dat ik het niet mis heb gehad? Kunt gij de blauwe uniformen niet onderscheiden van die twee Engelsche huzaren?"
"Ouwe Columbus is nog zoo dom niet," voegt hij er tevreden aan toe.
Maar Arie hoort de laatste woorden niet eens; zijn hart bonst alsof het bersten zou. Hij ziet het gevaar, waaraan hij zich waagt, maar dat hij het nochthans waagt, pleit voor zijn _moed_.
"Ouwe Columbus," zegt hij, "dus in dat boschje daar rechts gaan ze pleisteren?"
"Ja baassie," zegt de aangesprokene.
"Luister dan goed," vervolgt de jongen. "Ik sluip de huzaren na, en gij volgt mij op eenigen afstand. Ge moet het voorzichtig doen, als de slangen van Zoeloe-land, Columbus."
"Laat dat maar aan mij over," meent Columbus.
"Als ik in de knoei raak, dan zal ik fluiten, en gij komt mij te hulp -- kan ik daarop rekenen?"
"Ja," zegt de Zoeloe. Zijn oogen beginnen te schitteren en te stralen, en in dat licht wordt het breed, hoekig, zwart gelaat bijna schoon.
"Voor zijn baassie gaat de ouwe Columbus in den dood."
Arie zelf is getroffen door deze groote, zeldzame trouw. "Ouwe Columbus," zegt hij hartelijk, "ik vertrouw op jou."
De huzaren, die tot nog toe op een draf reden, halen den teugel van hun moede paarden in en laten ze stappen. Zij zijn nu dichtbij; Arie kan hun gesprek verstaan.
De ruiter rechts, de grootste, een stevige kerel, is een wachtmeester; de andere een gewoon huzaar.
"Ik stik van dorst," zegt de wachtmeester verdrietig.
"'t Is hier om te braden," zegt de huzaar.
"'t Is een hondenbaantje, om die rapporten over te brengen door zoo'n kale, gloeiende woestijn," zegt de wachtmeester.
"Ginds hebben we ons bosch; daar kunnen we weer uitblazen," zegt de huzaar op vroolijken toon.
"Ja, die schaduw zal ons opknappen -- heb je nog wat in je veldflesch?"
De huzaar houdt de veldflesch omhoog.
"Er zit niet veel meer in, wachtmeester, maar toch nog wel een paar slokken."
"Mooi," zegt de wachtmeester, "een slok brandewijn is goed bij die hitte," en de veldflesch overnemend, doet hij een flinken teug.
De ruiters hebben thans den driesprong achter den rug, en zijn den weg rechts ingeslagen. De dorstige paarden beginnen weer te draven, want zij ruiken het water in de verte.
In het lange Tamboeki-gras ontstaat een golvende beweging. In gebukte houding stormt een jongen de huzaren na. Hij heeft een geweer over den schouder en in zijn rechterhand nog een geweer. In de linkerhand houdt hij den breedgeranden hoed, opdat die hem niet verlaten zal.
Die jongen is Arie.
Het zweet loopt tappelings over zijn gelaat, en hij hijgt naar adem.
Toch houdt hij vol. Ik geloof, dat hij vol zou gehouden hebben, totdat hij er dood bij was neergevallen. Maar tot dit uiterste komt het gelukkig niet. Wel hebben de huzaren een voorsprong, maar dat hindert niet, want zij hebben het bosch reeds bereikt en springen uit het zaâl.
Dicht bij is een groote waterpoel. Zij leiden hun paarden bij den teugel en drenken ze. In lange, gulzige teugen drinken de dieren het drabbige water.
Nu nemen de huzaren een paar lange helsters, en binden hun paarden vast aan een boom, aan den rand van het bosch. De hongerige dieren grazen het gras af, dat zij kunnen bereiken.
Zelf gaan de ruiters eenige schreden verder het bosch in, en zetten zich neder onder een hoogen eik, die een breede, koele schaduw werpt.
Hun karabijnen en patroontasschen leggen zij naast zich.
Op eenigen afstand stroomt een kleine beek. Zij hooren het bruischen van haar water over de steile klippen.
"Dat water zal lekkerder zijn dan het zeepsop uit dien poel," zegt de wachtmeester; "ik ga eens drinken."
De huzaar gaat ook mee. De wachtmeester kijkt nog even om naar de karabijnen.
"Die liggen daar veilig," zegt hij. "Trouwens ik zal ze wel in de gaten houden."
"De aasvogels zullen ze niet stelen," zegt de huzaar; "en de Boeren zullen er wel afblijven."
"Neen, dat vee van Laban zal ons geen kwaad doen," zegt de wachtmeester lachend en hij rekt zijn forsche leden.
Zij hebben spoedig de beek bereikt, en verfrisschen zich aan het koele, heldere water.
Van het groot en vreeselijk gevaar, dat hen bedreigt, hebben zij niet het minste vermoeden. Zij zien het fonkelen van die twee jonge oogen niet -- daar achter den doornstruik -- dicht bij den hoogen eik, waar de geladen karabijnen en de patroontasschen liggen.
"Geef mij die veldflesch nog eens," zegt de wachtmeester.
[Illustratie: Arie en de Engelsche Huzaren. TRESLING & Co. HOF LITH. AMSTERDAM.]
Hij doet er nog een hartigen teug uit; vervolgens bukt hij zich en lengt ze aan met water.
Nu kijkt hij op zijn horloge.
"Al vier uur," roept hij; "nou, we moeten ons haasten!"
Hij wendt zich naar den hoogen eik; de huzaar volgt hem.
Maar Arie is hen voor.
Hij doet een sprong als een jonge panter, die voor den eersten keer zijn prooi bespringt.
"Daar heb je 't al," zegt de wachtmeester met een vloek; "nu wordt het mooi!"
"Terug!" roept Arie, terwijl hij den loop van zijn pangeweer dreigend op de Engelschen richt. Columbus' geweer ligt naast hem.
Maar de wachtmeester is niet zoo licht verschrokken. Hij is in moeilijker posities geweest dan van daag, en hij draagt het ridderlint voor moed en beleid op de borst. Hij heeft tegenover geduchter vijanden gestaan dan tegenover dezen knaap, en toch heeft hij zich nog altoos door een snel en stoutmoedig optreden gered.
De gedachte, om paard en wapen in den steek te laten en te vluchten, komt niet bij hem op.
Hij trekt den sabel en stormt vooruit.
"Terug," waarschuwt de jongen nog eens, "of ik schiet je zoo zeker dood als ik dit geweer in mijn handen heb."
"Omlaag je wapen!" roept de wachtmeester met dreunende stem.
Tot op zeven pas afstands is hij gekomen -- daar gaat het schot....
De Engelschman steigert omhoog als een wild geworden paard; dan slaat hij voorover -- dood....
"Hij heeft niet anders gewild," mompelt de jongen. Dan grijpt hij het andere geweer.
Daar kraakt het in het struikgewas, en als een hert, dat door de bosschen heenbreekt, zoo komt Columbus aangestormd. In drie sprongen staat de trouwe knecht naast zijn jongen meester, maar de huzaar, die den wachtmeester volgde, heeft er genoeg van. Hij zet het op een loopen, en vlucht dieper het bosch in.
Met bewonderende blikken hangt Columbus aan zijn jongen meester. "O baassie," zegt hij, "gij wordt een knap schutter, en gij zult de roodbaatjes schieten als boschduiven!"
Het was nacht, toen Arie en Columbus met de buitgemaakte paarden en wapenen thuis kwamen.
Arie begaf zich naar zijn grootmoeder, die reeds te bed lag, en zeide met de stem van een overwinnaar: "Grootvader stelde als voorwaarde één Engelsch paard en één Engelsch geweer, maar ik heb twee Engelsche paarden en twee Engelsche geweren veroverd. Nu, Grootmoeder, wel te rusten, morgen trek ik naar het oorlogsveld!"
1) Heirweg.
HOOFDSTUK XIV. ------
Potchefstroom, dus genaamd naar haar stichter, den voorman Hendrik Potgieter, is schilderachtig gelegen aan de Mooirivier, in het zuiden des lands.
De plaats is met bizondere zorg aangelegd, en heeft elkander rechthoekig snijdende straten, die op een groot plein, het kerkplein, uitloopen. De ongeplaveide straten worden bij regenweer in modderpoelen herschapen, doch de Boeren malen er niet om, en zij stappen er door heen, dat hen het slijk om de ooren spat.
De straten zijn beplant met boomen, die in het warme jaargetijde een verkwikkende schaduw spreiden voor den wandelaar, en langs den kant loopen de open waterleidingen uit de Mooi-rivier.
De huizen zijn laag; slechts één verdieping hoog. Zij zijn wit aangestreken en voorzien van platte daken.
Ten tijde van ons verhaal telt Potchefstroom 2000 inwoners, (waarvan de helft in Europa is geboren,) waaronder vele kooplui, die een drukken handel drijven op het binnenland.
En deze kooplui zijn voorzichtige menschen; daarom zijn zij ook Engelsch gezind.
Natuurlijk, dat is het veiligste. Niet alleen, dat de militaire macht het Gouvernementskantoor, den Boerenwinkel en de Gevangenis in kleine forten heeft herschapen, dicht in de nabijheid der stad is het Engelsche kamp met 400 soldaten en de noodige kanonnen opgeslagen.
Het was in den middag van 15 December, en loodrecht vielen de brandende zonnestralen op het stille Potchefstroom. De burgers zaten nog aan tafel en droomden van geen onheil, toen het plotselinge geroep: "Daar komen de Boeren aan!" het kalme stadje met schrik vervulde.