De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81
Part 4
"Vooruit!" drong een andere stem.
"Gij gaat uw volk verraden," waarschuwde de eerste stem.
"Gij zult het bloedvergieten beperken," vleide de tweede stem.
"Trekt met de Boeren op in hun rechtvaardigen strijd," vermaande de eerste stem.
"En blijf arm en veracht," dreigde de tweede.
Al zwakker werd de eerste stem; al krachtiger, al overredender sprak de tweede.
Zij trof den jongen man in zijn zwakste zijde: in zijn gloeiende eerzucht.
Hij luisterde niet meer naar de eerste stem; hij hoorde slechts de tweede.
Hij zag het schitteren van stapels goud, en zij brachten hem hetgeen hij zoo vurig verlangde: macht, eer en aanzien.
Wel kon hij door zijn droomen heen den verwijtenden en toornigen blik zien van Dirk Kloppers, zijn weldoener, en van zijn kameraden, maar hij sloot zijn oogen. Hij wilde niet zien.
De laatste aarzeling was overwonnen en vastberaden ging hij voorwaarts.
Midden in het bosch bevond zich een open, vlakke ruimte, en aan één zijde van deze ruimten zaten twee mannen op een boomstam, die van ouderdom was omgevallen.
Het waren een officier en een sergeant, gekleed in de Engelsche uniform.
"Zoo," zeide de Engelsche officier, terwijl hij bij de komst van Kees Botter ongeduldig opsprong, "ben jij daar eindelijk? Ik ben koud geworden van het wachten."
"'t Is mijn schuld niet, Majoor," antwoordde de aangesprokene; "men moet zijn tijd afwachten, om geen argwaan te wekken."
"Hoe is de stemming der Boeren?" vraagde de Majoor.
"Bepaald oorlogzuchtig," antwoordde Botter.
"Zoo," zeide de Majoor langzaam, -- "zóó! Ze zijn gek; dat zeg ik je. En heb jij je van je last gekweten?"
"Dan zou ik nog gekker zijn dan de Boeren," antwoordde Botter. "Ge wilt hebben, dat ik tweedracht onder de Boeren zaai en hen de heerlijkheid van het Engelsche gouvernement voor oogen houd. Maar begrijpt u dan ook niet, Majoor, dat ik door zoo te handelen mijzelve verraad? Ik heb het eens geprobeerd, doch die oude Dirk Kloppers keek mij zoo wantrouwend aan met zijn strenge oogen, dat ik er genoeg van had. Voor een klein gerucht ben ik niet vervaard maar om zich hals over kop in het ongeluk te storten -- neen, Majoor, dat doet Kees Botter niet."
"Wat doe je dan wel?" vraagde de officier op driftigen toon. "Gij zult goed betaald worden, dat weet je, maar het gouvernement wil waar voor zijn geld. Ge hebt reeds tien pond op afkorting te pakken, en ge hebt nog zoo goed als niets gedaan. Ik zeg je nog eens nadrukkelijk: wij willen waar voor ons geld."
"Niets gedaan?" zeide de lichtgeraakte Afrikaander ontstemd; "is mijn rapport van de oorlogzuchtigheid der Boeren dan van geen beteekenis?"
"Jij hadt mijn last moeten volbrengen," zeide de Majoor.
De jonge man trok onwillig zijn schouders op.
"Waarom heb je 't niet gedaan?"
"Dat heb ik reeds eens gezegd," antwoordde de Afrikaander op wreveligen toon. "We moeten geen kinderwerk doen. Gaat ge tweedracht zaaien, dan houden de Boeren je voor een spion, en je bent opgevouwen. Het moet anders worden aangelegd -- anders!"
"Jij schijnt nog al bang te zijn voor de Boeren," zeide de officier met een minachtend lachje.
"Bang ben ik niet," antwoordde de Afrikaander op hoogen toon, "maar ik _ken_ ze."
"Zóó," zeide de Majoor, "_ik_ ken ze ook. Eén Engelschman jaagt tien Boeren op den loop; dat is zeker."
"We zullen zien," zeide Kees Botter kortaf.
"En welk plan heb _jij_ nou?" vraagde de Majoor.
"Binnen kort zullen de Boeren een groote volksvergadering houden, ik weet het uit de beste bron, en die vergadering zal beslissen over oorlog en vrede."
"En jij denkt van oorlog?"
"Ik twijfel er niet aan, Majoor!"
"De Boeren zijn stapelgek; ik zeg het nog eens," riep de Majoor met gramme stem. "Maar wij zullen ze bijlichten, hé sergeant?"
"Dat zal waar zijn," antwoordde de dappere sergeant. "Ik wed, dat ze bij 't eerste kanonschot van schrik in zwijm vallen, Majoor," en hij trok welgevallig aan zijn oude, grijze knevels.
"Nu is het mijn voornemen," zeide de jonge Afrikaander, zijn plan nader uitéénzettend, "mij bij het Boeren-kommando aan te sluiten --"
De officier knikte bevredigd.
"Dat hoogstwaarschijnlijk de passen van het Drakengebergte zal bezetten," liet Botter er op volgen.
"En dan kunt gij de Engelsche autoriteiten op de hoogte houden van de bewegingen der rebellen?"
"Dat is mijn doel," zeide de Afrikaander.
"Mooi!" zeide de Engelschman, en hij wreef zich vergenoegd de handen.
"Hier," zeide hij op vroolijken toon, "rook eens! Wat wil je, licht of zwaar?" en hij stak den goedgevulden sigarenkoker den Afrikaander toe.
"Ik zal maar een zware nemen," antwoordde deze; "wij Transvaalsche Boeren zijn nog al zwaar op de hand," en hij lachte zelf om zijn kwinkslag.
"Gij moest in de omgeving kunnen komen van den aanvoerder der rebellen," zeide de majoor na een kleine pauze; "dat was nog iets. Hoe noemen de Boeren hun aanvoerder ook nog?"
"Kommandant-Generaal, Majoor!" antwoordde Botter.
"Hoor je 't nu, sergeant? De aanvoerder van een troep ezels heet Kommandant-Generaal," riep de Engelsche majoor, en hij schudde van het lachen.
Hij wendde zich weer tot den jongen Afrikaander.
"Zou je geen adjudant, boodschaplooper of zoo iets kunnen worden bij den aanvoerder der rebellen?"
"Ik weet het niet," antwoordde Kees Botter nadenkelijk, "maar we zullen zien; 't zal aan mij niet liggen."
"Goed," zeide de officier; "voorloopig heb ik nu niets meer te zeggen; heb je iets bijzonders, dan weet je, waar je 't brengen moet -- hier -- bij dezen boom."
Dit zeggende, sloeg hij met de vlakke hand tegen een knoestigen, krom gegroeiden boom.
"'t Is al laat, en nog een heel eind naar ons kamp -- kom sergeant, wij gaan."
Maar Kees Botter bleef staan, en maakte een gebaar met wijsvinger en duim, dat voor geen tweëerlei uitlegging vatbaar was.
De officier lachte.
"Gij zijt een echte geldduivel," zeide hij schertsend, "maar om uw moed en ijver te prikkelen voor de goede zaak, komt het er op een paar pond niet op aan."
Hij haalde een prachtig gewerkte geldbeurs uit den zak; tusschen de blauwe, fijne mazen door schitterde het goudgeld in het maanlicht.
De oogen van den jongen Afrikaander begonnen te fonkelen als van een roofdier.
"Hier," zeide de officier op jovialen toon, "heb jij tien pond met de beeltenis van je koningin er op."
Hij telde ze in de uitgestrekte hand van den spion.
Kees Botter telde ze nog eens, heel voorzichtig, en het koude goud gloeide in zijn hand als vuur.
"Dank je, Majoor," zeide hij, "en wel thuis."
Ieder ging nu zijns weegs; de open ruimte in het bosch lag weer verlaten.
Met opgeheven hoofd keerde Kees Botter naar huis terug.
Hij zwelgde reeds in het vergezicht der toekomst.
"'t Is Engeland te doen om het _Transvaalsche_ goud," zeide hij tot zich zelve, "en mij om het _Engelsche_ goud. Zoo heeft ieder zijn afgod. De Boeren zweren bij hun onafhankelijkheid, maar dit is _mijn_ god," en hij liet de goudstukken, die hij in zijn zak droeg, rammelen.
"'t Valt wel heel gelukkig," dacht hij vervolgens "dat de Boeren zulke stijfkoppen zijn; anders hadden de Engelschen mij niet noodig."
Hij wierp het korte, uitgebrande stompje sigaar weg, stak de handen in de zak, en begon een vrolijk deuntje te fluiten.
In een zeer behagelijke stemming bereikte hij de hoeve, en behoedzaam de achterdeur openend, zocht hij al tastend zijn slaapplaats op.
In het achterhuis meende hij iets als een zachten stap gehoord te hebben, maar het moest wel eene vergissing zijn. Hij lachte om zijn eigen argwaan, en spoedig lag hij te bed. Hij had zich echter niet vergist.
Toen hij was verdwenen, schreed die stap voort, naar het voorhuis. En die stap was zoo vast en zeker als de gang van een mensch op klaarlichten dag.
Slechts een blinde kon bij nacht zoo goed den weg vinden.
HOOFDSTUK VI. ------
In het ruime woonvertrek van Dirk Kloppers zaten niemand dan Kees Botter en de blinde Lena.
De andere waren op bezoek bij een buurman, die jarig was.
Heel voorzichtig nam Kees een vel geel geworden postpapier, een couvert, een inktpot en een penhouder met een half verroeste pen.
Hij zette zich aan de lange tafel, en begon met grooten ijver te schrijven.
Aan het andere eind der tafel zat Lena; zij hanteerde met bewonderenswaardige vaardigheid de breinaalden.
Botter was nu bijna gereed met den brief.
"Wat doe je daar, Kees?" vraagde Lena, terwijl zij hare glanslooze oogen ophief.
Hij schrok bijna van die vraag, maar hij antwoordde op zijn gewonen toon: "Wel, ik zit kleine houtjes te snijden -- waarom vraag je dat zoo?"
"Och, ik vraag dat maar," zeide zij bedaard.
Met een wantrouwenden blik keek hij haar aan, maar het volgende oogenblik moest hij er inwendig om lachen.
Zich ongerust maken om een blind kind -- 't was ook belachelijk!
Nu was de brief gereed en in het couvert gedaan, en met zekeren haast verliet Botter het vertrek.
Hij sloeg den weg in naar het ons bekende bosch.
Rechts en links liet hij zijn blikken gaan, maar niets verdachts bespeurde hij. Gloeiend drukte de hitte van den zomernamiddag op het erf. De kettinghond strekte zich slaperig uit bij zijn hok, en geen vogel liet zich hooren Er heerschte volstrekte rust; slechts de kippen kakelden en scharrelden luidruchtig in den mesthoop achter het huis.
In het bosch gekomen, liep de Afrikaander naar een open ruimte, waar hij de nachtelijke samenkomst had gehad.
Bij den knoestigen, kromgegroeiden boom bleef hij staan, en hij lichtte de schors zoover op, dat hij den brief er tusschen kon steken; tusschen de schors en den stam.
"Een knappe kerel, die den brief vindt," zeide hij tevreden; "zelfs de ouwe Dirk Kloppers zal er wel afblijven."
Terwijl hij weg was, stond de blinde op; zij tastte naar den inktpot, die op den schoorsteenmantel stond.
"Hij staat op de rechte plaats," mompelde ze, "maar de pen, waar is de pen?"
Zij tastte den schoorsteenmantel geheel af, doch kon de pen niet vinden. Nu voelde ze op de tafel rond en vond de pen.
Bij deze ontdekking kwam er een zekere spanning op haar fijn, schrander gelaat.
"Ik meende het krassen der pen wel gehoord te hebben," peinsde ze, "en ik heb me niet vergist. De zaak wordt al vreemder. Ik ben begonnen met hem te wantrouwen, en ik kan eigentlijk niet zeggen, waarom. Maar er ligt zoo'n harde, gevoellooze klank in zijn stem -- ja, daarin zal 't hem wel zitten. En nu heb ik hem eergister avond opgewacht, want hij bleef zoo verschrikkelijk lang weg, en in plaats van door de gewone huisdeur komt hij door de achterdeur binnen. Hij moet nog wel omloopen, om daar door te gaan -- wat mag de reden daarvan zijn?
En nu vraag ik hem: Wat doe je daar? en hij spelt mij een leugen op de mouw, want er is op den heelen vloer geen spaandertje te vinden, maar wel ligt de pen hier op tafel.
Ik vertrouw hem niet -- ik vertrouw hem al minder -- men zegt, dat het in ons land krioelt van spionnen -- misschien is hij een _spion!_"
Er gaat een zonderlinge beweging over haar gelaat. Zij stut het hoofd met beide handen als een mensch, die voor een moeilijk vraagstuk staat.
Is Kees Botter een spion, een verrader?
't Is haast te afschuwelijk, om het te gelooven.
Is hij geen spion? Waarom handelt hij dan zoo vreemd?
Zij weet, dat er in het naastbijgelegen dorp een Engelsch garnizoen is gelegd; zij brengt verband tusschen Botter's uitblijven, eergisteravond, en dat garnizoen; zij brengt eveneens verband tusschen het schrijven van Kees Botter en dat garnizoen.
Zij kan de gedachten niet kwijt raken: Kees Botter is een spion. Maar die gedachte, dat vermoeden jaagt het bloed sneller door haar aderen. Er komt een dreigende rimpel op haar blank en effen voorhoofd. Het is, alsof ze beginnen te weerlichten, die lichtlooze oogen -- de dochter der vrije Emigranten-Boeren komt boven in het blinde kind. Zij heeft haar vaderland lief, en voor de vrijheid van haar volk plengt zij, als het moet, zonder aarzelen haar bloed.
Zij legt de pen op de plaats, waar ze gelegen heeft. Zij zet zich weer aan de tafel, bij het opengeschoven raam, en rustig zet zij haar breiwerk voort.
Kees Botter is eindelijk teruggekomen. Het zweet gulst hem van het gelaat; zoo hard heeft hij geloopen.
"'t Is warm vandaag," zegt hij, "broeidend warm."
Het volgende oogenblik is hij het vertrek weer uit. Lena luistert met voorovergebogen hoofd, waar hij heengaat. Haar scherp gehoor volgt het zwakker wordend geluid van zijn stap.
"Hij is naar de wagenschuur," mompelt ze.
Met een snelle beweging tast zij nu naar de pen op de tafel -- ze is verdwenen.
"Ik dacht het wel," zegt ze.
Zij tast langs den schoorsteenmantel -- daar ligt ze; bij den inktpot.
"Ik dacht het wel," zegt ze.
"Ik dacht het wel," zegt ze nog eens.
HOOFDSTUK VII. ------
De Boeren hadden intusschen zoo hard gereden met den ossenwagen van P. Bezuidenhout, dat het door heel de Transvaal had gedreund. En bij de zeer gespannen verhouding tusschen het volk en de door hen gehate Engelsche regeering achtten de voormannen het noodzakelijk, om de groote volksvergadering, die zou worden gehouden op den 8sten Januari, een maand te vervroegen.
Naar deze vergadering, in het zuiden des lands, bij Paardekraal, trok een viertal ons wel bekende personen: de leeuwenjager, Jan Kloppers, Herman Hoogerhuis en Kees Botter.
De leeuwenjager sprak weinig; dat was zoo zijn manier. Doch de anderen, de jonge mannen, hadden het te drukker. Er werd geschertst en gelachen; er heerschte een prettige geest.
Slechts éénmaal dreigde de goede verstandhouding verbroken te worden.
Bij zeker dorp namelijk ontmoette hen een Engelsch ambtenaar. Die ambtenaar maakte met Kees Botter een praatje, en zij gaven elkander bij het heengaan de hand.
Het kookte en borrelde bij Jan Kloppers inwendig, toen hij dit zag, en hij was er de man niet naar, om dit onder stoelen of banken te steken.
"Jij bent een laf hartige kerel, om dat te doen," zeide hij toornig.
"Wien bedoel je?" vraagde Botter met onheilspellenden blik.
"Ik bedoel jòu," antwoordde Jan Kloppers met nadruk.
Het bloed schoot den prikkelbaren en eerzuchtigen Botter in het gezicht.
"Zeg dat nog eens," zeide hij met dreigende stem, zijn paard een heftigen ruk gevend, zoodat het tegen den moorkop van Jan Kloppers aan bonsde.
Maar de Hollander kwam tusschen beide.
"Jan," zeide hij, "jij hebt ongelijk. Gij hebt niet het recht, om Kees een lafaard te noemen, omdat hij een Engelschman de hand geeft. Er zijn Engelschen, die met Afrikaansche vrouwen zijn getrouwd. 't Zou een mooie boel worden als zoo'n vrouw haar man geen hand meer mocht geven! Als het op vechten aankomt tegen de Engelschen, zal Kees niet achteraan komen -- toe, geeft malkaar de hand!"
Nog een oogenblik weifelde Jan Kloppers -- toen reikte hij Kees Botter de hand.
"Ik ben te driftig geweest, Kees," zeide hij op gullen, hartelijken toon; "vergeef het mij! Wij waren altijd goeie kameraden -- laten we 't blijven!"
En hiermee was de twist bijgelegd. Tegen den avond bereikten de ruiters de plaats van Lodewijk Jansen, een broeder van Anna, Dirk Kloppers' vrouw. Van nacht zouden zij hier blijven, daar ze morgen nog altijd een halven dag stevig hadden door te rijden, voor zij het doel van hun reis hadden bereikt.
Lodewijk Jansen was van hetzelfde slag als Dirk Kloppers, maar hij zag er strenger uit, harder. De aard van zijn vader, van Barend Jansen, die zat er in. Op dat verweerde gelaat stond taaiheid te lezen en onverzettelijkheid, en dat breede, stalen voorhoofd wist van geen buigen. Hij was met hart en ziel de goede zaak toegedaan, en inniger kon geen Israëliet de Filistijnen, de vijanden van zijn volk, hebben gehaat, dan hij de Engelschen haatte. De Engelschen _waren_ voor hem de Filistijnen, en Londen noemde hij Gaza en Asdod.
Hij stond met beide voeten op oud-testamentischen bodem, en met beide handen hield hij vast aan deze wet: oog om oog, en tand om tand.
De deuren zijner gastvrije woning had hij wagenwijd open gezet voor de Transvalers, die naar Paardekraal trokken, en met een vijftiental Boeren, meest allen forsch gebouwde mannen, stond hij op zijn erf de naderende ruiters reeds op te wachten.
Nu sloegen onze vier ruiters de lange met abrikozen-boomen beplante oprijlaan in, en reden recht op de groep Boeren aan.
"Welkom," riep Lodewijk Jansen met zijn zware stem, "weest welkom!"
"Zijn er geen spionnen onder u?" liet hij er op volgen met een flikkering van zijn donkere oogen.
"Neen," zeide Jan Kloppers, "ik sta voor hen borg."
"Goed," hernam Lodewijk Jansen; "als een zoon van Dirk Kloppers dat zegt, dan vertrouw ik er op."
Nu ging men naar binnen, en dat er druk over den staatkundigen toestand werd gesproken, behoeft wel geen betoog.
"Ik denk, dat het lijdelijk verzet nu wel zal uit raken," zeide Lodewijk Jansen, "en ik ben er blij om."
"De toestand is onhoudbaar," zeide een oude Voortrekker; "het wordt nu _vechten_ of _trekken_."
"_Vechten_, als Engeland niet toegeeft," zeide de leeuwenjager.
"Of _trekken_," zeide een voorzichtige stem. "In mijn buurt maken zich reeds verscheidene menschen reisvaardig, om naar 't noorden te trekken."
"_Niet_ trekken," zeide een andere stem; "wij zullen toch eens met Engeland _moeten_ vechten. En moet het toch, dan liever van daag dan morgen."
"Dat is gemakkelijk gezegd," zeide de voorzichtige stem, "maar weet ge wel, dat wij geen kanonnen hebben, en dat de Engelschen met elk kanonschot minstens vijfentwintig der onzen zullen doodschieten?"
"'t Zullen er wel een paar minder zijn," zeide Jansen droogjes.
"En als wij de kanonniers bij de stukken neerleggen, dan worden de Engelsche kanonnen al heel mak," voegde de leeuwenjager er aan toe.
"Zoo," zeide de voorzichtige stem, "maar ik zeg: Bezint voor ge begint."
Doch nu stond er een kerel op als een reus, die achteraan zat in het vertrek. Hij sloeg met de vuist op de tafel, dat de glazen rinkelden, en riep: "Baas Verdoorn, je bent een erg verstandig en voorzichtig man, maar met jou voorzichtigheid gaan we naar den kelder. Verleden jaar, op zekeren nacht, reed ik naar huis, en mijn huis stond in brand. Er was geen levende ziel te zien; mijn vrouw en kinderen sliepen. 't Was erg onvoorzichtig van mij, baas Verdoorn, om zoo maar het brandend achterhuis in te loopen, en de twee balen buskruit er uit te halen. Gij zoudt u eerst bedacht hebben, baas Verdoorn, want gij zijt een verstandig man, doch in dien tijd zouden mijn vrouw en kinderen in de lucht zijn gevlogen."
"Wij hebben ons al drie jaar bezonnen," ging hij voort met toornige stem, "me dunkt, we kunnen nu onder de hand wel eens beginnen."
Een goedkeurend gemompel ging door het groote vertrek, maar de voorzichtige baas Verdoorn antwoordde; "Ge spreekt naar het verstand, dat ge hebt, baas van Asch. Weet ge dan niet, dat Engeland onuitputtelijke hulpbronnen heeft, en dat het voor elken Engelschman, dien wij doodschieten, twintig en honderd in de plaats kan stellen?"
"Huurlingen," riep baas van Asch, "huurlingen! Ze zuipen brandewijn, en ze gaan dood aan een jeneverberoerte!" 1)
"En weet ge dan niet," ging Verdoorn voort, "dat bij ons alles in eens in 't vuur moet? Dat wij geen reserven hebben en niets dan onze geweren?"
"Wat raadt gij dan?" vraagde de leeuwenjager met nauwelijks onderdrukte heftigheid.
"Dat heb ik reeds gezegd," antwoordde de aangesprokene: "trekken -- niet vechten. En misschien zal de Engelsche regeering ons nog eens recht laten wedervaren -- in de toekomst --"
"In de toekomst," barstte de lange van Asch los, "in de toekomst! Jij praat als een kind, baas Verdoorn, als een kind! Al wordt ge zoo oud als Methuzalem, dat zult ge die toekomst toch nooit beleven om de eenvoudige reden, dat die toekomst nooit zal komen. Engeland zal geen recht doen, neen, nooit!"
"Ik ben het eens met van Asch," liet een zwaargebaarde man zich hooren uit den anderen hoek van het vertrek: "eerst vechten! En verliezen wij 't, dan kan elke Boer, die 't overleeft, zijn wagen inspannen, en naar de wildernis trekken. Wij zullen dan doen, wat Kommandant-Generaal Andries Wessel Pretorius 2) heeft gezegd: We zullen van de woestijn ons schild maken, dat ons beveiligt tegen de lagen van Engeland."
"Ge overdrijft," zeide Verdoorn op vinnigen toon, "ge overdrijft schromelijk. Engeland heeft zijn ondeugden; 't is waar. Maar het heeft zijn deugden ook."
"Noem ze," riep Lodewijk Jansen met harde stem.
"Engeland houdt het vierde gebod in eere, meer dan eenig ander Volk," zeide Verdoorn.
"En het vertrapt het achtste, ook meer dan eenig volk," antwoordde Lodewijk Jansen.
"Het zendt zijn zendelingen naar de Kaffers," zeide Verdoorn.
"En het rooft hun land," antwoordde Jansen.
"Het begiftigt en zegent de volken met Bijbels," zeide Verdoorn.
"En het vergiftigt en verwoest de volken door opium en brandewijn," antwoordde Jansen.
"En gij beweerdet zoo even," ging Jansen voort, en zijn gelaat stond nog strakker dan gewoonlijk, "dat wij niets dan onze geweren hebben, Verdoorn, maar wij hebben toch nog iets meer, dat gij vergeet, namelijk ons goed recht. Wij kunnen tot God bidden, dat Hij onze wapenen zegene, en dat kunnen de Engelschen niet. Wij hebben God aan onze zijde, baas Verdoorn! En al zouden wij Boeren om onze vele afwijkingen en overtredingen ondergaan in den strijd, dan nog zeg ik: liever ondergaan in den strijd dan slaven worden van Engeland."
Hij was opgestaan; het begon te weerlichten onder zijn zware wenkbrauwen.
"Men spreekt tegenwoordig van programma's," zeide hij met verheffing van stem; "ik heb ook een programma. Het bestaat uit drie kleine woordjes: _Vrij of dood!_"
Als een vonk in het buskruit, zoo werkte dit woord.
"Vrij of dood!" riepen de Boeren in uitbrekende geestdrift.
Men schudde elkander de hand -- men zwoer elkander trouw -- "vrij of dood!"
En krachtiger dan gewoonlijk omklemde de hand van den leeuwenjager den loop van zijn geweer.
1) Sinds generaal Wolseley tegen de alcohol krachtig is te velde getrokken, is het jenevergebruik bij de Engelsche koloniale troepen veel verminderd. 2) Zie "Helden van Zuid-Afrika" pag. 153 en vervolg.
HOOFDSTUK VIII. ------
De Boeren, ook het gezelschap, dat wij bij Lodewijk Jansen hebben aangetroffen, zijn te Paardekraal aangekomen.
Wel heeft de Engelsche generaal Lanyon, die te Pretoria verblijf houdt, twee dagen geleden de bijwoning dezer volksvergadering te Paardekraal op strenge straffen verboden, maar de vijf duizend Boeren, die goed gewapend hier zijn verschenen, zijn niet gewend, om zich in hun plannen door een Engelschen generaal te laten dwarsboomen.
In afdeelingen van 300 à 400 ruiters rukken de Boeren aan, elke afdeeling onder hun eigen vlag. Vóór de tent van Paul Kruger houdt elke afdeeling halt, en brengt hem haar eere-saluut.
Met een plechtige godsdienstoefening wordt de vergadering geopend.
Men zoekt het aangezicht des Heeren, vóór het gaat in den strijd op leven en dood.
Ieder is onder den indruk van het ernstige oogenblik. Oude veten worden begraven, nieuwe banden gelegd. Men drukt elkander de hand; men zweert elkander houw en trouw!
Men draagt zware klipsteenen bij één; tot een hoogen hoop; tot een gedenkteeken der eendracht en eensgezindheid.
Het is een aangrijpend oogenblik, een hoogtepunt in het leven des volks.
Schouder aan schouder, zoo staan zij daar: een éénig volk, een volk van broeders!
De heldengeest der oude Voortrekkers en hooge geestdrift doortintelt hun ziel.
En zij heffen de handen omhoog, en zweren bij Hem, Die eeuwig leeft, de geliefde vierkleur trouw tot in den dood....
Herman de Hollander wijst naar een forsch gebouwden, breed geschouderden Boer, die naar voren treedt.
"Wie is dat?" vraagt hij.
"Dat is nu Paul Kruger," zegt Jan Kloppers.
Kruger staat op een verhevenheid; aller oog is op hem gericht.
Naar den _vorm_ is hij de Vice-president, doch _feitelijk_ nu president Burgers het land heeft verlaten, de president der republiek.
Hij, Paul Kruger, gaat voor het geliefde volk der Emigranten-Boeren thans het hoofd op het blok leggen.