De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81
Part 5
Dat is werkelijk geen ijdele fraze.
"Ik zie," schreef de veel vermogende Osborne aan den Engelschen generaal Lanyon in een brief, die door de Boeren werd onderschept: "ik zie, dat mijn oude vrienden, de Boeren, opnieuw beginnen, de verzenen tegen de prikkels te slaan. Wat is het ongelukkig, dat deze misleide menschen voortdurend een prooi blijven van beginsellooze schurken, 1) die van honger dood zouden gaan, zoodra die agitatie bedaarde, en die reeds lang behoorden opgehangen te zijn. Laten er maar eerst twee of drie terechtgesteld en veroordeeld zijn wegens het bewerken dezer rustverstoringen, en wij zullen niets meer van die dingen hooren."
De Engelschman Dartnell schreef aan Swart, den Engelschen thesaurier-generaal te Pretoria: "Ik zie, de Boeren beginnen hun gekkenwerk weer, maar ze zullen toch wel nooit vechten, denk ik. Kunt ge geen plan bedenken, om Mijnheer Kruger op te hangen? Dat zou een einde aan de oproerigheden maken."
Paul Kruger kent het groote gevaar, waarin hij verkeert, maar hij deinst niet terug, want hij is een goede herder, en een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.
Als kind van tien jaar heeft hij, achter de kudden van zijn vader aan, den gevaarvollen Trek van de Kaapkolonie naar de Transvaal medegemaakt. Hij heeft met zijn volk geweend en gejuicht; geleden en gestreden, nu al veertig jaar lang. Een huurling vlucht, als er gevaar komt, maar een goede herder is nooit dichter bij zijn schapen, dan wanneer het gevaar het grootst is, en Paul Kruger is een goede herder.
Neen, _dat_ is de echte Paul Kruger niet, dien ge bij officiëele gelegenheden ziet.
De hooge hoed staat hem niet en past hem niet; het zwart, lakensch pak beknelt, belemmert hem in zijn bewegingen, en de breede sjerp over de borst staat theathraal, gemaakt.
Neen, _dat_ is de echte Paul Kruger niet.
Gij moet hem zien, dezen zoon der wildernis, op het steigerende paard, midden op het onmetelijke veld, in de kleedij der wildernis, den breedgeranden hoed op den stevigen kop, het wambuis los om de forsche leden, wijd open van voren, opdat de borst de vrijheidslucht kan inademen der Afrikaansche bergen....
Daar is hij in zijn kracht; in zijn element; daar doet hij zijn stoute daden!
Vraag het toch eens aan die luisterende Boeren, die thans als aan zijn lippen hangen, wat hij kan, wat hij durft!
_Vast_ is zijn hand, en _wis_ is zijn schot.
Door een woedenden buffel achtervolgd, keerde hij zich om in het zaâl, en joeg -- midden in den galop -- het schuimbekkende beest den doodelijken kogel door den kop.
En _vlug_ is hij als Asahel, de broeder van Joab.
Hij heeft tegen de snelvoetige Zoeloe-hoofdlieden geloopen en hen verslagen. Hij heeft -- op een afstand van 400 meter -- tegen een ruiter gerend, die het vlugste paard uit den stal had gehaald, en hij liep harder dan het paard.
_Voorzichtig, sterk_ en _onverschrokken_, dat is hij.
Eens was hij met zijn kommando op een krijgstocht tegen vijandelijke kaffers.
Die Kaffers hadden zich 's nachts in een hinderlaag gelegd, in een spelonk. Een der hunnen stond als voorpost bij den ingang.
Kruger sloop alleen voorwaarts en ontdekte den Kaffer.
Met de kracht van den panter sprong hij plotseling uit het struikgewas te voorschijn, en vóór de vijand éénen kreet kon uitstooten, omklemden de harde Boerenvingers zijn hals als ijzeren schroeven.
De Kaffer was een kind des doods, en met onbegrijpelijke koelbloedigheid nam Kruger, die met de oorlogsgewoonten der Kaffers vertrouwd was, diens plaats in.
Hij bootste de veiligheidsgeluiden van den Kaffer na, tot dat hij zijn manschappen bij zich had.
Toen verpletterde hij de Kaffers.
Op een tocht in 1845 barstte zijn geweer, en het lid van den duim werd gekwetst.
Er was gevaar voor koud vuur.
Snel besloten nam hij het mes uit den lederen koker en sneed den duim af.
Een woeste os wilde hem op zijn horens nemen.
Hij greep het beest bij de horens, en drukte met zijn reuzenkracht den kop in den modder. Hij hield den kop in den modder, totdat het beest was gestikt.
Dit alles kunnen u de Boeren vertellen, maar zij kunnen u nog meer vertellen.
In het begin van 1864 stonden de Transvalers als twee vijandelijke slagorden dreigend tegenover elkander.
Over het ééne kommando voerde Paul Kruger bevel; over het andere generaal Schoeman.
Beide kommando's naderden elkander. Slechts een open vlakte, in welker midden eenige klipkopjes verrezen, scheidde hen nog.
Maar de botsing was onvermijdelijk, en wie het eerst de klipheuvelen in het midden der vlakte bereikte, was meester van het terrein. Immers die klippen vormden een natuurlijke verschansing, en zonder zich zelve bloot te geven, kon men den vijand neerleggen.
Die klipsteenen vormden dus den sleutel van de positie; Schoeman begreep dit even goed als Kruger.
Beide kommando's stormden nu van tegenovergestelden kant, op die klippen los, maar Paul Kruger en zijn mannen waren er het eerst.
De volgelingen van generaal Schoeman verschrokken, toen zij dit zagen. Er kwam wanorde in hun gelederen; zij rukten hun paarden om en vluchtten.
Zij waren nu echter weerloos aan Paul Kruger overgeleverd, want zij moesten eenige honderden passen over de open vlakte terug, vóór zij in veiligheid waren.
Reeds vielen er dooden.
Maar het sneed Paul Kruger door de ziel, dat broeders op broeders zouden schieten. Snel sprong hij op de naaste klip, zwaaide zijn geweer en riep met luid klinkende stem: "Stopt, mannen, stopt! Geen enkel schot meer!"
Oogenblikkelijk verstomde het geweervuur. Zoo'n klem had Paul Kruger op zijn manschappen.
Maar de tegenpartij was door deze daad van edelmoedigheid diep getroffen, en de noodlottige burgeroorlog werd gestuit.
Reeds drie dagen later kwam de volledige verzoening tot stand.
De Boeren kunnen u nog meer vertellen.
Ruim anderhalf jaar geleden zou Sir Bartle Frère met het volkscomité, waarvan Paul Kruger voorzitter is, een samenkomst hebben te Kleinfontein.
Het volk was tot deze vergadering _niet_ uitgenoodigd, maar het verscheen toch, in een getal van ruim 4000 goed gewapende Boeren.
Deze gedachte bezielde hen: "_Nu_ moeten we vechten; _nu_ is het tijd. Sir Bartle Frère moet onze onafhankelijkheid beteekenen, en het naar Engeland seinen. Anders nemen wij hem gevangen, hijschen de Vierkleur en verklaren aan Engeland den oorlog."
Nog op denzelfden dag, 's namiddags, werd de groote tent opgeslagen, en het comité nam zitting. Buiten de tent verdrong zich het volk; het kon alles hooren.
Kruger opende de vergadering.
Hij vraagde het gevoelen der comitéleden.
Met bijna eenparige stem verklaarden zij: "_Nu_ moeten we op de Engelschen gaan schieten! Nu of nooit! De Zoeloe's 2) hebben de Roodrokken pas zooveel klop gegeven, dat wij, met hen vereenigd, de Engelschen gemakkelijk in zee kunnen jagen, Natal innemen en onze onafhankelijkheid verzekeren!"
Maar Paul Kruger zette zich schrap en schudde den schranderen kop.
"_Nog_ blijf ik bij _lijdelijk verzet_," zeide hij. "Wij kunnen niet met de barbaarsche Zoeloe-Kaffers optrekken tegen de Engelschen, want het is onzer onwaardig, en het bloed van onze broeders, door de Zoeloe's vergoten, is nog niet gewroken." Maar het hielp niet.
"_Nu_ is het tijd om te vechten," antwoordde de groote meerderheid.
"Wij zullen de sympathie verliezen der beschaafde wereld," riep Kruger.
"En onze vrijheid terug krijgen," antwoordde zijn tegenstanders.
"Engeland heeft een groote troepenmacht onder weg, om de Zoeloe's ten onder te brengen," zeide Kruger, "en zijn ze met de Zoeloe's klaar, dan zullen ze onze kleine macht verpletteren."
Maar met al zijn welsprekendheid vorderde hij geen duim. Met de taaiheid van een Fries hielden ze vast aan hun idee: "Vechten, dadelijk vechten!"
Kruger verdaagde de vergadering tot den volgenden morgen.
Het was nu avond geworden; een donkere avond. Een fijne motregen viel neer. Niemand was meer buiten; ze waren allen in hun tenten.
Peinzend wandelde een man, in zijn regenjas gedoken, tusschen de tenten door.
Nu en dan stond hij stil, en luisterde naar de gesprekken, die binnen de tenten werden gehouden.
Er werden harde woorden gesproken.
"Als Kruger ons wil verhinderen, om op de Engelschen te schieten," zeiden sommigen, "dan zetten wij hem af, en kiezen Joubert tot onzen voorman."
"Kruger zal nooit toestaan, dat wij tegen de Engelschen gaan vechten," zeiden anderen; "daarom _moet_ hij worden afgezet."
"Och, _weet_ ge dan niet," zeiden derden, "waarom hij niet tegen de Engelschen wil vechten? Toen hij den eersten keer met Jorissen naar Engeland is geweest, om onze onafhankelijkheid terug te vragen, toen hebben zij geld aangenomen van den Engelschen minister. Hij is door den Engelschman -- omgekocht. Hij is een -- verrader."
Zoodanig waren de gesprekken.
En de peinzende man dook dieper in zijn regenjas en keerde terug naar zijn tent.
Het was Paul Kruger.
Geen slaap ging dezen nacht over zijn oogen, maar hij kwam tot een vast besluit.
Den volgenden morgen begaf hij zich naar de groote tent, en riep het volkscomité bijéén.
Hij opende de vergadering met deze woorden: "Mannen Broeders! Gisteren heb ik u mijne inzichten medegedeeld, en gij verschilt van mij. Nu heb ik mijn besluit genomen. Op een pad, waarop ik geen licht zie, kan ik niet vóór loopen. Ik wil nog bij lijdelijk verzet volharden, en gijlieden wilt nu dadelijk uw land terug hebben of tegen de Engelschen vechten. Nu, gaat dan voort op het pad, waarop _gij_ licht ziet. En kiest voor mij mijnheer Joubert of een anderen voorman. En waar gijlieden heen gaat, daar zal ik ook heengaan, en waar gijlieden valt, daar zal ik ook vallen. 'Maar vóór loopen kan ik niet op een pad, waarop _ik_ geen licht zie."
Zóó sprak Paul Kruger.
Er volgde een doodsche stilte.
Niemand sprak een woord.
Maar te diep wortelde Paul Kruger in het hart van zijn volk, dan dat het hem kon loslaten.
"Neen, oude President," riepen ze eindelijk, en schudden zijn hand, "neen, zóó is het niet bedoeld. Loop maar weer vóór op het pad, waarop _gij_ licht ziet, en _wij_ zullen u volgen."
En Paul Kruger liep weer vóór, en bewaarde zijn volk voor een stap, die heillooze gevolgen zou hebben gehad.
En nu -- kunt ge lezen, wat er geschreven staat op het menschelijk aangezicht? Kunt gij uit de trekken en plooien van het gelaat de gedachten ontcijferen, die woelen en worstelen in het hart van den mensch?
Bezie toch eens het gelaat van dien man daar vóór u; op die verhevenheid; sprekende tot het volk.
Maar bezie het met aandacht; bestudeer het, want anders ziet ge _niets_.
Ontembare geestkracht, grenzenlooze onverschrokkenheid, bewonderenswaardige zelf beheersching, onwrikbare volharding en zeldzame scherpzinnigheid, het spreekt uit dit stevig, breed, schijnbaar hard gelaat.
Onbuigzaam, dat is hij, waar het de vrijheid geldt van zijn volk; onbuigzaam als Cromwell, de koning der rondkoppen. Doch daarbij scherpzinnig en schrander als wijlen de oude kluizenaar te Friedrichsruhe.
Neen, ze _lijmen_ hem niet, dezen zoon der wildernis!
Hij kent de grepen en knepen der staatsmanskunst, en met vossensluwheid weet hij het looze, verraderlijke net te ontkomen.
Tegenover de meest geslepen staatslui van Europa heeft hij gezeten, de eenvoudige man, die slechts met moeite kan schrijven, en hij keek hen in de kaarten. Doch zijn effen gelaat verraadde het niet; slechts een fijn, schier onmerkbaar lachje speelde dan om zijn lippen.
Doch thans is dat fijn, ironisch lachje niet zichtbaar, en een wolke van ontroering gaat over zijn gelaat.
Hij behoort tot die schaar van helden, die God op Zijn tijd verwekt, wanneer Hij een vertrapt volk door den nacht van het lijden wil heenleiden tot het morgenrood der vrijheid en der zegepraal.
Doch die helden voelen de volle zwaarte der verantwoordelijkheid, die op hun schouders wordt gelegd, en Paul Kruger voelt ze ook.
Van daar die wolke van ontroering over zijn mannelijk gelaat.
Hij zal dat kleine, zwakke, aemechtige Boerenvolk uitleiden uit de kluisters der Engelsche gevangenschap, en het brengen als een andere Mozes in het Kanäan der vrijheid. En dit moedige hart, dat nooit heeft gebeefd, deinst terug bij het gezicht der rookende bloedplassen, waar de tocht doorheen zal gaan.
Doch hij sterkt zich in zijn God.
Daar ligt het geheim van zijn kracht.
Scheur dat Godsvertrouwen uit zijn ziel, en ge snijdt de lokken af van dezen Afrikaanschen Simson.
Diep buigt hij voor zijn God in het stof, en daarom zal hij den vrijen nek voor Engeland niet buigen -- nooit en nimmer!
De kommandant-generaal Piet Joubert, die straks de Boeren zal aanvoeren in den heldenstrijd voor vrijheid en recht, heeft gezegd: "Engeland is machtig, maar God is almachtig" -- Paul Kruger zegt er Amen op.
En hoor nu het sobere, maar van mannelijke kracht doortintelde woord, waarmede hij te Paardekraal den buitengewonen Volksraad op Maandag 13 December 1880 opent, en -- den oorlog inluidt:
"Edel Achtbare Voorzitter en Leden van den Volksraad!
Ik sta hier voor uw aangezicht, geroepen door het Volk. In die stem van het Volk heb ik gehoord de stem van God, den Koning der Volken, en ik gehoorzaam. Ik heb niet gedacht aan mijn eigen bekwaamheid, maar ik doe, wat mijn hand vindt om te doen...
Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij!
Het is niet noodig, een lange toespraak te houden. Uwe werkzaamheden zijn noodig, om de regeering spoedig in staat te stellen, het land volgens de Grondwet te besturen, en daartoe uit te voeren den wensch van het Volk, zooals die in de besluiten van 15 December 1879 zijn uitgesproken.
Ik heb in zoover gedaan, wat de wet van mij verwacht, maar nu is het oogenblik gekomen voor den Edel Achtbaren Volksraad, om verdere voorziening te maken voor het Bestuur des lands. Ik heb de eer u voor te stellen, dit Bestuur voorloopig op te dragen aan een Driemanschap.
Ik wil u herinneren, dat de zaak van het land, hoewel zeer ernstig, toch volkomen wettig is. Het Volk heeft nooit den weg der wet verlaten, heeft na de annexatie geprotesteerd, zich lijdelijk verzet, en zou misschien nog andere vreedzame middelen hebben verkozen, ware het niet, dat de Engelsche autoriteit in Pretoria dit onmogelijk had gemaakt. Het recht der volken is aan onze zijde, en hoe zwak wij zijn, onze God is een rechtvaardig God! Mijne Heeren! De Heere zegene uwe werkzaamheden en bescherme ons Vaderland!"
Zóó sprak Paul Kruger.
Klonk het slot niet als een gebed?
Het antwoord van den Volksraad bij monde van zijnen voorzitter Bodensteijn was van deze aanspraak de heldere, vastberaden weerklank.
Het luidde als volgt:
"Hoog Edele Heer en Heeren!
Wij hebben de aanspraak van Z. H. Ed. den Vice President met een warm gevoel van dankbaarheid vernomen omdat Z. H. Ed. den moed heeft gehad, in dit moeilijk oogenblik, in naam van het Volk, de wet in handen te nemen. Nooit zal het Volk der Zuid-Afrikaansche Republiek vergeten, dat Gij -- toen de nood op het hoogst was gestegen -- onder het gevaar eener vijandelijke macht, hebt gezegd: "Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij!"
Evenmin zal het volk het werk van het Comité vergeten, dat gedurende de laatste vier jaren onzer onderdrukking werkzaam en waakzaam was voor de belangen van ons Volk. En wij zijn hier met u -- en met ons Volk -- bereid, om ons leven -- tot den laatsten man -- te offeren voor de onafhankelijkheid van ons dierbaar Vaderland..."
Zoo sprak de Voorzitter.
De schildleeuw van het kleine, maar dappere Boerenvolk had zijn ijzeren kluisters gebroken.
1) Met deze "beginsellooze schurken" waren Paul Kruger, Piet Joubert en M. Pretorius in de eerste plaats bedoeld. 2) De Zoeloe's waren destijds in oorlog met de Engelschen. In dien oorlog sneuvelde de zoon van Napoleon III, exkeizer van Frankrijk. De oorlog eindigde met de onderwerping der Zoeloe's.
HOOFDSTUK IX. ------
Op zijn vluggen moorkop gezeten, jaagt een eenzaam ruiter over de onafzienbare, golvende grasvelden der Transvaal. Gisteren 15 December, is hij met zijn kameraden van Paardekraal vertrokken, en van nacht heeft hij met hen bij een kennis gelogeerd. Maar het ongeduld pakte hem, en toen de anderen nog sliepen, heeft hij, Jan Kloppers, zijn klepper gezadeld.
Hij liet een boodschap achter, dat hij niet langer kon wachten, en vóór het schemeren van den dageraad zette hij den tocht alleen voort.
De morgenwind streelt zijn wangen, en vrolijk hinnikt de moorkop. De ruiter heeft hem den teugel los over den nek geworpen, en regeert hem door een druk van zijn knieën.
Over zijn schouder hangt de keurige tweelooper, en over de borst de bandelier met de scherpe patronen.
"Toe, Moorkop," zegt hij in zijn alleenspraak, "toe, vooruit... Jij moogt mee in den oorlog, hoor -- met jouw baas! Dat spreekt van zelf... Wat zullen wij op die Roodbaatjes 1) schieten... Vader gaat ook mee -- natuurlijk! En wat zal kaptein Raaff op zijn blekken schotel slaan..."
Hij lacht van plezier, doch de snelle Moorkop rept zich, en suizend gaat het over de golvende vlakte.
"Herman Hoogerhuis gaat ook mee -- natuurlijk. Een flinke kerel, die Herman, maar 't schieten moet hij nog leeren. Enfin, dat leert men van zelf, als men op de Roodbaatjes mikt... 't Is anders toch maar een naar ding, zoo op je evenmensch te schieten -- 't is verschrikkelijk! Maar wat is er aan te doen? Doodschieten doe ik ze toch...
En Kees Botter gaat ook mee -- natuurlijk. Hij heeft het al gezegd. Nu, hij zou ook geen goeie Afrikaander zijn, als hij niet meeging. 't Spijt me, dat ik verleden week zoo 'n standje met hem heb gehad, maar dat moet vergeten zijn. Hij is sedert dien tijd meer dan vriendelijk -- het is een beste kerel...
Maar jij, kleine Arie, jij kunt niet mee, hoor! Daar is geen kwestie van. Gij zijt nog geen dertien jaar -- kinderen kunnen we bij 't vechten niet gebruiken. 't Is werkelijk geen kinderspel -- 't zal bloed kosten...
Ja, 't is toch een ernstig ding, zoo'n oorlog! Daar komt zoo 'n bom voor je voeten neerploffen en slaat je in gruizelementen...
Dan ben je zoo maar in de groote, vreeselijke eeuwigheid, Jan...
Vader is niet bang om te sterven, maar ik wel, dat is waar. Doch voor de Engelschen ben ik niet bang; dat is ook waar. Wij strijden voor een rechtvaardige zaak, en we winnen 't zeker. Onze dappere Paul Kruger zeide: "Slechts over onze lijken krijgen zij onze vlag," maar zoo'n vaart zal 't niet loopen. We gaan achter de klippen liggen, en zullen ze schieten als boschduiven...
't Is echter miserabel, dat we geen kanonnen hebben, maar daar is nu heelemaal niks aan te doen.
Nu we geen kanonnen hebben, zullen we 't zonder kanonnen doen, hé Moorkop?", zeide hij, en hij sloeg den klepper op den blinkenden hals.
Hij zette zich vaster in het zadel, en greep den lossen teugel. Hij scheen den blanken loop der Engelsche kanonnen reeds te zien, wijd in de verte.
"Vooruit, Moorkop," riep hij, "vooruit, wij zullen ze schieten als boschduiven, hoera!"
Dirk Kloppers zat met eenige vrienden juist aan de koffietafel, toen Jan, van het hoofd tot de voeten met een zware laag stof bedekt, naar binnen stoof.
De Boeren sprongen bij zijn verschijning overeind, en met strakke gezichten staarden zij op den pas gekomene.
"Welke tijding brengt ge?" vraagde Dirk Kloppers, "oorlog of onderwerping?"
"Oorlog en vrijheid!" zeide de jonge man met gloeiende wangen. "De Republiek is door het volk in haar rechten hersteld, en van het gouvernementskantoor te Heidelberg wappert van daag onze vierkleur."
"God zij geloofd," riepen de Boeren, maar de grijze Voortrekker zeide: "Was er eensgezindheid onder ons volk?"
"Die vijfduizend Boeren te Paardekraal voelden zich als één volk van broeders. Nooit, nooit heeft er grootere eendracht geheerscht."
Toen riep ook de grijze Voortrekker, maar krachtiger nog dan de anderen: "God zij geloofd -- Hij heeft onze gebeden verhoord!"
"Laat er nu komen wat er wil -- wij zijn sterk door onze eendracht," liet hij er op volgen.
Er heerschte een oogenblik zwijgen. Ieder was met zijn eigen gedachten vervuld.
Jan ontdeed zich van geweer en bandelier, trok het wambuis uit en zette zich aan tafel.
Zijn zorgende moeder kwam reeds aandragen met brood en vleesch en schonk hem een dampende kop koffie in.
Peinzend staarde de vader door de kleine ruiten naar buiten; naar de schemerende heuvelen in de verte.
"En vandaag wordt onze vlag geheschen te Heidelberg," zeide hij meer tot zichzelven dan tot de anderen, "van daag, den 16den December. Dat is de Dingaansdag; de dag, waarop ik 42 jaar geleden bij de Bloedrivier medestreed tegen het Kaffergeweld. 't Is dezelfde datum; 't is een beschikking des Heeren. Toen, den 16den December 1838, werd ons volksbestaan gered tegenover de Zoeloe's, en heden, den 16den December 1880, wordt ze gehandhaafd tegenover Engeland."
Hij liep op en neer, met snellen, veerkrachtigen tred; hij scheen vijf en twintig jaren jonger. Zijn blauwe oogen begonnen te schitteren, en bleven hangen aan den blanken loop van zijn Henri-Martini-geweer, daar tegen den muur.
Zijn vrouw raadde zijn gedachten.
"Wanneer trek je in den oorlog?" zeide zij.
"Overmorgen," antwoordde hij; "is je dat te vroeg, Anneke?"
"Neen," zeide zij bedaard; "ik dacht het wel."
"Maar het kan een bloedige oorlog worden," zeide hij nadenkelijk.
"Dat weet ik," antwoordde zij.
"En als wij Boeren sneuvelen in den strijd, Anneke?"
"Dan," -- zeide zij, "dan -- zeg Dirk, hoe heette de Haarlemsche ook nog, die de vrouwen aanvoerde in den strijd tegen de Spanjoolen?"
"Kenau Simon Hasselaar," antwoordde hij.
"Goed," zeide zij, "dan volgen wij vrouwen het voetspoor van Kenau Simon Hasselaar. Sterven moeten wij toch -- dan is het beter in den strijd voor vrijheid en recht op het ruime veld, onder het moordende lood van den vijand, dan als slaven in onze bedstee."
Zij zeide dit op kalmen, bedaarden toon, maar het oog van den grijzen voortrekker rustte met welgevallen op zijn vrouw.
"Zoolang onze vrouwen door zulke gedachten zijn bezield," zeide hij, "is onze republiek onoverwinnelijk."
"En jullie trekt natuurlijk ook met het kommando op?" ging hij voort, zich tot de andere aanwezigen wendend.
"Ja," riepen ze, "hoe eerder hoe liever."
Slechts één man stemde met dat geroep niet in, en schudde treurig het hoofd.
"Ik kan niet meegaan," zeide hij, en hij hief zijn beide tot stompen geschroeide handen omhoog.
"Ik weet het," antwoordde Kloppers. "Sinds ge door die noodlottige buskruitontploffing zijt getroffen, kunt ge geen wapens meer hanteeren. Maar uw zonen kunnen uw plaats innemen, Neef Piet."
"Dat zullen ze!" antwoordde de verminkte. "Alle zeven! En zij zullen hun man staan; daar sta ik borg voor!"
"Dat weten we," riepen de Boeren.
Eenige uren later kwamen de leeuwenjager, Herman Hoogerhuis en Kees Botter aan.
"Nu zullen we de Roodbaatjes raken, Oom," zeide Kees Botter.
"Ja, jongen, met Gods hulp hopen we dat te doen," antwoordde de aangesprokene.
"En ik ga ook mee, Kloppers," riep Herman Hoogerhuis op moedigen toon.
"Kom," zeide de Voortrekker vroolijk, terwijl hij den Hollander hartelijk de hand schudde, "dat doet me goed. Dat is het oud-Hollandsche bloed, dat zich niet kan verloochenen. Wij zijn loten uit één stam, Herman."
"En het gaat tegen den ouden, gemeenschappelijken vijand," antwoordde de Hollander.
Nu trad de jonge Arie in den kring.
Hij kwam zoo pas van het veld, van de kudde, en zijn zuster, de blinde Lena, had hem het groote nieuws reeds medegedeeld.
Maar het nieuws had hem opgewonden, en zich tot den ouden Kloppers wendend, zeide hij met smeekende stem: "Mag ik ook mee, Grootvader?"
"Waarheen, jongen?" vraagde deze.
"Wel in den oorlog, Grootvader."
"Neen, mijn jongen," zeide Kloppers, en hij schudde zijn grijze lokken, "gij blijft bij je grootmoeder en zuster."
"Waarom, Grootvader?"
"Omdat ge nog een kind zijt," hernam Kloppers op ernstiger toon.
"Ik _ben_ geen kind meer," zeide de jongen met een gekwetst gevoel van eigenwaarde.
"Ja wel Arie, gij _zijt_ nog een kind," hernam de oude Kloppers op beslisten maar vriendelijken toon.