De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81
Part 7
De majoor en de sergeant hadden echter ieder hun eigen gedachten, en zwijgend sprongen zij op hun paarden, die op eenigen afstand waren vast gebonden.
"Als de andere Boeren van _dat_ slag zijn," zeide de officier nadenkelijk, en hij wees met den vinger achteruit, "dan zijn we nog niet zoo gauw klaar."
"Ze schijnen door den duivel bezeten," antwoordde de sergeant, en hij draaide zenuwachtig aan zijn grijze knevels.
Ook Arie had zijn eigen gedachten. "Wat een mooie gelegenheid was het geweest," dacht hij bij zich zelve, "om een Engelsch paard en een Engelsch wapen machtig te worden, maar die kans is van daag verkeken."
Vol vreeze was het blinde meisje. "Ach Grootvader," zuchtte zij, "die Botter zal zich vreeselijk op u wreken."
Maar hij schudde zijn grijze lokken en antwoordde: "De Heere, die mij heeft bewaard voor den assegaai van den Kaffer, voor den kogel van den Engelschman en voor den klauw van het wild gedierte, is machtig genoeg, mij ook te bewaren voor den zwakken arm van dien knaap."
"Maar gij hebt je gedragen als een heldin," liet hij er op volgen, en hij legde zijn hand liefdevol op haar hoofd.
En met snelleren stap schreed hij, de blinde Lena aan de hand en Jan en Arie achter zich, naar de eenzame hoeve, waar zijn vrouw de komenden met pijnlijk ongeduld verbeidde.
HOOFDSTUK XI. ------
't Is nog nacht, doch in het oosten begint het te schemeren. En helder blinkt de morgenster boven de eenzame woning van Dirk Kloppers. In het achterhuis, in den stal heerscht groote beweging. Deuren worden dicht en opengeslagen; luid blaffen de groote waakhonden, en slaapdronken Kaffers zijn bezig, bij het sombere schijnsel van een vetkaars, vastgezet in een gebeukte, blekken lantaarn, eenige rijpaarden naar buiten te leiden.
In het voorvertrek, aan de eikenhouten tafel, zit het huisgezin van Dirk Kloppers aan het ontbijt.
In den hoek staan een viertal geweren, en daarnaast, op een bruingeverfde kist, zijn eenige bandelieren neergelegd.
Tegenover Dirk Kloppers zit, met de walmende olielamp tusschen beide, zijn huisvrouw. Naast den huisvader heeft zijn vriend, de leeuwenjager, zwijgend plaats genomen. En in de schaduw zitten Jan, Arie, Lena en Herman Hoogerhuis.
Er wordt weinig gegeten; het brood, met het fijne schapevleesch, smaakt heden morgen niet.
Er wordt evenmin veel gesproken. Ieder is met zijn eigen, ernstige gedachten vervuld, en zelfs de bruine oogen van den Hollander staan droef en weemoedig. Als een berg drukt het naderend afscheid op aller gemoed.
Thans neemt de oude Kloppers den zwaren, met koperen beslag belegden Staten-bijbel en leest met langzame, duidelijke maar bewogen stem:
"Een lied Hammâaloth.
Die op den Heere vertrouwen, zijn als de berg Zion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.
Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzoo is de Heere rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid.
Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen, opdat de rechtvaardigen hunne handen niet uitstrekken tot onrecht.
Heere! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hunne harten.
Maar die zich neigen tot hunne kromme wegen, die zal de Heere weg doen gaan met de werken der ongerechtigheid. Vrede zal over Israël zijn!"
En hoor, nu zingen zij te samen het 3de vers van den 17den Psalm:
"Ik zet mijn treden in uw spoor. Opdat mijn voet niet uit zou glijden; Wil mij voor struikelen bevrijden. En ga mij met uw peillicht voor. Ik roep U aan; 'k blijf op U wachten, Omdat G', o God! mij altoos redt; Ai! luister dan naar mijn gebed, En neig Uw ooren tot mijn klachten!"
En nu knielt de kleine gemeente neer, en de huisvader gaat voor in het gebed. Het is geen lang, maar een krachtig, aangrijpend gebed.
In dit gebed smeekt de grijze Voortrekker, met belijdenis van de schulden en zonden des volks, dat de Almachtige de wapenen der Boeren moge zegenen; dat Hij, nu de weerbare mannen naar het oorlogsveld trekken, zich, als de bergen rondom Jeruzalem, moge legeren rondom de achterblijvende vrouwen en kinderen; dat Hij den strik moge breken, waarin zij gevangen zitten, en dat zij met gejuich mogen wederkeeren uit den strijd!
Hij bidt ook voor de vijanden van zijn volk, en hij smeekt zijn God, dat Hij hen om Christus wil een inzien moge geven in het groote kwaad, dat zij bedrijven, door een klein en aemechtig volk op het hart te trappen, opdat de zware bloedschuld, die zij over hun zielen gaan halen, hen niet vertere, hen noch hunne kinderen!
Lodewijk Jansen, Kloppers' zwager, zou _dat_ niet hebben gedaan: _bidden_ voor den Engelschman.
"Wat," zou hij hebben gezegd, "zal ik bidden voor den Engelschman? Neen, dat doe ik nooit! Roepen Engelands ongerechtigheden niet tot God om wraak? Komt het niet met paarden en wagenen en kanonnen, om een klein volk te knechten? Wordt de man niet uit de armen van zijn vrouw, en de zoon niet uit de armen zijner moeder gescheurd, om neergelegd te worden door het Engelsche lood? En zijn nù reeds geen Engelsche agenten bezig, om de honderdduizenden Kaffers in de Transvaal op te ruien? En zijn die Kaffers, sterk door Engelands geheimen steun, niet van plan, om bij de éérste nederlaag der Boeren hun achtergebleven vrouwen en kinderen aan de assegaai te rijgen?"
En zou hij voor deze menschen bidden, die _christenen_ heeten, maar door _heidenen_ worden beschaamd? Neen, waarlijk niet! Het vuur des hemels zou hij over hunne hoofden willen inroepen en de wraak des Almachtigen!
Doch Kloppers is milder dan Lodewijk Jansen. Hij is even kloek in het veld als laatstgenoemde, en de scherpste doorntak is hem niet te scherp, om er een verrader mee te tuchtigen, maar hij placht te zeggen: "Jezus is voor mij, toen ik zijn vijand was, in den dood gegaan -- zou ik dan niet voor mijn vijanden bidden?"
Er is niemand van het gezelschap, die het gebed van den ouden Kloppers hartelijker nabidt dan de blinde Lena. Zij kan voor het volk, dat zij liefheeft, zoo weinig doen, doch met haar blinde oogen grijpt zij het machtigste wapen -- het gebed.
Nu worden de laatste toebereidselen voor den tocht gereed gemaakt; de bandelier gevuld met scherpe patronen, het zakje van bokkevel vol geladen met gemalen koffie, en biltong noch tabak vergeten.
De Kaffers brengen de paarden voor; Columbus houdt den Moorkop, die driftig op de stalen stang bijt, bij den teugel.
De walmende olielamp wordt nu uitgeblazen; reeds valt het matte schijnsel der morgenschemering in het vertrek.
Elk oogenblik kunnen nu de andere Boeren komen, in wier gezelschap men mede zal trekken naar het oorlogstooneel. Lena staat op, want zij hoort reeds den snel naderenden hoefslag van vele paarden. Zij gaat ter zijde staan, in een hoek van het woonvertrek.
Zij hoort nu, dat de ruiters van hun paarden springen; zij hoort hun mannelijken stap, hun morgengroet, nu zij de woning binnentreden. Zij hoort het rinkelen der sporen aan hun laarzen, en het dreunen der geweerkolven, nu zij op den steenen vloer worden neergezet. Zij hoort het schuifelen der voeten en het druk, verward geroep en gepraat van dertig, veertig menschen.
"En is dat nu Lena?" hoort zij plotseling een stem in haar nabijheid vragen.
"Ja, kommandant," antwoordt een andere stem, "dat is Lena!"
"Stilte!" roept de eerste stem op gebiedenden toon.
"Stilte!" roepen de Boeren, "onze kommandant wil spreken."
Plotseling verstomt het leven, en aller oogen zijn op het blinde meisje gevestigd. Zij _voelt_ het, al _ziet_ zij 't niet, en het bloed stijgt haar naar de wangen.
De kommandant echter legt de hand op haar schouder en zegt: "Lieve Nicht, ik heb zoo even van uw grootvader vernomen de even schrandere als moedige daad, die gij eergisteravond hebt verricht. Gij hebt de plannen van een verrader verijdeld, en het slagnet ontdekt, waarin wij heden morgen zouden worden gevangen. Wij erkennen daarin de hand van onzen getrouwen God, want wat zelfs aan het schrandere oog van onzen wakkeren Kloppers ontsnapt, laat hij door u, eene blinde, ontdekken. Zoo zijn Gods wegen gemeenlijk, en wij, Boeren op kommando, danken u hartelijk voor de liefde, die hij voor onze verdrukte natie betoont, en de God van Israël, Die ook de God der Boeren is, moge u daarvoor rijkelijk, rijkelijk zegenen!"
Hij drukt haar de hand; al de anderen volgen zijn voorbeeld. Maar Lena staat daar, schuchter en verlegen, het gloeiend gezichtje door het dichte, donkerbruine haar als in een lijst gevat. Doch een heldere glimlach komt op haar lief gelaat, nu haar oor de stem van Leen Blok opvangt.
"Ach nichtje," klaagt Leen Blok, terwijl hij komt aansloffen op zijn lange veldschoenen van ongelooid buffelleer, "daar ben ik nou. In 't holle van den nacht heeft de wilde Kasper Veen mij uit mijn bed getrommeld, en zij zeggen, dat ik maar courage moet hebben, maar ik weet niet, wat courage is," en hij trapt met zijn lange veldschoenen droevig op den grond. "Nu, nichtje, het ga je goed; ik ga mij nu offeren voor ons vaderland, maar ik zat liever bij mijn schapen," en de lange Leen sloft naar buiten, naar zijn poney, een koppig, bijterig dier met kleine, kwaadaardige oogen.
Lena hoort, hoe de drukte weer afneemt; de voetstappen verwijderen zich. Zij hoort door het thans opengeschoven raam het ruischen der oude Boerenvlag, het vaarwel van vele stemmen: "Zoo God wil, tot weerziens!" het kommando van den aanvoerder: "Voorwaarts!" en het kletteren der paardehoeven over den harden grond van het erf.
Tot weerziens -- ach, zij hoopt het ook. Doch terwijl hare natuurlijke oogen met een ondoordringbaren sluier zijn gesloten, zijn hare andere oogen wijd open, en zij ziet dappere, moedige krijgers, thans vol kracht en gezondheid, neergestrekt door het Engelsch kanon, een spijs voor den zwervenden aasvogel....
De leeuwenjager is zoo pas, na een hartelijk afscheid genomen te hebben, met de ruiterschaar vertrokken, maar de andere huisgenooten zijn er nog. Dirk Kloppers kon in het gewoel van zooeven geen afscheid nemen. Trouwens, Kloppers heeft vlugge kleppers, en de ruiterschaar zal spoedig zijn ingehaald.
Herman Hoogerhuis staat buiten, bij de paarden; Lena en Arie staan naast hem. Dirk Kloppers en zijn zoon Jan zijn nog in de woning.
Vrouw Kloppers neemt zelf het geweer van haar man uit den hoek, schuift er den kogel in, en reikt het hem over. En even als een kleine veertig jaar geleden 1) zegt zij: "Strijd wakker, lieve man!"
Zij hangt hem den bandelier over den schouder.
Zij staart hem aan met hare oude oogen, waarin zich hare ziel en hare groote, trouwe liefde weerspiegelen; zij neemt zijn verweerd gezicht tusschen hare gerimpelde handen en kust het....
Maar in de strenge oogen van den grijzen Voortrekker begint het te schemeren, en over zijn gelaat biggelen twee groote tranen.
"De Heere zij uwe banier," zegt ze; "Hij zij uwe hulp en uw schild bij dag en bij nacht!"
"En zie ik u hier niet meer terug," zegt hij, "dan hoop ik u in dat zalige land te ontmoeten, waar recht en gerechtigheid zullen heerschen, en waar God al de tranen uit de oogen zal wegwisschen."
Nu gaat hij naar buiten.
"En nu zullen _wij_ afscheid nemen, moeder," zegt Jan weemoedig.
Ja, nu zal zij afscheid nemen van haar zoon, van haar jongsten, van haar Benjamin.
"Gelooft gij, dat ik u liefheb, mijn jongen?" vraagt ze.
"Ja," zegt hij, "dat geloof ik."
"En gelooft gij, dat mijne liefde zoo groot is, dat ik mijn bloed, druppel voor druppel, voor u zou willen geven, als het moest?"
"Ja," zegt hij met bewogen stem, "dat geloof ik."
"En kunt gij het nogthans verstaan, dat ik u liever _dood_ aan mijn voeten zie liggen met het volle schot van den Engelschman in de borst, dan dat gij de _vlag_ zoudt kussen, die ik haat?"
"Ja," zegt hij huiverend, "ik versta het."
"Mijn jongen, mijn lieveling!" roept ze uit, "mijn licht en mijn zonneschijn!"
De volheid der moederlijke teederheid en al het schrijnend zielewee van het afscheid breekt zich baan in dezen kreet, en van aandoening overweldigd, knielt de jonge man aan den schoot zijner moeder.
Ach, dat heeft hij zoo dikwijls gedaan, vele jaren geleden, toen hij nog een klein jongske was. Maar in dit plechtig oogenblik wordt hij weer dat kleine jongske, en de hand van zijn moeder gaat streelend, liefkozend over zijn blond haar. Zij kust dat haar.
"Geef mij uw zegen, lieve moeder," fluistert hij, maar zij antwoordt: "Ik kan u geen zegen geven, lieve jongen, maar de God uwer vaderen, de Getrouwe en de Almachtige, Die zegene u!"
En door haar eigen gevoel overstelpt, vat zij hem bij de hand, en leidt hem naar boven, naar het kleine kamertje, waar hij als kind heeft geslapen.
Dáár, in dien hoek, bij dien ouden, vermolmden stoel, dáár heeft ze hem leeren knielen; dáár heeft zij hem zijn eerste avondgebed geleerd.
En daar hebben zij ook nu te zamen gebeden, de oude moeder en haar jongen, haar Benjamin....
Ongeduldig slaan de paarden met de voorpooten tegen den grond. Herman Hoogerhuis roept: "Het wordt tijd."
Jan spoedt naar buiten. De moorkop ziet hem, en hinnikt zijn jongen meester vroolijk tegemoet.
Snel springt hij in het zaâl: een beeld van jeugdige mannelijke kracht. De morgenlucht verkwikt hem, en zijn oogen beginnen weer te stralen.
Men zegt Arie en Lena vaarwel -- de ruiters geven hun paarden de sporen.
De oude vrouw staat hen na te turen, met weenende oogen.
Daar kijken Jan en Herman nog eenmaal om.
Zij zwaaien de geweren boven hun hoofden.
"Voor Afrika!" roept de één.
"Voor Oud-Holland!" roept de ander.
"Voor vrijheid en recht!" roepen ze beiden.
Maar de oude Voortrekker blikt niet éénen keer meer om.
Zijn gedachten zijn reeds ver in 't zuiden.... in 't gewoel van het gevecht.... in den donder van den slag...
1) Zie "Helden van Zuid-Afrika" Pag. 194.
HOOFDSTUK XII. ------
In een aan het wagenhuis aangebouwden vleugel, het "kookhuis," staat vrouw Kloppers met opgestroopte mouwen en hoogroode wangen voor den brandenden bakoven.
Daarnaast staat de trog met deeg, dien zij met een paar Kaffermeiden gaat bewerken.
"Ga mij uit den weg," zegt zij ijverig tot Arie, die voortdurend voor haar voeten loopt.
De jongen heeft het slecht naar zijn zin. Sinds eergisteren, Zaterdag, toen zijn grootvader met de anderen vertrok, heeft hij aldoor maar gezeurd.
Hij ziet er geen gat in, om aan de voorwaarde, door zijn grootvader gesteld, te voldoen, en daarom is hij zoo lastig.
Hij zoekt ruzie met zijn zuster, scheldt op de Kafferknechten en loopt zijn grootmoeder in den weg.
"Ga mij toch uit den weg," zegt vrouw Kloppers nog eens met nadruk, een takkebosch in den oven werpend, die van hitte blaakt.
"Zij mogen allen vechten," moppert hij, zonder op de vermaning van zijn grootmoeder te letten, "zelfs de lange Leen Blok met zijn mageren hals, en ik kan thuis blijven en op de kippen passen."
"Wees toch bedaard," herneemt zijn grootmoeder, "gij zijt nu zoo goed als plaatsvervanger van uw grootvader; me dunkt het is een eerepost."
"Nou," zegt hij gemelijk, "zoo'n eerepost kun je van mij cadeau krijgen."
Daar komt Lena aan en wil hem opbeuren, maar hij valt haar op geprikkelden toon in de rede en roept: "Schei maar uit met je praatjes. Help mij maar liever aan een Engelsch paard en aan een Engelsch geweer; dat zou je knapper staan. Ze zeggen allemaal, dat jij zoo verschrikkelijk schrander bent voor je leeftijd -- waarom help jij me daàr niet aan?"
Doch vrouw Kloppers noch Lena nemen nu verder notitie van hem. Hij staat nog eenige oogenblikken te druilen, draait zich om op zijn linkerhiel en begeeft zich naar buiten, achter het huis.
Hij plaatst de handen aan zijn mond en roept uit alle macht: "Columbus, ouwe Columbus!"
De geroepene, die in den boomgaard bezig is, komt gauw aanloopen en zegt: "Baassie 1), wat is 't?"
"Haal van den zolder de twee geweren, die er nog zijn, en breng ammunitie mee. Zadel dan mijn klepper -- _gij_ kunt den schimmel nemen. Wij gaan op de jacht."
Binnen een half uur is alles gereed, en na zijn grootmoeder en Lena, die blij zijn, dat hij er uittrekt, gegroet te hebben, werpt hij het oude pangeweer met het zelfbewustzijn van een leeuwenjager over den schouder en springt in het zaâl.
Columbus, eveneens met zoo'n geweer gewapend, rijdt naast hem.
Het is nog vroeg in den voormiddag.
"Waar rijden wij heen, baassie?" vraagt Columbus, nadat zij zeker een uur zwijgend naast elkander hebben voortgereden.
"Dat kan me niet schelen," zegt Arie onverschillig, "al rijden we midden onder de leeuwen."
"O baassie," zegt Columbus, en hij strekt zijn langen arm naar het noorden, "dáár in de verte, hier nog een paar uur rijdens van daan, heb ik verleden week leeuwensporen ontdekt."
Arie is door deze mededeeling blijkbaar verrast, maar hij houdt zich kordaat en wendt den teugel van zijn paard.
Ze trekken nu over het golvende grasveld recht het noorden in, maar na twee uren stevig doorgereden te zijn, hebben zij de leeuwensporen nog niet ontdekt.
Nu wordt echter afgezadeld, en aan den zoom van een bosch, de uitgedroogde bedding van een spruit aan hun voeten, zetten zij zich neder.
Arie strekt zich lang uit op den grond; naast hem hurkt de Kaffer, en hij staart zijn jongen meester aan met zijn groote, zwarte oogen.
Columbus is een Zoeloe-Kaffer, en de diepe naad, die over zijn rechterarm loopt, zou u heel wat kunnen vertellen.
't Is een verschrikkelijke dag geweest, toen een jonge Boer het mes over zijn arm haalde; een verschrikkelijke dag voor de Boeren.
Pieter Retief 2) met de zijnen hadden zich als gasten nedergezet aan den haard van den Zoeloe-koning Dingaan, en de koning liet hen _verraderlijk_ vermoorden. Niet één der Boeren ontkwam; zij werden allen vermoord. _Zeventig_ man, in de kracht van hun leven. En hun lichamen werden op den moordheuvel gesleept, en prijs gegeven tot een spijze voor het wild gedierte en den vogel in de lucht.
't Is 43 jaar geleden, dat het is gebeurd. Onze Kaffer was toen 17 jaar, en diende bij het regiment der blauwe schilden, dus genoemd naar de kleur hunner schilden.
Hij heeft het vreeselijk bloedbad met eigen oogen aanschouwd, en toen kreeg hij de snede over den arm. Hij weet alles nog haarfijn. Hij weet te vertellen, hoe langs de gelederen der Boeren de kreet: "Verraad!" gilde, hoe zij hun messen trokken en als leeuwen vochten, tot de knodsen der Zoeloe's hun de hersenpan verbrijzelden.
Doch de Boeren wreekten het onschuldig vergoten bloed, en sloegen de dappere regimenten van koning Dingaan uit elkaar. En Columbus, wiens koning verslagen was, werd knecht bij Gert Kloppers en later, na diens dood, knecht bij Dirk Kloppers.
Maar op dit oogenblik denkt Columbus niet aan de vreeselijke dagen van 1838.
Hij zit gehurkt naast zijn meester en kijkt hem aan met zijn trouwe oogen.
"Wat is 't, baassie?" vraagt hij.
"'t Is niks, Columbus," zegt Arie, die zachtjes aan in een beter humeur is gekomen. "Ik denk maar aan jouw naam. Weet jij, naar wien je bent genoemd?"
"Neen, baassie," zegt de Zoeloe-Kaffer, "hoe zal ik dat weten?"
"Jij bent genoemd naar een der grootste mannen, die ooit hebben geleefd, Columbus," zegt Arie met een geleerde plooi in zijn leuk gezicht.
"Heb je ooit de zee gezien, Columbus?"
"Neen, baassie, nooit!"
"Kun jij je voorstellen, dat al het veld hier vóór je water is?"
"Neen, baassie," zegt de Zoeloe eerlijk.
"Waarom niet, Columbus?"
"Omdat het veld is en geen water, baassie."
"Jij bent een uilskuiken," zegt Arie onwillig; "een echt uilskuiken!"
"Hoe moet ik je nou in vredesnaam aan 't verstand brengen, wat een zee is?" vraagt hij ongeduldig.
"Is ze zoo breed als de groote rivier in 't noorden, waar de olifanten drinken, baassie?"
"Ja, zoo groot is ze," zegt Arie; "dat wil zeggen, vijftienduizend maal grooter."
"Zóó," zegt de Kaffer, en hij slaat de lange armen van verbazing boven zijn hoofd te samen, "zóó, baassie!"
"Over zoo'n zee is Columbus, je naamgenoot, heen gevaren."
"Met een ossenwagen, baassie?"
"Neen, domme Kaffer, met geen ossenwagen -- met een schip!"
"Dat ken ik niet, baassie!"
"Nu, denk dan maar met een drijvenden ossenwagen!"
"Naar waar moeten ze 's avonds dan uitspannen, baassie?"
Doch bij deze vraag springt Arie op.
"Schepsel, schepsel, wat ben jij dom," zegt hij driftig. "Jouw kop is te groot, en jou hersenpan is te dik. Er kan geen gedachte door, Columbus. Begrijp je dan niet, dat ze _nooit_ uitspannen? Zij zeilen dag en nacht, totdat zij den anderen oever hebben bereikt."
"O baassie, wat ben jij slim," roept de Kaffer in ongekunstelde bewondering.
"Ten minste, als ik zoo dom was als jij, dan zag het er treurig met mij uit," antwoordt de jongen met waardigheid.
"En nu zal ik je vertellen, hoe Columbus Amerika heeft ontdekt."
Bij dit woord helderen de zwarte oogen van den Kaffer op, alsof hij reeds land ontdekt in de verte.
"Baassie bedoelt zeker onzen Amerika?" vraagt hij nog ten overvloede.
"Jij meent den jongen Kafferknecht, dien Grootvader verleden jaar heeft gehuurd?" is de wedervraag van Arie.
Columbus knikt met het groote hoofd, maar hij leest reeds uit de verbaasde oogen van zijn jongen meester, dat hij weer erg onnoozel is geweest.
"Neen, onzen Amerika bedoel ik _niet_," zegt Arie met nadruk, terwijl hij op den grond stampt, "maar ik bedoel een verschrikkelijk groot land, dat aan den anderen kant van de groote zee ligt."
"Goed, baassie," zegt de Kaffer gedwee, "ik luister."
Nu deelt Arie aan den luisterenden Columbus de moedige daden mede van zijn grooten naamgenoot.
"En hebt ge 't nu goed begrepen, Columbus?" vraagt hij, aan het einde gekomen van zijn verhaal.
"Ja, baassie, heel goed," zegt de Kaffer.
"Vertel het mij dan eens na," zegt baassie.
Columbus stut nu het groote hoofd tusschen zijn beide handen, fronst de wenkbrauwen en begint:
"Columbus ging op een drijvenden ossenwagen zitten met zijn knechten en meiden --"
"Dat gaat heel goed," zegt Arie bemoedigend.
"En ze dreven dag en nacht op de groote zee, waar dieren zijn, zoo groot -- zoo groot als baas Kloppers' wagenhuis."
"Heel goed," knikt Arie lachend.
"En zij kwamen eindelijk aan land. En er stonden een groote hoop Kaffers aan den oever, en zij zeiden: 'Ben jij 't, baas Columbus?' En hij zeide: 'Ja, ik ben baas Columbus; is dat hier Amerika?'"
"En zoo hebben de witmenschen Amerika ontdekt." Columbus is voldaan over zich zelve; hij lacht van plezier, omdat hij 't er zoo goed heeft afgebracht, en zijn tanden blinken als sneeuw tusschen het zwarte vel. De jeugdige onderwijzer lacht ook en hij zegt: "O Kaffer, o Kaffer, ik zal je aan je ezelsooren komen," en hij trekt hem aan zijn lange ooren.
Zij hadden reeds eenigen tijd naast elkander gezeten, nu en dan een slok koffie nemend uit de veldflesch, toen de Kaffer plotseling voorzichtig overeind rees en fluisterde: "Baassie, ginds weidt een hert."
"Waar?" vraagde Arie.
De Kaffer wees hem de richting, en Arie ontdekte eveneens het wild.
Beiden namen nu behoedzaam hun snaphanen op, en Arie zeide met zekere plechtigheid: "Columbus, dat hert moet het mijne worden. Loop nu het beest voorzichtig vooruit, en keer het van voren."
Dat was naar Columbus' zin; nu kwam hij in zijn element. Eerst liep hij met de snelheid van een hardlooper in een grooten boog om het hert heen; vervolgens wierp hij zich op den buik, en sloop als een slang vooruit.
Arie kon hem duidelijk naoogen door de beweging van het lange gras, dat zijn spoor aanwees, en nu en dan keek de kroeskop voorzichtig boven het gras uit, om snel weer weg te duiken.
De jongen besloop nu het beest van achteren tot op een afstand van 120 pas en legde aan. Maar het hert scheen onraad te vermoeden, en hief den schoonen kop onrustig omhoog.
Arie hield zich doodstil.
Het dier begon weer te grazen. In de richting, waar de Kaffer moest zijn, bewoog zich geen grashalm meer.
Nu mat Arie nog eens met het oog den afstand, mikte en drukte af.
Als van den donder getroffen stortte het dier neer. Het had genoeg.